twistreden, in 1596 te _Leeuwarden_ door den Hervormden predikant
RUARDUS ACRONIUS en den Doopsgezinden leeraar PETER VAN CEULEN in 156
zittingen gehouden, blijkt echter, dat er in de toenmalige leerstukken
der Hervormden nog sporen der vroeger genoemde Nederlandsche beginselen
waren overgebleven. Doch ook deze moesten verdrongen worden. Daartoe
werd vooral de eerste Hoogeschool des lands dienstbaar gemaakt: want van
de _achttien_ hoogleeraren in de godgeleerdheid, welke aan de Leidsche
Akademie van 1576 tot 1618 beroepen werden, waren _veertien_
vreemdelingen, die de leer van KALVIJN omtrent de Drieëenheid,
Vóórverordinering, Gods vrijmagtige genade, Voldoening, Erfzonde en
andere verborgenheden of met het evangelie strijdige leerstukken met
ijver voorstonden en »de dorre stelselzucht en spitsvindige haarkloverij
hare hoogte deden bereiken." In twee der vier overige Hoogleeraren, in
ARMINIUS en EPISCOPIUS, vonden zij bestrijders: deze waren de laatste
verdedigers van de oorspronkelijke Nederlandsche beginselen, welke men
trachtte te verdringen. Tot welk een hevigen strijd dit aanleiding gaf;
met welk eene bitterheid Remonstranten en Contra-Remonstranten elkander
jaren lang bestreden, en hoe de Dordsche Synode van 1618 en 19, door het
Staatsgezag ondersteund, daaraan een einde maakte, door de eersten als
gedaagden te veroordeelen en het vaderland uit te drijven, om de
zegepraal van de laatste partij te bevorderen--wien is dit bedroevende
blad onzer geschiedenis onbekend? En wie heeft het niet betreurd, dat de
hoogste en heiligste belangen des volks, vrijheid van godsdienst en
geweten, waarvoor men zoo lang tegen _Rome_ en _Spanje_ had gestreden,
nu werden aangerand door eene Synode, welke, met een gezag als van
vroegere Conciliën en Pausen, besliste en bepaalde, welke leerbegrippen
voortaan bij uitsluiting in _Nederland_ geduld zouden worden. Zóó trad
men te gelijk het zevende artikel van de Nederlandsche geloofsbelijdenis
met voeten. De godgeleerdheid leidde der godsvrucht onverbreekbare
banden aan, wrong de menschelijke rede een breidel in den mond en
verloochende het beginsel der liefde, dat de hoofdinhoud des evangelies
is. Doch reeds de Heer zelf zeide: »Te vergeefs eeren zij mij, leerende
leeringen, dat geboden van menschen zijn."
Van de Friezen, die anders voor »eene koene, zelfstandige en voor zich
zelve denkende natie" werden gehouden, had men mogen verwachten, dat zij
dit juk van kerkelijke heerschappij zich even fier van de schouders
geweerd zouden hebben ten aanzien der _leer_, als zij zich krachtig
verzetten tegen de _kerkenorde_, bij post-acta door de Synode
vastgesteld. Hoewel de steden deze aannamen, werd ze door de Staten der
landkwartieren strengelijk verboden en de oude wijze van kerkbestuur en
beroeping van predikanten gehandhaafd[289].
[289] Zie de stukken betrekkelijk de Synode in het _Charterb._ V 219,
229, 230, 249, 253, 254, 258, 269, 270; _Reg. Staats-res._ 378, 785;
WINSEMIUS, 900; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 738; LORGION, _de Herv.
Kerk_, 63 env.; YPEIJ en DERMOUT, I 414, II 241, Aant. bl. 165, en
vooral BRANDT, _Hist. der Reformatie_, II 552, IV 17-22, 285, 288,
766. De Friesche Staten beschouwden die kerkenorde als voor deze
provincie "niet prakticabel, en tegen 's lands resolutien strijdig in
vele punten."
