Intusschen was de invloed van _Frankrijk_ en onze afhankelijkheid van

NAPOLÉON, die zich in 1804 tot Keizer had verheven, grooter geworden.

Eene gewijzigde Staatsregeling voor het Bataafsche Gemeenebest

was daarvan in 1805 het gevolg. De edele staatsman RUTGER JAN

SCHIMMELPENNINCK werd als Raadpensionaris met een Wetgevend Ligchaam

geplaatst aan het hoofd van het bewind, dat de belangen der

Departementen en Gemeenten door nieuwe verordeningen (ook op het

onderwijs) zocht te bevorderen. _Friesland_ werd nu ten aanzien van de

Justitie en Politie verdeeld in 15 Drost-ambten, welker bestuur uit een

Drost, Mederegters en Schepenen bestond. Dat bewind, hetwelk den

zorgvollen toestand des lands zoo veel mogelijk trachtte te lenigen, was

echter alleen de overgang tot eene Monarchale regering. NAPOLÉON'S wil

schiep het Koningrijk _Holland_, en plaatste zijnen broeder LODEWIJK op

den troon (5 Junij 1806). Op nieuw onderging de constitutie eene

wijziging, en werden den Koning vier Ministers met eén Wetgevend

Ligchaam van 38 leden toegevoegd, voor zooverre er voor dezen nog

een schijn van gezag was overgebleven na het vallen van de eenmaal

zoo grootsche republiek. Ten gevolge daarvan werd _Friesland_ in

den volgenden jare (vermeerderd met de eilanden _Vlieland_ en

_Terschelling_) gesteld onder het bestuur van een Land-Drost met zijne

zes Assessoren, benevens drie Kwartier-Drosten; terwijl de Steden van

den eersten rang, boven de 5,000 zielen, onder het bestuur kwamen van

een Burgemeester, vier Wethouders en eene Vroedschap, benevens eene

Schepensbank als nedergeregt. Ten platten lande werd een Baljuw aan het

hoofd van het bestuur van ieder der 30 Districten gesteld[371].

[371] Zie de _Verzameling van Placaaten_, VIII 1, 23, IX 483, X 193,

482 env.

De welwillendheid, waarmede de goedhartige Koning LODEWIJK de belangen

van ons vernederd vaderland tegenover de aanmatigingen van zijnen

heerschzuchtigen broeder voorstond, verzachtte aanmerkelijk het

misnoegen des volks over dit opgedrongen gezag. Door de ijverige zorgen

van den Land-Drost REGNERUS LIVIUS VAN ANDRINGA DE KEMPENAER en zijne

Assessoren mogt _Friesland_ gedurende de vier jaren van het koningschap

vele voorregten smaken. In vergelijking toch van _Holland_, dat door het

stilstaan van den handel kwijnde en van andere provinciën, die door

watervloeden en oorlogsrampen geteisterd werden, had ons gewest aan de

toenemende ontwikkeling van den landbouw en de veeteelt zelfs eene mate

van voorspoed en bloei te danken, welke eenigzins opwoog tegen de immer

stijgende schulden, lasten en bezwaren. Doch NAPOLÉON'S zucht om te

veroveren en te heerschen, bij voortdurende teleurstelling in zijn

wensch om _Engeland_ meester te worden, maakte hem vermetel, bitter en

onregtvaardig, vooral jegens zijnen broeder en ons vaderland. De Keizer

dwong hem, afstand te doen van den troon (1 Julij 1810), en weldra

volgden nu de besluiten, dat _Holland_ met het Keizerrijk werd

vereenigd, dat het Fransche stelsel van regering, wetgeving, belastingen

en conscriptie op ons land werd toegepast, en dat de renten der schuld

slechts voor een derde zouden worden voldaan. Het grondgebied werd

daarbij verdeeld in zeven Departementen, ieder bestuurd door een Prefekt

en Onder-Prefekten met een Raad van Prefekture. Alléén _Friesland_ bleef

daarvan zijn alouden Naam behouden, en ontving eene verdeeling in drie

Arrondissementen met drie Regtbanken, in 19 Kantons met zoovele

Vrederegters en in 93 Gemeenten met Maires aan het hoofd[372].

