jare 1740 ontbrandde op eens de Oostenrijksche successie-oorlog, waaraan
de meeste staten van _Europa_ deel namen. KAREL VI, Keizer van
_Oostenrijk_, stierf, en liet den troon na aan zijne jeugdige dochter
MARIA THERESIA, Koningin van _Hongarije_ en _Bohemen_. Zes mogendheden,
_Beijeren_, _Pruissen_, _Polen_, _Spanje_, _Sardinië_ en _Frankrijk_
zochten deze troonsopvolging te verhinderen, en zonden schielijk
ontzaggelijke legers in _Duitschland_. In ons vaderland weifelden de
staatkundige partijen in de keus, of men, uit kracht der pragmatieke
Sanctie of het Weener verdrag van 1732, der Koningin hulp zou bieden,
dan of men zich onzijdig en buiten den oorlog zou houden. De Algemeene
Staten, alleen bedacht op zelfverdediging, versterkten hunne landmagt in
1741 wel, eerst met 21,000 en daarna met nog 20,000 man; doch in plaats
van hulpbenden aan MARIA THERESIA te zenden, besloten zij, haar een
onderstand van 8 tonnen gouds aan te bieden. Toen er echter in het
volgende jaar eene nieuwe aanvraag en wel om troepen kwam, waren de
gevoelens zeer verdeeld. Sommigen, die den vrede tot elken prijs wilden
bewaren, of die _Frankrijk_ vreesden, besloten tot onzijdigheid; maar
anderen meenden, dat de goede trouw den Staat verpligtte, aan de
traktaten gevolg te geven en hulptroepen te zenden. De wakkere WILLEM
VAN HAREN koos met jeugdig vuur de zijde der laatsten, en nadat hij, als
afgevaardigde van _Friesland_, in de vergadering der Algemeene Staten
zijne welsprekendheid had uitgeput, om de vertegenwoordigers der
provinciën tot zijne beginselen over te halen, nam hij zijn dichterlijk
talent te baat, om ook het volk zelf met die beginselen van
regtvaardigheid en goede trouw te bezielen. Hij gaf de _Leonidas_ en
drie _Lierzangen_ in het licht, en--behaalde met deze gloeijende verzen
eene staatkundige zegepraal op de harten des volks, die der dichtkunst
wel bij de Grieken, maar nog nooit in ons land was te beurt gevallen.
Men wil, dat er binnen drie dagen honderdduizend afdrukken van deze
gedichten verkocht zijn. Het regende lofverzen op VAN HAREN. De
opgewonden geest des volks werkte op dien der Staten, die daarom in 1743
besloten, de Koningin met 20,000 man hulptroepen bij te slaan, welk
getal in den volgenden jare werd verdubbeld. »Eere zij onzen Vaderen,
die door eerlijkheid vergoed hebben, wat hun aan veerkracht ontbrak.
Eere vooral den Staatsman en Dichter, die, in zijnen _Leonidas_, door
het voorbeeld van den held van _Sparta_, de natie uit hare slaapziekte
pogende op te wekken, hun, die niet schroomden het trouwblijven aan
verbonden eene _koppigheid_ te noemen, met verontwaardiging toevoerde,
hoe zij thans zelven door eed- en bond-breuk zich tot de diepte
verlaagden der _Barbaren_, die hunnen val beoogden"[353].
[353] Deze Gedichten, te _'s Hage_ bij BEAUREGARD in 4^o. uitgegeven,
zijn daarna, vermeerderd met eene overzetting uit POLYBIUS in proza,
benevens eene menigte lofverzen op VAN HAREN, in 8^o. gedrukt te
_Harderwijk_. Ze zijn ook opgenomen in VAN HAREN'S _Werken_ bij
WESTERMAN. Zie mede HALBERTSMA, _Fragmenten over de van Harens_, 120
en SCHELTEMA, _Mengelwerk_, I 132; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 555.
