Vermits de voorstelling van den ~ouden toestand~ van _Friesland_, in den

tekst, hoe kort ook, afwijkt van die, welke in vroegere geschriften over

dit onderwerp, ook door mij zelven, is voorgedragen, zoo is het

noodzakelijk hier aan te wijzen, dat ik daarin meestal gevolgd ben de

denkbeelden van Dr. _J. G. Ottema_, in zijne uitmuntende verhandeling,

getiteld: Over den loop der Rivieren door het land der Friezen en

Batavieren, in het Romeinsche tijdperk, geplaatst in het tijdschrift van

ons Friesch Genootschap: de Vrije Fries, IV 105; waarbij is gevoegd eene

Kaart (met latijnsche benamingen), welke alles zeer aanschouwelijk

maakt. Deze nieuwe voorstelling is met zóó grondige bewijzen gestaafd,

dat zij wel verdiende meer algemeen bekend te zijn, en vergeleken te

worden met de vermelde voorstelling van Dr. _G. Acker Stratingh_, in

zijn Aloude Staat en Geschiedenis van Nederland. Ook om de eerste reden

heb ik, met goedvinden en onder opzigt van mijn vriend _Ottema_, eene

dergelijke Schetskaart (met nederduitsche benamingen) bij dit werk

gevoegd, ter verklaring van de anders al te beknopte beschrijving.

Aangezien ik mij voorgenomen had, in den tekst zoo kort en eenvoudig

mogelijk te zijn, zoo heb ik het noodzakelijk geacht, hierbij eenige

Aanteekeningen te voegen: vooral, om rekenschap te geven van het

gestelde; om de nieuwere bronnen aan te wijzen, en om eere te geven aan

hen, die deze denkbeelden het eerst openbaar gemaakt en elders

uitvoeriger medegedeeld hebben. Ook voor hen, die de kort behandelde

onderwerpen nader willen onderzoeken, kan het nuttig zijn, hier telkens

de ~bijzondere~ bronnen aangewezen te zien. Het is echter mijn plan

niet, om in deze Aanteekeningen uitbreidingen te geven van het verhaalde

of kritische aanmerkingen en toevoegselen daarop, gelijk de Heer _J. van

Leeuwen_ heeft gedaan achter den nieuwen druk van it aade Friesche Terp,

welk belangrijk werkje ik bij deze zeer aanbeveel aan allen, die

uitvoeriger narigten omtrent vele punten wenschen te vernemen. Juist

omdat dáár zoovele schrijvers zijn aangehaald en ik gaarne zou zien, dat

die ~speciale~ Kronyk nevens mijne ~globale~ voorstelling van de

geschiedenis, in ~hoofdtrekken~, gebruikt wierde, om te zamen een

voegzaam geheel uit te maken, heb ik dikwijls mijne aanhalingen van

algemeene bronnen weggelaten, dewijl men die daar kan vinden, alsmede in

mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, in 1846 en 47 in 2

dln. uitgegeven.

_Aant. 2_, op _bladz. 16_.

_Oudste Bronnen._

Het is de Romeinsche Geschiedschrijver _Tacitus_, die aangaande der

Romeinen verkeer in _Friesland_ en hunne nederlaag ons de vermelde

berigten medegedeeld heeft. Zie _Tacitus_, vert. van Hooft, 4e Jaarb.

182. Aangaande den naam en de ligging van het bosch Baduhenna of

Badu-herne (vermoedelijk in Gaasterland) zijn vele gissingen.

_Winsemius_, Chronique, 22 verklaart dien naam niet onaardig als een

Friesche Wapenkreet: _Ba, du hinne!_ welke als een echo door het bosch

klonk! Even zonderling is de vermelding van dit feit in de hoogst

zeldzame: Sommiere Memoriale ende Loffelycke Beschryvinghe van de

wydtvermaerde Keyserlycke vrye provintie van Vrieslandt, mitsgaders de

daden, het leven ende handelinge der vroomdadighe vrye Vriesen. In rijm

ghestelt door Jacob Liefs Amstelredammer, 1636:

Noyt is u moedich volck trouplichtich niet besweecken:

Noyt is u Crijghers hert verflaut te ruch gheweecken,

Maer hebt de tieranny Ollenus wederstaen:

Doen ghy t' Romeynsche volck so machtich gingt verslaen,

Apronius slaet, hun volck ten roove van de Vogh'len

En het Romeynsche rot begroet met Is're Cogh'len.(!)

