Sedert 1693 vinden wij echter van geene vervolgingen of verhinderingen

meer gewag gemaakt. Alleen de Jezuiten bleven strengelijk geweerd, en

werden de plakkaten tegen deze nog in 1708 vernieuwd[322]. Het groot

getal vreemdelingen, dat zich hier van tijd tot tijd nederzette en de

Katholijke leer beleed, gevoegd bij de toenemende verdraagzaamheid van

het Landsbestuur schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat men de

godsdienstige bijeenkomsten van deze rustige burgers voortaan bij

oogluiking toeliet. Ten aanzien van het stemregt en het vervullen van

openbare bedieningen bleven zij echter buitengesloten. »Zij werden,"

gelijk de geleerde HUBER zegt, »meest door de wetten ingetoomt, omdat

sy, vóór desen Meesters geweest zijnde en ziende hare partije de

machtigste in _Europa_, ook door een zeer nauwe verbintenisse gehecht

aen den _Paus_ en daer op stout, voor gevaarlijk aen den Staet worden

gehouden"[323].

[322] Zie al de Staatsbesluiten vermeld op het _Register_, bl. 352,

605, 614, en vele daarvan op de daarin vermelde datums gedrukt in het

_Charterboek_; alsmede meerdere bijzonderheden in mijne

_Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 171, 197.

[323] _Heedendaegse Rechts-geleertheyt_, _Leeuw._ 1699, I 25.

Eerst nadat de edele Paus CLEMENS XIV (GANGANELLI) de orde der Jezuiten

had afgeschaft, betoonden de Friesche Staten zich rekkelijker jegens de

Katholijken. Bij plakkaat van den 16 Maart 1776 stelden zij vast, dat

het der R. K. gemeenten in deze provincie vergund zou zijn, onder

goedkeuring van het plaatselijk bestuur, alléén wereldlijke Priesters en

Kapelanen aan te stellen, die beloven moesten, geene stellingen te

zullen leeren, welke het regt van- en de gehoorzaamheid aan de oppermagt

der hooge Overheid konden krenken; alsmede, dat zij geregtigd zouden

zijn, op naam en ten behoeve van kerken, geestelijken en armen, vaste

goederen te bezitten, te erven en aan te nemen. Bovendien werd bepaald,

dat de armbezorgers van al de toenmalige bezittingen van iedere gemeente

naauwkeurige lijsten zouden opmaken en bij de plaatselijke besturen

inleveren, om het verduisteren van die goederen te voorkomen[324].

[324] Zie _Verzameling van Placaten_, IV 367, 372.

Sedert dien tijd kreeg dit kerkgenootschap een meer gevestigd bestaan en

nam het getal van deszelfs statiën toe, zoodat dit eerlang tot ruim

dertig steeg, waaronder eene Janseniste gemeente of de Bisschoppelijke

Cleregie te _Leeuwarden_, welke echter in 1805 is te niet gegaan wegens

verminderd getal leden. Eerst bij de omwenteling van 1795 verkregen de

Katholijken volkomene gelijkheid van regten met andere gezindten, dewijl

de provisioneele Representanten van het volk van _Friesland_, bij

besluit van 22 Februarij 1795, verklaarden, de onbelemmerde vrijheid van

geweten en de ongestoorde uitoefening van ieders godsdienst te zullen

handhaven[325]; een besluit, dat den 5 Augustus 1796 door de Nationale

Vergadering werd bekrachtigd. Toen later, ten gevolge der scheiding van

Kerk en Staat, bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798, omtrent den

eigendom van de kerkgebouwen en pastoriehuizen der voormaals heerschende

Kerk schikkingen tusschen de verschillende kerkgenootschappen waren

voorgeschreven, bleek het in deze provincie, en bijzonder in de

talrijkste gemeente _Leeuwarden_, welk een geest van onderlinge

welwillendheid en hulpbetoon de onderscheidene gezindten bezielde, en

hoe deze, met eerbiediging van ieders regten, belangrijke bezwaren kon

opheffen[326]. Mogt die geest, ook in andere tijden en omstandigheden,

duurzaam blijven bestaan, en mogten de uiteenloopende kerkgenootschappen

allen wedijveren in liefde tot God en de naasten! Dan zeker zal het rijk

van deugd, beschaving en volksgeluk hier meer en meer bloeijen en

waardige burgers kweeken voor dit en het toekomstige vaderland.

