Den 26 Februarij 1709 in het huwelijk getreden, weerhield zijn echt hem

geen oogenblik in het volbrengen van zijne pligten als krijgsman. Reeds

in Mei snelde hij naar het leger, en verliet het niet, voor hij nog in

het laatst van October met Prins EUGENIUS _Bergen in Henegouwen_ had

ingenomen. In 1710 was hij weder tijdig in het veld, en mogt hij _Douai_

en _St. Venant_, na hevige belegeringen, helpen veroveren. Ook in 1711

ging hij weder naar het leger, doch nu voor de laatste maal. In Julij

naar _'s Gravenhage_ geroepen tot vereffening van de geschillen met den

Koning van _Pruissen_ over de erfenis van Koning WILLEM, werd hij door

een droevig ongeluk aan het vaderland ontrukt. De held, wien de

kogelregen en het moorddadigste vuur bij _Malplaquet_ hadden

gespaard--vond den dood in de golven, door het omslaan van de veerschouw

op het Hollandsche diep bij den _Moerdijk_. Het geheele land betreurde

dit verlies als eene zware ramp, en huldigde zijne deugden en

verdiensten door uitbundige lofspraken. »Men had hem nooit genoeg geacht

bij zijn leven, en kon hem niet genoeg beschreijen bij zijn dood. Bij de

sierlijke gestalte eens jeugdigen ridders van ongemeene geestbeschaving

voegde hij eene minzaamheid, bescheidenheid, kloekzinnigheid en

goedaardigheid, ook te midden des oorlogs, en, bij den moed van een

ACHILLES, liefde tot den vrede, welke den oorlog slechts als een

noodzakelijk kwaad beschouwde;--eigenschappen, die aan JAN WILLEM FRISO

de bewondering van alle tijden en de liefde van al zijne landgenooten

hebben waardig gemaakt! Het leger, dat zulk een dierbaar hoofd moest

missen, was niet te troosten: grijze krijgslieden smolten in tranen.

Geen wonder dat zij treurden: want zij hadden hem leeren kennen in

veldslagen en bij belegeringen, en hij had zich nu reeds die liefde en

dat vertrouwen verworven, waardoor zijne voorouders steeds de ziel van

de Nederlandsche legermagt waren geweest. Dat leger miste van nu af den

invloed van die tooverkracht, waarmede de naam van _Oranje_ het altijd

wist te bezielen"[257].

[257] LAMIGUE, _Leven_, II 237, 266; VAN EFFEN, _de Misanthrope_, II

21; VAN KAMPEN, _Karakterk._ II 534; BOSSCHA, _Heldendaden_, II

403-519; _Levensbeschrijv. van Nederlandsche Mannen_, VI 154, 284,

VIII 260; FERWERDA, _Wapenboek_, II. Acht dagen na 's Prinsen dood

(den 14 Julij voorgevallen) werd zijn lijk gevonden, te _Dordrecht_

gebalsemd en naar _Leeuwarden_ vervoerd, waar het eerst den 25

Februarij 1712 werd bijgezet in den Stadhouderlijken Grafkelder met

eene prachtige lijkstatie, voor wier kosten de Staten 16,000 Gld.

toestonden.

Maar, welke was de smart der jeugdige gemalin van den Prins, met wie hij

nog zoo kort verbonden was! Zij was de droefheid zelve, doch tevens een

toonbeeld van de geestkracht, welke de Christelijke godsdienst onder

lijden schenkt, als zij niet enkel het verstand, maar heel het gemoed

vervult. Betaamt het vooral Vorsten, zich door grootmoedige daden en

edele gezindheden boven de gewone menschen te verheffen--zij betoonde

zich een echtgenoot waardig, over wien het gansche vaderland met haar

treurde; zij heiligde dien rouw door haar geloof, en ontving daardoor

kracht om hare pligten te vervullen, ook als Moeder. Den 1 September

1711, en alzoo zes weken na den dood zijns vaders, werd WILLEM CAREL

HENDRIK FRISO te _Leeuwarden_ geboren. De Staten van _Friesland_ die zoo

veel innige deelneming betoond hadden in den rouw der Prinses, »met

aanbieding van alle hulp en bijstand, met raad en daad," deelden nu

evenzeer in den zegen, welke haar ten deel viel. Zij namen het

Gevaderschap over den jongen Prins op zich, verklaarden het

Erfstadhouderschap, gelijk ook de twee regimenten zijns vaders, op hem

vervallen, en gaven meerdere blijken van toegenegenheid en teekenen van

vreugde. Deze vonden weerklank in het gansche vaderland, dat nu weder

eene mannelijke spruit bezat uit de huizen van _Oranje_ en _Nassau_,

waaraan het nu reeds bijna anderhalve eeuw door banden van wederkeerige

liefde en belang was verknocht geweest.

