1738 drie leeraren van _Heerenveen_ en _de Knype_, waarvan twee van
hunne bediening ontzet werden. De Doopsgezinde Societeit beklaagde zich
hierover wel bij de Staten, doch zonder gevolg, dewijl men onvoorzigtig
genoeg was geweest die handeling _inquisitie_ te noemen. Doch de
geleerde JOANNES STINSTRA, leeraar te _Harlingen_, die in deze zaak den
meesten ijver had betoond tot verdediging van het aangerande regt der
Doopsgezinden tot vrijheid van geloof, viel kort daarop onder gelijke
beschuldiging, dewijl men voorgaf, dat zijne uitgegevene predikatiën
_over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk_ met
Sociniaansche denkbeelden besmet waren. Op de klagt der Synode aan
Gedeputeerde Staten vonden deze goed, dat alle synodale klassen van
_Friesland_ en alle theologische faculteiten in _Nederland_ het boek van
STINSTRA zouden onderzoeken en hunne bevinding mededeelen. Deze was
natuurlijk overeenkomstig de beschuldiging: want wie zou zich tegen het
oordeel der Synode durven verzetten? Slechts één man had dien moed, die
onpartijdigheid van onderzoek, die verachting van menschenvrees, waar
het de belangen van waarheid en regt gold. De hoogleeraar VENEMA, reeds
vroeger loffelijk door ons vermeld (bl. 355), die in verstand,
geleerdheid en liefde boven zijne eeuw verre verheven was, verklaarde,
niet één stellig bewijs van socinianerij in het boek te kunnen
aanwijzen. In weerwil van dit gunstig oordeel, dat de verbolgenheid van
velen tegen VENEMA opwekte, werd STINSTRA afgezet, en, ondanks de
dringende verzoeken zijner gemeente en der Friesche Societeit, gedurende
vijftien jaren (1742-1757) van zijnen kansel geweerd; hoewel hij
intusschen, op verzoek van verlichte edelen en staatsleden, tijdens den
landsdag, dikwijls te _Leeuwarden_ kwam prediken, bij welke gelegenheid
de voornaamste Friesche grooten in de eenvoudige vermaning onder zijn
gehoor verschenen. Wel ergerde dit de Hervormde predikanten, doch deze
bescherming van de aanzienlijksten des lands schrikte hen af, verder
iets tegen de Doopsgezinden te ondernemen[309]. Wij vermelden dit minder
ter eere van STINSTRA, als wel om te bewijzen, dat er in het midden der
18e eeuw bij vele aanzienlijke Friezen niet alleen godsdienstzin
bestond, maar ook eene zucht naar meer vrijzinnige en evangelische
begrippen, en tot verbreking van de banden, met welke de Kerk, nog
altijd gesteund door het Staatsgezag, de leer immer binnen de zelfde
enge grenzen wilde beperkt hebben. Het gezond verstand van hen, die men
den bijnaam van _Toleranten_ had gegeven, begon zich te verzetten tegen
de Dordsche leerstukken; en hoe krachtiger de predikanten deze wilden
handhaven, hoe sterker de tegenstand werd der voorstanders van den
vooruitgang jegens de aanhangers van het behoud.
[309] Dit verhalen YPEIJ en DERMOUT, III 531 op grond van het
_Historisch Verhaal omtrent Ds. de Cock_, 58, waar zelfs gezegd wordt,
dat hij "het puik der Friesche Baronnen (alle Heeren van Bon-Sens)
onder zijn gehoor had." Zie ook LORGION, _de Herv. Kerk_, 241 en TEN
CATE, 214 en 351, waar ruim 40 geschriften opgenoemd worden, welke
betrekkelijk deze, destijds zoowel elders als in _Friesland_, veel
geruchtmakende zaak zijn uitgegeven.
