zoo groot, dewijl men den turf gemeenlijk uit lange petten groef, waar
tusschen men eene smalle strook gronds liet liggen, zoodat deze veenen
na lang verloop van tijd weder digt groeiden en tot beweidbaar land
gemaakt werden. Maar in den jare 1751 kwam een aantal veenbazen en
werklieden uit _Giethoorn_ herwaarts, die eene andere wijze van
verveenen invoerden, welke aan enkele personen wel grootere voordeelen
aanbragt, doch armoede naliet, dewijl daarbij het gansche stuk lands
werd vergraven. Vooral in de omstreken van _St. Jansga_ en _Oudehaske_,
gelijk ook bezuiden _Oostermeer_ (de Leijen), in _West-Stellingwerf_ en
elders zijn daardoor verbazende kommen waters ontstaan. De verzending
van de daaruit gegravene baggelaar en sponturf naar _Holland_, en elders
bragt evenwel aanzienlijke winsten op, welke vele eigenaars destijds in
koophandel en scheepvaart besteedden en daarvan alzoo nieuwe voordeelen
trokken. Te vergeefs wezen deskundigen op de gevolgen van dit
landverdervend kwaad. Ook de Staten namen in overweging, om het gevaar,
dat hieruit, bij toeneming, voor deze provincie was te duchten, te keer
te gaan. Doch zij deinsden terug voor de bezwaren, en bij hun besluit
van 2 Maart 1767 werd alles weder op den ouden voet gelaten[277].
[277] Om de Staten bij hunne beraadslagingen over dit onderwerp voor
te lichten, schreef Jhr. VEGILIN het genoemde belangrijke werkje over
de _Veengraverijen_, waarin hij de vermelde nadeelen en de middelen
daar tegen uitvoerig aanwijst. Zijne denkbeelden vonden echter
verscheidene bestrijders in GERLSMA, ONEÏDES en anderen, die daar
tegen geschriften in het licht gaven. Zie ook _Reg. Staats-res._ 818.
_Nieuwe Vaarten en Wegen._
Het plan der Magistraten van _Harlingen_ en _Leeuwarden_, om langs de
vaart tusschen beide steden een bepuind trekpad aan te leggen, in 1640
ontworpen en in 1646 volbragt, was niet enkel ter bevordering van eene
geregelde gemeenschap en ten behoeve van handel en scheepvaart van veel
belang, maar de goede uitslag daarvan wekte allerwege een geest van
navolging op, welke voor de gansche provincie gunstige gevolgen had. In
het volgende jaar 1647 wist _Dokkum_ alléén een dergelijken trek weg
langs de Ee naar de hoofdstad tot stand te brengen, en het betoonde een
ongemeenen moed en ijver, door maatregelen aan te wenden tot het doen
graven van een geheel nieuw kanaal met rijdweg, van daar langs _Kollum_
tot _Stroobos_. Vermits de uitvoering van deze groote onderneming afhing
van het besluit der provincie _Groningen_ nopens het vervolgen van deze
vaart, van _Stroobos_ tot de stad _Groningen_, vorderde de zaak niet
spoedig. Onder begunstiging des Stadhouders werd zij echter van 1654 tot
1656 volbragt en voortgezet, waardoor de gemeenschap met het naburige
_Groningen_ veel verbeterd- en het verkeer met _Dokkum_, mede als plaats
van doortogt, zeer bevorderd werd.