Hoewel de Nederlanders in de vijf hierop gevolgde veldtogten van
LODEWIJK XV in de _Oostenrijksche Nederlanden_ weinig eere mogten
behalen, hebben toch onder de Friesche krijgsbevelhebbers zich
onderscheiden: de Luitenant-Generaal JOHAN SICCO Baron THOE
SCHWARTZENBERG, de Brigadier GEMME ONUPHRIUS VAN BURMANIA, de
Luitenant-Kolonel LAAS ULBE VAN BURMANIA, benevens nog vier andere leden
van dit geslacht; alsmede de Majoor DANIEL DE BLOCQ VAN BOURICIUS,
Kommandant van het Regiment _Oranje-Friesland_; doch bovenal de dappere
Luitenant-Generaal HOBBE ESAÏAS VAN AYLVA, Gouverneur van _Maastricht_,
die van zijne uitstekende verdediging van deze sterke, doch hevig
aangevallene vesting in 1748 zoo veel eere mogt behalen, dat zijn
aanvaller, de Maarschalk van _Saksen_, als blijk van achting voor zijn
moed en bekwaamheid, hem, nadat de vesting bij vredesverdrag was
overgegaan, toestond, bij zijn eervollen uittogt vier kanonnen en twee
mortieren uit de vesting mede te voeren. Nadat _Frankrijk_ verpligt
werd, _Maastricht_ weder aan ons af te staan, werd dit geschut, op
voorstel des Stadhouders, hem door den Raad van State vereerd, na
voorzien te zijn van het opschrift: DONUM VIRTUTIS AYLVÆ, of _Eeregift
voor Aylva's dapperheid_[354].
[354] In 1758 heeft de Generaal AYLVA deze zes stukken geschuts
gelegateerd aan de Staten van _Friesland_, op wier last ze, na zijn
overlijden in 1772, geplaatst werden vóór de Hoofdwacht te
_Leeuwarden_, volgens _Reg. Staats-res._ 41, 61; _Teg. Staat_, II 109;
TE WATER, _Verbond der Edelen_, II 167; KOK, _Vaderlandsch Woordenb._
II 403; BOSSCHA, _Heldend._ II 657; WAGENAAR, _Vad. Hist._ XX 180,
190; VAN LEEUWEN, in _de Vrije Fries_, V 367, 382.
* * * * *
Vóór echter deze oorlog door den vrede van _Aken_ (1748) geëindigd werd,
hadden er in ons vaderland zelf merkwaardige gebeurtenissen plaats.
Reeds lang hadden de bekwaamste staatslieden, zelfs Hollands
voortreffelijke Raadpensionaris SIMON VAN SLINGELANDT, erkend: »dat het
missen van eenen Stadhouder de gebreken in de Constitutie thans meer
bespeuren, en nadeeliger uitwerkselen deed hebben, dan voordezen"[355].
Doch de heerschzucht der bewindslieden, de trots der aristokratische
aanmatiging en de willekeur der stedelijke regenten, door wie op vele
plaatsen eene familie-regering was ingevoerd, hadden zich van het gezag
meester gemaakt ter onderdrukking van het volk. En zoolang Hollands
Staten halsstarrig weigerden, ook »uit vrees voor Frieschen invloed," de
noodzakelijkheid van het Stadhouderschap te erkennen, bleven alle
pogingen der vrienden van den Prins van _Oranje_, om zijn gezag uit te
breiden, vruchteloos. Sedert het uitbreken van den oorlog werd het gemis
van een éénhoofdig bestuur, het gebrek van een middelpunt van gezag,
waardoor de kracht des bewinds verslapt was, meer gevoeld, en stegen de
klagten over veelvuldige misbruiken in den staat, bijzonder over de
knevelarijen der pachters van de gemeene lands middelen, met den dag.
