een nadeelig gevolg. Men was afkeerig geworden van eene leer, in vormen
en wetten gekluisterd, die den geest met een last van grondstellingen
had bezwaard; en terwijl men dus de kerkelijke leerbegrippen verzaakte,
verwierpen velen met-een de grondslagen der heilige leer van Christus.
Vandaar, dat »in het eind der vorige eeuw onder de beschaafde klassen
der maatschappij de verachting van de godsdienst heerschend was
geworden. De geest, geheel met de belangen des tijds vervuld, vroeg niet
meer naar het eeuwige. Slechts bij weinigen, wien het vergankelijke niet
kon voldoen, bleef de zucht naar iets hoogers bestaan"[302]. Ondanks de
regtzinnigheid al hare krachten inspande, om het oude te behouden; in
weerwil eene dweepzieke menigte zich tegen elke verandering aankantte,
waren er van zulk eene geestrigting ook in _Friesland_ vele sporen,
nadat de langdurige vrede en welvaart een buitengewonen voorspoed
gekweekt en een geest van overmoed, vrijheid en onafhankelijkheid
ontwikkeld hadden, welke sedert 1780 in staatkundige beroeringen aan den
dag gelegd werden. Ook de predikanten trokken partij, namen deel aan den
wapenhandel en ondersteunden vooral de partij, welke tegen den
Stadhouder was gezind, waarom verscheidene hunner in 1787, bij het
herstel van het Stadhouderlijk gezag, werden afgezet. Eene groote
verandering, in den loop der tijden voorbereid, was echter noodzakelijk
geworden.
[302] OPZOOMER, _het Wezen der Deugd_, 1, 20.
En deze volgde weldra op de staats-omwenteling van 1795. Bij de
bestaande begrippen van vrijheid, gelijkheid en broederschap was het
natuurlijk, dat de staatsmagt nu »een iegelijk onbelemmerde Vrijheid van
geweten, en de ongestoorde uitoefening van zijne Godsdienst plegtig
verzekerde"[303]. De Hervormde Kerk verloor daarbij het voorregt, dat
zij meer dan twee eeuwen had bezeten, om de heerschende Kerk of de Kerk
van den Staat te zijn, en daarmede viel ook de laatste steun der
scholastieke godgeleerdheid en der kerkelijke regtzinnigheid.
Inzonderheid werd dat voorregt geheel opgeheven bij de scheiding van
Kerk en Staat, welke in 1796 hierop volgde. Eerst bij de Staatsregeling
van 1 Mei 1798 werden daaromtrent bepalingen voorgeschreven; terwijl bij
besluit van de Synodale vergadering te _Heerenveen_, in 1804 gehouden,
een nieuw Wetboek en Kerkenorde voor _Friesland_ werd ingevoerd.
Ofschoon men de leerstellingen der Dordsche Synode daarbij als grondslag
van de leer der Kerk, althans in naam, bleef behouden, was daarin,
gelijk sedert in de gansche rigting der Kerk, een gezegende vooruitgang
tot betere denkbeelden en gezindheden te erkennen, en was men vrij
algemeen tot meer heldere inzigten, tot meer liefderijke gevoelens, tot
meer christelijk leven gekomen. Een blijk daarvan was mede de invoering
van de Evangelische Gezangen in 1805, welke, even als de in 1773
ingevoerde verbeterde Psalmberijming, zoo veel bijdroegen, om de
stichting bij de godsdienst-oefeningen te verhoogen en godsdienstige
gevoelens aan te kweeken.
[303] Publicatie der Provisioneele Representanten van het volk van
_Friesland_, van 21 Febr. 1795, _Verzaameling van Placaaten_, I 24.