Ook de steden _Bolsward_ (1652) en _Sneek_ (1662) sloten zich bij
den trekweg van _Leeuwarden_ op _Harlingen_ aan. Van _Bolsward_
werd de trekweg verlengd tot _Workum_; ja zelfs zijn er octrooijen
verleend tot het graven van eene vaart met trekweg van _Sneek_ en
_Workum_ naar _Stavoren_, welke beide laatste plannen echter niet tot
stand zijn gekomen. Aanzienlijke dorpen, als _Hallum_, _Rinsumageest_,
_Kollum_ (1648) en daarna ook _Weidum_ (1688) trachtten zich tevens in
het genot te stellen van zulk een verbeterd middel van vervoer en
gemeenschap, door het aanleggen van zijtakken van hunne buurten
naar de hoofdtrekvaarten. Voegt men hierbij, dat er te gelijk octrooijen
werden verleend tot het leggen van eenen weg van _Dokkum_ naar
_Damwoude_ (1649), en van eene vaart met weg van _Damwoude_ naar _Dokkum_
(1664), van eene vaart naar _Twijzel_ (1680) en naar _Driezum_ (1688),
en van wegen door _Schoterland_ (1661), naar _Grouw_ (1671), van
_Koudum_ over _Galama-dammen_ naar _Hemelum_ (1688) en vele andere
meer[278],--dan zien wij in de laatste helft der 17e eeuw dit onderwerp
met buitengewonen ijver behartigd, zoodat eene veel verbeterde
gemeenschap met de hoofdstad en tusschen vele steden, dorpen en oorden
daarvan het gevolg was.
[278] Zie breedere berigten deswege in de _Geschiedkundige
Beschrijving van Leeuwarden_, II 67, 423 en de daar aangehaalde
stukken; alsmede op de genoemde jaren onder de Octrooien in het
_Register op de Staats-resolutiën_ en vele daarvan in het
_Charterboek_.
Was de oostelijke hoofdweg der provincie door het aanleggen van den
Zwarteweg, reeds in 1531, veel verbeterd--de zuidelijke, van
_Leeuwarden_ naar _Steenwijk_, had daaraan evenzeer behoefte. Tot
_Roordahuizum_ den ouden zeedijk volgende, was hij in 1546 eerst langs
_Friens_, later door _Rauwerd_ gelegd, om over _Irnsum_ en de _Oude
Schouw_ naar _Akkrum_ te leiden. Nog grooter omweg moest men maken van
daar tot nabij _Oldeboorn_ en dan naar _Terbandsterschans_, langs een
kronkelenden weg, wiens vorm weinig van dien eener zaag verschilde. 't
Was dus bij voorraad eene wezenlijke verbetering, toen Jhr. PHILIP
FREDERIK VEGILIN VAN CLAERBERGEN naast het grootste en slechtste
gedeelte dezer beruchte _Haskerdijken_ een nieuwen en nagenoeg regten
weg liet leggen. Hij deed dit in het zelfde jaar 1716, dat hij den hier
vóór vermelden grooten polder in _Haskerland_ aanleidde, en bekroonde
dit werk tot heil zijner grietenij in 1723, door van genoemden weg over
het Deel (_de Nieuwe Schouw_) een geheel nieuwen weg te leggen naar het
aanzienlijke vlek _Joure_, dat hem en zijn nageslacht zoo veel is
verpligt.
Deze weg was van te meer belang, omdat een ander verdienstelijk
Grietman, REGNERUS VAN ANDRINGA, van _Lemsterland_, welingerigte
veerschepen had doen aanleggen van _de Lemmer_ op _Amsterdam_, _Zwolle_
en _Kampen_ (1703), alsmede een postwagen van _de Lemmer_ op _Groningen_
en daarna ook op _Leeuwarden_ (1740), waardoor hij mede het belang van
eerstgenoemde zeeplaats, zoo veel aan hem verschuldigd, gelijk ook van
_Joure_, als plaats van doortogt, bevorderde[279]. Behalve de vroeger
genoemde, vinden wij overigens in de 18e eeuw niet verder gewag
gemaakt, dan van het aanleggen van een rijdweg over de Ried door de
_Trynwouden_ (van _Ryperkerk_ naar _Oudkerk_) in 1725, en van _Sondel_
naar _Takozyl_ in het zelfde jaar; alsmede van de Helomavaart onder
_Oudetryne_ in 1748[280].