Mr. _A. van Halmael Jr._ heeft deze gebeurtenis meer dichterlijk

voorgesteld in zijn treurspel: Adel en Ida, of de bevrijding van

Friesland, Leeuwarden 1831. In het voorberigt hiervan komen eenige

ophelderingen daaromtrent voor, en mede in zijn Beknopt Overzigt van de

Friesche Geschiedenis, waarvan het eerste gedeelte voorkomt achter _van

Leeuwen's_ uitgave van it aade Friesche Terp, bl. 289, 298, 300, en

vertaald in het Friesch Jierboeckjen, foar 1831 en vervolgens.

_Aant. 3_, op _bladz. 18_.

_Oude Handels-geschiedenis._

Ofschoon de Geschiedschrijvers veelal de groote gebeurtenissen of feiten

vermelden, is het echter zeer belangrijk, uit veelvuldige bijzonderheden

na te gaan, hoedanig de innerlijke maatschappelijke toestand was van een

volk in verschillende tijden. Omtrent dit duistere tijdperk is zulks

vooral gedaan door den Heer Mr. _J. Dirks_, in zijne bekroonde

verhandeling: Geschiedkundig Onderzoek van den Koophandel der Friezen,

van de vroegste tijden tot aan den dood van Karel den Grooten, Utrecht

1846. Bij de lezing van dit hoogst belangrijke geschrift staat men

verbaasd over den rijkdom van bijzonderheden, welke de Schrijver met

uitstekende vlijt uit de bronnen heeft opgespoord. Dit laatste is in

zulk een werk van veel belang: vooral, omdat er, bijzonder bij de

Hollandsche geschiedschrijvers, die over Friesland en de Friezen hebben

geschreven, zoo vele onnaauwkeurige voorstellingen, verkeerde

denkbeelden en ongegronde beweringen bestaan, welke het doen betreuren,

dat zij, die over de geschiedenis van Nederland schrijven, zoo weinig

kennis dragen van die der provinciën, inzonderheid van Friesland.

_Aant. 4_, op _bladz. 23_.

_De Oude Grenzen van Friesland._

Een niet minder belangrijk geschiedkundig onderzoek, naar de uitbreiding

en grenzen van _Friesland_ in verschillende tijdperken, heeft in de

laatste jaren licht verspreid over dit onderwerp. Ik bedoel de te

_Groningen_ in 1834 bekroonde verhandeling van den Heer Mr. _J. van

Doorninck_, later Archivarius van _Overijssel_, Commentatio de Frisiae

Terminis, waarvan de Heer _I. A. Nijhoff_ een uitvoerig verslag heeft

gegeven in zijne Bijdragen voor vaderl. geschiedenis en oudheidkunde, I

Aank. 57. Lezenswaardig zijn ook de mededeelingen van _Karl Türk_ in

zijn werkje: Altfrisland und Dänemark, Parchim 1835.

_Aant. 5_, op _bladz. 25_.

_De verovering van Brittannië_

door de Friezen en andere volken en de gevolgen daarvan zijn zeer

uitvoerig behandeld door den Hoogleeraar _A. Ypey_ in zijne Geschiedenis

der Ned. Taal, I^e dl. 1812, 174 en II^e dl. 1832, 152; een werk, ook in

andere opzigten voor de Friesche geschiedenis en letterkunde van zeer

veel belang. De overeenkomst van het Friesch met het Engelsch is met

proeven aangewezen in het eerste deel van den Tegenw. Staat van Friesl.