Intusschen waren er elders Genootschappen opgerigt, die belijders van
verschillende gezindten tot één christelijk doel vereenigden, en welke
ook hier een weldadigen invloed uitoefenden. Er waren in de Kerk mannen
opgestaan, als: HINLOPEN, KIST, CLARISSE, STUART, VAN DER ROEST, EGELING
en anderen elders, gelijk LIEFSTING, BRINK, BROUWER, NIEUWOLD, BRUINING
enz. in _Friesland_, die door prediking en schriften een evangelischen
geest onder het volk bragten; terwijl in de scholen der Godgeleerdheid
VAN VOORST, TINGA, GREVE en REGENBOGEN te _Franeker_, gelijk elders VAN
HAMELSVELD, MUNTINGHE, VAN DER PALM, AN. YPEIJ, HERINGA, SURINGAR en
BORGER, waarvan de vier laatste Friezen waren, door hun onderwijs en
schriften alle geloofs- en zedeleer tot het evangelie terugbragten, de
leerstellingen aan Gods woord leerden toetsen, nuttelooze twisten
vermeden, eene gezonde uitlegkunde deden veldwinnen en uit wijsbegeerte
en geschiedenis licht aanbragten voor het Christendom. In dit gewest
heeft vooral de _Christelijke Godgeleerdheid_ van den Franeker
Hoogleeraar J. H. REGENBOGEN (1810) veler oogen geopend voor het licht
der waarheid, in verband met het gezag der rede. Zóó werd de Hervormde
Kerk, terwijl het vaderland gelouterd werd door staatkundige
verdrukking, op nieuw tot een Evangelisch-Hervormde Kerk hervormd; en,
nadat in 1816 de band der formulieren van eenigheid voorzigtig was
losgemaakt, mogt men in 1817 ook in _Friesland_ het Derde Eeuwfeest der
Kerkhervorming bij alle Protestantsche Gemeenten onderling en met eene
broederlijke liefde en eensgezindheid vieren, welke de kroon zette op de
overwinning, welke de tijdgeest, of liever Gods vaderlijke besturing, op
de bekrompenheid van het voorgeslacht had behaald, in terugkeering tot
de genoemde drie oorspronkelijke beginselen van de Nederlandsche
Hervormde Kerk. Zóó mogten rede, gezond verstand en godsdienstzin
zegevieren op het kerkelijk leerbegrip.
Hoe verblijdend dit verschijnsel, hoe weldadig het licht zij, dat thans
bijna algemeen ten aanzien der christelijke waarheid en geloofsleer is
ontstoken--voor allen is er eene hooge roeping aan verbonden, om,
voorgelicht door de verhevenste zedeleer, thans als kinderen des lichts
te wandelen, en om door toeneming in gemoedelijke godsvrucht en
christelijke deugd en door beleving van het geloof te toonen, dat de
beschaving, ontwikkeling en veredeling van het menschelijk geslacht de
vrucht en het doel is der gezegende godsdienst van Christus.
_De Doopsgezinden._
Vóór de omwenteling van 1580 hadden de Hervormden en Doopsgezinden
gemeenschappelijk geijverd tegen de onderdrukking van _Spanje_ en vóór
vrijheid van geloof en geweten. Na die omwenteling en de zegepraal der
hervorming hadden beide gezindten zeker gelijke aanspraak op het genot
van deze vrijheid en de bescherming van het Staatsgezag; te meer, daar
de Doopsgezinden toen ongeveer een vierde gedeelte der bevolking van
_Friesland_ uitmaakten, en, zonder aanspraak te maken op de kerken en
derzelver bezittingen, toelieten, dat de Hervormden daarvan bezit
namen. En evenwel, hoe gunstig Prins WILLEM _van Oranje_ ook jegens
de Doopsgezinden in het algemeen gezind was, werd bij zijne
provisioneele Ordonnantie op het stuk van justitie, politie, kerk en
krijgshandeling, in 1581 te _Harlingen_ uitgevaardigd, bepaald, dat
geene andere dan de Gereformeerde religie in deze provincie zou mogen
worden uitgeoefend[304].
[304] _Charterboek_, IV 241; WINSEMIUS, 700; BLAUPOT TEN CATE,
_Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, 124. Zie ook hier voor
bl. 167-174, 199.
Het moge waar zijn, dat eenheid van belijdenis of de erkenning van
slechts ééne Kerk als de Kerk van Staat in die dagen noodzakelijk kan
geweest zijn,--wij moeten het tevens met lof en eere vermelden, dat de
Friesche Hervormde Kerk, in de eerste achttien jaren harer vestiging,
van dit haar uitsluitend regt een verstandig gebruik en geen misbruik
heeft gemaakt; vermoedelijk, omdat zij toen nog meer doordrongen was van
de oorspronkelijke beginselen, waarop de Nederlandsche Hervormde Kerk
was gebouwd, en welke wij vroeger (bl. 342) hebben vermeld. In weerwil
der genoemde, later tot wet gewordene, bepaling, is er geen spoor, dat
de Doopsgezinden in dit gewest, die afgescheiden van de wereld wenschten
te leven, gedurende die jaren door het Staats- of Kerkgezag zijn
gehinderd geworden in de vrije uitoefening van hunne, in stilte
gehoudene, godsdienst-oefeningen, welke bij oogluiking werden geduld.
