Een niet minder gevaarlijk punt was destijds de _Lemsterhoek_, bewesten

_de Lemmer_, dewijl men van eene doorbraak daarvan de schadelijkste

gevolgen voor de _Zevenwouden_ had te duchten. Daarom werd er in het

volgende jaar, 1734, daar achter mede een Slaperdijk, hoewel tot eene

mindere breedte en hoogte, opgeworpen, en door deze afsnijding de

veiligheid der zuidelijke streken niet weinig bevorderd[267]. Het plan,

in dat jaar ontworpen, om meer binnenwaarts een algemeenen slaperdijk te

leggen, dóór de lagere streken, van _Hemelumer-Nijeburen_ tot aan het

hoogere gedeelte van _Schoterland_, is echter wegens het afnemen van de

verschrikkelijke wormplaag niet ten uitvoer gebragt.

[267] _Tegenw. Staat_, IV 328. Daar ik vele bijzonderheden van al de

vermelde en andere speciale werken hier achterwege moet laten, zoo

houde men mij deze kortheid ten goede, uithoofde van het plan en

bestek van dit werk. Voor dit tijdvak heb ik slechts de hoofdpunten

willen aanwijzen van eene Geschiedkundige Beschrijving van

_Friesland_, welke ik gaarne uitvoerig en volledig zou willen

behandelen, als het mij niet aan tijd en krachten faalde. Hartelijk

wensch ik dus, dat een ander dit belangrijke onderwerp eens

opzettelijk mogt bewerken.

Na dit overzigt van de voornaamste middelen tot landwinning en

verdediging tegen de wateren, welke _Friesland_ immer ~van buiten~

bedreigen, willen wij nu het oog slaan op de veroveringen, welke de

nijvere landzaat ~van binnen~ op dit woeste element trachtte te behalen.

_Bedijkingen van Meren._

Waarschijnlijk wekte het voorbeeld van _Noord-Holland_, waarin men in

den aanvang der 17e eeuw zoo vele groote meren bedijkte en droogmaakte,

ook in _Friesland_ den lust tot dergelijke ondernemingen op. In 1613

gaven de Staten daartoe het eerste octrooi aan _Stavoren_ ten aanzien

van den grooten plas, beoosten die stad gelegen, en wiens ondiepte hare

scheepvaart niet weinig belemmerde. Dan, naauwelijks was daartoe octrooi

verleend, of er deden zich bezwaren en geschillen op, welke _Stavoren_

trachtte te ontgaan, door de verkregene vergunning aan vier Raadsheeren

en eenige andere personen over te dragen (1620). Deze beloofden het

meer in twee gedeelten te zullen bedijken en droogmaken, met daar

tusschen een kanaal naar _Stavoren_ en vaarten naar _Warns_ en

_Molkwerum_. Met groote moeite werd dit werk volbragt, en het

_Stavorsche Noorder-_ en _Zuidermeer_, ieder ongeveer 200 morgen groot,

in vruchtgevend land herschapen. Niet minder moeite was er aan

verbonden, om dit land droog te houden, hetgeen in het eerste meer met

één en in het laatste met twee molens naauwelijks kon geschieden. Toen

nu de molens van het Zuidermeer vernieuwd moesten worden, en Dr.

BERNARDUS SCHOTANUS à STERRINGA, die in 1690 deze grietenij in kaart

bragt, eene nieuwe soort van watermolen had uitgevonden, waarmede hij

zoo veel water als met tien andere meende te kunnen uitmalen, behaagde

het den eigenaren, hun regt aan hem over te dragen, en de Staten, om hem

gunstige toezegging van ondersteuning te doen, ten einde het Zuidermeer

droog te houden (1697). Nadat SCHOTANUS zich daartoe verbonden had met

ERNST MOCKEMA VAN HARINXMA THOE SLOOTEN, Grietman van _Baarderadeel_,

werd dit doel wel bereikt, echter niet zonder latere (tot heden

voortdurende) subsidie der Staten, die ook hulp verleenden, toen beide

meren bij den stormvloed van 1776 overstroomd werden[268].