Had het tooneel des oorlogs zich tot dusverre tot _België_ bepaald en
was _Vlaanderen_ reeds voor twee jaren door LODEWIJK XV veroverd--daar
verbreidt zich op ééns het gerucht door het vaderland, dat de Franschen
ook in _Staats-Vlaanderen_ zijn gevallen, zoodat _Zeeland_ in het
grootste gevaar verkeert. Van waar nu hulp, van waar redding in dien
nood? Even als in 1672, stak het volk de handen uit naar den nu, even
als toen, door de staatsleden zoo lang verdrukten en miskenden _Prins
van Oranje_. Op den 25 April 1747, op den zelfden dag, dat de Prins uit
_Leeuwarden_ een brief afzond, waarbij hij den Staten van _Zeeland_
zijne hulp en dienst aanbood, ging weder uit het kleine _Vere_ het eerst
de kreet op, die, ijlings verspreid, dadelijk weerklank vond in geheel
_Zeeland_, _Holland_ en de overige gewesten, zoodat binnen weinig tijds
de volksstem Prins WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, als WILLEM _den vierde_,
als door een wonder, tot Erfstadhouder en Kapitein-Generaal en Admiraal
over al de Vereenigde Nederlandsche gewesten verhief, en met zoo vele
eerambten en waardigheden overlaadde, als nog geen zijner voorgangers
had bezeten.
[355] SLINGELANDT, _Staatk. Geschriften_, I 212, 223; VAN KAMPEN,
_Verkorte Geschiedenis der Nederl._ II 232.
De beminnelijke Vorst, die kon betuigen: »de hoogste eerzucht, die het
hart eens stervelings kan streelen, is, zich als het voorwerp der liefde
en hoogachting van een vrij volk te mogen beschouwen," aanvaardde met
ware grootheid van ziel de hem aangebodene waardigheden, waarop zijn
naam, afkomst en hoedanigheden hem regt gaven. Ja, hoe benard de
toestand des lands ook ware, hij verheugde zich in de gelegenheid
gesteld te worden, om met Gods hulp al zijne krachten aan te wenden ter
bevordering van het welzijn des volks. Den 9 Mei vertrok de Prins van
_Leeuwarden_ over _Harlingen_ met een jagt naar _Amsterdam_. Eene
opgetogene menigte verbeidde hem, »den Verlosser van _Nederland_," daar,
zoowel als bij zijn luisterrijken intogt in _'s Gravenhage_, als op
aller handen gelijk in aller harten gedragen. De blijdschap des volks
kende geene palen, en had het moed bekomen in het dreigende gevaar en
hoop voor de toekomst. »Nooit moge de nakomelingschap die dagen van
geestdrift vergeten!"[356]
[356] Deze woorden van den Prins, gerigt tot ONNO ZWIER VAN HAREN, die
veel tot 's Prinsen verheffing toebragt, hebben dezen later aanleiding
gegeven tot het ontwerpen van zijn uitstekend heldendicht: _de
Geuzen_, hier vóór en in _Aant. 20_ nader vermeld: "opdat die
onbegrijpelijke liefde en vertrouwen tusschen Vorst en Volk met
behoorlijke kleuren mogt worden beschreven." Zie het begin der
_Ophelderingen van de Geuzen_, en verder WAGENAAR, _Vad. Hist._ XX 78
env.; HAVERKAMP, _Leven van Prins Willem_ IV, 18, 45 env.
Door die geestdrift en eenswillendheid bezield, mogt de natie zware
offers brengen, om, tot afwering van den vijand, het leger te versterken
en het land van binnen door gewapende magt te beschermen, waartoe overal
eene _liberale gift_ met blijdschap werd opgebragt[357]. Dan, nu ook
begon het volk, dat zich tegenover de regenten versterkt gevoelde door
het gezag van den Prins, overal zijne regten te doen gelden, en
verbetering te eischen van de veelvuldige, zoo ware als vermeende,
misbruiken en ongeregeldheden in het staatsbestuur. Tot herstelling
daarvan scheen nu eene gunstige gelegenheid te zijn geboren. Geweldige
opschuddingen en hevige beroerten, die het gemeen gelegenheid gaven om
uit te spatten, hadden bijna overal plaats. In Mei 1748 begonnen deze in
_Groningen_ en daarna in _Friesland_. Die onlusten openbaarden zich het
eerst door het gewelddadig vernielen van de opzigtershuisjes der
pachters van het gemaal bij al de korenmolens in deze provincie. De
gemeene landsmiddelen werden destijds bij wijze van verpachting geheven;
doch de knevelarijen dier pachters, waaraan de ingezetenen bloot
stonden, de zwaarte der belastingen op de noodwendigste levensbehoeften,
de hinderlijke last van de havenpachten en het passagie-geld en daarbij
de zware schuldenlast der provincie bij te vele zwaar-bezoldigde
ambtenaren--ziedaar eenige der voornaamste grieven, waarvan velen onder
Frieslands ingezetenen herstelling en verbetering wenschten.