* * * * *

Gelukkig spoedde de oorlog, nu weder zoo lang en zoo hevig gevoerd, bij

's Prinsen dood ten einde. De trotsche LODEWIJK XIV, die jaar op jaar

zoo vele verliezen geleden had, en in en buiten zijn land door vijanden

bedreigd werd, haakte naar den vrede, die, na lange onderhandelingen,

den 11 April 1713 te _Utrecht_ werd gesloten. Die vrede, welke het

vaderland eindelijk verademing en rust scheen te beloven, verwekte

algemeene vreugde, die men ook in _Friesland_ aan den dag legde door het

afsteken van een prachtig vuurwerk op de marktplaats te _Leeuwarden_.

Uit deze provincie was daartoe als gevolmagtigde afgevaardigd de

voortreffelijke staatsman SICCO VAN GOSLINGA, die tevens in den

Successie-oorlog, van 1706 tot 1711, als Gedeputeerde te velde, door

zijne uitstekende bekwaamheden het vaderland met raad en daad van dienst

was geweest[258]. In dien oorlog hadden meerdere aanzienlijke Friezen

uitgeblonken, waarvan met lof genoemd worden de Generaal-Majoors

FREDERIK VEGILIN VAN CLAERBERGEN, JOACHIM VAN AMMAMA en FREDERIK VAN

GROVESTINS. De laatste verwierf nog in 1712 grooten roem, door »met

ongehoorde stoutheid" in _Frankrijk_ een inval te doen, welke LODEWIJK,

dien hij tot nakoming van zijne verbindtenissen wilde dwingen, op zijnen

troon deed sidderen. Met een vliegend legertje van 1800 dragonders en

huzaren, mede onder bevel van den Brigadier VAN GLINSTRA, trok hij door

_Champagne_ en de Bisdommen _Metz_, _Toul_ en _Verdun_, legde in 48

dagen 800 Ned. mijlen in vijands land af, deed gansch _Lotharingen_

beven, en boezemde ontzag in voor de Nederlandsche wapenen, die geen

ander doel hadden, dan om door oorlog regt en vrede te verwerven[259].

[258] Belangrijke berigten over hem zijn medegedeeld door den Heer J.

VAN LEEUWEN in _de vrije Fries_, 1844, III 277. Ook BOSSCHA, II 469

env. en anderen vermelden hem, wiens graftombe nog de kerk van het

dorp _Dongjum_ versiert, met hoogen lof.

[259] Zie over de genoemde personen: VAN LEEUWEN, in _de vrije Fries_,

V 245; BOSSCHA, II 325, 370, 458, 473, 536, 543; WAGENAAR, _Vaderl.

Historie_, XVII 426, 466; VAN HAREN, _de Geuzen_, 10e Zang en Aant.;

_Frisia Nobilis_, 114, 331, 335; _Stamboek_, I 144, II 84; VAN SMINIA,

_Grietmannen_, 53.

Die vrede werd verworven, doch ten koste van stroomen bloeds en

millioenen schats. Gelukkig, dat de duurzame voorspoed des lands, door

scheepvaart, handel en landbouw bevorderd, die offers kon brengen; dat

een bestendige vrede daarmede niet te duur was gekocht in vergelijking

van den smaad en de verliezen, welke op de zegepraal van en onderwerping

aan den Franschen despoot zouden gevolgd zijn; en bovenal, dat de

geestkracht en waardigheid der natie te midden dier dreigende gevaren

zich zoo grootsch ontwikkelde en zich zoo fier daar boven verhief, dat

zij niet enkel haren overmagtigen tegenstander, maar gansch _Europa_

helden kon toonen, die den krijgsroem van _Nederland_ met nieuwen

luister deden schitteren.--Dat _Friesland_ in de rij der Nederlandsche

gewesten in staat was, zijn aandeel daartoe bij te brengen op eene

wijze, zijnen alouden roem waardig--dit vermeldden wij voor de eer onzer

provincie met genoegen, gelijk het volbrengen van elken pligt jegens het

vaderland de streelendste gewaarwordingen verschaft.