[279] _Charterb._ VI 394; _Reg. Staats-res._ 547, 550, 842; VAN
SMINIA, _Grietmannen_, 358, 373; TE WATER, _Verbond der Edelen_, II
157.
[280] _Reg. op de Staats-res._ 550, 553.
_Landbouw, Handel, Scheepvaart en Nijverheid._
Al deze onderwerpen staan zeker in zeer naauw verband met de
verbeteringen, welke den stoffelijken toestand van _Friesland_ in dit
tijdvak mogt te beurt vallen, en waarvan wij de voornaamste hebben
opgenoemd. De ontwikkeling van de trapsgewijze vorderingen dezer vakken,
onder den invloed van verschillende omstandigheden, zou een belangrijk
tafereel opleveren, doch meer bronnen en ruimte vorderen, dan waarover
wij kunnen beschikken. Men vergunne ons dus hier enkel aan te stippen,
dat de Staten,--die in 1634 reeds een octrooi gaven op »de inventie om
Bosch, Heide en andere sterile Landen te verbeteren," en die overigens
wel gezind waren, om de bedijking van lage en buitendijksche landen, en
het ontginnen van heidevelden aan te moedigen--het belang van den
landbouw trachtten te bevorderen, door sedert 1634 bij herhaling op
zware straf te verbieden, dat de mest, asch, vuil en aarde buiten deze
provincie gevoerd wierden. Tot behoud en uitbreiding van de houtkultuur
strekte tevens hunne bepaling, dat niemand twee eikenboomen zou mogen
vellen, of hij moest er drie voor in de plaats planten (1673)[281].
[281] _Chartb._ V 651, 973.
In de eerste helft der 18e eeuw hadden landbouw en veeteelt in dit
gewest met zware rampen te worstelen. De gevolgen der overstroomingen in
1701 en 1702, en daarna weder in 1717, hielden de lage streken jaren
lang in kwijnenden toestand, bij hooge schattingen en lage prijzen van
het vee. De veepest, welke eerst in 1713 woedde en in 1744 en 45 weder
met zulk een geweld uitbrak, dat er alleen van November tot Julij
123,000 runderen stierven, bragt groote schade aan en had gewigtige
gevolgen. Sedert men omstreeks 1720 meer algemeen invoerde, de
graslanden te greppelen, te bemesten en het gras vroeger te
maaijen[282], was de hooioogst aanzienlijker geworden, en gaf ook de
uitvoer daarvan naar andere provinciën groote voordeelen; hoewel de
Staten, door dien uitvoer somtijds te verbieden, pogingen deden, om het
verbruik van het hooi in dit gewest zelf, door het aanfokken van meer
vee, te bevorderen, ten einde daarvan voor eigene welvaart nog grooter
en duurzamer voordeelen te verwerven.
[282] Men maaide eertijds niet vóór St. Jan (24 Junij), als het zaad
begon te vallen, wanneer men met een stok tegen het gras sloeg. De
reden, waarom het vroegere maaijen zoo veel verkieslijker is, is
aangewezen in den _Almanak voor Landbouwers_, 1852, 14. Het meer
verdeelen van de zeer groote stukken veldland door slooten, had bij
het greppelen mede gunstige gevolgen. Het toenemen van de turfgraverij
heeft ook het verbranden van den met ried vermengden mest, waarvan men
dompen maakte, doen ophouden; terwijl de uitbreiding van den graanbouw
mede de waarde van den mest deed stijgen.