Staat en Kerk hebben hier toen het voorbeeld gegeven van eene edele
verdraagzaamheid, welke men later meende, dat geene eigenschap van dien
tijd of van eene heerschende Kerk kon zijn. Ja, Staat en Kerk gaven nog
een merkwaardig blijk van naijver, gelijkstelling en onpartijdigheid,
door in 1596 toe te staan, dat er in de Galileërkerk te _Leeuwarden_ een
twistgesprek over de verschilpunten der leer tusschen den Hervormden
predikant RUARDUS ACRONIUS en den Doopsgezinden leeraar PETER VAN
CEULEN werd gehouden, waartoe van den 16 Augustus tot den 17 November
niet minder dan 156 zittingen gebezigd werden, zonder tot eenig ander
doel te leiden dan tot de openbaarmaking van beider denkbeelden en
begrippen[305]. Bij die gelegenheid werd door PETER VAN CEULEN dankbaar
erkend, »dat de loffelijke Overheid hen tot nog toe vrijheid van religie
in alle goedigheid en beleefdheid vergund had, gelijk zij gaarne der
Overheid wilden gehoorzamen in hetgeen zij verstonden niet strijdig te
zijn tegen Gods heilig woord, hopende dat God haar in dat zelfde
voornemen zou laten."
[305] Het merkwaardig _Protocol, dat is, de gantsche handelinge des
ghesprecx_, waarbij steeds leden van Gedeputeerde Staten en der
regering van _Leeuwarden_ tegenwoordig waren, in den volgenden jare
gedrukt, in 4^o. ruim 500 bl. in twee kolommen groot, berust in de
Stedelijke Bibliotheek van _Leeuwarden_. Zie een uitvoerig verslag
daarvan bij BLAUPOT TEN CATE, bl. 131-137.
Dan, wij hebben het vroeger reeds opgemerkt, dat de afwijking van de
oorspronkelijke beginselen der Hervormde Kerk de oorzaak geweest is van
hare latere verbastering en van vele rampen. Zij was mede de oorzaak,
dat die goede geest van broederlijke verdraagzaamheid, welke haar tot
dusverre had gekenmerkt, werd verdrongen door een geest van heerschzucht
en bittere vervolgzucht. Sedert 1598 werden er bij de Synode en de
Besturen pogingen gedaan, om de Doopsgezinden het vergaderen te beletten
en het prediken te verbieden. GELDORP en BOGERMAN, predikanten te
_Sneek_, gesterkt door de Overheid dier stad, verstoorden in 1600
werkelijk hunne bijeenkomsten, en gaven in den volgenden jare eene
vertaling in het licht van BEZA'S boekje _over het Ketterstraffen_,
waarbij zij verklaarden, dat men slechts ééne godsdienst in den Staat
moest dulden, en dat het verschoonen van ketters vredehouden met den
Satan was. Zulke onchristelijke, ja onmenschelijke denkbeelden, welke
men vroeger onder de Spaansche inquisitie met zoo veel regt onduldbaar
had geoordeeld, werden aldus met de streng Kalvinistische gevoelens uit
den vreemde ingehaald en geënt op den jeugdigen, reeds zoo welig
bloeijenden, boom der Nederlandsche vrijheid. En welke vruchten zulks
droeg, dit bleek, helaas! eerlang op de Synode van _Dordrecht_, waar die
zelfde BOGERMAN, als Voorzitter, die zelfde beginselen in het groot in
toepassing bragt ten aanzien der Remonstranten. (Zie bl. 344 hier vóór.)
