het, den publieken geest, welke zich dagelijks krachtiger openbaarde en
op de verbetering van talrijke misbruiken aandrong, te trotseren, door
op den 25 September 1786 twee merkwaardige plakkaten uit te vaardigen.
Bij het eerste werd het op strenge straf verboden, beleedigende
geschriften uit te geven, of requesten en adressen over zaken der
regering te teekenen. Bij het tweede werden de nu gevaarlijk geachte
Exercitie-genootschappen opgeheven en verboden, en de burgers bevolen
hunne wapenen af te leggen[363]. Dan, de stroom vloeide reeds te lang en
te sterk, om, door zulke middelen gestuit, niet buiten zijne oevers te
treden. De tegenstand des volks werd meer algemeen, de breuke tusschen
de Prins-gezinden en Patriotten grooter, de verbittering sterker. De
stad _Franeker_ werd in Mei 1787 het middelpunt, waar de gewapende
misnoegden en tegenstanders van het Stadhouderlijk gezag zich
vereenigden; waar een Defensiewezen zich tegen gevreesde aanvallen
versterkte, door de stad met schansen en elf batterijen te omgeven en
krijgsvoorraad bijeen te brengen, en waar in Augustus tien leden der
Staten zich van die van _Leeuwarden_ afscheidden en, even als in 1672 te
_Sneek_, eene tegenregering vormden, die, met versmading van de wettige
meerderheid, hare bevelen, als de eenige en hoogste magt des lands,
overal wilde doen eerbiedigen.
[363] Zie de _Verzameling van Placaten_, 339, 343; _Apologie van_ C.
L. VAN BEIJMA, 172, 230, en vele andere stukken van dien tijd.
Zulk een verwarde toestand des lands, welke voor de rust, de veiligheid
en welvaart der ingezetenen hoogst verderfelijk was, kon niet duurzaam
zijn bij al de blijken, welke het volk gaf van nog niet rijp te zijn
voor het genot van eene vrijheid, waarvan alléén de klank veler hoofden
had bedwelmd; terwijl de band van ontzag, eerbied en liefde tusschen
overheid, vorst en volk was verbroken. Welk persoon, wat stout bedrijf
of welke merkwaardige gebeurtenis zou den veegen Staat redden? Helaas!
den benarden Stadhouder, dien men in _Holland_ zoo veel leed had
aangedaan, dat hij naar _Nijmegen_ was geweken, scheen geen ander middel
tot zelfbehoud over te schieten, dan de hulp in te roepen van zijnen
schoonbroeder, den Koning van _Pruissen_, die in September 1787 een
leger van 20,000 man naar _Holland_ zond, om den Prins in zijn gezag te
herstellen. Achtten velen deze inroeping van vreemde hulp eene grievende
beleediging,--zij had voor het oogenblik dit gunstig gevolg, dat alom,
na hevige uitspattingen, de volksberoeringen ophielden, en dat de Staten
van _Holland_, met intrekking van al hunne besluiten, tegen den Prins
genomen, den Stadhouder verzochten weder in _'s Gravenhage_ te komen.
Zegepralende op zijne vijanden, die het vaderland ontvloden, hernam hij
zijne waardigheden, en werd alom de bestaande regeringsvorm met kracht
gehandhaafd.
Maar welk gebruik maakten de Staten van _Friesland_ van deze overwinning
van het gezag? Verdienden zij door edele grootmoedigheid en
vergevensgezindheid den eerbied, waarop zij op nieuw aanspraak maakten?