Doch tegenspoeden hebben dikwijls heilzame uitwerkselen voor de
toekomst, wanneer de nood het oordeel scherpt, de krachten spant en
middelen zoekt aan te wenden, welke de voorspoed onopgemerkt had
gelaten. Na het verlies van zoo vele runderen gaf de toenemende
schaapsteelt, bij de hooge prijzen van de wol, daarvoor eenige
vergoeding, en werden vele oude weilanden gebroken en tot bouwland
aangelegd, waarbij men ook het klaverzaaijen tot nieuwland invoerde. De
sedert 1750 meer algemeen gewordene aardappelteelt en de toegenomen
cichorei- en vlasbouw begunstigden mede de pogingen der landbouwers tot
verbetering en vooruitgang, zoodat onze boerenstand zich door
bekwaamheid, ijver en welstand voordeelig bij die van andere provinciën
onderscheidde. De bepoldering nam allerwege toe, gelijk ook het getal
bouwhoeven, dewijl men vroeger te veel land bij ééne boereplaats
gebruikte. Blijken van meerderen voorspoed openbaarden zich vooral na
1765, zoodat, toen in 1769 en volgende jaren de veepest op nieuw woedde,
die schade het algemeen belang minder krenkte.
Doch de landbouw had tevens veel te danken aan de uitbreiding van den
Handel en de Scheepvaart, die van 1760 tot 1780 en ook nog later
ongemeen bloeiden en groote winsten aanbragten. Nog in 1789 werd het
getal Friesche schepen, dat vooral tot de buitenlandsche vrachtvaart
gebezigd werd, op 2,000 begroot, gelijk alléén in 1780 meer dan 40
nieuwe schepen de verschillende havens dezer provincie verlieten.
_Frieslands_ gunstige ligging en rijkdom van voortbrengselen, die
bij gereeden aftrek van lieverlede in prijs stegen, wekten de
ondernemingszucht op. Bepaalden handel en buitenvaart eerst zich meest
op de Oostzee, _Hamburg_, _Bremen_, _Noorwegen_ en de Fransche en
Spaansche kusten, men beproefde ook regtstreekschen handel op
_Engeland_; en van welke gunstige gevolgen dit voor het belang dezer
provincie is geworden, vooral ten aanzien van onze boter, kaas, paling,
vee enz., is algemeen bekend. Te voren had men deze en andere voorwerpen
steeds te _Amsterdam_ ter markt gebragt, om van daar verder verzonden te
worden. De binnenlandsche vaart op de overige provinciën, tot uit- en
invoer van verschillende voortbrengselen en benoodigdheden, ondersteunde
dien handel, welke tevens van gunstigen invloed was op onderscheidene
fabrijken en trafijken, die er in den loop der 18e eeuw zoo vele werden
opgerigt[283], waarvan de steen- en pannebakkerijen, de zoutkeeten en
kalkbranderijen een ruim deel in de winsten hadden. Het fabrikaat der
Friesche bonten, dat in 1748 in _Harlingen_ nog een duizendtal wevers
werk verschafte en overal, ook naar de _West-Indiën_, verzonden werd,
bezweek echter, even als de eertijds zoo bloeijende saaijet-fabrijken,
waarvan _Franeker_ alleen er 21 telde, voor de buitenlandsche
mededinging. Doch ook handel en scheepvaart vervielen na het einde van
dit tijdvak, ten gevolge van den Engelschen oorlog en andere rampen.
Nogtans kon een bevoegd beoordeelaar zijne beschouwingen omtrent den
gelukkigen toestand van _Friesland_ in 1795 besluiten in de overtuiging:
»dat ons land een gezegend land is; dat wy een vruchtbaaren grond
hebben, eene groote verscheidenheid van Voortbrengzelen, en een by
uitstek bloeienden Landbouw; een gezond Klimaat, en sterkte van lichaam
en geest by de inwoonders. Voorts een goeden Koophandel, eene
aanzienelyke Vragtvaart, en een tamelyk getal goede Fabrieken.--Het
gevolg van dit alles vereenigd, moet zyn _Blyde Welvaart en
Volks-geluk_"[284].
[283] Van de daartoe verleende octrooijen noemen wij hier enkel, nieuw
geinventeerde Molens, om hout-, pot- en weedasch te malen: 1700; eene
Azijn fabrijk, 1720; eene Suiker-rafinaderij te _Harlingen_, 1724;
eene Stijfselmakerij te _Franeker_, 1731; een Snuif- en Verwmolen te
_Leeuwarden_, 1760; een Papiermolen te _Makkum_, 1767; eene
Glasblazerij aldaar, 1768; eene Meekrapstoof te _Leeuwarden_, 1751,
enz.