[325] Aldaar, I 24.

[326] Sedert dien tijd is het getal Roomsch Katholijken in deze

provincie dermate toegenomen, dat het Aartspriesterschap van

_Friesland_ thans, 1851, uit ruim 21,000 zielen bestaat, uitmakende 31

statiën en 32 gemeenten, met een Deken en Aartspriester, te _Sneek_

wonende, aan het hoofd.

_De Joden._

't Is inderdaad een zonderling contrast in de geschiedenis, dat in het

zelfde jaar 1619, waarin de Remonstranten, die in ondergeschikte punten

van geloof van de heerschende Kerk verschilden, uit den lande gebannen

werden,--de allengs van elders overgekomen Joden of Israëliten, wier

geloof lijnregt tegen dat der heerschende Kerk over stond, van de Staten

van _Holland_ vrijheid van godsdienst-oefening verkregen. Zóó verdragen

twistende bloedverwanten beter vreemden dan elkander.

Lang hadden er in ons vaderland Joden verkeerd, toen een aantal uit

_Portugal_ overgekomene Israëliten zich omstreeks 1595 te _Amsterdam_

vestigde[327]. De Hoogduitsche Joden hebben echter eerst in 1636 daar

eene gemeente opgerigt. Van uit die destijds zoo zeer bloeijende

handelstad verspreidden deze zich eerlang in andere provinciën, en

zetten in 1645 eenige gezinnen zich te _Leeuwarden_ neder. Zij werden

door de Overheid stilzwijgend geduld, en later, 1670, met eene plek

gronds tot eene begraafplaats begunstigd. Bij de toeneming van hun

getal, gingen sommigen ook naar andere steden dezer provincie, waar de

gelegenheid tot het drijven van kleinhandel hun het gunstigst voorkwam.

Alleen de vreemde Joden, die hier kwamen bedelen en bedriegelijken

handel dreven, wekten het misnoegen op van de Regering, zoodat ze

bestendig verdreven en in 1770 zelfs bij lands plakkaat geweerd- en met

vagabonden gelijk gesteld werden. In 1772 schreven de Staten ook het

formulier voor, waarnaar »de Gerechten en Predikanten(?) verplicht

waren, de Jooden in den Huwelyken Staat te bevestigen"[328]. Nadat hun

getal, dat in 1754 te _Leeuwarden_ 140 zielen bedroeg, in 1798 tot 433

zielen was toegenomen, lieten zij daar in 1805 eene nieuwe en groote

Synagoge bouwen. Vervolgens nam ook deze gezindte in dit gewest zoodanig

toe, dat de _Nederlandsche Israëliten_ in _Friesland_ thans een

_Synagogaal Ressort_ uitmaken, met eene Hoofdsynagoge te _Leeuwarden_,

door een Opper-Rabbijn bediend, benevens vijf Ring-synagogen, als: te

_Gorredijk_, _Harlingen_, _Bolsward_, _Lemmer_ en _Sneek_, met twee

bijkerken te _Noordwolde_ en _Hindeloopen_; terwijl hun getal op den 1

Januarij 1851 ruim 2,000 zielen bedroeg.

[327] WAGENAAR, _Amsterdam_, II 220. Sedert is dit onderwerp

herhaaldelijk en uitvoerig behandeld in VAN WIJN, _Huiszittend

Leeven_, Amst. 1801; VAN HAMELSVELD, _Geschiedenis der Joden_, ald.

1807, en vooral in de onder laatsten titel door het Utrechtsch

Genootschap bekroonde verhandeling van den Heer H. J. KOENEN, 1843,

wezenlijk een sieraad onzer letterkunde.

[328] Zie _Reg. Staats-res._ 370, 598, 344, waar het plakkaat en

formulier voorkomen; alsmede meerdere berigten in de _Geschiedkundige

Beschrijving van Leeuwarden_, II 198.