Neen, strenge vervolgingen bragten hen in verdenking, dat niet het
welzijn des volks, maar het zegevieren hunner partij en zucht om het
beleedigde gezag te wreken het roersel hunner daden was. Nadat allen,
die zich verdedigers der grondwettige regten en vrijheden des volks
noemden, met de talrijke te _Franeker_ zamengevloeide gewapende burgers
die stad hadden verlaten, werd zij op den 24 September door de Staten
bezet, en daarna gestraft met het uitligten van de deuren der poorten,
welke in de kerk werden vastgelegd. Honderden Friesche patriotten
vlugtten, waarvan de meesten te _St. Omer_ in _Frankrijk_ eene
schuilplaats vonden. Vele leden van het defensiewezen en andere
deelgenooten van den opstand tegen den bestaanden regeringsvorm werden
gevat en door het Hof gevonnisd met gevangenzetting, geldboeten,
verbeurdverklaring van goederen en andere straffen. Eene algemeene
ontwapening des volks werd bevolen; de Fraterniteiten en andere
dergelijke staatkundige bijeenkomsten werden streng verboden. Wel lieten
de Staten den 16 October eene Amnestie afkondigen; doch deze bevatte,
na eene opsomming van al het misdrevene zóó vele uitzonderingen, dat de
meeste deelgenooten daar buitengesloten bleven, en zich liever den last
der ballingschap buiten hun vaderland getroostten. Hard viel deze straf
vooral vele rustige en brave burgers, die, met de beste bedoelingen,
door den tijdgeest onwillekeurig waren medegevoerd geworden. Nog harder
viel die vervolging, toen de Staten, ook nadat er reeds eenige jaren
verloopen waren, doof bleven voor alle verzoeken tot matiging, zoodat
zelfs nog in 1792 de zedige en verdienstelijke EISE EISINGA, die zich,
na jaren omzwervens, te _Visvliet_ nedergezet had en daar gevat was, na
een proces van een vol jaar, voor vijf jaren uit deze provincie gebannen
werd, enkel omdat hij in 1787 lid was geweest van het defensiewezen te
_Franeker_.
Te onverklaarbaarder was dit streng volhouden der Staten, omdat zij,
bekend met de wenschen des volks, waardoor de onlusten waren ontstaan,
sedert 1787 bijna niets deden ter verbetering van het door zoovelen
aangevallene staatsbestuur en tot wegneming van de algemeen erkende
misbruiken;--doch vooral, omdat de staats-omwenteling van 1789 in
_Frankrijk_ hun tot ontzetting deed zien, welk eene magt het volk
tegenover den troon, den adel en de geestelijkheid kon ontwikkelen;
welke de eischen waren van den onwederstaanbaren geest des tijds, en
welke gevolgen het onverstandig vasthouden aan verouderde vormen en
begrippen na zich ~moest~ slepen. Bekend was het bovendien, hoe
zeer de Nederlandsche vlugtelingen blaakten van wraakzucht, om hunne
overheden het inroepen der Pruissische hulp betaald te zetten; hoe
zij zich met de Franschen verbroederden, en, door briefwisseling met
hunne vrienden, in ons land de hoop levendig hielden op eene door hen
voorbereide verlossing, ter bekoming van eene gelijke vrijheid en
volkssouvereiniteit, als de Fransche republiek reeds had verworven. In
weerwil de onmenschelijke tooneelen van het schrikbewind, na den val van
Koning LODEWIJK XVI, alle mogendheden deden sidderen voor de woede van
een bandeloos volk--bleven de Staten van _Friesland_ zorgeloos en gerust
op het oude pad voortgaan. Ja, nog den 28 Januarij 1795, toen het water
reeds tot aan de lippen was gestegen, ontveinsden zij het klimmende
gevaar, daar zij, bij openlijk plakkaat, zich durfden »vleien, dat de
Unie zal blyven bewaard, in het vertrouwen op het vooruitzigt van den
gelukkigen en wenschelyken voortgang der aangevangene Vreedes
Negotiatien; uit welken hoofde 'er zig gegronde hoope opdoet tot het
zien eindigen van deezen bloedigen Oorlog."[364]
[364] _Verzameling van Placaaten_, 436, 437.
