geen oogenblik in het volbrengen van zijne pligten als krijgsman. Reeds
in Mei snelde hij naar het leger, en verliet het niet, voor hij nog in
het laatst van October met Prins EUGENIUS _Bergen in Henegouwen_ had
ingenomen. In 1710 was hij weder tijdig in het veld, en mogt hij _Douai_
en _St. Venant_, na hevige belegeringen, helpen veroveren. Ook in 1711
ging hij weder naar het leger, doch nu voor de laatste maal. In Julij
naar _'s Gravenhage_ geroepen tot vereffening van de geschillen met den
Koning van _Pruissen_ over de erfenis van Koning WILLEM, werd hij door
een droevig ongeluk aan het vaderland ontrukt. De held, wien de
kogelregen en het moorddadigste vuur bij _Malplaquet_ hadden
gespaard--vond den dood in de golven, door het omslaan van de veerschouw
op het Hollandsche diep bij den _Moerdijk_. Het geheele land betreurde
dit verlies als eene zware ramp, en huldigde zijne deugden en
verdiensten door uitbundige lofspraken. »Men had hem nooit genoeg geacht
bij zijn leven, en kon hem niet genoeg beschreijen bij zijn dood. Bij de
sierlijke gestalte eens jeugdigen ridders van ongemeene geestbeschaving
voegde hij eene minzaamheid, bescheidenheid, kloekzinnigheid en
goedaardigheid, ook te midden des oorlogs, en, bij den moed van een
ACHILLES, liefde tot den vrede, welke den oorlog slechts als een
noodzakelijk kwaad beschouwde;--eigenschappen, die aan JAN WILLEM FRISO
de bewondering van alle tijden en de liefde van al zijne landgenooten
hebben waardig gemaakt! Het leger, dat zulk een dierbaar hoofd moest
missen, was niet te troosten: grijze krijgslieden smolten in tranen.
Geen wonder dat zij treurden: want zij hadden hem leeren kennen in
veldslagen en bij belegeringen, en hij had zich nu reeds die liefde en
dat vertrouwen verworven, waardoor zijne voorouders steeds de ziel van
de Nederlandsche legermagt waren geweest. Dat leger miste van nu af den
invloed van die tooverkracht, waarmede de naam van _Oranje_ het altijd
wist te bezielen"[257].
[257] LAMIGUE, _Leven_, II 237, 266; VAN EFFEN, _de Misanthrope_, II
21; VAN KAMPEN, _Karakterk._ II 534; BOSSCHA, _Heldendaden_, II
403-519; _Levensbeschrijv. van Nederlandsche Mannen_, VI 154, 284,
VIII 260; FERWERDA, _Wapenboek_, II. Acht dagen na 's Prinsen dood
(den 14 Julij voorgevallen) werd zijn lijk gevonden, te _Dordrecht_
gebalsemd en naar _Leeuwarden_ vervoerd, waar het eerst den 25
Februarij 1712 werd bijgezet in den Stadhouderlijken Grafkelder met
eene prachtige lijkstatie, voor wier kosten de Staten 16,000 Gld.
toestonden.
Maar, welke was de smart der jeugdige gemalin van den Prins, met wie hij
nog zoo kort verbonden was! Zij was de droefheid zelve, doch tevens een
toonbeeld van de geestkracht, welke de Christelijke godsdienst onder
lijden schenkt, als zij niet enkel het verstand, maar heel het gemoed
vervult. Betaamt het vooral Vorsten, zich door grootmoedige daden en
edele gezindheden boven de gewone menschen te verheffen--zij betoonde
zich een echtgenoot waardig, over wien het gansche vaderland met haar
treurde; zij heiligde dien rouw door haar geloof, en ontving daardoor
kracht om hare pligten te vervullen, ook als Moeder. Den 1 September
1711, en alzoo zes weken na den dood zijns vaders, werd WILLEM CAREL
HENDRIK FRISO te _Leeuwarden_ geboren. De Staten van _Friesland_ die zoo
veel innige deelneming betoond hadden in den rouw der Prinses, »met
aanbieding van alle hulp en bijstand, met raad en daad," deelden nu
evenzeer in den zegen, welke haar ten deel viel. Zij namen het
Gevaderschap over den jongen Prins op zich, verklaarden het
Erfstadhouderschap, gelijk ook de twee regimenten zijns vaders, op hem
vervallen, en gaven meerdere blijken van toegenegenheid en teekenen van
vreugde. Deze vonden weerklank in het gansche vaderland, dat nu weder
eene mannelijke spruit bezat uit de huizen van _Oranje_ en _Nassau_,
waaraan het nu reeds bijna anderhalve eeuw door banden van wederkeerige
liefde en belang was verknocht geweest.
* * * * *
Gelukkig spoedde de oorlog, nu weder zoo lang en zoo hevig gevoerd, bij
's Prinsen dood ten einde. De trotsche LODEWIJK XIV, die jaar op jaar
zoo vele verliezen geleden had, en in en buiten zijn land door vijanden
bedreigd werd, haakte naar den vrede, die, na lange onderhandelingen,
den 11 April 1713 te _Utrecht_ werd gesloten. Die vrede, welke het
vaderland eindelijk verademing en rust scheen te beloven, verwekte
algemeene vreugde, die men ook in _Friesland_ aan den dag legde door het
afsteken van een prachtig vuurwerk op de marktplaats te _Leeuwarden_.
