wetenschappelijke beoefening van de Regtsgeleerdheid door de uitgave van
werken hebben bekend gemaakt. Van deze mogen wij de namen niet
verzwijgen van SIBRANDUS SICCAMA, JACOBUS BOURICIUS, TJALLING VAN
EIJSINGA, THOMAS HERBAJUS, HERO À SCHINGEN, JOHAN VAN DEN SANDE,
ANTONIUS KANN, DOMINICUS HAMERSTER, GAJUS NAUTA, SIMON BINCKES, SACO
HARMEN VAN IDSINGA, PETRUS WIERDSMA, PETRUS BRANDSMA, ENNIUS HARMEN
BERGSMA en anderen. Doch reeds meer dan genoeg, om slechts aan te
wijzen, dat _Friesland_ ook in dit tijdvak rijk is geweest aan mannen,
die als regtsgeleerden en staatkundigen het belang en de eer des
vaderlands op eene waardige wijze hebben bevorderd.
_Genees-, Heel- en Verloskundigen._
Ook in deze vakken kunnen wij mannen van naam vermelden. HENRICUS VAN
BRA, S. EUGALENUS, ISBRAND HIERONYMUS FRANK, SIBOLDUS en JOHANNES
HEMSTERHUIS, G. FOLLIN en HENDRIK VAN DEVENTER mogten in de 17e eeuw
door hunne uitgegevene geschriften de kennis en den vooruitgang van die
vakken evenzeer bevorderen, als in de 18e eeuw ROELOF ROUKEMA, BERNARDUS
IDEMA, MURK VAN PHELSUM, TIBERIUS LAMBERGEN, SIMON STINSTRA, JAN DE REUS
en FOLKERT SNIP; gelijk vervolgens WYNOLDUS MUNNIKS, GEORGIUS en GADSO
COOPMANS, JOHANNES DE VRIES, JOHANNES MULDER, ADOLPHUS YPEIJ, SEBALD
JUSTINUS BRUGMANS en anderen. Grooter was echter het getal
_Wis- en Natuurkundigen._
Reeds voor lang toch is opgemerkt, dat in der Friezen aard en karakter
zich steeds een bijzonderen aanleg en neiging heeft geopenbaard voor de
beoefening van de Mathematische wetenschappen in het algemeen en voor
die der Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in het bijzonder[342]. Hebben
wij vroeger reeds de namen van onderscheidene beoefenaars dier vakken in
de 16e eeuw genoemd (bl. 158), ook de 17e eeuw gaf daarvan bewijzen in
JOHAN SEMS, JAN HENDRIK JARICHS VAN DER LEIJ, SIBRAND HANSEN KARDINAAL,
LIEUWE WILLEMS GRAAF, THEODORUS HOEN, HIPPOLYTUS BEYEM VAN AERSSEN,
RIEMER SIJBES, CHRISTOFFEL MIDDAGTEN, BERNARDUS SCHOTANUS À STERINGA en
anderen, die meest allen door geschriften bewijzen gaven van hunne
bekwaamheden. Nog rijker was de 18e eeuw in het voortbrengen van
dergelijke vernuften, die veelal uit den eenvoudigen burgerstand of uit
landbouwers voortkwamen, en grootendeels zonder onderwijs van anderen
door eigen aanleg en inspanning zich vormden en soms eene verbazende
hoogte mogten bereiken. Zoo waren te _Leeuwarden_ JOHANN HERMANN KNOOP,
HAIJKE HAANSTRA, WIJTSE FOPPES DONGJUMA, LUITJEN F. WIERSMA en TJEERD
RINGNEERIJ ijverig werkzaam, om door onderwijs en schriften den bloei te
bevorderen van vakken, waarin ook RIENK JELGERHUIS, LUCAS OLING;
MATTHEUS SIDERIUS en JAN WILLEM KARSTEN bewijzen gaven van groote
bekwaamheden. Te _Harlingen_ onderscheidden MATTHIJS ADOLF VAN ISDINGA
en ABE JANS HINGST zich evenzeer in de zeevaartkunde, als de
uurwerkmaker TJEERD RADSMA in de werktuigkunde.
[342] Zie dit vooral betoogd in Professor C. EKAMA'S _Oratio de Frisia
ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili_, te _Franeker_ in 1809
gehouden.