De belangrijkheid der geschiedenis van dit gedeelte van ons tijdvak en

de rijkdom der, vroeger nog niet bewerkte, bronnen mogen mij

verontschuldigen, dat ik dit uitvoeriger dan vorige gedeelten heb

behandeld, hoezeer daarbij nog te veel achterwege is gelaten, dan dat

het op volledigheid aanspraak zou kunnen maken.

38. _Aanwas en Verbeteringen in den Toestand van Frieslands bodem.

Waterstaat, Openbare Werken, Nijverheid enz. 1580-1795._

De waarde der dingen rijst of daalt voorzeker naargelang van het

oogpunt, waaruit wij ze beschouwen of met andere vergelijken. De

inwoners van een land zijn zelve niet altijd de beste beoordeelaars van

zijne waarde, vooral met betrekking tot andere landstreken of tot een

vroegeren toestand. De blik, welke bekwame vreemdelingen daarin werpen,

bekoort ons soms door nieuwheid en belangrijkheid van inzigten, welke de

waarde van dit land in onze eigene schatting verhoogen en die de banden

versterken, met welke wij ons aan onzen bodem en ons volk gehecht

gevoelen.

Zoo trok voor eenige jaren een bejaard Duitsch geleerde door ons

vaderland, nog vol van jeugdigen lust en kracht, om het edele, groote en

schoone, waar hij het vond, te erkennen en te bewonderen, die daarvan

een gunstig getuigenis gaf[260]. Aan bergachtige natuurtooneelen gewoon,

trof hem hier, »in deze klassieke vlakte, die afwisseling en

tegenstelling van land en water, van oude en nieuwere steden, de

middelpunten van het verkeer des nijveren volks, van fraaije land- en

waterwegen, van weelderige weiden, heerlijke velden en tuinen, prachtige

wouden en liefelijke boschjes, waaronder zich de woeste zandgronden

schier verliezen, en vooral die grootsche duinen en daarachter in de

verte de graauwe zee, die ontzettende!"

[260] Ik bedoel den Göttinger Hoogleeraar F. LÜCKE, die met Prof.

ULLMANN in 1847 _Nederland_ bezocht en zijne opmerkingen later

mededeelde. In _de Tijdspiegel_ en vóór de vertaling van LÜCKE'S

_Vredeleus_, Leeuw. 1850, zijn daarvan overzettingen gegeven.

»Ook dit land", dacht hij, »heeft God geschapen en tot eene goede

woonplaats zijner menschen-kinderen ingerigt, als zij Zijne heilige

bedoelingen in de natuur regt verstaan en volgen. Juist dit, dat in dit

land overal de regelende, bouwende, scheppende, worstelende menschelijke

geest zich vertoont; dat men bij elke schrede de zedelijke degelijkheid,

nijverheid, koenheid en netheid van het volk kan opmerken, daar het met

edelen trots het land op de wrokkende zee verovert en er zich tegen

verdedigt; woeste en vruchtbare gronden evenzeer weet te bebouwen, en

water met land, vlakte met heuvels met kunstenaarshand, vaak op

verrassende wijze, tot de liefelijkste landschappen, als tot lusthoven,

verbindt,--juist dit had voor hem eene groote aantrekkelijkheid. De

natuur zonder kunst en menschenwerk heeft haar schoon; maar volle

bevrediging vindt de geest toch eerst dán, wanneer Natuur en

Geschiedenis elkander doordringen. Ja, 't is een soort van godsdienstig

genot, een land te zien, van de zedelijke kracht des volks zoo geheel

doortrokken en bezield als dit, waarin het gebod des Scheppers, dat de

mensch zich de geheele natuur moet onderwerpen, met zoo veel ernst en

gelukkig gevolg volbragt wordt."

Elk beschaafd volk heeft zijn historischen grondslag, waarvan het zich

nooit kan losrukken. Hem kwam het voor, dat ons volk meer dan andere de

bezielende herinnering van zijne groote gebeurtenissen bewaard-en zijn

historischen grond, even als zijn land tegen de zee, bewaakt en

verdedigd heeft. »Bewaart dien edelen historischen zin!" roept hij onzen

landgenooten ten slotte toe, en wie gevoelt niet, dat in de kennis der

geschiedenis, ook van den oorsprong en de verbetering van den

vaderlandschen bodem, eene kracht ligt, om onze vaderlandsliefde te

bevestigen en den moed te verhoogen, ten einde bij voortduring aan

deszelfs volmaking met ijver mede te werken.