Harl. 1785, bl. 156. Bekend is het gezegde:

_Boetter, Brea in griene Tsies

Is goed Ingelsch in eak goed Friesch._

Als eene latere proeve dier taalverwantschap, ook tusschen het

tegenwoordige Friesch en Engelsch, deelen wij mede Dr. _Bowring's_

vertaling der opdragt van _Posthumus'_ Keapman fen Venetien in Julius

Cesar fen _Shakspeare_, voorkomende in zijne schets der Friesche

Letterkunde, geplaatst in de Westminster Review, 1829, N^o. 23 en

vertaald in de Leeuw. Cour. 1830, N^o. 66:

_Lyk az Gods sinne swiet uus wrâd oerschijnt;_

Like as God's sun sweetly our world o'ershines;

_Her warmtme in ljeacht in groed in libben schinkt;_

Her warmth and light and growth and life sends;

_Lijk az de mijlde rein elke eker fijnt:_

Like as the mild rain each acre finds:

_So dogt eak dat, wat ijn uus, minsken, tinkt._

So does eke that, what in us, men, thinks.

_Dij sprankel fen Gods fjoer, ijn uus lein, jouwt_

That sparkle of God's fire, in us laid, gives

_Oeral eak ljeacht in FREUGDE oon Adams team._

O'erall eke light and JOIJ on Adam's train.

_Wer dij wenn't, hulken, oaf paleisen, bouwt,_

Where they dwelt, hulk (cottage) or palaces build,

_In fen wat folk hij iz, ho hij him neam._

And of what folk he is, how he him (self) names.

Bij deze vergelijking (voegt _Bowring_ er achter) zal men hebben

opgemerkt, dat er van de twee-en-vijftig woorden een-en-vijftig in het

Engelsch bewaard en slechts weinig veranderd zijn geworden; terwijl

alleen het woord _freugde_ voor een van Normanschen oorsprong heeft

moeten wijken.--Doch ook in zijne schoone Brieven over Friesland (1829)

en Iets over de Friesche Letterkunde spreekt _Bowring_ bij herhaling van

der Friezen verwantschap en overeenkomst met den Angel-Saxischen stam,

als van eene natie, "wier voorvaderen onze voorvaderen waren, wier taal

en zeden eene zeer sterke overeenkomst hebben met de onze." Die

overeenkomst in taal en volkskarakter haalden hem allereerst tot een

onderzoek over. Bij iederen tred vond hij nieuwe punten van gelijkheid,

zoodat hij zich had kunnen verbeelden te verkeeren onder Angel-Saxen van

een meer gevorderden trap van verstandelijke beschaving. "Spreekwijzen,

(zegt hij) als verouderd Engelsch, klonken telkens in onze ooren, en wij

konden niet nalaten eene verwonderlijke overeenkomst tusschen hen en

onze voorouders te ontdekken. Hunne taal, zeer veel overeenkomende met

die, welke in Engeland gesproken werd, vele honderden van jaren voor dat

_Shakespeare_ schreef; hun ligchaamsgestalte, hun schrandere en

wijsgeerige geest, hunne ontwijfelbare betrekking met het beste deel van

den Engelschen volksstam--dit alles boezemde mij belang in." Zie ook

_Wagenaar_, Vad. Hist. I 289; _Cerisier_, Gesch. der Ned. I 80;

_Molhuysen_ in _Nijhoff's_ Bijdragen, VI 244, VII 180, 184, en de door

_van Leeuwen_ opgenoemde schrijvers in zijne Aantt. op de Kronyk, bl.

332.

_Aant. 6_, op _bladz. 34_.

_Der Friezen strijd tegen de Franken._

Omtrent dit onderwerp, alsmede de invoering en vestiging van de

Christelijke godsdienst in deze landen zijn insgelijks in den jongsten

tijd onderscheidene uitmuntende geschriften in het licht verschenen en

door mij geraadpleegd. De bij het Kon. Ned. Instituut bekroonde

verhandelingen van Prof. _H. J. Royaards_ en Do. _E. J. Diest Lorgion_

bevatten vele merkwaardige berigten, welke uit de overgeblevene bronnen

geput zijn, even als de vroeger aangehaalde voorlezing van Jhr. Mr. _B.