Doch vooral te _Franeker_ en omstreken bloeiden deze vakken. Waren DAVID
en CHRISTOFFEL MEESE als kruidkundigen hoog geacht--JAN PIETERS VAN DER
BILDT en zijn kleinzoon BAUKE EISMA VAN DER BILDT mogten roem behalen
door hunne teleskopen en andere optische werktuigen. Nevens verscheidene
stille beoefenaren van wis- en sterrekunde onderscheidden zich daar
verder WOUTER MARTENS VAN DER WERF, HENDRIK ANJEMA en PIBO STEENSTRA;
terwijl de scheikundige BOUDEWIJN TIEBOEL en de beroemde wijsgeer FRANS
HEMSTERHUIS ook uit deze stad voortkwamen. In den omtrek van _Franeker_
waren het de broeders RIENTS en KLAAS PIERS SALVERDA te _Salwerd_, KLAAS
GERRITS WIERINGA te _Achlum_ en OBBE SIKKES BANGMA te _Arum_, doch
vooral JELTE EISINGA met zijne beide zonen, EISE en STEPHANUS, te
_Dronrijp_, die ongemeene vorderingen maakten in de wis-, sterre- en
werktuigkunde. EISE EISINGA mogt het door eigene oefening zelfs zóó
verre brengen, dat hij van 1773 tot 1780 te _Franeker_ dát
voortreffelijk Planetarium of beweegbaar hemelstelsel vervaardigde,
hetwelk, na door Prof. VAN SWINDEN te zijn beschreven, een voorwerp
geworden is der bewondering van duizenden, die het kwamen beschouwen,
gelijk het nog een sieraad is dier stad[343].
[343] Uitvoeriger berigten over EISINGA en de uit dit tijdvak vermelde
personen zie men in het _Leven van Eisinga en Geschiedenis van zijn
Planetarium_, geplaatst voor den derden druk van VAN SWINDEN'S
_Beschrijving van het Planetarium_, voor eenige maanden door mij
uitgegeven.
Wij zouden meerdere namen kunnen noemen, als: van NIKOLAAS EPKEMA,
HENRICUS ÆNEAE, de gebroeders ROELOFS en anderen; doch het aangevoerde
zal wel genoeg zijn, om te bewijzen, dat _Friesland_ steeds vruchtbaar
is geweest in het voortbrengen ook van mathematische vernuften.
Der Friezen aanleg voor de beoefening van dégelijke studiën, waartoe,
behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met
de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen en niet minder
volharding vereischt worden, gaf mede aanleiding, dat velen
hunner voedsel voor den geest zochten in het nasporen van de
geschiedenis.--Vandaar het groot getal der door deze provincie gekweekte
_Geschiedschrijvers._
Terwijl REINICO FRESINGA en FREDERIK VAN VERVOU van _Franeker_, EVERHARD
VAN REYD te _Leeuwarden_ en vooral LIEUWE VAN AITZEMA van _Dokkum_ de
belangrijke voorvallen van hunnen leeftijd voor het nageslacht te boek
stelden, waren ANDREAS CORNELIUS, MARTINUS HAMCONIUS, BERNARDUS
FURMERIUS, PIERIUS WINSEMIUS en daarna CHRISTIANUS SCHOTANUS en SIMON
ABBES GABBEMA ijverig werkzaam, om de oudste geschiedenissen der Friezen
op te delven uit de verspreide bronnen, welke het voorgeslacht hen had
achtergelaten. Ook in de volgende eeuw ontbrak het niet aan vlijtige
beoefenaars van de historie, waarvan de groote werken getuigen van
JAQUES GEORGE DE CHAUFEPIÉ, FRANÇOIS HALMA, SIGEBERTUS HAVERKAMP, SACO
HARMEN VAN IDSINGA en FOEKE SJOERDS, die echter zijne Beschrijving en
Geschiedenis van _Friesland_ naauwelijks ter helft mogt voltooijen. En
terwijl SIMON STIJL eene schitterende proeve gaf eener wijsgeerige
beschouwing van de vaderlandsche geschiedenis, mogten EDUARD MARIUS en
ULBO VAN BURMANIA, WYBRAND VAN ITSMA, ABRAHAM FERWERDA en anderen
gewigtige bronnen en bijdragen in het licht geven; doch mogt het vooral
den edelen GEORG FREDERIK Baron THOE SCHWARTZENBERG gebeuren, met hulp
van Dr. NICOLAAS THOLEN en JOHAN FREDERIK MAURITS HERBELL, door de gunst
van 's lands Staten, _Friesland_ een _Groot Plakkaat- en Charterboek_ te
bezorgen, van uitstekende waarde en duurzaam belang.