Zóó blind, zóó onverzettelijk bleven 's lands Regenten, die echter reeds
den volgenden dag al onthutst waren over »de verandering der gedaante
van zaaken door de rampen des Oorlogs," waarom ze den predikanten
bevolen te bidden, »dat God den bloedigen Oorlog mogt doen eindigen."
Doch die oorlog was toen eerst aangevangen en zou nog twintig jaren
lang, geweldiger dan ooit te voren, woeden, ten einde, onder Gods wijze
en liefdevolle leiding, het middel te worden, om de natiën, die in vrede
en voorspoed doof waren geweest voor de stem van godsdienst en rede, en
blind voor hun duurzaam belang, door lijden en strijd te louteren, en,
eerst na verloop van vele jaren van rampspoed, te verheffen tot eene
betere maatschappelijke orde en meerdere vatbaarheid voor volksgeluk.
VIJFDE TIJDVAK.
FRIESLAND TIJDENS DE VOLKSREGERING EN DE FRANSCHE OVERHEERSCHING.
VAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE OPHEFFING VAN HET STADHOUDERSCHAP TOT DE
HERSTELLING VAN NEDERLAND EN HET VERTREK DER FRANSCHEN.
_Van het jaar 1795 tot 1813._
42. _De Staats-omwenteling en hare gevolgen._
Te laat namen de Staten van _Friesland_, den 7 Februarij 1795, het
besluit tot opheffing van de vervolgingen en verbodsbepalingen, waarmede
men sedert 1787 vele opgewondene ingezetenen in toom had gehouden. Na in
_België_ lang tegenstand te hebben ondervonden, zegevierden de wapenen
der Franschen, die nu door den vorst zich reeds in December 1794 den weg
gebaand zagen over de rivieren, die ons vaderland meermalen tot eene
natuurlijke beschutting verstrekten. De vroeger gevlugte patriotten, die
in _Frankrijk_ de bloedige tooneelen van de revolutie-koorts hadden
bijgewoond, snelden hen vooruit, en nog vóór de Franschen onzen Staat,
op den 1 Februarij 1795, den oorlog verklaarden, ontvlugtte Prins WILLEM
V met zijn gezin en vele zijner aanhangers het vaderland, dat ruim twee
eeuwen veilig was geweest onder de hoede van ORANJE. De in 1787 alleen
door de kracht der wapenen herstelde republiek was haren val nabij, en
bezweek voor den revolutiegeest des volks, dat geheel andere beginselen
dan vroeger huldigde en zich sterk waande door buitenlandschen invloed.
Ook in _Friesland_ vestigde zich een _Committé Revolutionair_, hetwelk,
na de omwenteling geheel voorbereiden den vrijheidsboom te _Leeuwarden_
geplant te hebben, den 10 Februarij 1795 de Regenten der steden en
grietenijen ontsloeg en andere personen aanstelde, onder luidruchtige
vreugdebedrijven van het volk. Evenzoo verklaarde het den 19 Februarij
met eene plegtige aanspraak de Staten van _Friesland_, gelijk den
Erfstadhouder, vervallen van hunne waardigheden, met belofte van
veiligheid voor hunne personen en verbod om te vlugten. Hierna werden er
60 Provisioneele Representanten van het volk van _Friesland_ in hunne
plaats aangesteld, en voorzien van eene instructie, welke de beginselen
bevatte, waarnaar de nieuwe republiek voorloopig zou worden bestuurd.
Het Committé legde toen tevens zijne taak neder, en »wenschte het volk
plegtig geluk met de volbragte onvermijdelijke revolutie, en met de tot
dusverre gelukkig herstelde vrijheid; onder betuiging, dat de
bedaardheid, goede orde en rust, bij zulk eene verbazende omkeering van
zaken overal bewaard, der Friesche natie voor het oog der geheele wereld
tot onsterfelijken roem verstrekten."