Doch er was een man in _Friesland_ en wel predikant te _Leeuwarden_,
JOHANNES BOGERMAN, een Oostfries van geboorte, die zich reeds sedert
jaren had onderscheiden door geleerdheid en ijver voor de leerstellingen
van KALVIJN, en die nu vooral zijn invloed deed gelden. Met nog twee
predikanten en drie ouderlingen, benevens twee door de Staten verkozene
commissarissen namens _Friesland_ ter Synode afgevaardigd, werd hij
spoedig tot Voorzitter gekozen. Hoe bekwaam hij ook ware, zijn gedrag in
die betrekking, zijne onverdraagzaamheid en hevigheid, zijne
heerschzucht en bitterheid, vooral bij de wegzending van de miskende
Remonstranten, zijn algemeen, ook door de leden der Synode, afgekeurd.
Wel had _Friesland_, ook door zucht naar vaste beginselen gedreven, de
Synode gewenscht en bevorderd; doch men was hier te weinig met de
Remonstranten in aanraking geweest en had tot dusverre mildere
beginselen jegens andersdenkenden betoond, dan dat men zulk eene harde
behandeling kon goedkeuren. Vermits men oordeelde, dat BOGERMAN zijn
last en gezag blijkbaar was te buiten gegaan, waren de Staten en de
Synode hier geweldig tegen hem ingenomen en zóó verontwaardigd over zijn
gedrag, dat men hem in staat van beschuldiging gesteld- en zelfs
gebannen wilde hebben[290].
[290] Zie de bijzonderheden daaromtrent bij BRANDT, II 3, 12, 243,
430, III 141, IV 17 env. ook erkend door YPEIJ en DERMOUT, II 213,
219, 230, Aant. bl. 165; LORGION, _de Herv. Kerk_, 65; VAN KAMPEN,
_Vad. Geschied._ I 476; _Karakterkunde_, II 19.
Niettemin werden de leerstellingen of canones der Dordsche Synode in
_Friesland_ algemeen ingevoerd, en een formulier van aanneming door de
predikanten onderteekend. Slechts twee predikanten van _Dokkum_, HAIO
LAMBERTI en PETRUS HERMANNI, leverden daartegen enkel bezwaren in, en
werden dáárom afgezet. Doch de onbillijke behandeling hen aangedaan, bij
het gunstig getuigenis van den Magistraat en Kerkeraad van _Dokkum_
omtrent hunne leer en wandel, bezorgde hen verscheidene aanhangers, die
zich van de Gereformeerde Kerk afscheidden en in die stad eene
Remonstrantsche Gemeente vestigden. Hoe zeer ook gesmaad, verstoord,
verdreven en vervolgd, en bij een scherp plakkaat verboden, mogten die
Remonstranten zich daar lang staande houden, en ook den edelen balling
DIRK RAFELS KAMPHUYZEN eene schuilplaats aanbieden na zoo lange
vervolging, welke hem hier, niet dan op voorspraak, een kort verblijf
gunde, daar hij weldra, na het voltooijen van zijne schoone
_Stichtelijke Rijmen_ en _Uitbreiding van de Psalmen_, overleed
(1626)[291].
[291] _Charterb._ V 282, 320; LORGION, _de Herv. Kerk_, 67-77, 83,
314, 330. Over KAMPHUIJZEN'S verblijf en graf te _Dokkum_ zie men de
berigten van Prof. DE CRANE, in zijne _Letter- en Geschiedkundige
Verzameling_, Leeuw. 1841, 37.
»Dat de Hervormde Kerk, zoo pas in het leven getreden, het beginsel,
waaraan zij haar ontstaan te danken had, dadelijk weêr zou verlaten, en
zelve de gruwelen zou navolgen, die zij in Rome's dwangmiddelen
verfoeide;--dat zij voor het Evangelische het Dogmatische beginsel
verwisselen, en voor het vrije onderzoek en de vrije belijdenis der
waarheid gehoorzaamheid aan de leer der Kerke opleggen zou, en dat zij
het beginsel van voortdurende hervorming zou laten varen voor het
gevoelen, dat de Hervormde Kerk in leerstellingen en eeredienst
volmaakt, en dus de alleen ware Kerk was, buiten welke geene zaligheid
was te vinden,"--wie had dit kunnen verwachten van eene Nederlandsche
Kerk, in haren oorsprong op zulke echt Christelijke beginselen gebouwd?
»Het moge vreemd schijnen; het is toch niet anders, zoo als uit de
geschiedenis blijkt.