_Letterkundigen._
Door de beoefening van de oude talen, bijzonder der Grieken en Romeinen,
met oogmerk, om de voortreffelijke werken hunner klassieke schrijvers en
dichters uit te leggen, op te helderen en tot veredeling van den smaak
en verhooging van den kunstzin te kennen, heeft ons vaderland in de
beide vorige eeuwen grooten roem verworven. Talrijke vreemdelingen
kwamen soms herwaarts, alléén om de uitstekende mannen te hooren, welke
in dit vak onze hoogescholen luister bijzetten. In hoe verre _Franeker_
daartoe heeft bijgedragen, hebben wij reeds vermeld. Bovendien waren er
hier nog andere letterkundigen, die òf in de scholen òf door
uitgegevene geschriften het hunne hebben bijgebragt, om dezen grondslag
der toenmalige geleerdheid te vestigen en dien roem te schragen. Dit
deden JOH. FUNGERUS, E. E. L. MELLEMA, EDO NEUHUSIUS en zijne zonen
REINIER en HENDRIK, alsmede TOBIAS, WERNERUS en HENRICUS GUTBERLETH,
JOH. HILARIDES en anderen in de 17e eeuw; terwijl de 18e eeuw, waarin
de scholen van VALCKENAER en SCHRADER bloeiden, mannen kweekte, als:
SIGEBERTUS HAVERKAMP, THOMAS WOPKENS, OLPHERDUS BELIDA, PETRUS en
GERHARDUS HORREUS, JOH. BALCK, JOH. PIERSON, GIJSBERT KOEN, H. VAN DER
SLOOT en ERNST WILLEM HIGT; gelijk later RICHEUS VAN OMMEREN, JOH. ADAM
NODELL, THEODORUS VAN KOOTEN, ADRIANUS HERINGA, FRANS HEMSTERHUIS en
JOANNES VERWEIJ; alsmede JOH. RUARDI, JACOBUS TERPSTRA, JOH. DANIEL VAN
LENNEP, HERMAN BOSSCHA, HENR. WAARDENBURG, EVERWINUS WASSENBERGH, H.
FRIESEMAN, VALENTINUS SLOTHOUWER, ECCO EPKEMA en anderen, die tot op
onzen leeftijd de kweekscholen van geleerdheid versierden en de vruchten
van kennis en smaak aan velen hebben medegedeeld.
Onderscheidene dezer en vroeger genoemde personen beoefenden tevens de
Latijnsche poëzij, waarvan zij vele proeven hebben nagelaten, even als
HERO en FREDERIK VAN INTHIEMA, JOANNES BOURICIUS, ERNESTUS BADERS,
PAULUS VAN GHEMMENICH, CHRISTIAAN BRINK, VOP. HOR. ACKER en
onderscheidene Friesche edelen, die er steeds een roem in stelden, smaak
voor de oude letteren aan de beoefening van de wetenschappen te paren.
_Dichters._
't Zou echter geenszins vreemd zijn, wanneer de vermelde karaktertrek
der Friezen en hunne meer bepaalde neiging voor de studie van dégelijke
wetenschappen aanleiding hadden gegeven tot mindere geschiktheid voor
de beoefening van de Dichtkunst, welke, zwevende in het rijk der
idealen, meer het denkbeeldige en bespiegelende dan de wezenlijkheid tot
voorwerp heeft. Het is zoo; wanneer wij het groot getal verzenmakers,
als: WIJBRAND MICHIELS, PETRUS BAARDT, T. SONNEMA, HENDRIK RINTJES,
VITUS RINGERS, HERO GALAMA, FOPPE FOPPESZOON JUNIOR, GABBEMA enz. uit de
17e eeuw, gelijk FRANÇOIS HALMA, ROELOF ROUKEMA, WIJBRANDUS DE GEEST,
MAGDALENA POLLIUS, JETSKE REINOU VAN DER MALEN, EELKE MEINDERTS, CLARA
FEIJOENA VAN SIJTZAMA, JOAN SANDE, JAN AUKES BAKKER, SYMEN en JAN
ALTHUYSEN enz. uit de 18e eeuw, wier verzen om de onderwerpen of hunne
zedelijke of godsdienstige strekking den bijval verwierven van hunne
tijdgenooten, niet gelijk willen stellen met hen, wier verheffing, smaak
en gevoel hun aanspraak geeft op den naam van Dichter, in den hoogeren
zin van dat woord,--dan bepaalt dit getal zich tot weinige personen.