40. _Frieslands Roem in Kunsten en Wetenschappen._

Weinige onderwerpen zijn er, welke zoo belangrijk en tevens zoo

bekoorlijk zijn, als de Geschiedenis van de Letterkunde. Hoe gaarne zou

ik dus, indien het mij niet aan tijd en krachten faalde, onder

bovenstaanden titel, een uitvoerig tafereel willen ophangen van der

Friezen aandeel in de pogingen der Nederlanders, om de vruchten van

hunnen geest en ijver dienstbaar te maken tot uitbreiding van het rijk

van waarheid, kennis en deugd en tot aankweeking van goeden smaak en

kunstzin? Eigenschappen, welke, als kenmerken en vereischen van het

streven naar meerdere volmaking, het wezen en het doel eener

burgermaatschappij moeten uitmaken. De mensch, half dier, half engel,

heeft toch hoogere behoeften en eene edeler bestemming dan brood en

vleesch kunnen bevredigen of vervullen. Gelukkig zij dus, die bij het

leven des ligchaams ook het leven van den geest trachten te voeden: want

de wetenschappen en kunsten zijn, naast de godsdienst, evenzeer sieraden

als onmisbare hulpmiddelen ter opvoeding en beschaving van een volk in

deze aardsche oefenschool voor eene betere wereld. Zonder vorming voor

die wereld is er hier toch geene vatbaarheid voor geluk, geene kracht om

te lijden en te strijden, geen moed om te sterven.

Dat tafereel van de geschiedenis der letterkunde in _Friesland_ zou

zeker tevens de blijken leveren, dat deze provincie, naar gelang harer

bevolking en krachten, zich wel met andere provinciën des vaderlands

heeft kunnen meten in den edelen wedstrijd ter bevordering van het ware,

goede en schoone; zelfs met _Holland_, welks roem in kunsten en

wetenschappen ook door den Baron COLLOT D'ESCURY zoo eervol is

gehandhaafd. Of heeft niet een van Hollands eigene geschiedschrijvers,

de voortreffelijke VAN KAMPEN, mede erkend: »Het is inderdaad

hoogstmerkwaardig, dat _Friesland_, een zoo middelmatig Gewest van het

kleine _Nederland_, in allerlei takken van menschelijke kennis, zoo vele

uitstekende mannen heeft opgeleverd; zoodat men moet bekennen, dat dit

Gewest zoo rijk geweest is in beroemde mannen, in zijnen schoot

voortgebragt of gekoesterd, als bezwaarlijk eenig Land van gelijke

uitgebreidheid in _Europa_"[329].

[329] Zie zijne _Beknopte Geschiedenis der Letteren en Wetenschappen

in de Nederlanden_, Delft 1826, III 254, 258.

Hoe aangenaam en belangrijk het behandelen van dit onderwerp ook zij,

het volbrengen daarvan moet ik echter aan een ander beoefenaar van

wetenschap en kunst in deze provincie overlaten. Naar het bestek en plan

van dit werk kan ik hier van dit onderwerp in hoofdtrekken slechts

datgene aanstippen, wat ik wensch, dat een ander, met gelijken lust,

doch meer bekwaamheid, uitvoeriger en vollediger in het licht moge

stellen, in verband met de ontwikkeling van beschaving en volksgeluk.

In de eerste plaats verdient dan onze aandacht:

_Frieslands Hoogeschool te Franeker._

In weerwil de Spaansche benden nog op de grenzen stonden des lands, dat

zij herhaaldelijk door hunne invallen verontrustten;--ondanks gebrek aan

krijgsvolk en middelen, die de verworvene onafhankelijkheid moesten

verzekeren;--niettegenstaande hevige twisten tusschen de leden der

regering over de mate en de grenzen des gezags--waren de Staten van

_Friesland_ zeer spoedig bedacht, om, als eene eerste vrucht van de

zegepraal der hervorming, hier eene kweekschool der wetenschappen te

stichten; vooral, om de kerk van geschikte predikanten te voorzien. Zij

meenden tevens aan de goederen der voormalige kloosters, aan den lande

vervallen, geene betere bestemming te kunnen geven, dan om ze dienstbaar

te maken tot het vrome doel, om de jeugd door onderwijs te vormen voor

de dienst van Kerk en Staat, die behoefte hadden aan eene leerschool,

tot dusverre steeds buitenlands gezocht. En op den zelfden landsdag van

1584, waarop zij den eed tot afzwering van Koning FILIPS herhaalden en

Graaf WILLEM LODEWIJK _van Nassau_ tot hunnen Stadhouder verkozen,

besloten zij tot oprigting van een »Seminarium ofte Collegium tot

welstand der Kercke Gods en het Polytische Regiment"[330].