J. L. de Geer_, de strijd der Friezen en Franken, waarvan ik dikwijls

gebruik gemaakt heb. Zie ook de fraaije voorlezing van Do. _A. Winkler

Prins_, over _Radbout I_, geplaatst in de Vrije Fries, V 97, en _van

Loon_, Aloude Regeeringwijs van Holland, Leiden 1744, I 110 en verv. II

5 en verv. Daar ook deze schrijver op eerstgenoemde plaats verklaart,

dat Holland "tot in de elfde eeuwe toe, altyd VRIESLAND is genaamd

geworden," is het een aangenaam verschijnsel van onzen tijd, dat in de

geleerde en grondig bewerkte verhandelingen van _Royaards_ en _van Asch

van Wijck_ bij herhaling gewezen wordt op het hoog belang der

geschiedenis van Friesland ~voor~ of ~als~ de geschiedenis van Nederland

in de tien eerste eeuwen onzer tijdrekening; een belang, dat zoovele

Hollandsche Geschiedschrijvers schijnen te miskennen, als ze van de

_Friezen_ naauwelijks gewagen en van de hooggevierde _Batavieren_, de

vermeende stamvaders der Nederlanders, al te ligtvaardig overspringen op

de Franken en de Hollandsche Graven. Dáárom heb ik eene wederlegging van

dit verkeerde denkbeeld, uit het werk van Prof. _Royaards_, tegenover

den titel geplaatst, opdat ook deze mijne Geschiedenis niet beschouwd

zou worden als slechts ééne provincie betreffende en daarin met die van

andere gewesten gelijkstaande.

_Aant. 7_, op _bladz. 36_.

_Handelsverkeer._

Uitvoerige bijzonderheden omtrent het onderwerp der vorige Aant. en

vooral omtrent den toenmaligen toestand des volks en des handels en het

vervaardigen van die Mantels vindt men in _Dirks_, Koophandel der

Friezen, doch vooral in de Geschiedkundige Beschouwing van het oude

Handelsverkeer der stad Utrecht, van den voortreffelijken Burgemeester

dier stad, Jhr. Mr. _H. M. A. J. van Asch van Wijck_, wiens ijver en

belangstelling mijne nasporingen in het Utrechtsche Archief in 1837 zoo

aangenaam en nuttig maakten.

_Aant. 8_, op _bladz. 38_.

_Aard der Friesche Vrijheid._

De aanhef der Oude Friesche Wetten (met vele onschatbare aanteekeningen

door _P. Wierdsma_ in 1782 uitgegeven), blz. 1, 13, 109, 119 enz.

vermeldt die hulp ter verovering van Rome, en Mr. _Dirks_ heeft die

togten tegen de Wilten en Avaren historisch toegelicht in de Vrije

Fries, V 29. De voorstelling van den aard der Friesche vrijheid, door

mij gevolgd, waarbij onderscheid is gemaakt tusschen de verschillende

deelen van het Friesche rijk en tusschen _Karel_ als ~beschermheer~ van

de Friezen en als ~veroveraar~ van de West- en Oost-Friezen, is

duidelijk uiteengezet en met bewijzen gestaafd in de schoone

Verhandeling over de Benaming van Vrije Friezen, door den Heer _L. H. W.

van Aylva Baron Rengers_, in de Vrije Fries, V 193; een hoogst

belangrijk stuk, dat wij alle beoefenaars van de geschiedenis zeer

aanbevelen.

Ten aanzien van der Friezen vrijheid ook omtrent geestelijke zaken, het

stichten van Kerken enz. heeft de Heer Mr. _W. W. Buma_ grondige

bewijzen bijeengebragt in: het Regt der Friesche Herv. Floreenpligtigen

op het verkiezen van Predikanten enz. toegelicht en verdedigd, Leeuw.