»Het gevolg daarvan was, dat leerstellingen de plaats van het Evangelie
innamen; dat het Dogmatismus (de stelselzucht) in de Kerk en in de
Godgeleerdheid weêr begon te heerschen; dat het Scholasticisme der
Middeneeuwen weêr in het leven geroepen werd en zich van de scholen der
Godgeleerden meester maakte, en dat jagt op ketterij, helaas! ook in de
Hervormde Kerk begon gedreven te worden. Zoo openbaarden zich de
overblijfsels van den alouden Roomschen zuurdeesem in hunne volle
gisting en kracht! Van de Kerkleer af te wijken, was gevaarlijker en
werd strenger gestraft, dan afwijking van het Evangelie van CHRISTUS.
Deze Kerkleer naauwkeurig te ontwikkelen, haar-fijn uit te pluizen,
scherpzinnig tegen andersdenkenden te verdedigen en met bewijzen,
voetstoots en vaak op den klank der woorden af, uit den Bijbel ontleend,
te staven, ziedaar, wat de Godgeleerdheid en hare studie uitmaakte. Men
streed en kampte voor begrippen, alsof de zaligheid er in gelegen ware.
Vooral het leerstuk der Voorverordinering, niet zonder reden het _dogma
tremendum_ genoemd, het _leerstuk waarvoor men beeft_, heeft eene
troebele en onuitputtelijke bron geopend van twist en tweedragt, van
onrust en wanhoop; want het zette de vrijheid en dus ook de
verantwoordelijkheid des menschen ter zijde, en berustte op eene
onwaarachtige, zelfs vreeselijke voorstelling van God, en tastte alzoo
de deugd, de zedelijkheid en het waarachtig Christelijk leven in het
hart aan"[292].
[292] Woorden van Prof. MUURLING, t. a. pl. 27, 45, 49, 51, met
verwijzing naar de verhandd. van Prof. KIST, _over de beginselen en
het onvoltooide der Kerkhervorming_ en Prof. HOFSTEDE DE GROOT, _over
den gang der Godgeleerdh. in Nederl._ beide in het _Ned. Archief_, I
en II.
Ziedaar eene schildering van den veranderden toestand der Kerk ten
gevolge der Dordsche Synode, die een bedroevenden ~teruggang~ in het
kerkelijk en geestelijk leven veroorzaakte, dewijl zij bij den een een
blind formulier-geloof en bij den ander de zaden van dweepzucht en
verbittering jegens andersdenkenden aankweekte. Eenheid van
geloofsbegrip mogt wenschelijk zijn, als men elkanders opvattingen van
het Evangelie in de zelfde Kerk niet broederlijk kon verdragen--wreede
uitsluiting en verbanning uit den lande bij verschil van gevoelen over
het inzigt van de waarheid was onchristelijk; terwijl men, ook bij het
bezit van die eenheid, voortging met twisten en haarkloven, en zich
verre van vrede- en liefdegezind betoonde. Hoe vele honderden
twistschriften uit de beide vorige eeuwen bewijzen dit niet! En in hoe
weinige stichtelijke boeken van dien tijd, die door het volk zoo véél
werden gelezen, is gezond verstand en goeden smaak, zelfs in de titels
en opschriften, te vinden[293]! Waarlijk, wij kunnen ons niet genoeg
over dien teruggang in de godsdienst verbazen, als wij daarbij den
gelijktijdigen grooten vooruitgang van wetenschappen en kunsten, in het
bloeijendste tijdperk der Nederlandsche letterkunde, vergelijken. Doch
't was toen een even vreemd verschijnsel als hetgeen wij thans, in het
midden der 19e eeuw, moeten beleven, dat deze zelfde leerstellige
denkbeelden, welke men meende dat reeds lang voor het licht van
godsdienstige en letterkundige beschaving geweken waren, op nieuw bij
velen bijval vinden en verkondigd en verspreid worden. Doch de
geschiedenis heeft reeds geoordeeld, en aangetoond, hoe, onder de
leiding Gods, de dwaasheden der menschen en alle pogingen tot
terugwerking moeten dienen, om het rijk van waarheid, verlichting en
deugd eens des te grootere zege te doen behalen tot Zijne eer.