[372] _Verzameling van Placaaten_, XIV 97, 111, 137.

Loodzwaar drukte van toen af de ijzeren hand des dwingelands op het

kwijnende vaderland, tot de diepste onderwerping aan zijne willekeur

gedoemd. Nogtans had _Friesland_ het voorregt, in den Prefekt JAN

GIJSBERT VERSTOLK een bestuurder te vinden, wiens wijsheid en

gematigdheid vele bezwaren der Fransche regering verzachtte, en die

daarvoor belooning vond in de algemeene hoogachting, in stede van den

haat en den vloek, welke elders op de hardvochtige en wreede handlangers

des tirans rustten. Wel kwamen er onder dit en het vorige bestuur vele

verbeteringen tot stand, welke wij duurzaam als heilzame vruchten der

verovering zullen vereeren; doch zij konden destijds niet opwegen tegen

de smartelijke verliezen, verbazende opofferingen van goed en bloed en

grievende vernederingen, die de natie moest dulden en ondergaan. Het

volksbestaan uitgewischt en ons land tot een wingewest van _Frankrijk_

verlaagd--vele bronnen van volksbestaan vernietigd, door den handel aan

kluisters te leggen en de havens te sluiten--het volk zonder gezag of

invloed op het staatsbestuur--door den dwang van politie en censuur

verstoken van de vrijheid van spreken en schrijven--door knellende

belastingen, heffingen en inkwartieringen uitgezogen--de jongelingen

zonder uitzondering als op de slagtbank voor de krijgsdienst geprest tot

een bloedigen oorlog, waarin gansch _Europa_ deelde,--de inkomsten van

duizenden ingezetenen en gestichten tot op een derde verminderd--'s

lands taal en zeden verguisd en het hooger onderwijs, ook door de

vernietiging van Frieslands beroemde Hoogeschool, ingekrompen,--ja,

bezit en eigendom zelfs afhankelijk gesteld van de willekeur der

Fransche gezagvoerders:--ziedaar eenige der vele bijna ondragelijke

bezwaren en kwellingen, waaronder de landzaat gebukt ging.

Zóó ver moest het komen, om de Nederlanders de droeve gevolgen hunner

vroegere partijschappen te doen betreuren; om hen, terwijl al het

dierbaarste hen naar buiten ontviel, tot zich zelve te doen inkeeren; om

hen in godsdienst en zedelijkheid de bron te doen zoeken van inwendigen

vrede, van kracht en moed onder vernedering en lijden, en om hen, bij de

stijgende magt en dwang des overmoedigen geweldenaars, te vervullen met

haat jegens hunne onderdrukkers en met hoop, neen, met het zekerste

vertrouwen op de toekomst. Immers, zulk eene algemeene verfoeide

dwinglandij, zulk een misbruik van gezag ~kon~ niet duurzaam zijn. Gods

Wijsheid en Liefde had onze vaderen tot zóó verre beproefd en gelouterd,

toen Zijne Almagt den man des bloeds, na eene uiterste krachtinspanning,

in de velden van _Rusland_ een perk stelde en vernederde, en voor de

lang verdrukte tolken den gewenschten dageraad van den dag der

verlossing, des vredes en der onafhankelijkheid deed gloren. Nooit mogen

de Nederlanders deze staats-omwenteling en hare oorzaken en gevolgen

vergeten![373]

[373] Hoe belangrijk ook, duldt mijn bestek niet, hier stil te staan

bij den invloed dezer omwenteling op de hoogere belangen des volks. Ik

verwijs deswege liever naar de voortreffelijke verhandeling van den

Hoogleeraar KEMPER, _over den Invloed der Staatkundige Gebeurtenissen

en der Godsdienstige en Wijsgeerige begrippen, sedert ruim 25 jaren,

op de ware verlichting in het godsdienstige en zedelijke bij de volken

van Europa_, door Teijlers stichting bekroond en in 1820 ook

afzonderlijk uitgeven.

ZESDE TIJDVAK.