[268] WINSEMIUS, _Chronique_, aan het slot; _Tegenw. Staat_, III 292;

_Charterb._ V 634, 1204; _Reg. Staats-res._ 367, 473, 543, 546, 764;

VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. 53.

In 1633 bepaalden de Staten, dat het den bedijkers van meren zou

vrijstaan, om tot het maken van dijken en ringslooten de omgelegene

landen, tegen vergoeding, te gebruiken en bruggen en vaarten te

verleggen. Dit strekte tot geene geringe aanmoediging en niet minder tot

wering van geschillen. In 1633 werd alzoo het _Cherne-_ of _Sensmeer_

met het daaraan verbondene _Atsebuurstermeer_, bewesten _Westhem_,

bedijkt. Ook de droogmaking van het groote _Warregastermeer_ en van het

kleine _Jornahuistermeer_, nabij _Warrega_, werd in dit jaar

aangevangen. Meerdere octrooijen tot bedijking, waaraan veelal vijftig

jaren vrijstelling van lands lasten was verbonden, werden er verleend,

hoewel niet van alle is gebruik gemaakt. De laatste en voornaamste

betroffen het _Wanswerdermeer_, groot 100 pondematen, in 1753; het

_Hempenzermeer_ in 1779; het _Sillaardermeer_ onder _Kornwerd_ in 1778,

om niet te spreken van kleinere meren, onder _Hallum_, _Ferwoude_,

tusschen _Gaast_ en _Piaam_, bij _Surig_ enz.[269].

[269] _Charterb._ V 356, 634, 1204; _Reg. Staats-res._ 321, 539, 540,

548, 553, 556, 632, 717.

_Polders._

Meer algemeen en voor de uitbreiding en ontwikkeling van den

provincialen landbouw van nog grooter belang was het aanleggen van

_Polders_. Landen, die ten gevolge van hunne lage ligging weinig vrucht

gaven, of die bij de minste rijzing van het boezemwater spoedig blank

stonden, werden, door ze met polderdijken te omsluiten, te bemesten en

met een watermolen droog te houden, veel verbeterd en tot duurzaam

gebruik geschikt gemaakt; terwijl andere, enkel door eene zomerkade

omgeven, alleen 's winters aan de overstrooming van het buitenwater

bleven bloot gesteld. Onmogelijk kunnen wij hier in bijzonderheden

treden waar en wanneer die bepolderingen in verschillende oorden hebben

plaats gehad. Nogtans mogen wij, als de voornaamste, niet onvermeld

laten: de _Tjaard van Aylva's-polder_ bij _Burgwerd_, in 1680

door de zorg van dezen Grietman van _Wonseradeel_, gelijk de

_Greonterper-polder_, in 1714 onder zijn zoon en opvolger tot stand

gebragt. De lust daartoe wakkerde aan na het uitvinden eener verbeterde

zamenstelling van watermolen (1643, 1660, 1690), en nadat de aandacht

der Staten op het hooge belang der zaak was gevestigd (1718). Veel

hadden de toen nog weinig ontwikkelde grietenijen _Haskerland_ en

_Doniawarstal_ aan die bepolderingen te danken; vooral, omdat zij op

eene groote schaal met onbekrompene zorg werden verordend door de

uitstekende staatsmannen Jhr. PHILIP FREDERIK en Jhr. JOHAN VEGILIN VAN

CLAERBERGEN, waarvan de eerste van 1707 tot 1738 Grietman van

_Haskerland_ en de laatste van 1722 tot 1772 Grietman van _Doniawarstal_

was. Behalve twee hoofdwegen, legde de eerste in 1716 beoosten _Joure_

een polder aan, welke nagenoeg een derde van de oppervlakte dier

grietenij omvatte; terwijl de laatste in 1731 den _Vegilins-polder_

onder _Langweer_ en in 1735 den _Boornzwaagster-polder_, te zamen groot

720 pondematen, mogt tot stand brengen, en bevorderde, dat in 1741 de

_Tryegaster-polder_, bevattende 1000 pondematen onder de drie dorpen

_Ouwsterhaule_, _Ouwster-Nijega_ en _Oldouwer_, werd aangelegd. Doordien

bij dit laatste werk aan den Nieuwe Rijn eene kortere rigting werd

gegeven, en de meeste polderdijken met boomen beplant werden, was de

herschepping van dit oord van zóó veel belang en bleken de voordeelen

dezer ondernemingen zoo groot te zijn, dat ook andere voorname eigenaars

werden aangespoord, dit loffelijk voorbeeld te volgen, waardoor daar en

elders meerdere polders werden aangelegd, welke de aangewende moeite en

kosten, door eene verhoogde vruchtbaarheid, weldra rijkelijk vergoedden.