De Doopsgezinden, die sedert de oprigting van hunne Kweekschool te
_Amsterdam_ in 1735 meer wetenschappelijk gevormde leeraars ontvingen,
die eene betere predikwijze en meer beschaafden spreek- en schrijftrant
invoerden, en ook door andere geschriften, alsmede door vertalingen der
werken van RICHARDSON, TILLOTSON, BLAIR enz. zich jegens de
vaderlandsche letterkunde verdienstelijk maakten, waren steeds vrienden
van gematigden vooruitgang en bondgenooten van hen, die wilden, dat ook
de Hervormde Kerk zou deelen in de stralen der blijkbaar toenemende
verlichting. En terwijl zij van lieverlede afstand deden van hunne
begrippen omtrent het overheidsambt en het wapendragen, gaven zij aan-
en ontvingen zij van de Hervormden menigvuldige blijken van
verdraagzaamheid, toenadering en verbroedering. Hadden de twee
Doopsgezinde instellingen: _Teijler's Godgeleerd en Tweede Genootschap_
(1779) en de _Maatschappij: tot nut van 't Algemeen_ (1785), de
bevordering van de waarheid der christelijke godsdienst, de uitbreiding
van de wetenschap en de verstandelijke ontwikkeling van het volk ten
doel--met gemeenschappelijke krachten en verwijdering van alle
geloofsverschil hebben zoowel Hervormden als Doopsgezinden geijverd om
dat doel te bereiken, en daardoor de eer en bloei van beide instellingen
bevorderd tot duurzaam heil des vaderlands[310]. Ook de Friesche
Doopsgezinden hebben tot dat alles het hunne toegebragt, en zullen de
geschriften van STINSTRA, NIEUWENHUIS, DE VRIES, OOSTERBAAN, STIJL,
KOOPMANS, HANEKUIK, HOEKSTRA, BROUWER, WIELING en anderen bestendig
getuigen van hun ijver, zoowel voor Christendom en Kerk, als voor
wetenschap en volksgeluk. De verzachting van begrippen en toenadering
van de Protestanten onderling mogt den lang bestaanden scheidsmuur doen
vallen, die toenadering moest echter ten gevolge hebben eene verminderde
getal-sterkte hunner Kerkgemeenschap.
[310] Zie dit meer bijzonder aangewezen in de verhandeling van Prof.
SIEGENBEEK, _over hetgeen het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, in de
laatste 50 jaren, tot verspreiding van redelijke Godsdienstkennis,
handhaving van het zuivere Christendom en verbetering der Predikwijze,
in de Protestantsche Kerk van Nederland heeft toegebragt_, geplaatst
in het 6e dl. van KIST en ROYAARDS, _Archief_, Leiden 1835, 203.
Het werd mede eene aanleiding, dat vele Doopsgezinden, op verren afstand
van eene gemeente wonende, geene zwarigheid maakten tot de Hervormde
Kerk over te gaan.[311] Zeker hadden de staatkundige omstandigheden en
de offers, welke de omwenteling van 1795 eischte, daarop een merkbaren
invloed: want verlies van fondsen en daardoor van de gelegenheid om
wetenschappelijk gevormde leeraars te kunnen bekomen, hebben vele kleine
gemeenten op het land doen vervloeijen. Ten gevolge van dat alles daalde
het getal gemeenten toen tot 42 en dat der zielen tot ruim 12,000,
hoewel het laatste getal in 1851 weder tot ruim 15,000 was toegenomen.
Die omwenteling schonk evenwel ook hun volkomene gelijkstelling met
andere gezindten en onbeperkte vrijheid van godsdienstige begrippen.
Sedert dien tijd hebben geene schokken hun kerkelijk bestaan verontrust,
maar als rustige burgers van den staat, vasthoudende aan de grondslagen
hunner evangelische belijdenis, zijn zij toegenomen in innerlijke kracht
en in uitwendig aanzien, deelende in de zelfde voorregten, welke de met
haar verbroederde Hervormden in de negentiende eeuw mogen genieten, bij
gelijkheid van streven naar meerdere ontwikkeling en volmaking van
christelijke beginselen, tot vorming van waardige burgers voor den Staat
en bovenal voor het Koningrijk Gods in het leven der toekomst.
[311] Over de oorzaken van het verminderde getal leden heeft D^o.