[293] Eene groote menigte werken van Friesche Godgeleerden uit dit
tijdvak heb ik verzameld. Indien de zaken niet te heilig waren, zou
eene bloemlezing uit derzelver inhoud een belagchelijk tafereel kunnen
opleveren. Slechts één titel voeg ik hierbij als proeve: _Samsons
Leeuwen-aes vervult met Honing. Ofte dan vernederden Jesus; Arm
wordende, om de sijne door sijn Armoede Rijck te maecken_ enz. In
XLIII _leer en troost-rijcke Prædicatiën_. door THEOD. COUPERUM, Præd.
te _Warga._ Leeuw. bij Hero Nauta, 1671.
Die nieuwe rigting der Kerk was te meer bedroevend, omdat zij der
godsdienst hare kracht en invloed benam op de zeden en op de zedelijke
vorming en verstandelijke beschaving des volks. Het denkbeeld, dat God
een Vader is, die al zijne kinderen in Christus door liefde tot
gehoorzaamheid aan Zijn wil, en door reinheid van gemoed en wandel tot
Zich wil trekken, ging toch verloren in de voorstelling van een
trotschen Monarch, die zijne afgevallene onderdanen naar loutere
willekeur verstoot of bevoorregt; eene leer, die den mensch evenzeer
van God en zijn pligt moet verwijderen, als de eerste hem bestendig
tot toenadering en vereeniging met den Vader noopt. Want onze
gelijkvormigheid aan God en verhevenheid boven de gansche dierlijke
schepping, een der sterkste beweeggronden, om uit Christelijke
beginselen goddelijk te handelen met de gaven door den Heer ons
verleend, werd miskend en als een dwaalleer ten toon gesteld en
verbannen.
Is het dus vreemd, dat wij in zoo vele godgeleerde schriften van dien
tijd de ijsselijkste schilderingen aantreffen van het zedebederf, ja van
den zedeloozen toestand der natie?[294] Dat buitengewone rampen immer
werden gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheden des volks?
Dat ook anderen vele klagten aanhieven over de maatschappelijke gebreken
en heerschende ondeugden? Leveren de plakkaatboeken van 's lands
regering niet de bewijzen, hoe treurig het toenmaals gesteld was met de
openbare veiligheid, en van de verregaande kwaadwilligheid, boosheid en
ruwheid van zeden, welke men te vergeefs door ordonnantiën en
verbodsbepalingen trachtte te bedwingen of te doen afnemen?[295]. En de
meeste dezer plakkaten werden uitgevaardigd op klagten van de Synode of
van de predikanten, die wel konden klagen en aanwijzen, doch die zóó
weinig deden voor de godsdienstige opleiding en vorming van hunne
gemeente-leden, dat zij op de dorpen slechts eenmaal op den dag des
Heeren predikten en geheel geene catechisatiën hielden, zoodat het
kerkelijk godsdienstig onderwijs van de jeugd, waarin de kracht, het
heil en de hoop der gemeenten is gelegen, jammerlijk verwaarloosd
werd[296]. Vandaar ook die vijandschap, haat en vervolging, waarmede
velen den beroemden BALTHASAR BEKKER bejegenden, toen deze, als
predikant te _Oosterlittens_, omstreeks 1662 begon, des Zondags ook 's
namiddags te prediken en cathechisatiën te houden, waartoe hij weldra
onderscheidene leerboekjes trachtte uit te geven. De smaad en
veelvuldige onaangenaamheden dezen verlichten en edelen man daarover en
over zijne wijsgeerige denkbeelden in _Friesland_ aangedaan, waren
evenzeer een bewijs van den bekrompenen en onverdraagzamen geest zijner
tijdgenooten, als het besluit der Staten van 1682, om het »inkruipen van
schadelijke nieuwigheden, libertinisterij en ketterij" te weren en de
verdeeldheden onder de godgeleerden te bedwingen door het verbod, om in
eenerlei opzigt af te wijken van de formulieren van eenigheid en den
Heidelbergschen Catechismus[297]. Zóó betoonde men zich steeds afkeerig
van eenige verandering, uitbreiding of verheldering van de
geloofsbegrippen, welke zich immer in den zelfden beperkten kring
moesten blijven bewegen. Doch BEKKER, hoe zéér den vrede beminnende,
bleef voor de waarheid, naar zijne opvatting, ijveren. In 1679 te
_Amsterdam_ beroepen, mogt hij van zijne wakkere poging, om het
volksgeloof omtrent de kometen, als voorboden van rampen en oordeelen,
te bestrijden (1683), evenveel eer en eene roemrijke overwinning op de
heerschende dwaalbegrippen behalen, als toen hij in 1691 door zijn
beroemd boek, _de Betoverde Weereld_ (in bijna alle talen van _Europa_
overgebragt), het gezag van den vorst der duisternis aanviel, het
mensch-onteerend bijgeloof aan duivelarij en tooverij in den hartader
aantastte, en veler oogen voor het licht der waarheid opende, in weerwil
der hevige vervolgingen en beroeringen door een aantal predikanten tegen
hem verwekt. Nooit echter zal het nageslacht ophouden, hem, tegenover
zijne eeuw, als een held te vereeren en wegens zijne deugden en
verdiensten als een weldoener te zegenen[298].