HET NIEUWE FRIESLAND, ONDER DE KONINKLIJKE REGERING.

VAN DE HERSTELLING VAN NEDERLAND TOT OP DE NIEUWE REGELING VAN HET

GEMEENTEWEZEN.

_Van den jare 1813 tot 1851._

44. _Bevrijding en Vestiging van den Nederlandschen Staat. 1813-1816._

De heerschzucht van NAPOLÉON had te veel gewaagd, toen hij, na een groot

deel van _Europa_ veroverd te hebben, ook het magtige _Rusland_ aanviel.

Zoodra liep de krijgskans hem niet tegen, of de lang door hem verdrukte

volken sloegen de handen met _Rusland_ in-een, om hem te vernederen en

zich zelve tot vorigen rang te herstellen. Terwijl de tijding van zijne

nederlagen de Fransche ambtenaren in _Nederland_ met schrik en schroom

vervulde, zoodat zij op zelfbehoud bedacht waren, werd te _'s

Gravenhage_ door GIJSBERT KAREL VAN HOGENDORP, (den kleinzoon van ONNO

ZWIER VAN HAREN) en zijne vaderlandlievende vrienden het plan gevormd,

eene omwenteling te bewerken en den _Prins van Oranje_, die zich in

_Engeland_ bevond, het gezag aan te bieden.

Inmiddels zond de Russische overste Baron ROSEN een aantal kozakken naar

_Friesland_, die den 16 November 1813 te _Leeuwarden_ aankwamen. Nu

werd de vlugt der Franschen algemeen. Ook de Prefekt VERSTOLK verliet

deze provincie, waarna de Raad van Prefekture aan HECTOR VAN SMINIA de

waarneming van dat ambt opdroeg en zelf het gezag bleef bekleeden, in

afwachting van het welslagen der vrijheidlievende oogmerken in _Holland_

(25 Nov.). Na eene pijnlijke onzekerheid van eenige dagen, schonken

eindelijk de gelukkige uitslag dier pogingen, de spoedige overkomst van

den Prins van _Oranje_ en de proclamatiën, eerst in zijn naam en daarna

door hem uitgevaardigd, de zekerheid, dat de Franschen bijna geheel

verdreven waren, dat het hatelijk juk der dwingelandij was afgeschud en

dat de verbrokene banden tusschen _Nederland_ en het Huis van _Oranje_

op nieuw geknoopt waren, om de vrijheid en onafhankelijkheid des

vaderlands te herstellen. Onbeschrijfelijk groot was hier, gelijk alom,

de blijdschap over deze heugelijke gebeurtenis, welke op den 10 December

te _Leeuwarden_ en elders, bij 's Prinsen uitroeping tot Souverein

Vorst, met groote vreugdebedrijven- en twee dagen later in alle kerken

dezer provincie godsdienstig en dankbaar werd gevierd.

Kort te voren waren namens den Prins en het Algemeen Bestuur der

_Vereenigde Nederlanden_ ENNIUS HARMEN BERGSMA, lid van het Keizerlijk

Geregtshof te _'s Gravenhage_, en HECTOR VAN SMINIA, waarnemend Prefekt,

benoemd tot _Commissarissen-Generaal_ ter organisatie van het

Departement _Friesland_, tot bereiking van welk doel zij in ieder der

drie Arrondissementen een Commissaris aanstelden. De Maires werden

afgeschaft en voorloopig in de steden door Burgemeesteren en

Vroedschappen en op het land door Schouten vervangen.[374] Algemeen was

de geestdrift, om mede te werken tot herstel van het herrezene

vaderland. Aanzienlijke giften in geld, goud en zilver werden daartoe

geofferd. Eene menigte personen nam dienst en trok uit, om de Franschen,

die zich nog in _Delfzijl_, _Koevorden_, _Gorinchem_, _Naarden_ en

elders genesteld hadden, te verdrijven.