Dit alles te zamen genomen en gevoegd bij vele verbeteringen van

bijzondere en openbare werken, had een gunstigen invloed op de

ontwikkeling van landbouw, veeteelt en welvaart. En mogt JANCKO DOUWAMA

in 1514 van _Friesland_ getuigen, dat het in den winter »quaet was to

_Lewerden_ to comen, met dat het landt al vnder het water lach,"--ook

ten aanzien van den waterstaat was er eene belangrijke schrede

voorwaarts gedaan, om latere verbeteringen voor te bereiden[270].

[270] Zie J. DOUWAMA'S _Geschriften_, 201, en omtrent het verder

vermelde _Reg. Staats-res._ 3, 539, 546, 632; _Tegenw. Staat_, III

490, 492, 494, 501, 505, IV 491; V. SMINIA, _Grietmannen_, 350, 358;

SCHELTEMA, _Staatk. Nederl._ II 388, _Wapenboek_ en _Stamboek_ in

_Vegilin_.

_Groote Veenkanalen, Ontginningen enz._

Verbetering en vooruitgang, ja, bestonden er; doch ten aanzien van het

bedijken van meren en het bepolderen van landen was dit meer bijzonder

het geval in de lager gelegene westelijke helft dezer provincie. Het

veelal hooger liggende oostelijk gedeelte had daarin echter in een ander

opzigt aandeel. De meeste grietenijen van _Zevenwouden_, grootendeels

bestaande uit zandgronden en hooge en lage veenen, hadden behoefte aan

afgraving en ontginning; en de wakkere geest onzer vaderen heeft zich

daar, na het overwinnen van groote bezwaren, werkzaam getoond op eene

wijze, waarover wij met regt verwonderd staan, als wij de schoone

plaatsen _Heerenveen_, _Dragten_, _Beetsterzwaag_, _Gorredijk_,

_Oudeberkoop_, _Balk_ enz. met hare lommerrijke omstreken als de

vruchten eener verstandige volks-nijverheid beschouwen. 't Zou een

belangrijk tafereel opleveren, de trapswijze ontwikkeling van die

plaatsen en oorden in bijzonderheden na te sporen. Hier kan ik slechts

de hoofdtrekken daarvan vermelden, in verband met den aanleg van zoo

vele vaarten, welke ik echter met de nieuwe wegen aan het einde van dit

hoofdstuk wilde behandelen.

Naarmate de vroeger (bl. 150) vermelde afgraving van de hooge veenen in

_Schoterland_ toenam, werd de eerst van nabij _Akkrum_ naar

_Heerenveen_ en vervolgens verder oostwaarts gegravene Compagnonsvaart

verlengd en wegens den rijzenden grond met vier schutsluizen voorzien.

Aan de boorden daarvan nam _Heerenveen_ in omvang en bloei toe, en

breidde _Nieuw-Brongerga_ of de _Beneden-_ en _Boven-Knijpe_ zich uit.

Welige weiden hadden de plaats vervangen van het dorre hoogveen, dat nu

den turfhandel en scheepvaart ruim vertier verschafte. In 1732 ontvingen

deze Compagnons der _Dekama-_, _Cuick-en-Foits-veenen_ op nieuw octrooi

van de Staten, »om hun Veenvaart, dwars door de ruwe en sterile veenen,

ook anderen toebehoorende, verder te mogen graven," zoodat zij

vervolgens tot nevens _Hornsterzwaag_ werd opgelegd. Gelijke

herschepping tot bouwland en bosschen ondergingen ook de omstreken van

_Brongerga_ en _Oudeschoot_, sedert Prinses ALBERTINE AGNES op dien

zandgrond, kort na 1664, het vorstelijk lustslot _Oranjewoud_ liet

bouwen en den omtrek beplanten, hetwelk ook anderen tot ontginningen

aanmoedigde, waardoor dit oord eerlang een bekoorlijk aanzien

verkreeg[271].