[294] Zie bewijzen daarvan in _Aanteekening 26_, en bl. 260 hier vóór.
[295] Zie bewijzen daarvan in _Aanteekening 26_, en bl. 260 hier vóór.
[296] Zie mede _Aanteek. 26_.
[297] _Charterboek_, V 972, 1203.
[298] Veelvuldig zijn de geschriften van en over den zoo hoog door mij
vereerden BEKKER. Ik wil daarvan enkel vermelden die van Do. DIEST
LORGION, _B. Bekker in Franeker_ en _in Amsterdam_, Gron. 1848 en 51,
3 dln. waarin bijna al de overige zijn opgenoemd.
* * * * *
Dan het was »de mode van dien tijt, dat de een den ander om het minste
verschil in gedachten, al was 't van saacken, die self de Godgeleertheyt
niet en raackten, voor een ketter afmaalde, en om de rolle ten vollen
uyt te spelen, aanklaagde aan _Classen_, _Synoden_, en _Politijke_
vergaderingen, daarse meenden, dat haare autoriteyt iets soude konnen
gelden"[299]. Vandaar, dat de geestelijkheid bestendig veel beweging
maakte door haren onverdraagzamen ijver tegen de bij oogluiking gedulde
vergaderingen van de Doopsgezinden, Lutherschen en Roomschen, ja zelfs
tegen de vestiging eener Waalsche Gemeente te _Leeuwarden_ (1657), en
daarna niet minder tegen de dweepende sekte der Labadisten, die zich in
1675, na den dood van JEAN DE LABADIE, met den leeraar YVON aan het
hoofd, op _Thetinga-state_ te _Wieuwerd_ vestigde en hare gemeenschap
dáár ongeveer vijftig jaren lang wist staande te houden. Op hare
vroegere omzwervingen zoowel als hier sloten verschillende aanzienlijke
en geleerde personen, waaronder de beroemde ANNA MARIA VAN SCHURMAN, de
Jonkvrouwen VAN SOMMELSDIJK, de verloskundige HENDRIK VAN DEVENTER enz.
zich bij deze sekte aan, ten einde, afgescheiden van de bedorvene
wereld, te voldoen aan hunne behoefte, om bij de leer een christelijk
leven te voegen[300]. Hare denkbeelden hadden zelfs invloed op vele
hervormden, waaronder vooral WILHELMUS à BRAKEL, die, in zijne zoo veel
gelezene _Redelijke Godsdienst_, aandrong op meer gemoedelijke
godsvrucht; ofschoon dat opgewekt godsdienstig leven, verkeerd gerigt,
bij velen leidde tot dweeperij, welke hier steeds een vruchtbaren akker
vond.
[299] Dus oordeelde de beroemde CAMPEGIUS VITRINGA in de voorrede van
zijn boek _over den Tempel van Ezechiel_, Fran. 1687.
[300] Zie over deze sekte het belangrijke werk van mijn vriend Do. H.
VAN BERKUM, _de Labadie en de Labadisten_, Sneek 1851, 2 dln.