Doch die weinige kunnen dan ook tegen eene groote menigte opwegen. Of
zouden wij dien eernaam niet mogen toekennen aan ~JAN JANSZOON STARTER~,
die in 1614 op twintigjarigen leeftijd te _Leeuwarden_ kwam en deze stad
in 1620 weder verliet, doch gedurende die zes voorspoedige jaren van het
bestand hier, èn door de oprigting van eene Rederijkerskamer: Och, mogt
het rijzen! welke 80 aanzienlijke personen tot leden telde, èn door het
opvoeren van treur- en blijspelen, èn door zijne onuitputtelijke en
geestige dichtader, hier een lust en liefde voor de nieuwe Nederduitsche
poëzij opwekte, welke verwonderlijk was[344]. Hij liet aan zijne
talrijke vereerders de _Friesche Lusthof_, vol aardige minneliederen en
trouwdichten, na, welke dien bijval vond, dat dezelve in dertien jaren 6
of 7 malen gedrukt werd. Hoe groot de invloed ook was, dien STARTER
tijdelijk uitoefende, deze was echter niet van duur of van dat gunstig
gevolg, hetwelk men zich daarvan voor de toekomst had mogen beloven.
[344] Voor eenige jaren heb ik over _Starter en zijne Gedichten, in
betrekking tot den toestand der Letterkunde in Friesland in het eerste
gedeelte der 17e eeuw_ eene uitvoerige verhandeling zamengesteld, die
ik welligt eerlang eens zal uitgeven, ook omdat er zoo weinig van en
omtrent dezen dichter en dit tijdvak bekend is.
Bovendien was hij de eerste, die verzen in de Landfriesche taal uitgaf.
Eerlang vond hij daarin een navolger in ~GYSBERT JACOBSZ.~,
schooldienaar te _Bolsward_, die, na eerst in het Nederduitsch zwakke
proeven, nog in den trant van SPIEGHEL, te hebben gegeven, zich in het
Friesch tot eene hoogte verhief, welke hem tot een voorwerp der
bewondering zijner nakomelingen heeft gemaakt. In hem toch zien wij
scheppend vernuft en kieschen smaak vereenigd met eene groote mate van
gezond verstand, dat zijne dichterlijke verrukking leidde en ten teugel
diende. In elk zijner meesterstukken schittert zijn talent en verlicht
oordeel, als hij met bevallige losheid tafereelen uit het Friesche
volksleven schildert, en, altoos wisselende naar den eisch des
onderwerps, tusschen allerlei onderwerpen heerlijke lessen van
levenswijsheid strooit; terwijl hij in alles een meesterschap over de
taal betoont, zoo als nog niemand hare kracht en schoonheid had aan den
dag gebragt. Dáárom vereeren de Friezen hunnen GYSBERT, als hun dichter
bij uitnemendheid[345].
[345] Over GYSBERT sprekende, mag men zeker HALBERTSMA'S
voortreffelijke _Hulde_ niet verzwijgen en evenmin het leedgevoel
onderdrukken, dat deze dan nu, na 25 jaren wachtens, onvoltooid zal
blijven. Zijn _Letterkundige Naoogst_ heeft ons daarvoor echter eenige
vergoeding geschonken.