1849, bl. 14, 33. Bij al deze beschouwingen omtrent den oorsprong en den

aard der Friesche Vrijheid verlieze men niet uit het oog, dat de

toestand van onderscheidene omliggende landen en de daaruit

voortgevloeide instellingen naauw zamenhangen met de toenmalige regten

van het bijna algemeen ingevoerde Leenstelsel (eene uitvinding der

dwingelandij), van erfelijk geworden Graven of Leenmannen, van

lijfeigenschap en van heerlijke regten, wier _niet-bestaan_ in

_Friesland_ reeds een negatief voorregt opleverde. De staatkundige en

personeele vrijheid, welke alle volken van nature bezitten, werd hen

door verovering ontnomen,--den Friezen werd zij ~gelaten~. Daarom noemt

_Halsema_, bl. 44 als de hoofdkenmerken dezer vrijheid: "een vrije

persoonlijke staat en daaraan verknocht vrij bezit of bestuur van

goederen, in tegenoverstelling der Lijfeigenschap, benevens aandeel en

gezag in de regering des lands." _Bosscha_, Neerl. Heldend. I 20 zegt:

"Hunne burgerlijke vrijheid echter verloren zij niet; want zij behielden

het zwaard, het teeken der eer." Het denkbeeld van vrijheid kan dus

bezwaarlijk alleen en op zich zelf beschouwd worden, maar is

betrekkelijk, en dikwijls alleen geldig bij wijze van vergelijking met

eene vroegere overheersching of met de overheersching, waaronder naburen

zuchten. De oorsprong van der Friezen regt en van hunnen exeptioneelen

toestand komt vooral hierop neder: dat zij, bij de aanneming van _Karel

den groote_ (die hen, volgens de Oude Fr. Wetten, bl. 13, "in zijne

~bescherming~ nam, opdat zij den Noordman mogten ontkomen") "zich aan

geene territoriaal verovering, waarbij zij en al hun have het eigendom

der Franken zouden geworden zijn, onderworpen hebben." Op dit door de

groote gevolgen zoo belangrijke punt wordt door den Heer _Rengers_

bijzonder gedrukt. Het is ook vermeld bij _van Doorninck_ en _Nijhoff_,

Bijdragen, I 66, boven aangehaald. De hoofdbepalingen der vrijheid zijn

medegedeeld door _Foeke Sjoerds_, Alg. Beschrijv. I 391, volgens

_Emmius_, 71 en de Oudheden en Gestichten, I 22. Met regt konden de

Friesche Staten alzoo in eene Deductie van 1674 betuigen: "want is 'er

ooit een natie onder de sonne geweest, die jalours van hare vryheid

geweest is, so is het de Vriessche natie geweest, die Aborigenes genaemt

worden, als die haer eygen name en woonplaets nimmermeer hebben

verandert." Charterboek, V 1037.

_Aant. 9_, op _bladz. 52, 55_.