In de volgende dagen vaardigden de Provisioneele Representanten bij
verschillende plakkaten hunne staatkundige geloofsbelijdenis uit, om
ieder te doen zien, dat zij geen ander oogmerk hadden, dan om, ook door
het afschaffen van de erfelijke aristocratie en familie-regering, de
miskende regten des volks te handhaven, en veiligheid van personen en
bezittingen, vrijheid van godsdienst en drukpers en gelijkheid van allen
voor de wet te verzekeren, onder vermaning, van de verkregene
voorregten door geene rustverstoring te bezoedelen.[365]
[365] Zie dit alles in de _Verzaamel. van Placaaten_, I 1-29, in de
_Dagverhalen_ en veelvuldige geschriften van dien tijd.
En inderdaad, het verdient opmerking, dat zulk eene omwenteling en
vernietiging van het eeuwenheugende gezag hier, door het volk zelf, zoo
rustig en zonder schending van personen of bezittingen werd tot stand
gebragt. Want eerst den 4 Maart deed de Fransche Generaal GASPARD
THIERRY met een aantal huzaren zijne plegtige intrede in _Leeuwarden_,
onder de uitbundigste vreugdebetooningen van het uit alle oorden te
zamengevloeide volk, dat in den roes zijner blijdschap, hand aan hand
met den luchthartigen Franschman dansende om den vrijheidsboom, zich
zelf vergat, en zich niet bewust scheen te zijn, dat het eene inhaling
was als van het Grieksche paard in _Troje_. Doch de Franschen hadden
beloofd, als vrienden en bondgenooten te zullen overkomen, en als
verlossers van de overheersching en beschermers van de nieuwe republiek,
die ze zeker weldra weder zouden verlaten, werden ze dus ontvangen en
bij de burgers ingekwartierd. Hoe spoedig bleek echter het tegendeel,
nadat 150,000 hunner, meest uitgehongerde en halfnaakte, krijgslieden
over het gansche land waren verspreid, waarvan _Friesland_ zijn aandeel
rijkelijk bekwam!
Immers, bij het Haagsche verdrag van den 26 April 1795 eischten de
Franschen reeds, behalve den afstand van een aanzienlijk grondgebied,
100 millioen gulden voor het bezorgen van de zoogenaamde vrijheid, onder
verpligting van onzen Staat, om 25,000 man Franschen in dienst te houden
en te bezoldigen. Doch de partij der patriotten had de overwinning
behaald en zich gewroken op den Prins en de staatsleden, die hen in
1787 hadden doen vlugten, maar--ten koste der onafhankelijkheid des
lands. Het volk, gestreeld door de klanken van Vrijheid, Gelijkheid en
Broederschap, spiegelde zich nu, bij de zegepraal der beginselen van de
regten van den mensch en burger, de schoonste toekomst van eene veel
verbeterde staatsinrigting voor; hoewel het, bij de schaarschheid en
duurte van levensmiddelen en het stilstaan van sommige bronnen van
bestaan, al dadelijk verpligt werd, om in herhaalde geldleeningen,
heffingen en drukkende lasten aan de vermeende vrijheid zware offers te
brengen[366].
[366] In 1796 beval het Provinciaal Bestuur zelfs, "ten einde de
Friesche trouw ongeschonden bewaard blijve" (!), dat het zesde
gedeelte der bezittingen van alle publieke corpora, of de stedelijke,
geestelijke, dorps-, kerke-, arme-, wees en gasthuis-goederen,
openlijk verkocht en het bedrag daarvan den lande tegen 3-1/2 proc.
rente opgeschoten moest worden. In het volgende jaar noopte de hooge
nood des lands het bestuur op nieuw, nog een vijfde gedeelte van het
overschot te eischen. Men gisse, welk eene massa vastigheden er dien
ten gevolge tegen lage prijzen verkocht en in handen gekomen is van
bijzondere personen, waarvan velen ze later voor meer dan het dubbele
van dien prijs verkocht hebben. Zie die besluiten in de _Verzameling
van Placaaten_, II 21, 73, 199.