Meer algemeen was de roem, welken de broeders ~WILLEM~ en ~ONNO ZWIER
VAN HAREN~, niet enkel in hooge staatsbetrekkingen, maar inzonderheid
als Dichters mogten verwerven. Terwijl in het midden der 18e eeuw de
dichtkunst in ons vaderland ontaard was in de kunst om nette, rollende
verzen te maken, zonder oorspronkelijkheid, dichterlijke vlugt of
gevoel, toonden zij het vaderland door hunne mingepolijste poëzij, dat
die vereischten der ware kunst nog niet geheel verloren waren. WILLEM
mogt door zijn grootsch heldendicht: _Gevallen van Friso_ en zijne
stoute _Lierzangen_ even grooten roem behalen als ONNO later door zijne
_Geuzen_, _Treurspelen_, _Lierzangen_ enz. In vaderlandsch gevoel, in
stoute beelden en vergelijkingen, in treffende grepen, in dichterlijke
uitdrukking, in rijkdom van vinding en belangrijkheid van zaken dongen
beide om den prijs. Die meesterstukken van waarachtige poëzij
doordringen toch, waar men ze opsla, ieders hart met warm gevoel voor
vaderland, vrijheid, menschenwaarde, godsvrucht en deugd. Vandaar, dat
zij, die de hooge roeping des dichters vervulden, de dankbare
bewondering van het nageslacht en de lofspraak van een BILDERDIJK
verdienden:
_Van Harens, Broedrental dat zelden weêrga vond,
O Waarom zweeft uw naam geen wareldgordels rond!_[346]
[346] Ook omtrent de VAN HAREN'S heeft Dr. J. H. HALBERTMA zich door
de uitgave zijne _Fragmenten_ verdienstelijk gemaakt; even als de
Heeren DE VRIES en KEMPER door hunne verhandelingen, voor de nieuwe
uitgave der Werken van de VAN HAREN'S geplaatst. Reeds in 1747 schatte
D^o. HOFSTEDE de verdiensten dezer broeders zoo hoog, dat hij in eene
leerrede op de verheffing van Prins WILLEM IV, 104, verklaarde, dat
zij "een Standbeeld, naar de wyze der _Ouden_, in deezen Burgerstaat
verdiend hebben." _De Geuzen_ volgden echter eerst 22 jaren later. Zie
ook _Aanteekening 20_.
In dit zelfde tijdvak mogten mede ERNST WILLEM HIGT, BOELARDUS
AUGUSTINUS VAN BOELENS, CYNTHIA LENIGE en SIMON STIJL door
voortreffelijke dichtvruchten eer en onderscheiding verwerven.
_Schilders, Teekenaars en Graveurs._
Dat smaak en gevoel voor beeldende Kunst, ook om boven vermelde
reden, in _Friesland_ minder algemeen geheerscht zouden hebben, en
dat dit afgelegene gewest (in vergelijking van het rijke en voor de
gemeenschap met andere landen zoo gunstig gelegene _Holland_) weinige
kunstbeoefenaren zou hebben voortgebragt,--ook dit zou zeer natuurlijk
geweest zijn. En toch noemt de geschiedenis onzer vaderlandsche
Schilder-, Teeken-en Graveerkunst een aantal Friezen, die het hunne
hebben toegebragt om den Nederlandschen kunstroem te vestigen.
Als ~Schilders~ hebben toch PIETER DE VALK, JACOB BAKKER, FRANS CARRÉ,
JELLE REINIERS, JAKOB POTMA, WIJBRAND DE GEEST, SIMON en DIRK DE VRIES,
GERARD EDEMA, MATTHIJS HAARINGS en WIGERUS VITRINGA zich in de 17e eeuw
verdienstelijk gemaakt. En zouden wij daarbij ook niet mogen noemen
MEINDERT HOBBEMA, wiens meesterstukken thans bijna tegen goud worden
opgewogen?[347] Ook in de volgende eeuw waren TAKO HAJO JELGERSMA,
BERNARDUS en MATTHIJS ACCAMA, HERMANUS BUSCH, RIENK JELGERHUIS en GERARD
WIGMANA, even als J. DE WILDE, TACO SCHELTEMA, HERMANUS WOUTER BEEKKERK,
DIRK PLOEGSMA, ALLERT VAN DER POORT, NICOLAAS BAUR, WILLEM BARTEL VAN
DER KOOI enz. in verschillende vakken zeer geacht.
[347] Ook REMBRANDT had eenige betrekking op _Friesland_, doordien hij
hier (en niet te _Ransdorp_ of _Rarup_ in _Noord-Holland_) eene vrouw
zocht en vond in SASKIA, de dochter van den Leeuwarder Raadsheer Dr.
ROMBERTUS ULENBURG, met wie hij den 22 Junij 1634 te _St. Anna
Parochie_ in den echt werd verbonden, zoo als ik onlangs ontdekt en
met bewijzen heb kunnen staven.
Als ~Teekenaars~ mogten MARGARETHA DE HEER, J. STELLINGWERF, PIETER
IDSERDS PORTIER, PETRUS CAMPER, JOH. JELGERHUIS RZ. en anderen zich mede
onderscheiden.