[330] WINSEMIUS 747, 752, 758; SCHOTANUS, _Beschrijv._ 139; VRIEMOET,

_Athenæ Frisiacæ_, IV.

Het voormalige Kruisebroeders-klooster te _Franeker_ werd daartoe

aangewezen, en de voor acht jaren te _Leiden_ gestichte Akademie tot

voorbeeld gekozen. In verschillende vakken werden geleerde mannen tot

Hoogleeraren benoemd; ja zelfs twee, TIARA en DRUSIUS, van _Leiden_

herwaarts beroepen, waarna de plegtige inwijding den 29 Julij 1585

plaats had. Door de hoogleeraren geheel en de studenten ten deele van

alle belastingen vrij te stellen; door het oprigten van een Akademische

Bibliotheek; door het aannemen van een groot getal Alumni, die op lands

kosten studeerden, waarvan het getal in 1598 tot 124 bepaald werd; door

het instellen van eene Oeconomie en daarna van eene Beurs of algemeene

tafel, ook voor minvermogende en vreemde studenten, en door wijze wetten

en verordeningen trachtte het landsbestuur alles te bevorderen, wat tot

bloei en uitbreiding van de Akademie kon strekken. De gewenschte vrucht

daarvan bleef ook niet achter. Nadat in 1604 vier Curatoren namens de

Staten meer bepaald met de zorg voor de belangen der Hoogeschool belast

waren, nam het aantal studenten ongemeen toe, en werd ook het getal

hoogleeraren vermeerderd; terwijl de roem van hunne geleerdheid en

onderwijs mede vele buitenlanders aanspoorde, het kleine, doch voor de

beoefening van de wetenschappen zoo geschikte _Franeker_ te bezoeken. De

akademische inrigtingen werden vervolgens in 1632 met een Hortus

Botanicus en in 1752 met Laboratorium Chemicum vermeerderd[331].

Vandaar, dat, in weerwil het getal Alumni lands voedsterlingen in 1664

tot op 41 verminderd was, het bij de plegtige viering van het eerste

eeuwfeest der Akademie in 1685 bleek, dat het getal der gedurende de

eerste honderd jaren ingeschreven studenten niet minder dan 10,643 had

bedragen[332].

[331] Zie de Staatsstukken betrekkelijk deze Hoogeschool in het

_Charterb._ IV 657, 820, 943, 1075; V 108, 246, 297, 317, 328, 518,

522, 546, 551, 628, 730, 758, 999; _Reg. Staats-res._ 5, 35, 110, 473,

557, 647, 774; benevens de MS. Res. van Gedeputeerden.

[332] Volgens het nog aanwezige Album. De Feestrede van Prof. N.

BLANCARDUS, bij die gelegenheid gehouden, komt met vertaling voor in

SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, II 23e bk. 91.

Maar welke Hoogleeraren waren het ook, die door hun onderwijs en

schriften de inboorlingen tot bekwame mannen vormden en zoo vele

vreemdelingen, ook uit ver verwijderde landen, tot zich trokken? In de

~Godgeleerdheid~ waren het LYDIUS, VAN DER LINDEN en LUBBERTUS, en op

hun voetspoor twee SCHOTANUSSEN, CLOPPENBURG en ARNOLDUS, die den roem

der Hoogeschool vestigden, gelijk WITSIUS, VAN MARCK, twee VITRINGA'S,

twee VAN DER WAEYENS, ROËLL, CONRADI, VENEMA en VAN VOORST, die hem

handhaafden en uitbreidden. In de ~Regtsgeleerdheid~ werd te _Franeker_

eene school gevormd, welke uitstekende leerlingen kweekte onder de

hoogleeraren VAN BEIJMA, twee SCHOTANUSSEN, VAN DEN SANDE, FABER en

BOURICIUS, die later nog overtroffen werden door WISSENBACH, twee

HUBERS, NOODT, SCHULTING, WESTENBERG en HEINECCIUS, die Europeschen roem

verwierven, alsmede door twee VOORDA'S, WIELING, TROTZ, CANNEGIETER enz.

De ~Genees-~, ~Wis-~ en ~Natuurkundige Wetenschappen~ vonden ijverige

beoefenaars in AULETIUS, CLINGBIJL, METIUS, M. WINSEMIUS, VAN DER LINDEN

en HOLWARDA, doch vooral in twee MATTHÆUSSEN, twee FULLENIUSSEN, MUYS,

LORÉ, OUWENS, twee YPEIJS, twee BRUGMANSEN, CAMPER, VAN SWINDEN enz.