Is zijne beschouwing op ons vaderland in het algemeen van

toepassing,--zij is dit in het bijzonder op _Friesland_, waar de natuur

zoo weinig, de hand des nijveren volks zoo veel ter bescherming en

verbetering van den bodem heeft verrigt, ook zonder den steun van

buitenlandsche hulpbronnen, waaraan _Holland_ vooral zijn aanzien en

grootheid verschuldigd is. Daarom rekenen wij op de belangstelling onzer

lezers inzonderheid, bij de beschouwing van de ~voornaamste~ oorzaken en

middelen, waardoor in dit tijdvak de aanwas en de verbetering van den

Frieschen bodem is bevorderd.

_Aanwas. Bedijkingen._

Verlies van grond had _Friesland_ niet meer te betreuren sedert de

groote veranderingen, welke in de 13e en 14e eeuw de Zuiderzee deden

ontstaan. (Zie bl. 56-64 hier vóór.) Integendeel, er was op verscheidene

plaatsen langs de kust gelegenheid tot landwinning, welke zelfs meer

algemeen zou geweest zijn, indien onze zeedijken, bij grootere breedte

en vlakte, de bescherming hadden kunnen ontberen van de paalwerken,

welker regtstandige afwering van de golven nu ten gevolge had, dat de

aanslag van grond op vele plaatsen verhinderd en het strand uitgekolkt

werd.

De zelfde oorzaken, welke de verlanding van de Middelzee bevorderd

hadden, bleven, ook nadat _het Bildt_ van 1505-1508 door een zwaren

zeedijk was afgesloten, voortgaan, den hoek tusschen _Dijkshoek_

en _Wierum_, welke bij weste- en zuidweste-winden in de luwte ligt,

te vullen. Telkens, wanneer die aanslibbing eene belangrijke

uitgestrektheid had verkregen, werd zij bedijkt. De eerste inpoldering

daarvan geschiedde in 1580 en 1590 door het bedijken van den _Holwerder

Wester- en Oosterpolder_ en den _Ternaarder-polder_, gezamenlijk ook

_Nieuw-Dongeradeel_ genaamd. Hierop volgde in 1600 het bedijken van het

_Nieuwe Bildt_, niet minder dan 1756 morgen bedragende met bovendien 260

pondematen _Nieuw Munneke-Bildt_ onder _Ferwerderadeel_. De daarbij

aangelegde _Nieuwe Bildtzijl_ werd echter reeds in 1655 gedamd, ten

gevolge der voortdurende aanslijking, welke het mogelijk maakte, om in

1715 de _Westelijke Bildt-pollen_, groot 444 morgen, en in 1754 de

_Oostelijke Bildt-pollen_, groot 126 morgen, benevens het gansche

_Noorderleeg_, door den tegenwoordigen zeedijk binnen te brengen. Sedert

deze laatste bedijking bleef de gelegenheid tot landwinning benoorden

_het Bildt_ en _Ferwerderadeel_ zóó gunstig, dat er tot heden, van _St.

Jacobi-Parochie_ tot voorbij _Blija_, weder eenige honderden bunders

vruchtbaar land op de kust zijn aangeslibd, welke de namen dragen van de

_Bildt-pollen-Aanwas_, het _Noorderleegs-Buitenveld_, de _Keegen_ en de

_Bokke- en Boere-pollen_[261].

[261] Zie meer uitvoerige berigten deswege in de _Nasporingen

betrekkelijk de Middelzee_, 83, 97; _Charterboek_, III 1045; V 487,

489, 541, 1201; VI 163.

Ook op den noordoosthoek dezer provincie werd in 1592 eene groote

uitgestrektheid lands aangewonnen, doordien de _Anjumer-_ en

_Lioessenser-polder_ bedijkt en vereenigd werd met het vroegere eilandje

_de Band_. Doch _Oost-Dongeradeel_, ten opzigte der aanslijking zoo

gunstig gelegen, verkreeg later een aanwas van nog grooter belang en

meer gewigtig gevolg voor gansch _Oostergoo_. Bezuiden deze grietenij

stroomde het Dokkumerdiep als een breede tak van de Lauwerszee tot aan

de stad _Dokkum_, waar het zeewater eerst gekeerd werd door eene sluis,

in 1583 aldaar van _Oudzijl_, bewesten die stad, overgebragt. Tusschen

de dijken van dezen tak verzamelden de slibstoffen zich van lieverlede

dermate, dat het vernaauwde diep den zeehandel van _Dokkum_ niet enkel

belemmerde, maar bij hooge vloeden met sterker geweld op de dijken

aandrong. In 1665 en vooral in 1717 bragt dit groote schade te weeg.