Nog meer werd de Kerk verontrust, toen de resultaten van de ijverig
beoefende wetenschap van lieverlede in het leven traden en sommige
leerstukken aan het wankelen schenen te brengen. De stellingen der
wijsbegeerte van DES CARTES en de nieuwe denkbeelden van den geleerden
COCCEJUS, eerst hoogleeraar te _Franeker_ en daarna te _Leiden_, vonden
bijval en werden aan Frieslands Hoogeschool door mannen als JOANNES VAN
DER WAEYEN, CAMPEGIUS VITRINGA en HERM. ALEX. ROËLL beschermd en
verdedigd. Dewijl deze hunne leer niet wilden onderwerpen aan het
oordeel of de veroordeeling der kerkelijken, die zich daartegen hevig
verzetten, waren bittere twisten daarvan het gevolg. De meer verlichte
denkbeelden van DAVID FLUD VAN GIFFEN, predikant te _Nieuw-Brongerga_,
vonden nogtans bij het Stadhouderlijk gezin op het _Oranjewoud_
bescherming; terwijl Gedeputeerde Staten dikwijls hun gezag gebruikten,
om de vervolgingen te staken en der Synode het zwijgen op te leggen. De
aanhangers van VOETIUS en andere voorvechters van de oude waarheid
hielden echter vol, het regt der kerk te doen gelden, zoodat eerlang
eene scheuring in twee partijen, _Coccejanen_ en _Voetianen_ genoemd,
onvermijdelijk was. Ondanks dien tegenstand was er vooruitgang, en
bragten die twisten veel toe, om de bestredene godgeleerde stellingen
naauwkeuriger te onderzoeken, en de grondslagen te leggen tot meer
evangelische kennis en verlichte denkbeelden. Doch lang zou het duren,
eer men zich aan het eens opgelegde juk zou kunnen ontworstelen.
* * * * *
Ja, nog langer dan honderd jaren zou het duren, eer de stralen van een
beter licht konden doorbreken. Zóó vast en sterk waren eens de kluisters
van den vrijen geest gesmeed, dat wij in bijna de gansche 18e eeuw de
Hervormde Kerk in den zelfden gebonden toestand zien verkeeren van
slaafsche onderwerping aan de Dordsche leer en gehechtheid aan de
formulieren van eenigheid, wier gezag in 1729, na hevige oneenigheden,
nog meer verbindend werd gemaakt. Zulke oneenigheden en onbeduidende
twisten over allerlei nietigheden maakten in de hoofdzaak de
geschiedenis uit der Kerk in deze eeuw; met deze uitzondering: dat zij
zich ook vergreep aan de geloofsbegrippen van eene andere, door de
Staatsmagt toegelatene, kerkgemeenschap. Sedert de Doopsgezinden in 1672
vrijheid van godsdienstoefening hadden bekomen, werden zij als stille
burgers ongemoeid gelaten. Doch in 1722 werd hunne vrijheid van
geloofsbegrippen door de Hervormde Synode, uit vrees dat zij
Sociniaansche stellingen zouden voorstaan, aangerand, door hunne 150
leeraars te dwingen tot onderteekening van eene verklaring omtrent de
Drieëenheid, een leerstuk, niet door den Heer verkondigd, maar door
Godgeleerden ontworpen. Gelukkig, dat hunne verdediging door
Gedeputeerde Staten aangenomen- en de inquisitie der Synode toen
tegengegaan werd. Zulk eene poging, om heerschappij te voeren over het
geloof van anderen, werd in 1738 herhaald, en had de afzetting van twee
Doopsgezinde leeraren van _de Knijpe_ en _Heerenveen_ ten gevolge. Nog
meer gerucht maakte kort daarop de klagt der kerkelijken, dat in de
leerredenen van JOANNES STINSTRA, Doopsgezind leeraar te _Harlingen_,
over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk, Sociniaansche
gevoelens zouden verkondigd zijn. Alle Hervormde classen in _Friesland_
en alle theologische faculteiten in _Nederland_ werden door Gedeputeerde
Staten uitgenoodigd dit boek te beoordeelen. Natuurlijk was aller
oordeel in den geest der beschuldiging. Slechts één man had den moed
zich tegen de meening van die allen te verzetten, en aan te toonen, dat
die beschuldiging ongegrond was. Het was de groote HERMAN VENEMA,