[284] De latere Groninger Hoogleeraar S. GRATAMA in zijne _Gelukkige
Toestand van Friesland_, 25, in _Aanteek. 22_ vermeld met meerdere
schrijvers over dit onderwerp; als: YPEIJ, _Verhandeling over den
uitvoer van Hooi_; _Teg. Staat_, IV 570, 596 env.; VEGILIN, _over de
Veengraverijen_, 25, 57 enz. Zie mede over het aangevoerde het
onschatbare _Charterb._ IV 620, 726, V 106, 471, 658, 755; _Reg.
Staats-res._ 337, 363, 495, 517, 528 enz. Gaarne zouden wij zien, dat
ook dit belangrijk onderwerp eens uitvoeriger wierde behandeld.
39. _De Kerkelijke Belangen van Friesland._
_De Hervormde Kerk._
Lang hadden de Hervormden in _Friesland_ de verdrukking van het
Spaansche gezag verdragen en te vergeefs vrijheid van godsdienst, naast
of nevens de bestaande Katholijke Kerk, begeerd, toen eindelijk de
Pacificatie van _Gent_ (1576), de Religions-vrede (1578) en de Unie van
_Utrecht_ (1579) de vervolgingen om het geloof deden staken, en de
wensch, dat zij hunne godsdienst-oefeningen onverhinderd mogten houden,
vervuld werd. Roomschen en Onroomschen bezaten nu alzoo gelijke
vrijheid. Mogten de eersten zich hierdoor verzwakt gevoelen,--de
laatsten, die spoedig bleken verreweg de groote meerderheid der
ingezetenen uit te maken, hadden eene kracht ontvangen, welke alras zich
liet gelden. Zij hadden zoo schrikkelijk veel van de Spaansche tirannij
geleden, en de verbastering van de Roomsche Kerk had reeds zoo lang
ergernis gegeven, dat zij deze niet naast of nevens zich konden dulden.
Men moet zich verplaatsen in die dagen van opgewondenheid en
verbittering, toen men het woord verdraagzaamheid naauwelijks kende, om
te beseffen, dat het doel van den strijd geen ander kon zijn, dan de
zegepraal van de sterkste en de ondergang van de zwakkere partij. En hoe
zeer begunstigden de omstandigheden des tijds niet de overwinning van de
zaak der Hervormden!
Immers, nadat de moed der burgers van _Leeuwarden_ het Blokhuis dier
stad veroverd had, en ook de kasteelen van _Harlingen_ en _Stavoren_
gewonnen waren, verwekte de verraderlijke afval van den Stadhouder
RENNENBERG te _Groningen_ (3 Maart 1580) hier zóó algemeene
verontwaardiging, dat de Roomsche eeredienst nog in die zelfde maand
door de Friesche Staten werd afgeschaft. De kloosters werden nu
ontbonden en de gebouwen verkocht of aan de uitroeijing van het algemeen
prijs gegeven, en werd de Hervormde leer ingevoerd en gevestigd door de
bepaling, dat alle gemeenten van bekwame predikanten en onderwijzers
zouden worden voorzien. Bovendien werd in de ordonnantie van den
Stadhouder Prins WILLEM I van den volgenden jare vastgesteld, dat er in
_Friesland_ geene andere godsdienst dan de Hervormde zou mogen worden
uitgeoefend[285].
[285] WINSEMIUS, 595-710; SCHOTANUS, 790-884; _Charterb._ IV 119, 144,
148, 150, 218, 221, 225, 235, 241, 280, 296 enz.; FOEKE SJOERDS,
_Beschrijv._ II 727 env.; LORGION, _Geschied. der Kerkhervorming in
Friesl._ 110 env. en _de Ned. Herv. Kerk in Friesl._ 1 env.