Daarom nam men toen op nieuw in overweging het reeds in 1584 door de

naastgelegene grietenijen geopperde denkbeeld (_Chb._ IV 456, V 445),

om het gansche diep op de grenzen der provincie af te sluiten, door

bij _Engwierum_ in den wijden mond tusschen _Kollumerland_ en

_Oost-Dongeradeel_ een dijk met eene zeesluis te leggen. Het voorstel

daartoe vond bij de Staten dien bijval, dat eerlang tot de uitvoering

werd besloten. Dit werk, onder het bestuur van den bekwamen WILLEM LORÉ

in 1725 op eene grootsche schaal ondernomen, werd in 1729 voltooid en

had, terwijl de kosten bijna 3 tonnen gouds bedroegen, zeer belangrijke

gevolgen. Want door dezen nieuwen _Statendijk_ van een half uur gaans

lengte werden de naastgelegene grietenijen ontheven van het onderhoud

van 6,000 roeden zeedijks ter wederzijden langs het diep tot _Dokkum_;

de nieuwe zeesluis verving alsnu de Dokkumer, Driezumer, Oudwouder- en

Kollumerzijlen, die vroeger in genoemd diep uitstroomden; de aangeslibde

en binnengebragte gronden, die 661 bunders bedroegen, werden nu in

vruchtbare bouwlanden herschapen, en het kolossale sluisgebouw met drie

kokers (een meesterstuk van waterbouwkunde) was eene hoofdwaterlossing

van _Oostergoo-_ en, na het uitgraven van het diep, ook voor de

scheepvaart van _Dokkum_, eene zaak van groot gewigt geworden; terwijl

een weg langs den breeden dijk (een model van waterkeering) en brug over

de sluis eene verbinding daarstelden tusschen twee, vroeger ver van

elkander gescheidene, grietenijen[262]. Buiten de sluis, sedert de

_Dokkumer Nieuwe Zijlen_ genaamd, bleef de aanslibbing nog voortduren,

en werd in 1752 aan de noordzijde het _Engwierumer-Nieuwland_ met een

zeedijk omsloten. Evenzoo bleef de landwinning voortduren aan de

zuidzijde van de buitenkil ter vergrooting van _Kollumerland_, hetwelk

reeds in 1529 door bedijking was verrijkt geworden met de uitgestrekte

waardgronden van _Nieuw-Kruisland_, ten oosten waarvan in 1689 reeds

weder een aanwas met een kadijk was omgeven, welke zich tot de

Buiten-Lauwers of de grenzen van _Groningen_ uitstrekte.

[262] De gansche geschiedenis van dit groote werk heb ik, bij

gelegenheid der droogmaking van de sluis in 1834, uit de

_Staats-resolutiën_ opgemaakt en met Prof. DE CRANE uitgegeven in het

werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, Fran. 1835, bl. 39.