Hoewel het niet bekend is, dat er in _Friesland_ ooit eene
Plaatdrukkerij heeft bestaan, hebben toch als ~Graveurs~ uitgemunt:
BOETHIUS of BOTE en SCHELTE VAN BOLSWERD, PETRUS FEDDES VAN HARLINGEN,
JAN JAAPIX, J. VAN MUNNICKHUIZEN, JAN DE VOS, JACOBUS en ANNA FOLKEMA,
PIETER TANJÉ, MICHIEL ELGERSMA en KLEIS LANTING, waarvan sommigen
uitstekende kunstwerken hebben voortgebragt[348].
[348] Bijna al de genoemde kunstenaars komen met korte levensschetsen
voor in het bekende werk van IMMERZEEL, _de Levens en Werken der Holl.
en Vlaamsche Kunstschilders_ enz. Amst. 1842, 3 dln. Van
onderscheidene der laatste heb ik kunstwerken verzameld.
Ziedaar enkel de namen genoemd van de voornaamste personen, welke, in
verschillende vakken van kennis en kunst, uit _Friesland_ zijn
voortgekomen en die hebben bijgedragen, om in ons vaderland vooruitgang
in wetenschap, smaak en beschaving te bevorderen[349]. Gewis, dit gewest
heeft naar vermogen zijne offers aan het rijk van het goede en schoone
toegebragt, en roemvol is de rij van verdienstelijke personen, die onze
vaderlandsliefde zich herinnert, en aan welke wij de hulde onzer
vereering toebrengen als dankbare nakomelingen, die tevens een prikkel
tot navolging vinden in de overtuiging:
_Der Vadren glorie strekt het Nageslacht tot eer._
[349] Het zou mij zeker niet moeijelijk gevallen zijn, om van al de
vermelde personen hierbij korte levensschetsen te voegen uit mijne
sedert 1826 verzamelde Aanteekeningen betrekkelijk beroemde Friezen.
Doch dan ware dit onderwerp voor deze _Beknopte Geschiedenis_ veel te
uitvoerig behandeld geworden, in verhouding tot het overig gedeelte.
En toch is het een zoo hoogst belangrijk onderwerp, dat ik hartelijk
wensch, dat het voornemen, door Jhr. Mr. H. B. VAN SMINIA en mij
opgevat, om een _Beroemd Friesland_ te bewerken en over eenige jaren
uit te geven, door ons zal mogen worden volbragt.
41. _Vrede en Voorspoed verheffen--Zorgeloosheid en Partijschappen
ontbinden den Staat._
_Van den Utrechtschen vrede tot de Staatsomwenteling._
_1713-1795_[350].
[350] Dit derde gedeelte der staatkundige geschiedenis van dit tijdvak
strekt ten vervolge van het tweede gedeelte, dat op bl. 308 eindigt.
Niets is meer algemeen onder de menschen, dan dat zij, dagelijks door
hoop en vrees geslingerd, aan vrede en voorspoed het denkbeeld van
geluk--en aan nood en tegenspoed, dat van ongeluk verbinden. En echter
leert de geschiedenis, ook van ons vaderland, dat--terwijl nood en
tegenspoed de levenskrachten der natie opwekken en moed en inspanning
ten algemeenen nutte ontwikkelen--ons geslacht veelal zwak genoeg was,
om vrede en voorspoed meer te doen strekken tot gemak en genot, die
verslapping nalaten, dan tot herstelling, verbetering en vooruitgang in
velerlei betrekkingen van den staat en der maatschappij. Zóó misleiden
de volken zich zelve, door van de beste der gaven geen verstandig
gebruik te maken! Dán hoopen de smetstoffen in den staatkundigen
dampkring zich op, totdat er eene geruchtmakende uitbarsting komt, welke
allen uit den slaap opwekt en naar hulp en redding doet uitzien. Bij het
licht des geloofs, dat God de natiën bestemd heeft, om steeds te
vorderen in volmaking en beschaving, zien wij echter te midden van dit
alles: dat alle pogingen om het ware en goede te bevorderen duurzaam tot
heil strekken; dat de raadslagen der boozen verijdeld worden, en dat de
dwalingen en verkeerdheden der menschen, onder Zijne liefdevolle
leiding, middelen worden tot hunne leering en verheffing voor de
toekomst.