[374] De Administratie van het Departement _Friesland_ was in 1813

zamengesteld uit: een Prefekt met 4 Raden van Prefekture en een

Secretaris Generaal; 3 Onder-Prefekten in de Arrondissementen, die

ieder 11 Raden hadden, terwijl de Algemeene Raad van het Departement

uit 16 personen bestond. In elk Arrondissement waren nog

Kantons-vergaderingen, met een President aan het hoofd. De 11 Steden

en 82 Gemeenten, waarin het Departement was verdeeld, werden door een

Maire, een of meer Adjunct-Maires en, naar gelang harer grootte, door

30, 20 of 10 Municipale Raden bestuurd.

Nadat in Maart 1814 een getal van 52 der aanzienlijkste ingezetenen of

Notabelen van _Friesland_ naar _Amsterdam_ waren genoodigd tot

beoordeeling van het Ontwerp van _Grondwet_, werd deze aangenomen, en

den 30 Maart WILLEM FREDERIK, _Prins van Oranje_, als _Souverein Vorst

der Vereenigde Nederlanden_ plegtig gehuldigd. Het voorloopig bestuur

der Commissarissen-Generaal werd den 6 April opgeheven door de benoeming

van Jhr. IDSERT ÆBINGA VAN HUMALDA tot _Gouverneur van Friesland_. Het

besluit van den 9 Maart 1815 herstelde de aloude verdeeling van dit

gewest in 30 of nu met de eilanden in 32 Grietenijen, onder het bestuur

van een Grietman, Assessoren en Leden van den Raad. Het bestuur der

Steden werd zamengesteld uit eenen Raad met vier of drie Burgemeesteren

aan het hoofd.

Vele bepalingen van die staatsregeling voor 9 provinciën, welke nu weder

bestuurd werden door Staten, die voor de wetgeving 55 leden der

Staten-Generaal en voor het dagelijksch bestuur een Collegie van

Gedeputeerden benoemden, ontvingen echter spoedig eene wijziging, ten

gevolge onzer vereeniging met _België_ en de nieuwe Grondwet van 1815,

bij de vestiging van het _Koningrijk der Nederlanden_, met WILLEM _den

eerste_ als Koning aan het hoofd.

Die uitbreiding van grondgebied, deze verheffing van onzen Staat tot een

Koningrijk, bij de herleving van handel, scheepvaart en nijverheid en de

herstelling van vele vroeger gesloopte betrekkingen en inrigtingen,

schenen voor de welvaart en het geluk van _Nederland_ eene schoone

toekomst te doen aanbreken. Ook in _Friesland_ werd de vroegere

hoogeschool te _Franeker_ in een Rijks-Athenæum hersteld; werden de

betrekkingen tusschen het volk en zijne vroegere bestuurders vernieuwd,

en ontsprongen er uit landbouw, veeteelt en handel bronnen van

volksvlijt en voorspoed, welke een nieuw leven verspreidden; terwijl de

ijver van het Algemeen en Provinciaal Bestuur, en niet minder van de

Plaatselijke Besturen, om herstellingen en verbeteringen aan te brengen,

op de ontwikkeling van alle standen en de bevordering van lang

verwaarloosde belangen van gunstigen invloed was.

45. _De jongste lotgevallen van Friesland. 1816-1851._

De blijde vooruitzigten, welke de vestiging van een onafhankelijk

volksbestaan geopend hadden, werden echter eerlang door tegenspoeden

getemperd. Nadat van 1816 tot 1824 bestendige afwisseling van

buitengemeen natte en drooge zomers schaarschheid en duurte en daarna

sterke daling van de prijzen der voortbrengselen van den landbouw ten

gevolge hadden, trof _Friesland_ den 5 Februarij 1825 met andere

gewesten eene geduchte ramp. Hevige en aanhoudende stormen deden op

verscheidene plaatsen dijkbreuken ontstaan, en binnen weinige uren was

tweederde gedeelte dezer bloeijende provincie overstroomd, en schenen

menschen, vee en bezittingen aan de woede der golven prijsgegeven te

zijn. De som der algemeene schade en verliezen, daardoor te weeg

gebragt, werd op niet minder dan 3 millioen Gulden geschat. Heerlijk

blonk echter toen ook, naast menig edelmoedig bedrijf tot redding en

hulpbetoon, de algemeene en bijzondere weldadigheid onzer landgenooten

uit, daar eene som van ruim 360,000 Gld. werd bijeengebragt, om de

schade, door behoeftige personen geleden, welke op ruim 680,000 Gld.