Deze vestiging van de Kerk door het Staatsgezag, dat haar als eene
voedsterling beschermde en als voogd bestuurde, was vooral in den
beginne voor haar eene zaak van groot gewigt; eensdeels, omdat haar
toestand nog zoo onzeker was, zoolang _Groningen_ in de magt was der
Spanjaarden, die zóó herhaaldelijk invallen in _Friesland_ deden, dat de
zaak der vrijheid nog veertien jaren lang in het grootste gevaar
verkeerde; anderdeels, uit hoofde van het gebrek aan bekwame
predikanten, wier getal lang ontoereikende was, om al de gemeenten van
een leeraar te voorzien. Ook dààrom stichtte de Staat eene Lands
Akademie te _Franeker_ (1585), welke van lieverlede in dien nood voorzag
en der Kerk vervolgens gewigtige diensten bewees. Deze was dus tot den
Staat in eene omgekeerde verhouding gekomen, als waarin vroeger de
Roomsche Kerk stond. Rijk, onafhankelijk en gewapend met kerkelijk
gezag, had die hare geestelijke belangen steeds zelve geregeld, buiten
de wereldlijke overheid, in wier bestuur zij zelfs een belangrijk
aandeel had door hare afgevaardigden op de landsdagen. Wel deden de
Hervormde predikanten spoedig pogingen, om zich aan die voogdijschap van
het Staatsgezag te onttrekken; doch, in weerwil der botsingen, welke
hieruit nu en dan ontstonden, bleven de Staten hun regt en pligt
handhaven, om, nevens de bescherming, welke zij der Kerk verleenden,
daarop te gelijk toezigt te houden en daarover gezag uit te oefenen.
Zelfs bepaalden de Staten, dat geen Synodaal besluit van eenige kracht
zou zijn, vóór dat het door de Staatsmagt goedgekeurd ware. En deze
steun kwam der Kerk meermalen ter bevordering van hare belangen te
stade: zoowel bij de vele en vaak bittere twisten, welke de predikanten
onderling en tegen de Synode voerden, als niet het minst tegenover
andere Kerkgenootschappen, dewijl er in het bijzonder in deze provincie
een zoo groot getal Doopsgezinden bestond, en het aantal Roomschgezinden
en Lutherschen van lieverlede aanmerkelijk toenam. Lang werden de
godsdienst-oefeningen van dezen door strenge plakkaten verboden, hoewel
ze niet altijd streng werden uitgevoerd, zoodat de Hervormde Synoden
veel malen gelegenheid vonden, zich over de miskenning van haar
uitsluitend voorregt, de slapheid der besturen en de »ongelimiteerde
licentie der dissenters" te beklagen. Ook ten aanzien der zeden en de
wering van misbruiken en ongeregeldheden riep de Kerk dikwijls de hulp
van het Staatsgezag in[286].
[286] LORGION, _de Herv. Kerk_, 3 env. Zie over de Synode bl. 240 hier
vóór.
* * * * *
Maar welke was de geest, de rigting, de kenmerkende leer dezer Kerk? In
de eerste eeuw of het omwentelingstijdvak waren deze zeer verschillende,
doch zij ondergingen groote verandering, meest ten gevolge van vreemden
invloed, en van het streven naar eenheid van geloofsbegrip, dewijl de
heerschzucht der sterkere partij steeds over de zwakkere trachtte te
zegevieren. De oorsprong der geloofsverandering lag in de verbastering
van de Roomsche Kerk. Om deze te bestrijden en te verbeteren bezat men
geen ander wapen en middel dan het heilige Evangelie, dat tevens al de
behoeften vervulde dergenen, die in reine godsvereering vrijheid van
geloof aan zuiveren wandel wilden paren. Vandaar, dat in de allereerste
geloofsbelijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, van omstreeks 1550,
drie beginselen op den voorgrond stonden, welke toen voor kenmerkenden
regel en rigtsnoer waren aangenomen; namelijk: 1^o. het _Evangelische
beginsel_, of de aanneming van de Heilige Schrift als Gods Woord,
waarvan Christus de hoofdinhoud uitmaakt, met verwerping van alle
menschelijk gezag, hetwelk in de Roomsche Kerk heerschende was; 2^o. het
beginsel van _vrij onderzoek en vrije belijdenis van de Evangelische
waarheid_, mede tegenover Rome's kerkleer, welke slaafsche
gehoorzaamheid en vervolgzieke onverdraagzaamheid van andersdenkenden
predikte, en 3^o. het beginsel van _voortdurende Hervorming_, van
toeneming in kennis en ontwikkeling van het Christendom, als de
grondslag, waarop de Kerk, heilig in leer en leven, moest worden
voortgebouwd en voltooid, tot vorming van vrome burgers van den Staat en
van waardige leden der gemeente Gods in het leven der toekomst[287].