De loop der gebeurtenissen in ons vaderland gedurende de 18e eeuw heeft
dit alles bewezen.--In de oorzaken, middelen en gevolgen daarvan had
_Friesland_ rijkelijk zijn aandeel. Wij willen den afgebroken draad
hervatten, en ook het voorgevallene in het laatste gedeelte van dit
tijdvak in hoofdtrekken mededeelen.
Had ons land ná den Munsterschen vrede van 1648 langer dan eene halve
eeuw moeten oorlogvoeren met andere mogendheden,--op den vrede, in 1713
te _Utrecht_ gesloten, volgde inderdaad eene veeljarige rust. Zelfs
deden de Algemeene Staten al het mogelijke om den vrede te bewaren en
den oorlog te schuwen, hetgeen ook na de aanzienlijke vermindering van
de landmagt en de verwaarloozing van het zeewezen wel noodzakelijk was,
ofschoon zij de eer en waardigheid des lands daarbij dikwijls in de
waagschaal stelden. Onder het genot van die rust, bij welke de vroegere
wakkerheid vervangen werd door zucht naar gemak en weelde, bleven
koophandel en nijverheid bloeijen, ook in weerwil der rampen, welke nu
en dan aanzienlijke offers eischten. Immers, nog was de veepest, in 1712
begonnen, aan het woeden, toen _Friesland_ eerst in 1715, doch vooral
bij den Kersvloed van 1717, verschrikkelijk werd geteisterd door
dijkbreuken en overstroomingen, die groote schade te weeg bragten.
Naauwelijks waren de hierop gevolgde herstellingen en verbeteringen van
onze zeeweringen voltooid, en pas had eene heerschende ziekte en
ongemeene sterfte in 1728 opgehouden, toen eene nieuwe volksramp, de
paalworm, in 1730 en volgende jaren het land met een groot gevaar
bedreigde en aanzienlijke sommen eischte tot beveiliging onzer havens en
kusten; terwijl weinige jaren later, in 1744 en vervolgens, de veepest
nog grootere verliezen veroorzaakte[351].
[351] Zie over deze hier slechts aangestipte punten ook bl. 238, 316,
336 hier vóór.
Intusschen had Prins WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, door eene
voortreffelijke moeder opgevoed, door de beste leermeesters gevormd en
van nature met de edelste vermogens van verstand en hart begaafd, in
1731 den twintigjarigen ouderdom bereikt en het Erfstadhouderschap over
_Friesland_ aanvaard. Bij die gelegenheid had Prinses MARIA LOUISA het
bewind nedergelegd, en nevens den dank der Staten voor de uitnemende
diensten, welke hare wijsheid den Staat en deze Provincie had bewezen,
eene gift van 5,000 Gld. en een lijfpensioen tot een gelijk bedrag, uit
achting voor haar persoon en verdiensten, ontvangen. Reeds in 1718 was
de Prins door _Groningen_ en in 1722 door _Drenthe_ en _Gelderland_ tot
Stadhouder benoemd, welke waardigheden hij in 1729 had aanvaard, in
weerwil der tegenkantingen van _Holland_ en andere provinciën, die deze
uitbreiding van 's Prinsen magt met leede oogen aanzagen. In spijt
der tegenbedenkingen van _Holland_ steeg het aanzien van den Prins nog
meer door zijne echtverbindtenis met ANNA, Kroonprinses van
_Groot-Brittanje_, oudste dochter van Koning GEORGE II, welke den 25
Maart 1734 werd voltrokken. Luisterrijk was het onthaal, dat het
vorstelijk paar, te _Harlingen_ aangekomen, den 11 Mei op zijn togt naar
en in _Leeuwarden_ mogt ondervinden, waarbij de regering en de
ingezetenen hunne hooge ingenomenheid met dit huwelijk aan den dag
legden; terwijl 's lands Staten der Prinses eene tonne gouds tot eene
huwelijksgift aanboden[352]. In de liefde zijner Friezen vond de Prins
dan ook bestendig de meeste voldoening, bij al de geestkracht, welke
hij bezat, om zich boven de bestendige vernedering, uitsluiting en
tegenwerking der Staten van _Holland_ en andere gewesten fier te
verheffen.
[352] Onder den titel van: _het Juichend Friesland_ is er destijds een
verhaal van deze blijde inkomst en beschrijving van de plegtigheden,
eerepoorten, illuminatien en vuurwerk in folio uitgegeven. Zie ook
_Reg. op de Staats-resol._ 343, 519.
* * * * *