[271] Zie _Tegenw. Staat_, III 518, 528; _Reg. Staats-res._ 552.

Eene dergelijke groote verandering, ten gevolge van het graven van eene

Veenvaart ten behoeve van het afsteken van het hoogveen, onderging ook

het oostelijk gedeelte der grietenijen _Smallingerland_ en _Opsterland_;

en de eerst onbeduidende dorpjes _Noorder-_en-_Zuider-Dragten_ hadden

daaraan hunne opkomst en uitbreiding tot een aanzienlijk vlek te danken.

De hoofdaanleiding daartoe was, dat zij in 1641 eene overeenkomst sloten

met zekeren PASSCHIER HENDRIK BOLLEMAN van _'s Gravenhage_, die, in

gemeenschap met eenige anderen, aannam, eene hoofdvaart of grifte van

ongeveer 30 voet breedte, benevens eene dwarsvaart te graven en met

bruggen en sluizen te voorzien, met oogmerk, om bij de veenen te kunnen

komen, die te vergraven en den turf langs die vaarten af te voeren. Dit

doel werd niet enkel bereikt en de vaart en dwarsvaart met vele wijken

in de eerstvolgende jaren tot op de grenzen dier grietenijen volbragt,

maar vruchtbare bouw- en weilanden namen weldra de plaats in der veenen,

wier afgraving en vervoer leven en werkzaamheid, handel en voorspoed

verspreidden, zoodat in die zelfde jaren de weinige huizen van _Dragten_

tot eene groote en welgeregelde buurt aangroeiden, waarbij spoedig

molens en fabrijken, kerken, scholen en andere gebouwen gesticht werden.

Deze uitbreiding en welvaart had men alzoo alléén te danken aan het

graven van de vaart, die, naarmate de verveening zich uitbreidde, ten

gevolge van eene nadere overeenkomst van 1649, drie uren verderop werd

gegraven langs _Ureterp_ en de _Friesche palen_ naar _Bakkeveen_ (1664).

Van daar is zij later (1756) voortgezet tot voorbij het dorp _Haule_,

waar eene dwarsvaart aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de

uitgestrekte veenkolonie _Haulerwijk_[272].

[272] Naauwkeurige bijzonderheden omtrent het eerste bevat het fraaije

werkje van mijn vriend J. G. VAN BLOM, _de opkomst van het vlek

Dragten_, Leeuw. 1840. Zie over _Bakkeveen_ D. H. VAN DER MEER in den

_Friesche Volks-Almanak_, 1839, 29 env.