Aan de westkust dezer provincie was minder gelegenheid tot landwinning,

dewijl deze al te zeer bloot stond aan den geweldigen en nimmer

rustenden golfslag der Zuiderzee. Behalve eene uitgestrektheid lands

nevens _Dijkshoek_[263], kunnen wij daar enkel gewagen van het

_Workumer-Nieuwland_, vroeger een inham tusschen de steden _Workum_ en

_Hindeloopen_. Reeds had Koning FILIPS II in 1557 WILLEM JANSZ.,

Burgemeester van _Enkhuizen_, toegestaan, om dezen »Inbochte van den

Strande, het Worckumer-Hop genaempt, omtrent den sluyse, genoempt

Kolderzijl, groot 300 mergen," te bedijken, toen de Staten van

_Friesland_ in 1605 en bij herhaling in 1610 daartoe octrooi verleenden

aan _Workum_, dat de vergunning aan WILLEM JANSZ. bij overdragt had

bekomen. Werkelijk scheen deze stad in 1621 eindelijk tot de bedijking

te zullen overgaan; doch, daar de kosten van uitvoering hare krachten

welligt te boven gingen, verbond zij zich met zes aanzienlijke Friesche

edelen, die daartoe met haar eene overeenkomst sloten. Kort daarna werd

het werk ondernomen en de nieuwe zeedijk in 1624 voltooid, waarbij de

buitenhaven van _Workum_, het Zool genoemd, eene aanmerkelijke

verlenging bekwam. Bij de aanzienlijke kosten, die hiertoe vereischt

werden, had men toen en later met groote tegenspoeden te kampen, dewijl

deze polder, van 1200 pondematen oppervlakte, sedert, ten gevolge van

doorbraken in den dijk, drie malen is overstroomd geweest. Bij de

dijkbreuk van 1776 werden er zelfs twee tonnen gouds gevorderd, om de

geledene schade aan de zeewering, waarin op twee plaatsen gaten waren

geslagen, te herstellen[264].

[263] Ten gevolge van aanslibbing werd de _Lunde-_ (of _Lidlumer_)

_zijl_ bij _Koehool_, N. W. van _Tjumarum_, verstopt, en onder

overeenkomst tusschen Gedeputeerden en de Regering van _Harlingen_,

van 1584, naar deze stad overgebragt (_Charterb._ IV 504). Hierdoor

ontstond het Lands-zijltje aan de Zoutsloot, thans nog een niet

onbelangrijk middel tot uitstrooming in die stad.

[264] Zie de hiertoe betrekkelijke stukken in het _Charterb._ V 112,

172, 262, 263, 264, 268, 435, 585, 1204; _Reg. Staats-res._ 538, 859;

SCHOTANUS, _Beschrijv._ 266; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 258; _Teg.

Staat_, III 396; VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. 52. Het octrooi van

1557 en daarop gevolgde stukken vindt men in het Prov. Archief, _Lands

Dijkagieboek_, kopij 131-150. Het gezegde van WINSEMIUS, aan het slot

zijner _Chronique_, dat Keizer KAREL reeds vroeger octrooi zou hebben

gegeven, schijnt ongegrond.

Aan de zuidkust werd in 1633 een inham, nabij _Mirns_, bedijkt, welke

den naam van de _Wielpolder_ verkreeg (_Chb._ V 1205). Verder oostwaarts

werden daar ter beveiliging des lands buitengewone maatregelen genomen.

Ten gevolge van den slechten toestand der dijken van _de Kuinder_ en den

watervloed van 1701, die in de zuidelijke grietenijen groote schade

veroorzaakte, trachtte men in 1702 deze meer te beveiligen door het

leggen van een geheel nieuwen zeedijk. Wegens de onvolkomenheid der

aansluiting met den zeedijk van _Overijssel_, werd deze dijk niet langs

de kust, maar op eenigen afstand daarvan binnenwaarts gelegd, en wel van

de zoogenaamde _Boedsteden_ tot _Slijkenburg_, en alzoo langs de plaats,

waar eertijds de _Schoterzijl_ lag, welke reeds jaren te voren meer

benedenwaarts naar _Slijkenburg_ aan de Linde was verlegd geworden. Bij

deze gelegenheid werd er door de provincie in den nieuwen dijk en de

Tjonger eene sluis gelegd, welke thans nog den naam draagt van de

_Schoterzijl_, gelijk de nieuwe zeewering dien van de _Statendijk_. Door

dit belangrijk werk zagen de lage zuidelijke kwartieren hunne veiligheid

zeer bevorderd; terwijl _Friesland_ daardoor onafhankelijk werd van

Overijssels waterkeeringen. De landen ten zuiden van den nieuwen dijk en

ten westen van de Worst-sloot of de grensscheiding werden nu enkel door

een kadijk afgesloten[265].

[265] _Charterb._ VI 250-423; _Reg. Staats-res._ 187, 390, 733; FOEKE

SJOERDS, _Beschrijv._ I 265; _Teg. Staat_, III 542, IV 328.

Nieuwe stormen en watervloeden in 1702 en 1703, die vooral de dijken van

_Zevenwouden_ hevig teisterden, vorderden krachtige voorziening en deden

de Staten zelfs bedacht zijn, om alle provinciale zeedijken te doen

verhoogen en te verzwaren. Groote beletselen deden zich daartegen op.