Inzonderheid bloeide hier de beoefening van de ~Oude Talen~, ~Letteren~

en ~Geschiedenis~ onder mannen als: TIARA, DRUSIUS en AMAMA, die de

grondslagen legden, waarop RHALA, PASOR, P. WINSEMIUS, MOLL en TERENTIUS

voortbouwden, om onder BOS, SCHULTENS, WESSELING en VRIEMOET zich uit te

breiden en door HEMSTERHUIS, BURMAN, D'ARNAUD, VALCKENAER en SCHRADER

eene schitterende hoogte te bereiken, waarvan onder VAN LENNEP, VAN

KOOTEN en WASSENBERGH nog de stralen blonken[333].

[333] Levensbeschrijvingen van de meest al de genoemde Hoogleeraren

bevat het werk van VRIEMOET, hier vóór op bl. 234 aangehaald.

Inderdaad, eene rij van geëerbiedigde namen, meest Friezen van geboorte,

door de wijsheid van Frieslands staatsleden aan deze Hoogeschool

verbonden, om het licht van geleerdheid en wetenschap te verspreiden;

mannen, die voor Kerk, Staat en andere hoogescholen uitmuntende

leerlingen vormden, en die hun roem aan de eer van _Franeker_ hebben

verbonden. 't Was dáárom, dat de geschiedschrijver van Neêrlands

letterkunde deze stad bij herhaling hulde bragt, als eene bron van

kennis voor ons vaderland, daar hij »_Franeker_ eens de eerste en

voornaamste Hoogeschool van _Nederland_ en de kweekhof van groote

mannen voor _Leyden_" noemde[334].

[334] VAN KAMPEN, t. a. p. II 248, 259, 261, 311, 313, 364, 520, 609.

Op al deze plaatsen staaft die schrijver het hooge aanzien der

Franeker Akademie met bewijzen; terwijl het laatste gezegde

bevestiging vindt in een getal van _dertig_ Hoogleeraren, van

_Franeker_ naar _Leiden_ beroepen. Hij voegt er bij: "De _Friesche_

Hoogeschool telde in dit tijdperk, 1713-80, vijf der meestberoemde

Letterkundigen van _Europa_ onder hare Hoogleeraren, SCHULTENS,

HEMSTERHUYS, VALCKENAER, WESSELING en BURMAN, en was dus een waar

_Athenæum_ (niet in den zin van minderheid beneden eene _Akademie_)."

»Zoo heeft God dese Academie steeds seer gesegent, met vermaerde Mannen,

die tot alle tyden hier geweest zijn, en die, naest vele vryheden ende

groote privilegien, de gunst, vriendschap en de beleeftheyt genoten van

de Regenten en Principaelen des Landts, welke dese Academie beminden en

voorstonden als de croon en cieraedt der Provincie"[335]. De eenmaal

ingestelde heilzame verordeningen moesten echter bij herhaling

vernieuwd, uitgebreid en aangedrongen worden, wegens veelvuldige

ingeslopen misbruiken; terwijl zoovele, uit verschillende natiën

herwaarts gevloeide, studenten te dikwijls aanleiding gaven tot klagten

over drinkgelagen en baldadigheden, waartegen soms strenge maatregelen

werden genomen. Van den aanvang af werd toch als het doel der studiën

voorgesteld, om zoowel uit te munten »in geleertheyt als seden ende

eerbaerheyt, opdat de jeugd, die opgequeeckt wordt tot Predick ende

Richtstoelen, den roem van eenen goeden wandel en een reyn gemoet met

haer brengen"[336].

[335] Prof. SCHOTANUS, _Beschrijv._ 140.

[336] Aldaar, 145, 177.

Bij den tijdelijk ongunstigen toestand der provinciale financiën konden

de Staten, die tot dusverre de belangen der Akademie zoo onbekrompen

hadden bevorderd, goedvinden, in 1774 eenige »poincten van menage" in te

voeren. Deze hadden noodlottige gevolgen, zoodat, ook wegens het

verminderen van het getal vreemde studenten, haar bloei blijkbaar

gedaald was, toen in 1785 het tweede eeuwfeest der Hoogeschool

schijnbaar met luister werd gevierd.