Intusschen geschiedde er in Mei eene algemeene oproeping van het volk
van _Friesland_ tot stemming van 68 Representanten, die nu het roer der
regering aanvaardden en aan negen hunner het waarnemen der zaken van het
vroegere Collegie of de uitvoerende magt toevertrouwden. Nog scheen dit
bestuur uit gematigde patriotten te bestaan, hoewel het de meeste leden
van het Hof ontzette en door andere personen van zijnen geest deed
vervangen (15 Julij), en toeliet, dat de Stadhouderlijke Tombes in de
Groote Kerk te _Leeuwarden_ schandelijk vernield en de Grafkelders
geschonden werden (1 Aug.). Evenwel bleef deze partij, bij het plan tot
bijeenroeping van eene Nationale Conventie, met kracht van redenen de
souvereiniteit en de onafhankelijkheid der provinciën vasthouden en
verdedigen, omdat zij haar _zelfbestaan_ niet konde, niet wilde
vernietigen, en omdat zij zich van eene vereeniging met de andere
gewesten voor _Friesland_ groot gevaar en vele nadeelen voorstelde. Doch
_Holland_, met een grooten schuldenlast bezwaard, trachtte de
ineensmelting van de provinciën en de provinciale schulden door te
drijven, en om dit doel te bereiken, spaarde het geene middelen, »geen
vleijen en kuipen, geen dringen en dreigen." Het werd daarin ondersteund
door een aantal hevige Friesche patriotten, die zich van de een- en
ondeelbaarheid van den Staat veel heils voorspelden, en als heethoofdige
ijveraars meer doortastende veranderingen begeerden. Zóó vormden zich
onder de patriotten zelve partijen, die elkander uit verschil van inzigt
wantrouwden en vervolgden met een haat en tweedragt, nog sterker dan
vóór de omwenteling. In Januarij 1796 vestigden zich eenigen dier
ijveraars zelfs tot een Committé van herstel, hoewel ze spoedig door de
Representanten, die hen eene oproerige bende van baatzuchtige
fortuinzoekers en intriganten noemden, werden gevangen gezet. Evenwel
wist hunne partij te bewerken, dat Frieslands volksvertegenwoordigers
met geweld uiteengejaagd en sommigen zelfs in hechtenis genomen werden.
Met hulp der gewapende magt herstelde het gezag zich echter weder, doch
kort daarna werd het andermaal verdreven door de doldriftige partij, die
alzoo, door Fransche en Hollandsche hulp gesteund, zegevierde[367]. Wel
kwam er intusschen den 1 Maart eene Nationale Vergadering te _'s
Gravenhage_ bijeen, waarop _Friesland_ echter eerst, evenmin als
_Zeeland_, afgevaardigden zond; doch de uiteenloopende meeningen der
vier partijen hiervan verstonden elkander zóó weinig, dat zij enkel
voorbereidde, hetgeen, na hevige onlusten en geweldige maatregelen, op
de tweede Nationale Vergadering doorgedreven en met goedkeuring der
meerderheid van het stemgeregtigde volk bij de Staatsregeling van 1 Mei
1798 uitgevaardigd werd: dat de één-en-ondeelbare Bataafsche Republiek
zou bestaan uit acht Departementen, met een Vertegenwoordigend Ligchaam,
waarvan de eerste kamer uit 60 en de tweede uit 30 leden zou bestaan,
benevens een Uitvoerend Bewind van 5 leden.
[367] 't Was deze partij, die in 1796 het bevel gaf tot wegneming van
alle, "de gelijkheid onteerende," titels, livreijen,
onderscheidingsteekens en wapens op gebouwen, grafzerken enz., als
hinderlijk aan de onvervreemdbare regten van den mensch en den burger.
_Verzameling van Placaaten_, II 17, 56,71.