[357] De eerste der vier termijnen van deze vrijwillige gift bragt in
Februarij 1748 alleen in de stad _Leeuwarden_ aan goud- en zilverwerk
en geld ruim 42,600 Gld. op, en bedroeg over geheel _Friesland_
345,827 Gld. buiten het zilver, volgens eene MS. Aanteekening in mijne
verzameling.
Om dit doel, zoo mogelijk, te bereiken, verschenen den 1 Junij 1748
negen-en-vijftig der voornaamste burgers van _Harlingen_, als
Gecommitteerden uit de ingezetenen dier stad, te _Leeuwarden_, die van
Gedeputeerde Staten de opheffing van deze bezwaren verzochten. Tevens
verlangden zij, dat het Erfstadhouderschap zoowel in de vrouwelijke als
mannelijke lijn erfelijk verklaard mogt worden. De Staten, die de
verpachting van de belastingen dadelijk hadden opgeheven, stonden dit
laatste verzoek gereedelijk toe, en noodigden zelfs alle ingezetenen
uit, om hunne bezwaren tegen den 5 Junij in te brengen. Tot dit einde
werden er in alle steden en dorpen Gecommitteerden benoemd en naar
_Leeuwarden_ afgevaardigd, om bezwaren in te leveren. De Magistraat dier
stad had tot ontvangst van zoo vele personen, wier getal ruim 200
beliep, de Groote of Jakobijner-kerk ingerigt, waar dit staatkundig
Congres, onder sterke spanning des volks, werd gehouden. Veertien punten
van redres onderling opgemaakt, werden aan de vergaderde Staten
ingezonden en nog dien zelfden dag aangenomen en goedgekeurd.
Op deze wijze werd de onrustige gemeente, die zich somtijds zeer
dreigend en oproerig gedroeg, bevredigd. De Gecommitteerden achtten
hunne taak echter nog niet afgedaan; maar, om de uitvoering van de
toegezegde verbeteringen te bevorderen, benoemden zij twee personen uit
iedere stad en elke grietenij, waarvan 24 vereenigd bleven, om
voortaan op den Stads-Schutters-Doelen hunne werkzaamheden in het
belang des volks voort te zetten, en met de Staten verder te
onderhandelen. Na onderscheidene voorstellen, droegen zij den 5 Julij 73
Punten-reformatoir voor, welke hoofdzakelijk met de vroegere bezwaren
van 1627 en 1672 overeenkwamen, waarbij zij den 25 dier maand nog 47
Punten voegden, welke, als de wenschen des volks, alle door de Staten
werden aangenomen en uitgevaardigd. De Prins, verhinderd om door eene
spoedige overkomst aan aller verlangen te voldoen, zond intusschen eenig
krijgsvolk tot herstel van de rust in _Friesland_, benevens eene
Commissie, om de zaken des lands te onderzoeken, en te handelen met de
Gecommitteerden des volks en de Staten, die den Prins volkomene magt
hadden verleend, »om de Constitutie des lands op vaste gronden te
stellen, de ingeslopen abuizen in de regering, financiën als anderzins
te redresseren, de provincie in rust en bloei te brengen enz." Welk een
gebruik de brave Vorst van deze, nooit te voren dus afgestane, Oppermagt
maakte, bleek eerlang, toen de Stadhouder den 18 December 1748 tot aller
vreugde te _Leeuwarden_ kwam, en zijne voorstellen tot verbetering aan
de plegtig vergaderde Staten mededeelde. Den 23 December werd alzoo zijn
»Reglement, om te dienen tot eene fundamenteele en onverbreekelyke WET,
waar naa alle Saaken, zoo van Politie als Justitie, daar in vervat,
voortaan zullen werden beleid en behandelt," uitmakende 61 artikelen,
uitgevaardigd. Hiermede, gelijk door het uitschrijven van eene algemeene
Amnestie en van een nieuw stelsel van belastingen (dat echter spoedig
onuitvoerbaar werd bevonden), werden alzoo de rust hersteld, vele
aanleidingen tot misnoegen weggenomen en onderscheidene takken van
beheer en gezag op een beteren voet geregeld[358].