Doch toen ook kwijnden de studiën mede onder het geklank der opgevatte

wapenen bij den opgewekten vrijheidszin onder de staatkundige

verdeeldheden en beroerten, waarvan _Franeker_ vooral de zetel was, en

ten gevolge waarvan in 1787 vier hoogleeraren en een aantal studenten

deze stad verlieten. Te vergeefs trachtte men voor en na 1795 de hieruit

voortgevloeide nadeelen te herstellen. Hoewel het getal studenten

vervolgens weder tot 80 klom, sleepte de Hoogeschool, in vergelijking

van haar vroeger aanzien, in het tijdvak der overheersching een kwijnend

bestaan voort; totdat het Keizer NAPOLÉON behaagde, haar in 1812 op te

heffen, en dezen eens zoo roemrijken zetel van geleerdheid en

wetenschap, die het vaderland zoo lang tot sieraad had verstrekt, te

vernietigen[337].

[337] Behalve de bronnen, hier vóór vermeld, bevat de _Teg. Staat_, II

512, het uitvoerigste overzigt van de geschiedenis der Hoogeschool,

welke echter tot dusverre nog zeer onvolkomen bekend is. Ook dáárom

wensch ik zeer, dat er uit de groote menigte stukken, welke er

betrekkelijk deze Akademie nog te _Franeker_ en in mijne eigene

verzameling aanwezig zijn, eenmaal eene volledige geschiedenis worde

opgemaakt, welke zeker voor onze letterkunde eene belangrijke bijdrage

zou zijn.

_Godgeleerden._

Ook behalve de vroeger genoemde hoogleeraren te _Franeker_ heeft

_Friesland_ een groot getal ~Godgeleerden~ voortgebragt of gekweekt, die

òf als Hoogleeraren op de andere vaderlandsche leerscholen, òf als

Predikanten, door geleerdheid en uitgegevene geschriften hebben

bijgedragen, om het licht van godsdienst-kennis te verspreiden en de

leer der Kerk te handhaven. GELLIUS SNECANUS, SIBRANDUS WOMMELIUS,

FESTUS HOMMIUS en GELLIUS DE BOUMA waren in de eerste tijden even

werkzaam om de Kerk te vestigen, als later FRANCISCUS ELGERSMA, DOMICUS

GOLTZIUS, ARNOLDUS LANDREBEN, THEODORUS SCHELTINGA, HENRICUS SICCAMA en

HERO SIBERSMA, om haar op te bouwen en te stichten. De schriften van

THEODORUS en WILHELMUS À BRAKEL waren vooral lang algemeen geacht; zelfs

werd de _Redelijke Godsdienst_ des laatsten van 1700 tot 1767 17 malen

herdrukt. DAVID FLUD VAN GIFFEN en BALTHAZAR BEKKER poogden echter meer

heldere begrippen omtrent de godsdienst te verspreiden en vooroordeelen

te bestrijden, welke pogingen eerst later vruchten droegen. JOH.

WESSELIUS, THEODORUS VAN THUYNEN, NICOLAAS SCHIERE, IBERTUS FENNEMA,

MARTINUS SWARTTE en JOHANNES PLANTINUS waren in de 18e eeuw door leer en

schriften zeer in achting. AGGÆUS HAITSMA, GAVIUS NAUTA, JOANNES

STINSTRA, BENJAMIN FRIESWIJK, JOHANNES HABBEMA en HERO OOSTERBAAN

muntten te gelijk door geleerdheid uit. Toen eindelijk de voortgang der

verlichting vrijmoedigheid schonk, om vrijzinnige evangelische

denkbeelden voor te dragen en een beter licht voor de Kerk te ontsteken,

waren het de Friesche predikanten FOKKO LIEFSTING, JACOBUS ENGELSMA

MEBIUS, PETRUS en JAN BROUWER, PETRUS en GERBRAND BRUINING en JOHANNES

HENRICUS NIEUWOLD, die, even als vervolgens de hoogleeraren JODOCUS

HERINGA EZ., EELKE TINGA, ANNÆUS YPEIJ, LUCAS SURINGAR en ELIAS ANNES

BORGER, ijverig hebben medegewerkt, om in ons vaderland de kluisters der

verouderde kerkleer te verbreken en het evangelische Christendom in eere

te herstellen.