In het westelijk gedeelte dier zelfde grietenij _Opsterland_ waren JUW

DEKAMA en anderen reeds vóór 1580 begonnen onder _Korte-_ en

_Langezwaag_ te verveenen, waartoe de Jonkerssloot en de Nieuwesloot

werden gegraven, toen in 1645 de Heeren CRACK, OENEMA, FOCKENS en

TEIJENS eene belangrijke overeenkomst slooten tot het graven van vaarten

en het ontginnen van de veenen in dat oord. Een gevolg hiervan was, dat

er van genoemde slooten een beter afvoerkanaal gegraven werd

noordwestwaarts over de Wijde-Wispel en het Nieuwe diep tot in de

Boorn. Als het begin eener groote onderneming was dit kanaal van veel

gewigt. Spoedig werd het ook zuidoostwaarts voortgezet naar het

Gorreveen. Hierbij ontstond er op de plaats, waar die nieuwe vaart den

rijdweg sneed, langs beide eene kruisbuurt, _Gorredijk_, welke ten

gevolge van verveening, ontginning en handel zoo sterk werd aangebouwd,

dat zij, na in 1672 versterkt te zijn, in 1685 eene eigene kerk bekwam

en een welbebouwd en aanzienlijk vlek is geworden. Reeds lag het in het

plan van genoemde heeren, deze vaart ook verder oostwaarts op te leggen,

zelfs tot naar _Bakkeveen_. Toen nu in 1704 AUGUSTINUS LYCKLAMA À

NIJEHOLT, sedert 1693 Grietman van _Opsterland_, de voornaamste eigenaar

was der veenvaarten van _Gorredijk_, _Terwispel_, _Kortezwaag_ en

_Lippenhuizen_, verzocht en verkreeg hij met zijne compagnons van de

Staten verlof, om de vaart van _Lippenhuizen_ verder oostwaarts dwars

door de hooge veenen te mogen graven en opleggen. Dit geschiedde, en na

verloop van ruim 50 jaren was de breede vaart reeds voorbij _Hemrik_ en

_Wijnjeterp_ gevorderd, het veen vergraven en als turf vervoerd, en de

ondergrond deels tot vruchtbaar land gemaakt. Zijn zoon DANIEL DE BLOCQ

LYCKLAMA À NIJEHOLT, van 1731 tot 1773 Grietman van _Oost-Stellingwerf_

en vervolgens tot 1781 van _Opsterland_, wilde deze onderneming

vervolgen, en gaf daartoe in 1778 den Staten te kennen, hoe gunstig de

aangevangen arbeid tot dusverre geslaagd was; dat de behoefte der

fabrijken vorderde, dat er meerdere veenen werden aangestoken, en dat de

uitgestrekte veenvelden van _Appelscha_ en _Fochteloo_ hem daartoe het

meest geschikt voorkwamen; weshalve hij octrooi verzocht, om de vaart te

verlengen en nu in zuidoostelijke rigting te graven over _Donkerbroek_,

_Oosterwolde_ en _Appelscha_ tot aan de grenzen van _Drenthe_, tot welke

hoogst nuttige onderneming hij, als voornaamste eigenaar, reeds

toestemming van de overige eigenaars en ingezetenen had verkregen. De

Staten, vreezende, dat deze provincie daardoor met het invloeijende

water uit _Drenthe_ zou bezwaard worden, wezen dit verzoek eerst af;

doch de zaak was van zoo groot gewigt en zoo uitgestrekt gevolg, dat zij

later een naauwkeurig onderzoek van het terrein bevolen, en eerst

daarna, den 2 Mei 1781, hunne toestemming verleenden, onder voorwaarden,

dat de vaart niet verder dan tot op 20 koningsroeden afstands van de

grensscheiding mogt worden gegraven, en dat er »een val of schuttelbank"

(duiker) in de Kuinder of Tjonger gelegd zou worden, waar de vaart dit

riviertje zoude snijden, volgens eene overeenkomst, met de grietenijen

_Schoterland_ en _West-Stellingwerf_ deswege te sluiten[273].

[273] Opgemaakt uit de Staats-resolutiën, benevens oorspronkelijke

stukken uit het Provinciaal Archief. Zie ook _Tegenw. Staat_, III 568;

VAN SMINIA, _Grietmannen_, 387, 388.