BLAUPOT TEN CATE een afzonderlijk werkje geschreven, getiteld:
_Gedachten over de Getals-vermindering bij de Doopsgezinden_, Amst.
1844, naar aanleiding van opmerkingen deswege in het belangrijke werk
van D^o. J. H. HALBERTSMA, _de Doopsgezinden en hunne herkomst_, Dev.
1843. Volgens eene lijst daarin, zijn er in _Friesland_ wel 27
gemeenten te niet gegaan.
_De Lutherschen_[312].
[312] Het volgende is hoofdzakelijk getrokken uit de berigten van de
Eerw. Heeren SCHULTZ JACOBI en SCHUTTE, in _Aant._ 19 breeder vermeld.
Zie ook bl. 164 hier vóór, en meerdere bijzonderheden in mijne
_Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 118.
Sedert LUTHER in 1517 openlijk den kamp waagde tegen _Rome_ en de
misbruiken der Kerk, vonden zijn moed en gevoelens in ons vaderland
spoedig weerklank. Bijzonder was dit het geval in _Friesland_, volgens
de berigten van zijn tijdgenoot PETER VAN THABOR op het jaar 1524[313].
»Door zijne schriften (meldt deze) en door zijne beschuldigingen tegen
den Paus en de regenten der Kerk, alsmede tegen de Kloosters en velerlei
menschelijke inzettingen en misbruiken, had hij het gansche Christenrijk
beroerd, en waren er te _Amsterdam_ vooral groote ongeregeldheden
voorgevallen. Hoewel er in _Friesland_ daarover toen nog niet zulke
twisten bestonden, waren er nogtans vele priesters en geleerde lieden,
die LUTHER bijvielen, en zelfs twee priesters van het klooster _Aanjum_
naar hem toegeloopen." Reeds vroeger, onder de Saksische regering,
hadden verscheidene Friezen de Saksische Hoogeschool te _Wittenberg_
bezocht, en van 1522 tot 1559 nam dit getal aanmerkelijk toe, volgens
eene daarvan bestaande breede lijst[314]. Vermits LUTHER eerst in 1546
overleed, zoo is het duidelijk, dat zijne leerlingen in _Friesland_
denkbeelden en gevoelens terugbragten, welke den voortgang en de
uitbreiding van de zaak der hervorming gunstig waren. Vandaar dan ook,
dat in al de eerste plakkaten, sedert 1521 namens den Keizer tegen de
ketters en verzakers van het geloof der Kerk hier afgekondigd, LUTHER en
zijne dolingen wel het meest worden veroordeeld en de verspreiding van
zijne schriften en gevoelens verboden[315].
[313] _Kronijk_, in het _Archief_ van VISSER en AMERSFOORDT, II 427.
[314] Bij SCHULTZ JACOBI, 173, 184. Hij heeft deze lijst opgemaakt uit
het Album der Wittenbergsche Hoogeschool, dat echter slechts tot 1560
is gedrukt.
[315] Zie deze plakkaten in het _Charterboek_, II 107, 194, 415, 514,
563, 594, 626, 633 env.
En evenwel, hoe groot die invloed van LUTHER in _Friesland_ ook geweest
is, om eene verandering van geloof, gemoed en leven te weeg te brengen,
is er volstrekt geen blijk, dat er in de 16e eeuw hier eene, naar hem
genoemde, sekte of gemeentelijke vereeniging, welke bepaaldelijk de
Augsburgsche belijdenis volgde, is gevestigd geweest. Later toch waren
de plakkaten meer gerigt tegen MENNO SIMONS en de hervormings-gezinden
in het algemeen. De sterke toeneming van de Doopsgezinden en de
aanneming van de bijzondere begrippen van ZWINGLI en daarna van KALVIJN
bij de Hervormden schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat de
Lutherschen zich hier niet tot eene afzonderlijke gezindte gevestigd
hebben. Sommigen hunner begaven zich naar _Oost-Friesland_, anderen
vereenigden zich bij hunne uitsluiting in 1581 met de Hervormden, zoodat
het getal dergenen, die de leerstellingen van LUTHER bleven aankleven,
gering zal geweest zijn.