_Regtsgeleerden._

Aanzienlijk is het getal Friezen, dat gedurende dit tijdvak in de

~Regtsgeleerdheid~ grooten naam mogt verwerven[338]. Hebben wij die,

welke aan de Franeker Akademie uitblonken, genoemd, ook andere

Hoogescholen des vaderlands hebben zij tot eer verstrekt, als: te

_Leiden_ JUCKE VAN BEIJMA, BERNARDUS SCHOTANUS, GERLACH SCHELTINGA,

BAVIUS VOORDA en JAN VALCKENAER; te _Utrecht_, behalve de zelfde

SCHOTANUS en VALCKENAER, CYPRIANUS REGNERUS VAN OOSTERGA en JACOBUS en

JOHANNES HENRICUS VOORDA; terwijl mede op buitenlandsche Hoogescholen

mannen als MEINARDUS VAN AITZEMA te _Rochelle_, FRANCISCUS MEINARDUS te

_Poitiers_ en DOMINICUS VAN ARUM te _Jena_ de leerstoelen van het regt

met roem hebben bekleed.

[338] Zie deze alle genoemd in Prof G. DE WAL'S _Oratio de claris

Frisiæ Jureconsultis_, in 1818 te _Franeker_ gehouden en in 1825,

vermeerderd met de levens dier personen, te _Leeuwarden_ uitgegeven.

Hoe vele namen van uitstekende regtsgeleerden bevat ook niet de Naamrol

der Raden van het Hof van _Friesland_, welker roem van bekwaamheid en

strenge regtvaardigheid den luister van deze geëerbiedigde regtbank

verhoogde; personen, meest uit de eerste standen, die voortdurend

bewezen, hoe zeer de beoefening van dégelijke studiën bij den adel en de

aanzienlijken van _Friesland_ in achting stond[339]. Nog talrijker is de

Naamrol der Advokaten voor dit Hof, waarvan vele in deze en andere

betrekkingen sieraden geworden zijn van hun vaderland. Ook de Naamlijst

van de Grietmannen bevat eene menigte personen, die als regtsgeleerden

en staatsmannen hebben uitgeblonken[340]. Velen hunner mogten toch als

leden van de Staten of van de Gedeputeerde en Generale Staten, of in

andere lands betrekkingen mede nuttig zijn en aanzien verwerven.

Moeijelijk valt het uit zoo groot getal personen namen te noemen van

hen, die zich het meest onderscheidden. Evenwel zullen de geschiedboeken

des vaderlands altijd met eere vermelden de verrigtingen van mannen als:

ROMBERTUS ULENBURG, ECO YSBRANDI, KEIMPE en FRANS VAN DONIA, de

Ambassadeur WILLEM VAN HAREN, ALLARD PIETER VAN JONGESTAL, SICCO VAN

GOSLINGA, ULBE AYLVA VAN BURMANIA, TJAARD en HESSEL DOUWE ERNST VAN

AYLVA; gelijk mede van WILLEM en ONNO ZWIER VAN HAREN, WYBRAND VAN

ITSMA, NICOLAAS ARNOLDI, EPO SJUCK VAN BURMANIA, PHILIP FREDERIK en

JOHAN VEGILIN VAN CLAERBERGEN, GEORG FREDERIK Baron THOE SCHWARTZENBERG

enz.; terwijl de geslachten SAECKMA, GROVESTINS, VAN SMINIA, VAN AYLVA,

VAN EIJSINGA, LYCKLAMA, VAN WYCKEL, BOURICIUS, BEUCKER, RENGERS, VAN

SCHELTINGA, HUBER, VAN VIERSSEN, AITZEMA, ANDRINGA, DE BLAU enz.

onderscheidene leden telden, die bij opvolging als regtsgeleerden en

staatsmannen hebben uitgemunt[341].

[339] Zie over het Hof bl. 227 en de noot op bl. 228 hier vóór.

[340] Zie VAN SMINIA, _Nieuwe Naamlijst van Grietmannen_, en bl. 235

hier vóór.

[341] Van vele dezer personen heeft onze landgenoot Mr. JAC. SCHELTEMA

levensschetsen gegeven in zijn belangrijk werk: _Staatkundig

Nederland_, Amsterdam 1805, 2 deelen. Zie ook VAN SMINIA,

_Grietmannen_, het _Wapenboek_, het _Stamboek_ enz.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 31 / 41 段