Ofschoon _Friesland_ bij die Staatsregeling voor het eerst na zoovele
eeuwen zijn Naam verloor, daar het met _Groningen_ werd vereenigd onder
den naam van het _Departement van de Eems_;--ofschoon het nu eindelijk
aan Hollands heerschzucht en overwigt zijne souvereiniteit en
zelfbestaan en alzoo een groot gedeelte zijner magt en invloed ten offer
moest brengen, en zich bovendien met een ~veel grooter schuldenlast~ dan
zijne eigene zag bezwaard;--ofschoon het Provinciaal Bestuur van
_Friesland_, alléén uit aanmerking van »den bejammerenswaardigen
toestand der republiek," gevolg gaf aan het bevel der Constitueerende
Vergadering, die zich den 22 Januarij 1798 te _'s Gravenhage_ met geweld
van de oppermagt had meester gemaakt, om, »met ontbinding van alle
Provinciale Besturen, een Intermediair Administratief Bestuur,
afhankelijk van en verantwoordelijk aan genoemde Vergadering," uit te
maken:--toch werd die merkwaardige en in zoo vele opzigten vernederende
gebeurtenis, een onvermijdelijk gevolg van den gang der omwenteling,
hier met een luisterrijk Volksfeest gevierd. Ja, de democratische of
revolutionaire partij had, na het overheerschen of verbannen van alle
gematigde patriotten, door Hollandschen en Franschen invloed, in
_Friesland_ veler gemoederen opgewonden tot een geestdrift, welke in al
de zinnebeeldige voorstellingen en bedrijven van dat Volksfeest de
belagchelijkste tooneelen opleverde. Op den 19 Mei 1798 werd het onder
grooten toevloed van aanschouwers te _Leeuwarden_ gevierd. De
_Een-en-Ondeelbaarheid_, verbeeld door eene maagd, met de acte van
Staatsregeling in de hand, werd, zittende op een triumfwagen, tusschen
een talrijken trein van regeringsleden, zinnebeeldig versierde personen
en de gewapende magt, door de stad gevoerd, en geleid op een troon in
den Tempel der Vrijheid, welke op de Langepijp was opgerigt. Nadat de
personen, verbeeldende de Regten van den mensch, de Gelijkheid en de
Broederschap, als ook de vier nationale Deugden en de vier Standen van
den mensch, zich nevens haar geplaatst hadden, werd het zevenhoofdig
Monster van het Federalisme (de zeven vroeger, op zich zelve souvereine,
Vereenigde Provinciën) op een houtstapel gelegd en onder gejuich
verbrand, waarna de President voor het Altaar der vrijheid eene
aanspraak deed, en het feest met dansen om den Vrijheidsboom en andere
luidruchtige vermaken werd besloten[368].
[368] De merkwaardige teekening, welke de verdienstelijke
kunstliefhebber PETRUS GROENIA (nog in 1831 bekend als Kolonel van
eene Afdeeling Friesche Schutterij) toen van deze plegtigheid
vervaardigde, is, met het Programma van den optogt, thans in mijn
bezit.
Doch de partij, wier beginselen en bedoelingen nu hadden gezegepraald,
regeerde niet lang. Nadat zij reeds in Februarij des vorigen jaars
verontrust was door een dwaas oproer van Oranjegezinde ingezetenen uit
den omtrek van _Kollum_[369], had op den 12 Junij 1798 te _'s
Gravenhage_ eene soort van tegen-omwenteling plaats, waarbij het
Uitvoerend Bewind en het Wetgevend Ligchaam met magt van wapenen werden
uiteengedreven. Eerst nadat het volk zich, ingevolge de aangenomene
Staatsregeling, eene nieuwe vertegenwoordiging had gekozen van meer
gematigde personen, die eene algemeene vergiffenis van staatkundige
misdrijven uitvaardigden, scheen er een einde te zullen komen aan al de
revolutionaire woelingen en de omwenteling voltooid te zijn. Die
Staatsregeling toch, welke vele verouderde vormen en misbruiken
afschafte en de sedert jaren verkondigde theoriën omtrent het
maatschappelijk verdrag en het regt en den invloed des volks op het
staatsbestuur in werking bragt, was bij voorraad eene belangrijke
schrede tot vooruitgang, tot verspreiding van mildere beginselen en tot
bevrediging der eischen van het nieuwe geslacht, dat de vroegere banden
was ontwassen. Na zoo hevige schokken en bittere vervolgingen van de
partijen onderling, kwam er nu meerdere orde en rust onder de
ingezetenen, en leerde men zich met bedaardheid onderwerpen aan de
drukkende gevolgen eener omwenteling, welke een geheel anderen loop en
rigting had genomen, dan zelfs de bewerkers zich hadden voorgesteld.