In de volgende eeuw vermeerderde dat getal van lieverlede.
Onderscheidene personen uit den vreemde zetten zich hier neder, of
kwamen in het gevolg der Friesche Stadhouders of met Duitsche benden
herwaarts over. Ook aan de Akademie te _Franeker_ bevonden zich veelal
verscheidene Luthersche studenten. Toen in 1650 het getal dezer laatste,
uit _Duitschland_, _Zweden_, _Denemarken_ enz. 31 bedroeg, deden zij
eene eerste poging, om in _Friesland_ eene Luthersche Kerk op te
rigten. Eerst deden zij een aanzoek daartoe aan den Akademischen
Senaat, en, toen zij bij dezen geen gehoor vonden, aan Gedeputeerde
Staten. Dan, de Hoogleeraren bragten daartegen zoo vele bezwaren in; zij
vreesden van eene toegeeflijkheid in dezen zóó ernstige gevolgen voor de
Kerk en de rust der Hoogeschool, dat de Staten meenden, genoemd verzoek
van de hand te moeten wijzen[316]. Evenmin slaagde zeker zwervend
predikant, JOHANNES DURÆUS, in 1656, om de Gedeputeerden in gunstiger
stemming te brengen jegens zijne geloofsgenooten.
[316] Uit de Akademische akten medegedeeld door D^o. LORGION, _de
Hervormde Kerk_, 118.
Intusschen hielden de Lutherschen toenmaals reeds in stilte
vergaderingen zoowel te _Leeuwarden_ als te _Harlingen_, welke
oogluikend werden toegelaten. De ijverzucht der Hervormde predikanten
werd daardoor echter opgewekt, en de Synode van 1663 beval een onderzoek
deswege, waarna zij in 1668 hare klagten daarover bij Gedeputeerde
Staten inbragt. Zij werd daartoe inzonderheid bewogen, omdat de
Lutherschen, na in dat jaar van de Staten te vergeefs verlof gevraagd te
hebben, om te _Leeuwarden_ eene kerk te bouwen, een predikant uit
_Amsterdam_ hadden ontvangen, die zoowel hier als te _Harlingen_ al te
openbaar predikte. Gedeputeerden, gelijk ook de Magistraat, waren eerst
wel genegen tot toegevendheid; doch toen de Lutherschen in het houden
van hunne bijeenkomsten in eene vaste vergaderplaats hoe langer hoe
vrijer werden, drongen de klagten en beschuldigingen van den Hervormden
Kerkeraad zóó sterk, dat de Overheid zich in 1671 verpligt zag het bevel
te geven, dat de predikant binnen drie dagen moest vertrekken en dat de
vergaderingen belet of verstrooid zouden worden.
Ofschoon de regering rekkelijk genoeg was, de uitvoering van dit besluit
nog langer dan drie maanden uit te stellen, was men verpligt te
gehoorzamen en zich te onderwerpen. Doch reeds in het volgende jaar 1672
kwam er een ander predikant over, en toen in dit jaar de Staten aan de
Doopsgezinden vrijheid van godsdienst-oefening toestonden, werd de hoop
der Lutherschen verlevendigd, dat dit voorregt weldra ook hun mogt ten
deel vallen. Zij bleven in stilte vergaderen in een achteraf staand huis
in de Nieuwe Oosterstraat. Dit was echter zeer bouwvallig, en toen nu
een rijk lid der gemeente, Jhr. ANDREAS MÖLLER, aanbood, om op die
plaats voor zijne kosten een nieuw kerkgebouw te doen optrekken, waagde
men het in Junij 1680 met den opbouw daarvan te beginnen. Doch met deze
stoute daad was men te ver gegaan: want spoedig volgde het bevel van den
Magistraat, om den arbeid te staken en het gebouwde af te breken,
hetgeen, in weerwil van herhaalde en dringende verzoeken, geschiedde.
Die tegenstand noopte de verdrukte gemeente om het uiterste te wagen en
van de Staten vrijheid van godsdienst-oefening te verzoeken. Door
medewerking van mannen van invloed werd deze den 22 Julij 1681 gelukkig
verleend, evenwel op voorwaarde van te zullen vergaderen in een gewoon
huis en in stilheid, zonder gebruik te maken van eene klok[317].