werd begroot, voor een deel te vergoeden[375]. In gelijke mate mogt

_Friesland_ de bewijzen der milddadigheid onzer landgenooten ontvangen,

toen in den volgenden jare, 1826, dit gewest door eene heerschende

ziekte en buitengewone sterfte werd geteisterd, ten gevolge waarvan ruim

20,000 nooddruftigen ondersteuning behoefden uit het fonds van

onderstand, hetwelk, uit eene som van bijna 110,000 Gld. en eene menigte

kleeding- en liggingsstukken bestaande, tot leniging van dien nood was

bijeengebragt[376].

[375] Zie over dit onderwerp het belangrijke werk van den Heer J. VAN

LEEUWEN, _Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en de

Overstroomingen in Friesland, in 1825_, en bijzonder Bijlage F,

benevens het _Rapport der Commissie voor de Noodlijdenden_.

[376] Volgens het _Algemeen Verslag en Verantwoording van de

Provinciale Commissie van Onderstand_.

Intusschen was de hoogbejaarde Jhr. ÆBINGA VAN HUMALDA, de edele vriend

en voorstander van kunsten en wetenschappen, in November 1826 als

Gouverneur dezer provincie vervangen door Jhr. JAN ADRIAAN VAN ZUIJLEN

VAN NIJEVELT, die eerlang aller hoogachting mogt verwerven door zijne

deugden en verdiensten ten aanzien der bevordering van Frieslands

belangen, bijzonder van den Waterstaat van dit gewest. De hoop, dat

rustige dagen van welvaart nu de geleden rampen zouden vervangen, werd

spoedig verijdeld door de gevolgen der Belgische omwenteling, welke van

1830 tot 1834 zware offers eischten. De algemeene geestdrift voor

Koning en Vaderland bragt die opofferingen nogtans gaarne en getrouw, en

mogten ook de duizenden, als soldaten en schutters uitgetrokkene

Friesche jongelieden en mannen vele blijken geven van krijgshaftigheid,

van onbezweken trouw en moed, waardoor onder het leger de Friesche naam

met eere werd gehandhaafd.

Bijna bestendige welvaart begunstigde vervolgens de uitvoering van

belangrijke provinciale en plaatselijke werken van algemeen nut. Sedert

1827 werden de hoofdwegen met vele zijtakken naar de voornaamste steden

en dorpen bestraat of bepuind, waardoor de gemeenschap te land, vooral

in den winter, evenzeer werd bevorderd als die te water door het

uitdiepen en verbeteren van vele kanalen voor de scheepvaart en de

afstrooming[377]. De kadastrale meting van deze provincie, in 1812 en op

nieuw in 1825 aangevangen, had sedert 1834 eene meer regelmatige

verdeeling van de Grondbelasting ten gevolge[378]. Het _Friesch

Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde_, in 1828 opgerigt,

verzamelde de krachten van alle beoefenaars en voorstanders dezer

belangrijke onderwerpen tot meerdere toelichting en openbaarmaking van

de bronnen onzer historische kennis; terwijl landbouw en veeteelt,

handel, fabrijkwezen en nijverheid met rustigen gang voorwaarts

streefden.

[377] Zie de meeste dezer werken opgenoemd in mijne _Geschiedkundige

Beschrijving van Leeuwarden_, II 278 env. Het laatste gedeelte van dat

werk bevat zeer vele bijzonderheden omtrent de merkwaardige

verbeteringen en aanbouwingen, welke Frieslands Hoofdstad vooral in

dit tijdvak onderging.

[378] Zie A. VAN TONDEREN, _Beschouwing van de Kadastrale Uitkomsten

in Vriesland_, Leeuw. 1842, voorr. VI en bl. 17. De vermindering der

hoofdsom van _Friesland_ was slechts [f]277,000, schoon deze

[f]400,000 had moeten zijn, welk bedrag deze provincie sedert 1806 elk

jaar te veel had betaald, zonder daarvoor ooit vergoeding te hebben

ontvangen.