[358] De bijzonderheden der gebeurtenissen van dit jaar zijn
bijeengebragt in het werkje: _het Verward Frieslandt_ (door J.
DOTINGH), Leeuw. 1749. Zie mede WAGENAAR, XX 196; _Nederl.
Jaerboeken_, II 524.
Nooit bleek voorzeker aan _Friesland_ het gewigt en nut van het
Stadhouderschap duidelijker, dan in dit merkwaardige jaar 1748. De Prins
betreurde het echter met alle welgezinden, dat het opgewondene gemeen de
goede zaak door oproerige bedreigingen, plunderingen en verwoestingen
(te _Wier_, _St. Anna-Parochie_, _Hallum_ en elders) bezoedelde. Zeker
bragten de persoonlijke hoedanigheden en gedragingen van den Prins, die
de grootheid van zijn Huis enkel zocht in de grootheid van den Staat,
veel toe, om hem dien invloed en die magt te bezorgen en aller harten
aan zich verbonden te houden. Veel is er vervolgens door hem verrigt, om
orde, regt, geldmiddelen en krijgstucht te herstellen en om koophandel
en zeevaart te doen bloeijen. Wat mogt men nu verder niet voor het
welzijn des lands verwachten van een Vorst, met zooveel magt bekleed,
met zoo vele gaven versierd, en als een toonbeeld van christelijke
deugden vereerd? Terwijl men zich over zulk eene gelukkige toekomst
verheugde, behaagde het God, 's Prinsen levensdraad onverwachts af te
snijden. Hij stierf reeds den 22 October 1751, diep betreurd door het
gansche vaderland, dat zijne bewonderenswaardige grootmoedigheid had
leeren kennen, en dat zijn ijver voor het belang des lands en liefde
voor zijn volk met wederliefde en trouw had vergolden. Hoe kort de
regering van Prins WILLEM _den vierde_ ook ware, zij was lang en eervol
genoeg, om hem eene roemrijke plaats te bezorgen onder de edele Vorsten
des vaderlands[359].
[359] Vele zijn de geschriften over dezen voortreffelijken Stadhouder,
die meest lofredenen zijn, en waarvan ik onderscheidene heb
bijeengebragt in de Bibliotheek zijner geboortestad, die zich met regt
op hem mag beroemen. Behalve naar WAGENAAR en de _Jaerboeken_ verwijs
ik enkel naar HAVERKAMP, _'s Lands verijdelde hoope_, Amst. 1753; O.
Z. VAN HAREN, _Lijkreeden_, Leeuw. 1766; HOFSTEDE, _Bloemen op het
graf_, Rott. 1752; _Levensb. van ber. Mannen_, VI 284; SCHELTEMA,
_Staatk. Ned._ II 487; V. KAMPEN, II 251, _Karakterk._ II 565.