[287] Men zie dit nader uiteengezet in het belangrijke werkje van
Prof. MUURLING, _over de echt Christelijke Beginselen der
oorspronkelijke Nederlandsche Hervormde Kerk_, Gron. 1849. Mijne
voorstelling, ook van het vervolg, is op het gezag van dezen
voortreffelijken geleerde gegrond.
Hoe gelukkig zou ons vaderland geweest zijn, wanneer het aan deze
oorspronkelijke beginselen en eigene opvatting van het evangelie, als
eene kracht Gods tot zaligheid, ware getrouw gebleven! Hoe weldadig zou
de algemeene aanneming en beleving van zulk eene eenvoudig schoone leer
duurzaam gewerkt hebben op het algemeene welzijn! Hoe vele twisten,
rampen en ellenden waren daardoor niet vermeden geworden! Doch de
zelfstandigheid der Nederlanders, in andere opzigten zoo krachtig aan
den dag gelegd, bezweek in dezen voor buitenlandschen invloed. Vreemde
geleerden, die zich de ~geloofsleer~ tot hoofddoel des Christendoms
stelden, vormden ingewikkelde stelsels en vervormden de evangelie-leer
tot eene leerstellige godgeleerdheid. Deze vond allerwege aanhangers,
waaruit spoedig partijen ontstonden, die, hevig onder elkander
twistende, de nog niet eens gevestigde Kerk jammerlijk verwarden en
verscheurden terwijl de staatkunde der Spaansche regering dat vuur van
verdeeldheid voedsel gaf en aanblies. Ofschoon LUTHER'S denkbeelden en
gevoelens reeds vroegtijdig in _Friesland_ bekend waren, en de
Augsburgsche belijdenis van 1530, zoo als die door MELANCHTON veranderd
was, ook hier bijval vond, was het verkeer van vele Friezen in
_Oost-Friesland_, waar men voornamelijk de gevoelens van ZWINGLI had
aangenomen, de oorzaak, dat de hervorming hier eerst eene Zwingliaansche
rigting aannam, alsof het noodzakelijk ware, de partij van een dier
Hervormers te kiezen. Laatstgenoemde rigting werd echter spoedig
verdrongen door het Kalvinisme, dat in 1567 in _Brabant_ boven alle
andere rigtingen ingang vond en zich streng wist te handhaven[288].
Nadat het ook door Prins WILLEM I en daarna door Graaf WILLEM LODEWIJK
was aangenomen, bragt MENSO ALTING, een der weinige Oost-Friesche
predikanten, die de gevoelens van KALVIJN waren toegedaan, met de hulp
van Dr. OTTO SWALUE veel toe, om die rigting bij de Friesche
predikanten te doen aannemen, waartoe de invoering van den
Heidelbergschen Catechismus tevens een gereed hulpmiddel aanbood.
[288] Zie dit breeder bij YPEIJ en DERMOUT, _Geschied. der Ned. Herv.
Kerk_, Breda 1822, II 50-66, 177, 181 en Aant. bl. 105 env.