In 1840, merkwaardig door de herziening van de Grondwet en de

troonsopvolging van Koning WILLEM II, overleed de algemeen betreurde

Gouverneur VAN ZUIJLEN VAN NIJEVELT. Van zijn opvolger MAURITS PICO

DIDERIK _Baron_ VAN SYTZAMA, die zoo lang als volksvertegenwoordiger

achting had verworven, verwachtte men nu veel goeds voor de belangen van

dit gewest. En inderdaad heeft hij die, naar zijne inzigten, met den

meesten ijver voorgestaan, onder afwisseling van voor- en tegenspoed:

want de opheffing van het Rijks-Athenæum te _Franeker_ (1843), het

ontstaan van de longziekte onder het rundvee (1842 en 1845) en de

gevolgen van den bij herhaling mislukten aardappeloogst, welke met

duurte en schaarschheid van levensmiddelen en naar aanleiding daarvan,

met verontrustende volksbewegingen gepaard gingen (1847), waren even

smartelijke verschijnselen des tijds, als de Tentoonstelling der

voorwerpen van Friesche Nijverheid en Kunst, in 1844 te _Leeuwarden_

gehouden, en de toeneming van den uitvoer der voortbrengselen van den

Frieschen landbouw en veeteelt, door de geopende stoomvaart op

_Engeland_ (1846), verblijdende waren.

Het jaar 1848 opende eene nieuwe rij van belangrijke gebeurtenissen. Dat

_Nederland_, te midden der toenmaals, ten gevolge der Fransche

omwenteling, zoo fel bewogen volken, rustig bleef, had het vooral te

danken aan het kloek besluit van Koning WILLEM II tot onbekrompene

herziening van onze grondwettige instellingen. In dat zelfde jaar kwam

deze tot stand, om de ontwikkeling van een nieuw staatkundig volksleven

voor te bereiden. Doch de Koning, die _Friesland_, na het overlijden van

den Baron VAN SYTZAMA, Jhr. Mr JAN ERNST VAN PANHUIJS tot Gouverneur had

geschonken (3 Nov. 1848), beleefde dit niet. Reeds den 17 Maart 1849

werd hij aan het vaderland ontrukt, en den 12 Mei opgevolgd door zijn

zoon Koning WILLEM III. 't Was onder dezen, dat de bepalingen der

Grondwet in het leven traden, ten aanzien der regtstreeksche

verkiezingen van leden voor de Generale en Provinciale Staten (1849 en

50) en van de Gemeentebesturen (1851), en dat andere wettelijke

bepalingen en andere personen invloed verkregen op het bestuur. Bij de

invoering van de Gemeentewet, op den 5 Julij 1851, werd tevens de aloude

benaming van Grietenijen voor de plattelands-besturen in _Friesland_

vervangen door die van Gemeenten, onder het bestuur van een

Burgemeester, Wethouders en leden van den Raad. (Zie _Aanteek. 27_.)