Onmiddelijk hierna ving men aan met den opbouw van de kerk, waartoe de
gemeente, die toen ongeveer 3 à 400 zielen telde, gaarne de overige
kosten droeg. In 1692 werd daar naast eene kosterswoning en in 1697 eene
pastorie in de nabijheid aangekocht. Dat kerkgebouw is in 1773
vernieuwd en vergroot, vooral ten gevolge van den ijver en invloed des
welsprekenden leeraars AUGUSTUS STERK, onder wien de gemeente tot 6 à
700 zielen was aangegroeid. In 1843 is daarnevens eene nieuwe pastorie
gebouwd.
[317] Zie dit besluit in het _Charterb._ V 1194 en bij SCHUTTE, 189;
alsmede _Reg. Staats-res._ 447; YPEIJ en DERMOUT, I Aant. bl. 153.
* * * * *
Weinige zijn de bijzonderheden, welke omtrent de overige Luthersche
gemeenten in _Friesland_ bekend zijn. De gemeente te _Harlingen_, te
gelijker tijd met die van _Leeuwarden_ ontstaan, had in den beginne
gemeenschappelijk met dezen den zelfden predikant. In 1669, toen zij een
eigen huis tot eene kerk aankocht, was het getal harer leden reeds
ongeveer 150. Even als in andere handelsteden nam dit getal van
lieverlede in de 18e eeuw toe. Doch de geweldige twisten, welke ook dit
kerkgenootschap en onderscheidene gemeenten daarvan beroerd hebben,
gaven aanleiding tot scheuring, waardoor er te _Harlingen_ twee
gemeenten ontstonden, waarvan de eerste den naam van de _Evangelisch
Luthersche_ bleef dragen, terwijl de tweede, die zich, in navolging van
de splitsing der Amsterdamsche gemeente, afscheidde, den naam van
_Herstelde_ daar vóór voegde.
Ook te _Balk_ is eene kleine gemeente geweest, gelijk mede op _Ameland_,
welke tot 1817 als filiaal- of bijgemeente twee of driemalen 's jaars
bezocht werd door den predikant van _Leeuwarden_, die dan in de
Hervormde kerk te _Ballum_ doop en avondmaal bediende. Evenzoo werd
_Workum_ een filiaal-gemeente van _Harlingen_. Te _Sneek_, _Franeker_,
_Dokkum_, _Makkum_, _Dragten_, _Joure_, _het Bildt_ en elders bevonden
zich later nog een grooter of kleiner getal Lutherschen. De geest
van broederlijke eensgezindheid tusschen de Protestantsche
kerkgenootschappen in deze provincie heeft thans gelukkig eene
onderlinge toenadering bevorderd, welke de aanleiding tot vroegere
afzondering grootendeels heeft doen verdwijnen. Het getal Evangelisch
Lutherschen in _Friesland_ is thans, in 1851, echter niet grooter dan
700, en dat der Herstelde van 126.
_De Roomsch Katholijken._
De aanneming van de zaak der hervorming in _Friesland_ was bij de
omwenteling van 1580 zóó algemeen, dat er slechts weinige ingezetenen
waren, die uit gehechtheid of overtuiging de oude Katholijke eeredienst
bleven toegedaan, terwijl andere, uit vrees voor vervolging, deze
provincie verlieten en later daarin terugkeerden. Tot den jare 1593
verkeerde die voormalige Kerk hier alzoo »in eenen geheel verlatenen
toestand; naauwelijks bevond zich hier een Priester, en die er waren,
hielden zich uit vrees schuil." Dit verklaart althans Pater WILLEBRORDUS
VAN DER HEIJDEN, die een verhaal heeft geschreven van de pogingen, welke
de zendelingen der _Jezuiten_ van 1593 tot 1638 in _Friesland_ hebben
aangewend, om de Roomsche eeredienst, welke bij de staatsomwenteling was
te niet gegaan, zoo veel mogelijk weder op te beuren en te herstellen,
waartoe hij zelf gedurende elf jaren ijverig medewerkte[318]. Wij noemen
dit eene opmerkelijke verklaring, omdat zij van die zijde dit bekende
feit bevestigt, en het bewijs levert, dat de latere Katholijken in dit
gewest niet de Katholijken waren van vóór 1580, maar of vreemden of
latere afvalligen van de eens aangenomene hervorming.