Werkelijk ving hij met de zijnen kort na het ontvangen van het octrooi

den arbeid aan, en werd de vaart met een scherpen hoek zuidoostwaarts

voortgezet over _Donkerbroek_ tot nabij de Tjonger, waaraan een kapitaal

van ongeveer 80,000 Gld. werd te koste gelegd. Dan nu deed er zich

omtrent de voortzetting een belangrijk bezwaar op. Kort vóór het

ontvangen van het octrooi had hij deswege eene overeenkomst aangegaan

met de provincie _Drenthe_, welke had op zich genomen, de vaart te

vervolgen van de Tjonger tot aan de grenzen of in de Wittewijk. Sedert

de groote Smildervaart in 1612 onder _Diever_ was aangevangen, had het

landschap daarvan in 1767 den eigendom bekomen; doch om de menigvuldige

bezwaren van _Overijssel_ ten aanzien der uitvaart van _Meppel_ naar

_Zwartsluis_ te ontgaan, trachtte _Drenthe_ nu langs deze vaart een

afvoer door _Friesland_ te bekomen. Dit mislukte ten gevolge der

bepaling van het octrooi, dat de vaart niet _door_ de grenslinie

gegraven mogt worden. Na lang uitstellen, begon _Drenthe_ omstreeks 1790

wel eene geul of vaart te graven van de Tjonger naar _Appelscha_, doch

ten gevolge der omwenteling bleef dit werk steken. Hoe ijverig ook de

erven LYCKLAMA bij de verschillende opvolgende besturen op de uitvoering

aandrongen, eerst in 1810 vernietigde Koning LODEWIJK hunne overeenkomst

met _Drenthe_, hen vrij latende, de onderneming op eigen kosten voort te

zetten. Niet voor 1813 konden de Compagnons daaraan gevolg geven. In

1816 en 1817 werd nu de vaart met rijdweg daarnevens voortgezet tot

onder _Oosterwolde_, en was zij in 1819 tot nevens _Appelscha_ genaderd,

waarna zij tot op 20 roeden van de grens is voltooid en later met

zijtakken uitgebreid. Tot bestrijding der kosten van deze kapitale vaart

met daartoe behoorende werken, waartoe wegens het bestendig rijzen van

den grond, acht verlaten, benevens een duiker in de Tjonger en

onderscheidene groote bruggen behooren, is van 1816 tot 1841 eene som

van 120,000 Gld. genegotieerd, terwijl men intusschen in 1827 begonnen

is met het verkoopen van het hoogveen[274]. Sedert zijn er door het

afsteken van het veen en het vervoer daarvan met duizenden turfschepen,

door ontginning van de ondergronden en door het bouwen van huizen en

schepen, tonnen schats in omloop gebragt, de welvaart der ingezetenen

bevorderd, de dorpen _Donkerbroek_, _Oosterwolde_ en _Appelscha_

uitgebreid en in bloei toegenomen, en de herschepping en ontwikkeling

voorbereid van een oord, dat eeuwen lang, als »een leedig capitaal en

dood corpus," veelal woest had gelegen, vóór dat de nijvere menschelijke

hand het ten dienste van duizenden de schatting afdwong tot

vermeerdering van de welvaart en het nationaal vermogen. Lof en eere

komt daarvoor aan de wakkere ondernemers toe, doch vooral aan den

eersten ontwerper, wiens naam men te regt in gedachtenis heeft willen

houden door het in 1848 nieuw gebouwde Compagnonshuis te _Appelscha_ te

noemen: _Augustinus-state_.

[274] Toen was er nog geene spade gestoken in het veen, en thans

werken er des zomers veelal meer dan _duizend_ personen in, en varen

er jaarlijks ongeveer 8 à 9,000 turfschepen door _Oldeboorn_ en

_Gorredijk_ derwaarts. Van _Gorredijk_ tot _Appelscha_ of het 8e

verlaat is het verschil van den waterstand bijna _elf_ Ned. ellen. Zóó

veel hooger ligt de zuidoosthoek dezer provincie dan het binnenland.

Veel wordt er thans in ons land gesproken over kanalisatie. Doch weinig

bekend is het, hoe krachtig _Friesland_ te dezen aanzien vele andere

provinciën is vóórgegaan, dewijl alléén de laatst vermelde drie groote

veenvaarten te zamen eene lengte van ruim _twintig_ uren gaans uitmaken,

welke, ten gevolge der ondernemingszucht van partikulieren, door

menschenhanden zijn uitgegraven en met zoo talrijke sluizen, bruggen,

wegen en andere werken voorzien. Eene vergelijking der kaarten van den

_Nieuwe Atlas van Friesland_ met die van SCHOTANUS, van 1664 en 1718,

levert overtuigende bewijzen op, hoe véél er in dit opzigt alleen in de

laatste 150 jaren in deze provincie is verrigt, en hoe zeer zij daardoor

in waarde, in geldelijk en voortbrengend vermogen, in bewoonbaarheid en

geschiktheid tot voortdurende ontwikkeling is toegenomen.