_Het verbond der zeven Zeelanden._

Een hoogst belangrijk overzigt van den staat, den regeringsvorm, de

wetten en betrekkingen van Friesland, tijdens het verbond der Zeelanden,

bevat (om niet te gewagen van den schat van kennis, welke daarover is

ten toon gespreid in de Voorreden der twee eerste deelen van het Vriesch

Charterboek) de Verhandeling van Mr. _D. F. J. van Halsema_, als

inleiding van het door hem daarbij uitgegevene Hunsingoër Landregt van

1252, voorkomende in het 2e deel der Verhandelingen van het Groninger

Genootschap: pro excolendo jure patrio, Gron. 1778;--een voortreffelijk

werk, dat ik reeds voor jaren herhaaldelijk bestudeerd heb, doch waaruit

ik voor mijn tegenwoordig doel weinig kon overnemen, dewijl ik mij tot

de hoofdtrekken der Friesche geschiedenis bepalen- en, om uitvoerigheid

te vermijden, tot mijn leedwezen vele bijzonderheden achterwege laten

moest. Ik verzoek, dat men dit bij de beoordeeling wel in het oog houde,

opdat men mij dáárom niet van oppervlakkigheid of onvolledigheid

beschuldige. Over de juiste grenzen van ieder dezer Zeelanden, wier

omvang door mij slechts in hoofdpunten is opgegeven, is steeds veel

verschil geweest. Dit zal er ook altijd blijven bestaan, omdat deze in

onderscheidene tijdperken uiteenliepen, en omdat wij uit die tijden

zelve deswege geene naauwkeurige opgaven bezitten. Men zie daarover de

Vrije Fries, IV 20 en 254; Tegenw. Staat van Friesland, I 46,

enz.--_Westendorp_, Jaarboek van en voor de prov. Groningen, 1829, I 133

en 211 brengt de Zeelanden eerst tot 13e eeuw; even vreemd laat hij

_Friesland_ na 912 nog tot het Sincfal uitstrekken, zonder al het

vroeger voorgevallene in aanmerking te nemen. Nog in 1430 werd het

Verbond der gemeene Friezen, van het Flie tot over de Jade en de stad

Bremen, vernieuwd (Charterb. I 494). Daarin bepalen zij nog: onderling

te "willen mit der hulpe Gades Almechtig fry, Freesch, de eene mit den

anderen bystandich wesen, und beschermen unse Over-Olderen vaders recht,

van Coninck _Carolo_ beschreven recht, und by der gemeenen Freesen

Lantrecht und frydommen tho ewigen tyden to blyven; und mit lyff und

guet alle Duytsche Heeren buiten den Lande tho holden" enz. Hierin is de

gansche bedoeling van het verbond der Zeelanden te zamengevat.

_Aant. 10_, op _bladz. 59 en 60_.

_Veranderde Toestand des lands, de Zuiderzee enz._

Als latere bronnen der geschiedenis van de veranderingen des bodems en

der watervloeden verwijzen wij hier naar de Inleiding van _van

Leeuwen's_ Tafereel van den Watervloed, Leeuw. 1826; _F. Arends_, Nat.

Geschiedenis van de Kusten der Noordzee, met Aanteekeningen van Dr. _R.

Westerhoff_, Gron. 1835, 2 dln., waarvan een derde deel de Geschiedenis

der Watervloeden bevat; Mr. _J. Scheltema_, drie verhandelingen over de

Geschiedenis der Zuiderzee, over de Veranderingen der kusten en

Aanwijzing van bijdragen daartoe, in zijn Geschied- en Letterkundig

Mengelwerk, Utr. 1836, VI^e dl. 2e st. bl. 55, 103, 137; Dr. _Acker

Stratingh_, Aloude Staat, waarvan het eerste deel de Bodem en de Wateren

bevat; maar vooral naar de Redevoering over het ontstaan der Zuiderzee,

van Dr. _J. G. Ottema_, met kaart, in de Vrije Fries, IV 183, een

vervolg op zijne, in Aant. 1 vermelde, Verhandeling over den Loop der

Rivieren enz. Daarin zijn vele verspreide berigten met zoo veel kennis

en schranderheid tot een geheel gebragt, dat ik dit voortreffelijk stuk

zeer aanbeveel, ter bekoming van naauwkeuriger denkbeelden dan ik

daarvan heb kunnen geven, wegens de bekrompenheid van mijn plan, hetwelk

mij dikwijls hinderlijk is geweest in de juiste en volledige

voorstelling. Wie evenwel aan mijne te korte aanwijzingen niet genoeg

heeft, kan in de opgenoemde bijzondere behandelingen van dit onderwerp

ruime stof voor zijn weetlust vinden. Omtrent de Geschiedenis van de

Middelzee verwijs ik naar de Nasporingen, in 1834 met mijne vrienden

_Brouwer_ en _van Peijma_ door mij uitgegeven.

_Aant. 11_, op _bladz. 74_.