[318] _Verhaal van de verrigtingen der Jezuieten in Friesland_ is de
titel van dit geschrift, dat, uit het latijn vertaald, in 1842 door de
Heeren AMERSFOORDT en EVERTSZ is uitgegeven, met vele belangrijke
aanmerkingen over dit onderwerp verrijkt.
De sedert 1593 bestendig in grooter getal overgekomene zendelingen der
Jezuiten lieten geene pogingen onbeproefd, om sommige edelen, eenvoudige
landlieden en zwakke burgers òf op nieuw in het oude geloof der Kerk te
bevestigen, òf voor hunne zaak te winnen. Vermits niet alle Hervormde
gemeenten in den eersten tijd met geschikte predikanten konden voorzien
worden, en de overdrijving van de Kalvinistische stellingen velen onder
de Hervormden tegenstond, slaagden zij aanvankelijk zeer gunstig. Reeds
in 1606 vestigde zich te _Leeuwarden_ een wereldlijk priester, LAMBERTUS
ENGELBERTS LAMBRINGA, die in 1609 door SASBOUT VOSMAER, zich noemende
opvolger van den Utrechtschen Aartsbisschop, tot Deken en Aartsdiaken
van _Leeuwarden_ werd aangesteld. De meeste zorg, veel vernuft en groote
welsprekendheid wendden zij aan, om het Katholijk geloof voort te
planten. Een hunner, CARBONELLI, had wel 600 zielen voor hunne zaak
gewonnen. In 1636, toen VAN DER HEIJDEN wel acht priesters tot
medehelpers had, aan wie verschillende grietenijen tot werkkring waren
aangewezen, had hij alleen 523 personen gedoopt en 600 paren in den echt
verbonden; terwijl in het volgende jaar 480 personen te _Leeuwarden_ van
hem absolutie ontvingen. Ja, zij rekenden er op, dat elk jaar hun
ongeveer 800 zielen aanbragt.
Met ongemeenen moed weêrstonden of ontweken zij dikwijls het gevaar, dat
hen bestendig bedreigde en herhaalde malen trof, van verstrooid,
verjaagd, gevangen genomen en geboet te worden. Want zoowel de Algemeene
als de Provinciale Staten hadden in en na den jare 1580 strenge
plakkaten doen uitgaan tegen de priesters en de pauselijke ceremoniën,
bijeenkomsten enz. Na 1593 werden die verbodsbepalingen, welke nagenoeg
elk jaar op nieuw werden uitgevaardigd, dreigender, de bevelen aan de
plaatselijke besturen scherper en de boeten op de overtreding hooger
gesteld. Zelfs had hij, aan wiens huis zulk eene verbodene
godsdienst-oefening plaats had, 100 Friesche gouden Rijders verbeurd.
Nadat, volgens besluit der Hollandsche zending der Jezuiten,
_Leeuwarden_ aan WILLEM WARIGHEM, _Zwolle_, _Groningen_ en _Sneek_ aan
ARNOLD CATHUIS en _Harlingen_ aan GERARDUS CARBONELLI waren ten deel
gevallen, breidden zij vooral over deze steden en omstreken hunne zorgen
uit. Toen er in 1616 een gerucht ging, dat uit het huis van een »papist"
te _Harlingen_ tot onder de Hervormde kerk mijnen waren gegraven, om
deze laatste met buskruid te vernielen, lieten Gedeputeerde Staten, op
aanklagt der classis van _Franeker_, dat huis onverwachts door 35
soldaten overvallen en plunderen, waarbij in eene kast een aantal
brieven en andere stukken van den priester WARIGHEM werd gevonden. De
Staten achtten deze stukken belangrijk genoeg, om ze door den druk
gemeen te maken, hetgeen in het latijn en in het nederduitsch
geschiedde, opdat men zou kunnen zien »met wat practijken ende hoe
groote neersticheyt de Jesuyten hare _negotiatie_ (so sij 't noemen)
dryven, en hoe sy de Paeusselijcke Religie met de Jesuijtsche
heerschappye tot onderganck van de gereformeerde Kercke ende Republijcke
soecken voort te planten"[319].