Gelukkig, dat BOGERMAN, die in 1608, als predikant te _Leeuwarden_, zoo
zeer geijverd had tegen de Doopsgezinden, die beginselen ook niet op hen
toepaste; en nog gelukkiger, dat juist de strijd tegen de Remonstranten
de oorzaak werd, dat de Doopsgezinden sedert 1611 eenige verademing
genoten en geene verstoring of vervolging hadden te lijden. De
verdeeldheid in de Hervormde Kerk zelve had de aandacht afgeleid van
hen, die bovendien zich hoe langer hoe meer in de toegenegenheid van
regenten en medeburgers vestigden door hun ingetogen leven en de
bevordering van handel en fabrijken, waardoor zij in welvaart en
vermogen toenamen, en als goede burgers van den Staat lasten en
schattingen gewillig droegen. Zij maakten van die rust en goede
gezindheid gebruik, door op vele plaatsen nieuwe en grootere vermaningen
of kerken te bouwen. Wel ondervonden zij daarbij nu en dan tegenstand
van de plaatselijke besturen, doch niet vóór 1644 en bijzonder na 1651
wekte dit den naijver op van de Hervormde predikanten. Zij klaagden
daarover op de Synode, en deze beklaagde zich bij de Staten over de
»ongelimiteerde Mennonitische groote licentie," welke zij ingebonden
wilde hebben. De Staten, die in 1659 toegestaan hadden, dat de
Doopsgezinden met de verklaring van ja en neen, in plaats van een eed,
zouden kunnen volstaan, bevolen daarop wel de Gedeputeerden in 1661, om
de plakkaten omtrent de Wederdoopers (waarmede men nog altijd de rustige
Doopsgezinden wilde verwarren) te vernieuwen; doch er is geen blijk, dat
deze aan dit bevel hebben voldaan[306]. Hoe zeer ook gezind om de
regtzinnige leer der Kerk te handhaven, dachten zij gunstiger over
zoovele vreedzame burgers, die men bij voortduring wel oogluikend moest
dulden, ook omdat men ze niet verdrijven kon zonder groote schade voor
het algemeen belang; te meer, dewijl zij zulk een aanzienlijk gedeelte
der bevolking dezer provincie uitmaakten, daar hun aantal in 1666 op
ongeveer 20,000 zielen geschat werd, welke op 72 plaatsen gemeentelijke
vereenigingen hadden.
[306] _Charterboek_, V 577, 621, 654 en de Resolutiën der Staten, der
Gedeputeerde Staten en der Regering van _Leeuwarden_.
Integendeel, Gedeputeerde Staten ontzagen zulk een aanzienlijk ligchaam,
welks goede zeden, vlijt en eerlijkheid in den handel hunne achting had
verworven, en welks verzamelden rijkdom spoedig bleek den Staat van
groot nut te kunnen zijn. Immers, toen bij het uitbreken van den tweeden
Engelschen oorlog, in 1665, de provincie tot uitrusting van
oorlogsschepen en andere lasten groote sommen noodig had, en eene
geldleening van 5 tonnen gouds te vergeefs beproefd werd, zochten zij de
Doopsgezinden aan, die leening in twee termijnen tegen 5 ten honderd te
voldoen, met aanbod, dat zij voor hun zelven bevrijd zouden blijven van
het dragen van wapenen. Bereidwillig voldeden zij destijds aan dit
verlangen, en op nieuw in 1672, toen de nood des vaderlands nog hooger
was gestegen. Op verzoek der Staten schoten zij der provincie toen nog
400,000 Gld. tegen eene rente van 4 ten honderd voor, buiten de
aanzienlijke bijdragen, welke zij persoonlijk tot de verdediging des
lands veil hadden.
Zulke groote opofferingen bleven van de zijde der Staten niet
onvergolden. Deze besloten den 28 Februarij 1672, den Doopsgezinden
voortaan _vrijheid van religie_ toe te staan, terwijl zij voor hunne
personen van de algemeene volkswapening vrijgesteld bleven. Dit
voorregt, van uitstekend belang, werd dankbaar door hen ontvangen, en
was voor den vervolge van grooten invloed op hun rustig bestaan en
verdere ontwikkeling. Ook later, in 1677, gaven zij nogmaals gehoor aan
het verzoek der Staten tot het sluiten eener leening van 132,943 Gld.,
zoodat zij alsnu in twaalf jaren tijds de provincie met een kapitaal van
1,032,943 Gld. bijstand hadden geboden[307].
[307] Zie _Charterboek_, V 747, 749, 814, 1122; _Register op
Staats-resolutiën_, 179; TEN CATE, 176.