[369] Die volksbeweging, onder den naam van het _Kollumer oproer_
bekend, begon bij gelegenheid der opschrijving tot de gewapende dienst
te _Kollum_, en breidde zich weldra tot de omliggende dorpen en
grietenijen uit. "Onder den oproerkreet van Oranje boven!" trokken
eenige honderden gewapende landlieden zelfs op _Dokkum_ aan, vanwaar
ze verjaagd en verder door de van _Leeuwarden_ afgezondene troepen
bedwongen werden. Een getal van 174 personen, die daaraan deel hadden
genomen of van Oranjegezindheid verdacht waren, werden op het Blokhuis
te _Leeuwarden_ gevangen gezet en een daarvan onthoofd. Velen werden
spoedig losgelaten, anderen met geldboeten gestraft. Zie uitvoerige
berigten deswege in de destijds uitgegevene _Beschrijving van de
oproerige Beweegingen in Friesland_.
43. _De val der Republiek en vernietiging van ons Volksbestaan._
Nog waren er geene drie jaren verloopen, of er bestond reeds behoefte
aan eene nieuwe Grondwet, welke verbeterde Staatsregeling in 1801 door
het volk werd aangenomen. Deze kenmerkte zich door meerdere toenadering
tot het oude, doordien de omvang der vroegere provinciën hersteld werd
en ook _Friesland_ zijn Naam herkreeg, met een Departementaal Bestuur
van elf leden; terwijl het Algemeen Bestuur was zamengesteld uit een
Staatsbewind van 12 en een Wetgevend Ligchaam van 35 leden. Hierop
volgde weldra eene nieuwe regeling van de Gemeentebesturen, aan wier
leden het Huishoudelijk beheer, gelijk de Policie en Justitie aan
Drosten en Geregten, alsmede aan Dorpregters was opgedragen. Daartoe
werd _Friesland_ verdeeld in 14 Drost-ambten. Bij de benoeming van vele
nieuwe personen tot regeringsleden was het een aangenaam verschijnsel,
eene meerdere toenadering en verzoening tusschen de vroegere partijen te
bespeuren; terwijl de gematigdheid van het Staatsbewind bereid was, de
vroegere scheuringen zoo veel mogelijk te heelen tot eendragtige
zamenwerking aan het algemeen belang.
Want groot waren bij voortduring de bezwaren, welke op den Staat
drukten, ook buiten den geldnood, waarin men door dikwijls herhaalde
heffingen op de bezittingen en inkomsten, door leeningen en buitengewone
belastingen trachtte te voorzien, totdat deze in 1805 door een stelsel
van algemeene belastingen op allerlei voorwerpen werden vervangen. De
bezorgdheid van het Staatsbewind was in 1803 zelfs zóó groot, dat het
klaagde »over de gezonken welvaart, het steeds dieper verval van onze
nationale zeden en de toenemende onverschilligheid omtrent God en
Godsdienstige zaken, zoodat er redenen bestonden, om nieuwe en
onherstelbare rampen te vreezen"[370].
[370] Zie over al het vermelde de _Verzameling van Placaaten_, VI 168,
179, 209, 224, 311, 345.