* * * * *

Met die belangrijke gebeurtenis sluit ik deze _Beknopte Geschiedenis van

Friesland, in Hoofdtrekken_, met dankzegging aan God, die mij krachten

schonk, deze taak naar vermogen te volbrengen. Het terugzigt op dit

tijdvak, zoowel als op de vroegere, is voorzeker verblijdende, omdat

wij, als de uitkomst van zoo velerlei wisselingen en lotgevallen, met

dankbaarheid mogen opmerken, hoe alles, onder de aanbiddelijke leiding

der Voorzienigheid, mogt medewerken, om de staatkundige, godsdienstige,

verstandelijke en burgerlijke voorregten des volks van lieverlede te

vermeerderen, ten einde zijne opvoeding en vorming, naar gelang zijner

vatbaarheid, meer en meer te voltooijen. Bij het bezit van zoo vele

voorregten en het genot van algemeene welvaart, die iederen burger thans

vergunnen, de genoegens des levens hier ongestoord te genieten en aan de

bevordering van het bijzondere en algemeene welzijn mede te werken, rust

er op het volk voorzeker eene dure verpligting, om zich die onschatbare

weldaden waardig te betoonen: om vrede en voorspoed niet enkel tot

genot, weelde en gemak, maar met wakkerheid en inspanning duurzaam tot

vermeerdering van godsdienstige en zedelijke kracht, tot uitbreiding

van zijne verstandelijke vermogens en de heiliging van hart en wandel

aan te wenden. Gezond verstand en goede trouw bij wakkerheid en vlijt

blijve de Friezen kenmerken. Een volk, dat naar het ~uitwendige~ zoo

vele voorregten bezit, als waarin wij Friezen ons mogen verheugen, past

het vooral, om, met het oog op de leer der geschiedenis en met

verstandige zorg voor de toekomst, zich door ~inwendige~ kracht te

sterken, tegen naderend gevaar en leed niet alleen, maar ook tot

bestrijding van vele maatschappelijke gebreken en tot verheffing en

veredeling van ons geslacht. Indien onze gezigtskring zich evenwel enkel

tot de stoffelijke voorregten van dit leven beperkt, en spijs en drank

ons, even als de dieren, alleen voldoening kunnen schenken, dan hebben

wij hier reeds genoeg, zoo niet te veel, ontvangen. Maar, neen! eene

zucht naar toeneming in kennis, in zedelijkheid en godsdienstzin bezielt

allen, die overtuigd zijn van hunne roeping, om zich hier te vormen voor

déze en dáárdoor voor te bereiden tot eene bétere wereld in het leven

der toekomst. Tot die vorming en voorbereiding schenkt God ons

gelegenheid en kracht door de verkondiging en beleving van zijn Woord;

en voorzeker zal het volksgeluk dáár het meest en het duurzaamst

gevestigd zijn, waar Geloof, Liefde en Hoop, niet enkel als Leer, maar

als Leven de bezielende beginselen der daden en gezindheden van het

onderling verkeer der ingezetenen zijn. Door deze kracht gesterkt, zal

de nog gebrekkige maatschappij meer rijpen voor hare bestemming, en

zullen alle van lieverlede toegenomene staatkundige en burgerlijke

voorregten, welke wij dankbaar erkennen en verstandig genieten zullen,

onder den zegen en het welbehagen van den grooten Opvoeder van het

menschelijk geslacht, middelen worden, om ons geluk voor tijd en

toekomst te verhoogen.

~AANTEEKENINGEN~, OPHELDERINGEN EN BIJVOEGSELS TOT DEZE BEKNOPTE

GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND.

Komt! oefnen wy de vlerk der weetzucht laag by de aard,

Gods hulp zal met ons zijn, zy is 't die ons bewaart.

Zijn Wijsheid houdt zich aan den stervling niet verborgen.

Zy roept ons: Kom tot my, by avond en by morgen;

Zy toont zich wijd en zijd, en biedt de hand ons aan,

En noodigt ons, in ernst heur gangen na te gaan.

Ja, slaan wy ze ijvrig gâ! en leere ons de ondervinding

Ons eigen pad erkennen. Weg, sluier der verblinding!

Het weten maakt ons wijs.

Het menschelijk Verstand

Ziet wel in 't rond, maar 't heeft tot grijpen slechts één hand.

Vervul het met iets goeds; het zal niets ijdels zoeken.

Maar laat geen ledigheid u 't zorgloos hart verkloeken.

Ons weten schildert ons wat goed en kwaad is, voor,

En dringt ook in ons hart, ter vruchtbre kennis, door.

Het is de Onwetendheid die trotsch maakt en vermetel:

Want hoogmoed dringt zich steeds by zelfwaan op den zetel.

Aanspraaklijk zijn wy aan ons-zelf; maar ook aan God,

Voor al wat invloed heeft op dit en 't eeuwig lot.

BILDERDIJK _naar_ SPIEGHEL.

~AANTEEKENINGEN~.

_Aanteekening 1_, op _bladzijde 10_.

_De Oude Toestand van Friesland._

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 35 / 41 段