* * * * *
Mogten de Doopsgezinden zóó door den Staat beschermd worden, de
Hervormde Kerk had tegen hen eene blijvende grieve, eensdeels, wegens
hunne afwijking van de gevoelens, welke zij als de eenige ware meende te
moeten handhaven, en anderdeels, wegens hunne veelvuldige onderlinge
verdeeldheden. Daarin vond zij eene beschuldiging en een grond tevens,
om de noodzakelijkheid van hare eigene eenheid des geloofs te
verdedigen. Schoon de Doopsgezinden geene kenmerkende leerstellingen
hadden aangenomen, maar, zich enkel aan de Heilige Schrift vasthoudende,
aan ieder hunner leden vrijheid van denkwijze lieten, en zich bijzonder
door hun ijver voor het christelijk _leven_ onderscheidden, bleef de
eenheid van leer beter onder hen bewaard. De Hervormden, met wien zij in
de eerste tijden, ook blijkens de eerste Geloofsbelijdenis van omstreeks
1550, meer overeenstemden, weken van lieverlede meer af; en door het
aannemen der gevoelens van KALVIJN en van de leerstellingen der Dordsche
Synode werd het verschil en de breuk tusschen beide kerkgenootschappen
nog grooter. Legden de Hervormden er zich op toe, om bij de beschouwing
van den weg der zaligheid alles alléén aan God toe te schrijven, terwijl
de mensch in zijne geheele bedorvenheid daartoe niets _kon_ bijbrengen,
en bij de genoegzaamheid der plaatsvervangende gehoorzaamheid van
Christus ook niet behoefde;--de Doopsgezinden moesten afkeerig zijn van
zulk eene voorstelling, in welke zij geene drangredenen tot eenen
christelijken wandel konden vinden en die eigene werkzaamheid en
spanning van zedelijke krachten onnoodig maakte. Vandaar, dat bij de
eersten de beginselen van een lijdelijk Christendom en bij de laatsten
van eene werkdadige Godsdienst meer werden ontwikkeld, tot een
onderscheidend kenmerk van elke gezindte.
Maar juist der Doopsgezinden ijver voor het christelijk leven bragt hen
op den weg van onderlinge verdeeldheid en scheuring. Dat de Gemeente in
haren wandel heilig en onberispelijk moest zijn; dat de ban of
uitsluiting onontbeerlijk was, om alle vlekken en rimpels uit haar te
verwijderen, en dat men de gebannenen ook in het dagelijksch verkeer
moest mijden,--daarin kwamen allen overeen. Doch hoe ver men den ban en
de mijding moest uitstrekken, daarover ontstonden verdeeldheden. Hunne
Oudsten, LEENERT BOUWENS en DIRK PHILIPS, met heiligen ernst bezield,
ijverden voor strengheid; de zachte geest van MENNO SIMONS vermaande
gedurig tot gematigdheid, totdat hij, eindelijk overreed en zelf met den
ban bedreigd, uit vrees voor scheuring zich bij hen voegde. Toen nu de
strenge partij door het gezag van MENNO de overhand had bekomen,
scheidden de gematigden zich omstreeks 1555 af en vormden afzonderlijke
gemeenten. In _Oost-Friesland_, werden deze eerst _Schedemakers_ en in
deze provincie _Franekers_ geheeten, doch later algemeen _Waterlanders_
genoemd, welken naam zij ook eerst alleen in _Holland_ hadden gedragen,
toen de anderen met dien van _Mennoniten_ werden onderscheiden. De
Waterlanders leefden verder rustig en muntten uit door zuiverheid van
zeden en onderlinge liefde. Onder de strenge banners ontstonden evenwel
spoedig nieuwe oneenigheden: eerst naar aanleiding van vreemde zeden,
door vlugtelingen, vooral uit _Vlaanderen_, aangebragt, welke in 1568
eene scheuring veroorzaakten, ten gevolge eener mislukte poging tot
hereeniging in de vermaning te _Harlingen_. Daar de partij der Friezen,
welligt uit zucht tot vrede, daarbij eene dubbelzinnige rol speelde, gaf
dit aanleiding, dat de meeste gemeenten in dit gewest de tegenpartij in
het gelijk stelden, en zich met haar vereenigden. Later ontstonden er
nog vele kleine scheuringen, doch bleven er in _Friesland_ vooral drie
hoofdpartijen bestaan: de _Waterlanders_, de _Friezen_ en de
_Vlamingen_.
Allengs echter bedaarde de opgewonden ijver. Verbittering maakte plaats
voor vriendschap, en op den tijd van scheuring volgde in den loop der
17e eeuw een tijd van vereeniging, welke de meeste gescheidene gemeenten
eerlang weder tot één bragt. De vroegere strengheid, bij welke de zorg
voor zuivere zeden dikwijls de broederlijke liefde uitdreef, week voor
een milderen geest. Door handel en bedrijf kwamen de Doopsgezinden
allengs meer in maatschappelijk verkeer met andere burgers en in
aanraking met de wereld. Een meer wetenschappelijk onderzoek van de
Heilige Schrift deed hen aan bijzaken mindere waarde hechten. Zoo kwam
er meerdere toenadering onderling en met andersdenkenden. Talrijke
vergaderingen van hunne Oudsten getuigden van hunne zucht naar
vereeniging. Belijdenissen werden in die vergaderingen opgemaakt, welke
tot grondslag van vereeniging strekten en hunne gevoelens te gelijk aan
anderen meer bekend maakten. Hoe zeer moest die goede geest niet
toenemen, sedert zij in 1672 van de Staatsmagt de erkenning van hun
bestaan en de lang begeerde vrijheid tot uitoefening van hunne
godsdienst hadden verkregen?