Inzonderheid was _Friesland_ wegens het voorgevallene in 1748 aan dien
Stadhouder verpligt, vooral in vergelijking met andere provinciën, waar,
even als in de zaken der Generaliteit, zoo vele misbruiken en
verkeerdheden nog onverbeterd waren gebleven. Prinses ANNA, die na zijn
dood, als Gouvernante van den minderjarigen Prins WILLEM V, het bewind
had aanvaard, vermogt te weinig en bezat ook niet genoeg vertrouwen na
het uitbreken van den oorlog tusschen _Engeland_ en _Frankrijk_, om veel
goeds tot stand te kunnen brengen. Omdat de Staten de vermeerdering van
de krijgsmagt niet wilden toestaan, wist zij tegen te gaan, dat onze
zwakke zeemagt versterkt werd. En toch was dit laatste zoo noodzakelijk,
dewijl de handel en scheepvaart, waarin ook _Friesland_ toen een
belangrijk aandeel had, groote schade leden van de Engelschen, die
zoo vele onzer koopvaardijschepen prijsverklaarden of hinder
toebragten[360]. De dood van Prinses ANNA, op den 12 Januarij 1759,
maakte een einde aan dien staat van spanning, en bevorderde dadelijk de
versterking van onze zeemagt, tot beveiliging onzer vlooten tegen de
roofzucht van de Engelsche zoowel als Fransche kapers.
[360] Het moedig gedrag van den Frieschen Zeekapitein JAN BINKES in
die dagen is vermeld achter _Aanteekening 23_.
Terwijl _Holland_ en de vijf andere provinciën nu gedurende de
minderjarigheid van Prins WILLEM V hoofdzakelijk bestuurd werden door
zijn voogd en ook lateren leidsman LODEWIJK ERNST, Hertog van
_Brunswijk-Wolfenbuttel_, Veldmaarschalk van den staat, hadden de Staten
van _Friesland_ zoo veel eerbied voor 's Prinsen grootmoeder, Prinses
MARIA LOUISA, dat zij haar, hoewel reeds 70 jaren oud, als Gouvernante
op nieuw het bewind toevertrouwden. Met die waardigheid en kracht, welke
de edele Prinses, sterk door haar christelijk geloof, immer had betoond
onder zoo vele smartelijke verliezen, welke haar troffen, volbragt zij
gedurende zes jaren deze taak. Zij deed dit zóódanig tot genoegen der
Staten, dat deze bij haren algemeen betreurden dood, op den 9 April
1765, konden betuigen: »dat zij een allergezegendst middel in Gods hand
was geweest, om de welvaart dezer provincie met den uitersten ijver te
bevorderen op eene zoo vreedzame en vriendelijke wijze, dat zij de
liefde en hoogachting van Regenten en ingezetenen van allerlei staat
voor lange jaren verkregen en tot den einde toe volkomen behouden
had"[361].
[361] Dit betuigden de Staten in den brief van rouwbeklag aan haren
kleinzoon. Zie STUART, _vervolg op_ WAGENAAR, II 249; DE CHALMOT,
_Leven der Prinses_, Leeuw. 1765; J. VAN DEN BOSCH, _de Heeren
Stadhouderen van Vriesland_, Leeuw. 1770, 35, 86; _Levensbeschrijving
van Nederl. Mannen enz._ VI 154; VAN KAMPEN, _Karakterkunde_, II 562
enz.
* * * * *
Een gelukkig tijdperk van rust en ongemeene welvaart was er voor het
vaderland aangebroken, toen Prins WILLEM V in 1766 in alle provinciën
als Erfstadhouder werd gehuldigd. Die voorspoed, welke ook _Friesland_
bestraalde, werd in de eerstvolgende veertien jaren alleen door de
veepest van 1769 en den watervloed van 1776 afgebroken. Wel trachtten de
staatsleden de deerlijk vervallen geldmiddelen dezer provincie te
verbeteren, doch er kwam veel minder goeds gedurende dit bloeijende en
rustige tijdvak tot stand dan men had mogen verwachten. De vroegere
wakkerheid was in vele opzigten door laauwheid en zorgeloosheid
vervangen; terwijl zoo vele kleine twisten blijken gaven van de
kregelheid, eerzucht en twistgierigheid, welke vele republikeinen dier
dagen bezielden. Lang bleef ook de goede, doch dikwijls zwakke Prins in
de volksgunst deelen, en ontving hij daarvan streelende bewijzen, toen
hij _Friesland_ in 1773 en 1777 bij herhaling bezocht, omgeven van den
glans der weelde, welke de voorspoed der ingezetenen overal ten toon
spreidde.