Eerst nadat in 1715 en 1717 dit gewest op nieuw door dijkbreuken en

overstroomingen veel te lijden had, werden er krachtiger maatregelen tot

verzwaring van het paal- en aardewerk en tot een beter onderhoud van de

zeeweringen genomen. (Zie daarover bl. 238 hier vóór.)

Eerlang echter bedreigde eene nieuwe ramp het vaderland met een gevaar,

waarbij alle menschelijke kracht en schranderheid schenen te kort te

schieten, doch waartegen 's lands Staten maatregelen van voorzorg in het

werk stelden, welke even gewigtig als hoogst kostbaar waren. Een kleine

worm, van een teêr en slijmachtig zamenstel, doch met een harden kop

gewapend, doorboorde in 1731 en volgende jaren de zeepalen, welke den

voet onzer dijken beschermen, dermate, dat men daarvan de grootste

gevaren duchtte. De gansche westkust van _Friesland_, van _Dijkshoek_

tot _Stavoren_, werd daardoor deerlijk geteisterd. Een harde wind in

Julij 1732 sleepte bij duizenden doorknaagde palen weg; ook de deuren

van sommige sluizen werden er door verteerd. De algemeene bekommering

was zóó groot, dat er zelfs een Bededag werd gehouden, om de verlossing

van dit kwaad van den Hemel af te smeeken.

Aangezien alle herstelling van het paalwerk vruchteloos scheen, dewijl

ook het nieuwe hout spoedig werd aangetast, trachtte men den dijksvoet

te beschermen door zware keisteenen, welke uit _Noorwegen_ aangevoerd-

en voor de paalwerken geworpen werden. Het landsbestuur kon echter den

uitslag niet afwachten van dit nieuwe beveiligingsmiddel, dat eerst

hevig bestreden-, doch later van groote dienst bevonden werd. Men achtte

het noodzakelijk, om intusschen mede door het opwerpen van

_Slaperdijken_ binnen de zeedijken de provincie op de gevaarlijkste

punten door afsluiting te beveiligen. Op drie plaatsen werden zulke

binnenleggers opgeworpen. Onder het beleid van gemelden Mathematicus

LORÉ werd in 1732 de eerste dijk gelegd: van den binnendijk van het

_Workumer-Nieuwland_ tot aan den heuvel, waarop _Koudum_ is gelegen,

en van daar over _Galama-dammen_ tot aan den hoogen grond van

_Hemelumer-Nijeburen_. Wegens den stijgenden nood riep men tot dit werk

de hulp in van het Friesche krijgsvolk. Gesterkt door deze troepen,

welke met het overige werkvolk een leger van ruim 2,000 man uitmaakten,

werden in weinig meer dan drie maanden tijds eene binnenlandsche

waterkeering, sedert de _Koudumer-Slaperdijk_ genoemd, van 180 voeten

breedte en 1500 roeden lengte, midden door lage landen en diepe vaarten

opgeworpen, en bovendien drie sluiswerken daarin tot stand gebragt,

waarvan de kosten met die der aangekochte, deels vergravene, landen op

ruim 125,000 Gld. te staan kwamen. Ten behoeve der waterlossing is

later (1775) in het noordelijk gedeelte van dezen dijk, aan het

_Workumer-Nieuwland_, nog eene sluis gebouwd.

In het volgende jaar, 1733, werd de tweede Slaperdijk gelegd langs het

dorp _Surig_, bezuiden _Harlingen_, met het doel, om het gevaar, waarin

de vooruitspringende landhoek, het _Suriger-oord_, verkeerde, en de

gevolgen, welke eene doorbraak van deszelfs dijken kon te weeg brengen,

voor het overig gedeelte der provincie schadeloos te maken. Ook deze

dijk van eene onverbreekbare sterkte, daar hij bij 300 roede lengte, 278

voet breedte en 13 voet hoogte heeft, zoodat de kosten van aanleg 70,000

Gld. bedroegen, werd naar het plan en onder opzigt van LORÉ aangelegd,

die daarin weder een voorbeeld gaf van de volkomenste wijze van

landverdediging tegen de zee; een voorbeeld, naar hetwelk wij zouden

wenschen, dat eenmaal al onze overige zeedijken mogten kunnen worden

hervormd[266].

[266] Meer uitvoerig heb ik de geschiedenis van het tot stand brengen

der beide laatstgemelde werken beschreven in het reeds genoemde

werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, bl. 59 env. waar

achter ook de gronden voor den laatst geuiten wensch zijn medegedeeld.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 25 / 41 段