Eene eerste en weldadige vrucht daarvan was de oprigting van de
_Friesche Doopsgezinde Societeit_ in 1695. Deze bestond in eene
verbindtenis van meest alle Doopsgezinde gemeenten, met het doel, om
»liefde, vrede en eenigheid onder elkander te bewaren, en om te zorgen,
dat de noodlijdende gemeenten, benevens de Broeders, die daarin de
predikdienst waarnamen, door onderlinge bijdragen naar vermogen mogten
worden ondersteund." Deze vereeniging was van zeer gunstig gevolg voor
den welstand van de gemeenten en van de gansche broederschap, en
bevorderde een geest van onderlinge goedwilligheid en verbroedering,
welke eerlang in den loop der 18e eeuw ten gevolge had, dat in die
plaatsen, waar Friesche, Vlaamsche, Waterlandsche of andere gemeenten
bestonden, vereenigingen tot stand kwamen, welke eindelijk, alle partij-
en sektengeest verbannende, één krachtig en zelfstandig kerkgenootschap
in het leven riep, dat getrouw was gebleven aan het eenige fondament,
dat gelegd kan worden, al waren zijne leden ook van lieverlede uit hunne
afzondering _in_ de wereld overgegaan.
Vóór dit echter geschiedde, hadden zij nog eenige moeijelijke
aanvallen door te staan. Als wij ons herinneren, welk een geest van
onverdraagzamen ijver de Hervormde predikanten onderling bezielde jegens
hunne eigene broederen, als: BEKKER, VAN GIFFEN en de Franeker
Hoogleeraren, toen deze den moed hadden eenige meerdere vrijzinnigheid
aan den dag te leggen, dan verwondert het ons geenszins, dat zij weinig
genoegen namen in der Staten goedgunstigheid jegens de Doopsgezinden,
waardoor alle vroegere klagten der Synode in eens gesmoord waren.
Daarenboven was het duidelijk, dat er tusschen hen en de verketterde
Remonstranten, Collegianten, Labadisten en Hernhutters eene
vriendschappelijke aanraking bestond: sekten toch, die men verdacht
hield van besmet te zijn met Sociniaansche gevoelens, welke de Kerk met
den meesten afschuw verfoeide, waarom Socinianen, Kwakers en Dompelaars
sedert 1662 bij plakkaat aan strenge vervolging waren blootgesteld;
terwijl bij de vernieuwing van dit plakkaat in 1687 openlijk gezegd
werd, dat die dwaalgeesten zich met de Doopsgezinden vermengden. Dien
ten gevolge werd in 1687 een hunner leeraren op eene aanklagt gebannen
en 1719 op nieuw. De bezorgdheid der Synode was zóó groot, dat zij in
1722 zelfs Gedeputeerde Staten wist over te halen, dat van alle
Doopsgezinde leeraren de onderteekening zou geëischt worden van een
formulier tot erkentenis van het leerstuk der Drieëenheid, op straf van
ontzetting en eene boete van 100 gouden Friesche rijders, als zij het
leeraarambt bleven waarnemen. Stootend was het dezen voorzeker, dat een
ander kerkgenootschap de vrijheid nam, hen voor te schrijven, wat zij
hadden te gelooven omtrent een godgeleerd begrip, waarvoor zij onder de
hen voorgelegde bewoordingen geen grond vonden in het evangelie. Allen
(op slechts één na) weigerden de onderteekening, en zoo bleven dan nu
hunne vergaderplaatsen gesloten. Zij leverden echter hunne bezwaren daar
tegen bij de Staten in, die verstandig genoeg waren de gegrondheid
daarvan te erkennen en de resolutie op te schorten, waardoor dit
dreigende onheil werd afgewend.[308]
[308] _Charterb._ V 670, VI 130; TEN CATE, 148, 312, 313. De gevoelens
van de Poolsche Godgeleerden LELIUS en FAUSTUS SOCINUS, in 1638
verbannen, welke het meest van de leer der Kerk afweken, waren
bijzonder hunne ontkenning van het leerstuk der Drieëenheid en der
Erfzonde en twijfelingen omtrent de godgelijkheid des Heeren.