Doch hoe zeer veranderde die stemming des volks en de toestand des lands
met den jare 1780!
De vrijheids-oorlog der Noord-Amerikaansche volkplantingen tegen
_Engeland_ verwekte allereerst eene ongemeene belangstelling en
geestdrift. Bijzonder was dit het geval bij de vrijheidlievende Friezen,
wier Staten zoo veel lof verwierven, doordien zij in 1782 de eerste van
al de provinciën waren, die vóór de vrijverklaring van _Amerika_
stemden[362].
[362] Zie LOOSJES, _Gedenkzuil der Vrij-verklaaring_, 31, 58, 64, 131,
133, waar tevens voorkomt het Request van de Burger-Societeit te
_Leeuwarden_: _Door Vrijheid en IJver_ aan Gedeputeerden, met
aanbieding van een Zilveren Eerepenning, welke zij op dit besluit had
laten vervaardigen. De studenten te _Franeker_ huldigden hetzelve door
het afsteken van een vuurwerk. Ook hierdoor werd de vrijheidsgeest
overal aangewakkerd.
Vermits de Hollandsche kooplieden de Amerikanen, in weerwil van
Engelands verbod, bleven ondersteunen, moest dit natuurlijk een oorlog
van ons land met _Engeland_ ten gevolge hebben. Bij de zwakheid van onze
zeemagt bragt die vredebreuk onzen handel aanzienlijke schade toe. Groot
verschil van staatkundige inzigten en daarbij een toenemend misnoegen
over het gedrag van den Prins en meer nog over de handelingen van zijnen
raadsman, den Hertog van BRUNSWIJK-WOLFENBUTTEL, dien men, nadat hij in
den haat des volks was gevallen, verwijderd wilde hebben,--dit alles
verwekte meer en meer verwijdering, verbittering, scheuring en
partijschap.
Het volk, dat de staatsleden beschuldigde van afgeweken te zijn van het
Regerings-reglement van 1748, en zich beklaagde over de aanmatigingen
der rijken, de voorregten der aristocratie en de misbruiken der
familie-regering, verlangde meerdere regten uit te oefenen, en eischte
grondwettige herstelling van het, in zoovele opzigten verbasterde,
staatsbestuur. Het woord _vrijheid_, hetwelk in de zaak der Amerikanen
zulk eene heilige beteekenis had, kwam hier in de mode, en werd,
vermengd met de zonderlingste denkbeelden van Fransche wijsgeeren over
godsdienst en volkenregt, getroeteld en in politieke klubs of
fraterniteiten aangekweekt, tot ondermijning van het gezag der regenten.
Zelfs benamen de Friesche Steden den Prins in 1782 het aan zijn vader en
hem afgestane regt van Raadsbestelling en het begeven van de in haar
kwartier rondgaande ambten. Noch het vertrek van den Hertog van
BRUNSWIJK-WOLFENBUTTEL, noch de vrede met _Engeland_ (1784), noch een
verdedigend verbond met _Frankrijk_ (1785), konden de opgewondene
gemoederen tot rust brengen. Integendeel, nadat eene bedreiging
van oorlog met Keizer JOZEF II het volk algemeen de wapenen in handen
had gegeven, versterkten de alom opgerigte Vrij-korpsen of
Exercitie-genootschappen de krijgshaftige houding der natie, waarvan een
deel weldra met die zelfde wapenen hare overheden bedreigde en zich
tegen het gezag verzette. De brave Prins, te zwak om in tijden van
beweging het roer van staat met vaste hand te sturen, sloot zich nu bij
de aristocratie aan, in plaats van eene poging te doen, om de verlorene
vriendschap der patriotten te herwinnen, door hunne voornaamste wenschen
in te willigen.