hoogleeraar in de godgeleerdheid te _Franeker_, die, op het voetspoor
der verlichte VITRINGA'S, vader en zoon, eene verbeterde predikwijze had
voorgesteld; die vrije en heldere begrippen omtrent de godsdienst
verkondigde, en die gedurende de vier-en-zestig jaren, dat hij een
sieraad was van Frieslands Hoogeschool, bovendien door zijne
geleerdheid, christelijke braafheid en verdraagzaamheid zóó hoog geacht
was, dat zelfs zijne tegenstanders hem niet durfden aanranden. Hoe
gematigd en verstandig dat advies van VENEMA ook ware, hij alléén was
niet tegen de bevooroordeelde en twistzieke geestelijkheid
bestand:--STINSTRA werd van het leeraarambt ontzet en eerst 15 jaren
later hersteld. Doch de smet door dit gedrag op de Hervormde Kerk
geworpen, ook door vele tijdgenooten veroordeeld, werd alleen opgewogen
door de moedige en edele poging van VENEMA, die, door den tijd tevens
geregtvaardigd, gelukkig tegen dreigende vervolgingen bescherming en
steun vond in den voortreffelijken Prins WILLEM IV en diens verlichten
vriend EPO SJUCK VAN BURMANIA. Deze edelman, lang lid van Gedeputeerde
Staten, had later zelfs den moed VENEMA openlijk te prijzen, doch
tevens te voorspellen, dat zijne verlichte gevoelens weinig ingang
zouden vinden bij zijne tijdgenooten: »want," zeide hij, »de tijd is
'er niet na geschikt, om de Menschen de oude wijfs grollen uit het
hoofd te praaten. Gij hoopt doch vrucht'loos, dat de Rede eens zal
verwinnen."[301]
[301] Zie BLAUPOT TEN CATE, _Doopsgez. in Friesland_, 208, 351;
LORGION, _de Herv. Kerk_, 240; YPEIJ en DERMOUT, III 455. Het stuk van
BURMANIA aan VENEMA, een Latijnsch en Nederd. vers, getiteld: _Gelofte
aan Vulcaan_, is ook in andere opzigten belangrijk, als blijk, hoe er
reeds in 1764 een beter licht aanbrak bij sommigen, die zich aan de
verouderde boeijen trachtten te ontwringen en daarom den bijnaam van
_Toleranten_ hadden ontvangen. Zoo zegt hij in 't begin:
Zo vloek ik 't laffe werk, de kwaad' aantekeningen
Van 't gros der Leeraars, die zich binnen de enge kringen
Van een Systema, daar hun Weetenschap op rust,
Beperken, wars van moeite en noeste letterlust.
Zoo vloek ik hen, die by hun Meesters woorden zweeren.--
Gij waart het, schrand're man, die 't eerst U onderwond
Om van het oude pad, dog met beschroomde schreeden,
In weerwil van den hoop, in veelen, af te treeden, enz.
Niettegenstaande de heerschappij en de verdeeldheden der godgeleerden
nog lang bleven voortduren en de gehechtheid aan de kerkelijke
leerstellingen onveranderlijk scheen te zijn, zou de tijd toch eenmaal
aanbreken, dat die leerbegrippen verdrongen zouden worden en vervangen
door christelijke denkbeelden en evangelische gezindheden. Het
heerschzuchtig gedrag van den Leeuwarder predikant BLOM jegens den
Magistraat dier stad in 1763 en de hooggaande twisten daaruit, gelijk
twee jaren later uit het houden van eene leerrede over de Christelijke
Liefde door G. T. DE COCK verwekt, welke door het staatsgezag werden
geëindigd, terwijl gelijktijdig VOLTAIRE'S verhandeling over de
Verdraagzaamheid, te _Leeuwarden_ vertaald en gedrukt, werd
verboden,--ziedaar de laatste sporen van den geest van heerschzucht en
tegenwerking, die de Kerk zoo lang hadden beroerd. Ook daaruit bleek
het, dat er een nieuw licht aan het dagen was, hetwelk vele
gemeente-leden welgevallig tegenblonk. De geest der lessen van den, zoo
ongemeen lang gespaarden, VENEMA, die, boven vooroordeelen verheven,
meer heldere begrippen verspreidde en zijne leerlingen bovenal tot
liefde, vrede en verdraagzaamheid aanspoorde, begon van lieverlede de
Kerk te vervullen en voor de toekomst betere vruchten te beloven.