[319] _Iesvitica per Vnitas Belgij Prov. Negociatio_ is de latijnsche,
en _Der Jesuyten Negotiatie ofte Coop-handel inde Vereenichde Nederl._
de Nederduitsche titel van dit hoogst zeldzame, in de Stedelijke
Bibliotheek van _Leeuwarden_ bewaarde geschrift, dat den Heeren
AMERSFOORDT en EVERTSZ zelfs onbekend bleef, en waarvan zij bl. 49 en
250 melding maken naar eene schets, welke SCHELTEMA daarvan gaf in
KIST en ROYAARDS, _Archief_, III 399.
In weerwil der hier na toegenomene vervolging en ondanks het
staatsbesluit van 1638, waarbij aan alle priesters bevolen werd, binnen
zes dagen uit deze provincie te vertrekken, bleven zij voortgaan, »om
met groote cloeckheyt alle perijckelen te weerstaen en nae vermoghen
zielen te winnen met Godts gratie." En inderdaad, als wij lezen hoe
dikwijls zij zich daarbij aan levensgevaar bloot stelden; welk een moed
zij voor hunne zaak aan den dag legden, en hoe onvermoeid zij werkzaam
waren, om hun doel te bereiken en aanhangers te verwerven,--en als wij
daarmede vergelijken de beschuldigingen tegen de Hervormde predikanten
destijds ingebragt, zoodat de klassis van _Franeker_ het in 1662 noodig
vond hen te bevelen, »tot verhoedinge van luijheijd en traagheijd in den
H. dienst tot tweemaal te prediken en catechisatiën te houden, en dat
het prediken niet in bloten sleur, en door alweder en weder dat selfde
ten voorschijn te brengen en alsoo alleen om de uur te krijgen, werde
verrigt"[320]--dan is het duidelijk, dat de onverpoosde ijver der
Jezuiten en de laauwheid der Hervormden de oorzaken waren, dat de
Katholijken van lieverlede in getal en krachten toenamen. Hoezeer het de
Synode ook ergerde en hoe dikwijls zij ook klaagde over de »paepsche
stoutigheden, het plegen van pausselyke ceremonien en het houden van
conventiculen," waartegen de Staten tot aan 1686 bestendig de plakkaten
vernieuwden,--zij moest toezien, dat de Katholijken hoe langer hoe
onbeschroomder hunne godsdienst-oefeningen hielden en in de meeste
steden en in en buiten vele dorpen in bekende bedehuizen bijeenkwamen.
Die openbaarheid hinderde 1680 den Hervormden Kerkeraad van _Leeuwarden_
zoodanig, dat op zijn verzoek, »om de paepsche afgoderij te weeren", de
Magistraat al de altaar-sieraden uit het huis van Dr. VAN CAMPEN liet
wegnemen en het zilverwerk in de Munt versmelten; terwijl de eigenaar
van dat huis eene boete van 300 Gld. opgelegd werd, omdat hij bleef
voortgaan met het houden van zamenkomsten. Groote wrok verwekten in deze
stad de berigten van de vervolgingen, welke de Fransche Hervormden, ten
gevolge der herroeping van het edikt van _Nantes_, hadden te verduren:
zoodat op den 26 Julij 1687 de vergaderplaatsen der Roomschen door het
gemeen werden aangevallen, verstoord en geplunderd, waarbij altaren,
schilderijen, beelden en versiersels op de straat geworpen en openlijk
verbrand werden[321].
[320] LORGION, Bijlagen tot _de Ned. Herv. Kerk_, 340.
[321] Zie SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, 1687, III 95.