Doch ten aanzien van dit onderwerp is dit nog niet alles. De grietenij

_West-Stellingwerf_ onderging mede groote verandering. Nadat de Staten

vergunning hadden verleend tot het graven van drie vaarten: uit de

Tjonger naar _Wolvega_ (1645) en uit de Linde naar _Finkega_ en naar

_Noordwolde_ (1642), werd ook de groote uitgestrektheid heide en

hoogveen, tegen de zuid-zuidoostelijke grenzen, aangestoken, afgegraven,

met breede dwarsvaarten en wijken. doorsneden en ten behoeve van den

landbouw ontgonnen. Nog in 1782, toen TJEERD en MARCUS VAN HELOMA

eigenaren van deze veen-compagnie waren, ontvingen zij op nieuw octrooi,

om uit de Compagnons-Vierdepartendwarsvaart, dóór de grens, tot in het

Vleddersche veen te mogen opwijken.--Ook het zuidelijk gedeelte der

grietenij _Achtkarspelen_, waar de monniken van _Gerkesklooster_ reeds

vroeg turf groeven, welken zij langs de Oude Veenstervaart en door

_Munnekezijl_ uitvoerden, werden de ondergronden in den omtrek van

_Surhuisterveen_ omstreeks 1600 door een aantal Doopsgezinden meer

ontgonnen en bebouwd, en werd er in 1648 eene vaart gegraven van daar

naar het Kolonelsdiep, waaraan een dwarsvaart en ontelbare wijken werden

verbonden. Evenzoo ontstond het dorp _Rottevalle_ ten gevolge van

verveeningen, welke ook in de daarbij gelegene Folgera-veenen bestendig

werden voortgezet (1742). Met regt kon alzoo Jhr. VEGILIN in 1766

zeggen: »dat door dit alles werd te weege gebragt, dat de geheele

oostersche zoom van onze Provintie, die voor 150 jaar of daar omtrent

nog t' eenemaal onvrugtbaar en met hooge Veenen bezet was, een cierlyke,

vrugtbare, en wel bevolkte Landsdouw is geworden"[275].

[275] Jr. J. VEGILIN VAN CLAERBERGEN, _Vertoog over de Veengraveryen_,

Leeuw. 1766, 24, 29, 179; _Reg. Staats-res._ 320, 539, 540;

_Charterb._ V 503; _Teg. Staat_, III 593 env.; BLAUPOT TEN CATE,

_Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, 165.

_Vergraving van de lage Veenen._

Verleenden de Staten gaarne aanmoediging tot _af_graving van de _hooge_

veenen, omdat beide, het voortbrengsel en de ondergrond, strekten om het

nationaal vermogen te vermeerderen,--met meer zorg sloegen zij steeds de

_ver_graving van de _lage_ veenen of klynlanden gade, omdat het

voortbrengsel alléén en voor ééns voordeel gaf, doch een groot deel

lands in een waterplas verkeerde en aan den landbouw en de bewoning

onttrok. Reeds in 1600 en 1610 rezen er klagten over de nadeelen, welke

dit landverderven voor de naastlegers en 's lands kas te weeg bragt.

Evenwel enkel om de schade wegens verlies van grondbelasting te

verhoeden, werd toen deswege vastgesteld, dat niemand zulk eene

veengraverij mogt beginnen, vóór dat hij in het zelfde dorp een ander

stuk lands had aangewezen, waarop de floreen tot hoeding van de lands

schattingen en andere lasten, op de te vergraven landen liggende, wierd

overgebragt. Later moest er eene som van 100 Rijksdaalders en daarna van

500 Gld. voor elken floreen op obligatie in 's lands kas gestort worden,

tot verzekering van de floreenschatting der provincie. Na 1718 liet men

alleen op deze en soortgelijke voorwaarden de verdere vergraving toe,

welke, na onder _Oostermeer_ en _Boornbergum_ en in _Haskerland_ te zijn

begonnen, inzonderheid na 1680 in _Tietjerksteradeel_, _Ængwirden_,

_West-Stellingwerf_, _Opsterland_ en elders sterk was toegenomen[276].

[276] _Charterb._ V 171, VI 256; _Reg. Staats-res._ 382, 429, 448,

459, 530, 531, 535, 818, 823; _Teg. Staat_, III 525, IV 573.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 26 / 41 段