_De Friezen in de Kruistogten._

Al de berigten der Kronykschrijvers omtrent der Friezen aandeel in de

Kruistogten zijn het eerst bijeengebragt door den Oost-Frieschen

geschiedschrijver _T. D. Wiarda_ (1786). De Heer _J. van Leeuwen_ gaf

daarvan eene vertaling achter zijne vermelde uitgave van it aade

Friesche Terp, bl. 365. Doch naderhand (1842) heeft Mr. _J. Dirks_ deze

berigten kritisch onderzocht, en vergeleken met latere, ook

buitenlandsche bronnen, en daarvan in de Vrije Fries, II 135 en 221,

onder den titel van: Noord-Nederland en de Kruistogten, een verhaal of

Schetsen gegeven, inzonderheid _volgens de berigten van ooggetuigen en

tijdgenooten_. Deze voortreffelijke verhandeling, welke van vlijt en

bekwaamheid evenzeer getuigenis geeft, ben ik in mijne korte

voorstelling hoofdzakelijk gevolgd. Evenzoo zijn belangrijk stuk: de

Friezen voor Aken, in het 5e dl. van het zelfde tijdschrift, bl. 53. Het

verhaal van Roorda met den Moor vond ik in de verzameling Genealogiën,

onder den naam van het Handschrift Doys beschreven op bl. V der Voorrede

van het Stamboek van den Frieschen Adel, der Heeren _Hettema_ en _van

Halmael_.

_Aant. 12_, op _bladz. 98_.

_De Schieringers en Vetkoopers._

Over den aard en oorsprong dezer Partijschappen is veel geschreven,

zonder dat echter iemand in staat was, daarvan zekere en naauwkeurige

berigten te kunnen mededeelen. Ik heb de vrijheid genomen daarover mijne

denkbeelden mede te deelen en daarvan een overzigt te geven in algemeene

trekken, dewijl toch de bijzonderheden, voor mijn doel te uitvoerig, in

onze kronyken kunnen nageslagen worden. In 1829 is er eene vrij dorre

kronykmatige Geschiedenis van de onlusten tusschen de Schieringers en

Vetkoopers door _A. v. H._ uitgegeven. Dit werk wordt dikwijls

verkeerdelijk toegeschreven aan Mr. A. _van Halmael Jr._, die grondiger

en meer wijsgeerige beschouwingen over dit zelfde onderwerp heeft

medegedeeld in de belangrijke Narede van zijn voortreffelijk treurspel:

Ats Bonninga, Leeuw. 1828, en in zijne rom.-dram. tafereelen: de

Schieringers en de Vetkoopers, Leeuw. 1841, waarin op bl. 25 eene

duidelijke ontwikkeling van den oorsprong dezer partijschappen voorkomt.

Belangrijk is ook de verhandeling van den Heer _P. Burggraaff_ over den

oorsprong en de namen dier partijen, voorkomende in het Tijdschrift voor

Onderwijzers, Gron. 1833, I 34.--Echter stelt _Jancko Douwama_ in zijne

Geschriften (van 1830-49 uitgegeven door het Friesch Genootschap), bl.

20, dat de naam ~Schieringers~ _sprekers_ beteekent tegen de _rijken_,

door hen ~Vetkoopers~ genoemd; terwijl hij beweert, dat de oorsprong der

partijschap gelegen was in de poging der armen, om, in navolging van de

partijen in _Holland_, de rijken te bewegen, om hun goed met hen te

deelen, zóó, "dat de arme vast met de rijcke in de kiste begosten to

tasten." Deze meening van een edelman, die ongaarne tegen den adel zou

getuigen, lijdt echter bedenking. Met veel meer waarschijnlijkheid mag

men uit al de omstandigheden opmaken, dat het de vrijheidszucht van het

in welvaart toenemende volk tegen de heerschzuchtige aanmatigingen van

den adel en de heerschappen, ook in de steden, was, welke de beroerten

ontstaan en, onder allerlei vormen en bijkomende omstandigheden,

voortduren deed. Misschien had een naijver tusschen _Oostergoo_ en

_Westergoo_ daarin ook een aandeel, en werd het vuur bestendig

aangeblazen door de onlusten in _Groningen_, door de heerschzuchtige

Oost-Friesche edelen en de Hollandsche Graven, die allen nu deze dan

gene partij met hunne hulp ondersteunden. Zie slechts _Worp van Thabor_,

Kronyk, IV 4, 19, 31, 33 enz. enz.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 36 / 41 段