Uit deze provincie was daartoe als gevolmagtigde afgevaardigd de
voortreffelijke staatsman SICCO VAN GOSLINGA, die tevens in den
Successie-oorlog, van 1706 tot 1711, als Gedeputeerde te velde, door
zijne uitstekende bekwaamheden het vaderland met raad en daad van dienst
was geweest[258]. In dien oorlog hadden meerdere aanzienlijke Friezen
uitgeblonken, waarvan met lof genoemd worden de Generaal-Majoors
FREDERIK VEGILIN VAN CLAERBERGEN, JOACHIM VAN AMMAMA en FREDERIK VAN
GROVESTINS. De laatste verwierf nog in 1712 grooten roem, door »met
ongehoorde stoutheid" in _Frankrijk_ een inval te doen, welke LODEWIJK,
dien hij tot nakoming van zijne verbindtenissen wilde dwingen, op zijnen
troon deed sidderen. Met een vliegend legertje van 1800 dragonders en
huzaren, mede onder bevel van den Brigadier VAN GLINSTRA, trok hij door
_Champagne_ en de Bisdommen _Metz_, _Toul_ en _Verdun_, legde in 48
dagen 800 Ned. mijlen in vijands land af, deed gansch _Lotharingen_
beven, en boezemde ontzag in voor de Nederlandsche wapenen, die geen
ander doel hadden, dan om door oorlog regt en vrede te verwerven[259].
[258] Belangrijke berigten over hem zijn medegedeeld door den Heer J.
VAN LEEUWEN in _de vrije Fries_, 1844, III 277. Ook BOSSCHA, II 469
env. en anderen vermelden hem, wiens graftombe nog de kerk van het
dorp _Dongjum_ versiert, met hoogen lof.
[259] Zie over de genoemde personen: VAN LEEUWEN, in _de vrije Fries_,
V 245; BOSSCHA, II 325, 370, 458, 473, 536, 543; WAGENAAR, _Vaderl.
Historie_, XVII 426, 466; VAN HAREN, _de Geuzen_, 10e Zang en Aant.;
_Frisia Nobilis_, 114, 331, 335; _Stamboek_, I 144, II 84; VAN SMINIA,
_Grietmannen_, 53.
Die vrede werd verworven, doch ten koste van stroomen bloeds en
millioenen schats. Gelukkig, dat de duurzame voorspoed des lands, door
scheepvaart, handel en landbouw bevorderd, die offers kon brengen; dat
een bestendige vrede daarmede niet te duur was gekocht in vergelijking
van den smaad en de verliezen, welke op de zegepraal van en onderwerping
aan den Franschen despoot zouden gevolgd zijn; en bovenal, dat de
geestkracht en waardigheid der natie te midden dier dreigende gevaren
zich zoo grootsch ontwikkelde en zich zoo fier daar boven verhief, dat
zij niet enkel haren overmagtigen tegenstander, maar gansch _Europa_
helden kon toonen, die den krijgsroem van _Nederland_ met nieuwen
luister deden schitteren.--Dat _Friesland_ in de rij der Nederlandsche
gewesten in staat was, zijn aandeel daartoe bij te brengen op eene
wijze, zijnen alouden roem waardig--dit vermeldden wij voor de eer onzer
provincie met genoegen, gelijk het volbrengen van elken pligt jegens het
vaderland de streelendste gewaarwordingen verschaft.
De belangrijkheid der geschiedenis van dit gedeelte van ons tijdvak en
de rijkdom der, vroeger nog niet bewerkte, bronnen mogen mij
verontschuldigen, dat ik dit uitvoeriger dan vorige gedeelten heb
behandeld, hoezeer daarbij nog te veel achterwege is gelaten, dan dat
het op volledigheid aanspraak zou kunnen maken.
38. _Aanwas en Verbeteringen in den Toestand van Frieslands bodem.
Waterstaat, Openbare Werken, Nijverheid enz. 1580-1795._
De waarde der dingen rijst of daalt voorzeker naargelang van het
oogpunt, waaruit wij ze beschouwen of met andere vergelijken. De
inwoners van een land zijn zelve niet altijd de beste beoordeelaars van
zijne waarde, vooral met betrekking tot andere landstreken of tot een
vroegeren toestand. De blik, welke bekwame vreemdelingen daarin werpen,
bekoort ons soms door nieuwheid en belangrijkheid van inzigten, welke de
waarde van dit land in onze eigene schatting verhoogen en die de banden
versterken, met welke wij ons aan onzen bodem en ons volk gehecht
gevoelen.
Zoo trok voor eenige jaren een bejaard Duitsch geleerde door ons
vaderland, nog vol van jeugdigen lust en kracht, om het edele, groote en
schoone, waar hij het vond, te erkennen en te bewonderen, die daarvan
een gunstig getuigenis gaf[260]. Aan bergachtige natuurtooneelen gewoon,
trof hem hier, »in deze klassieke vlakte, die afwisseling en
tegenstelling van land en water, van oude en nieuwere steden, de
middelpunten van het verkeer des nijveren volks, van fraaije land- en
waterwegen, van weelderige weiden, heerlijke velden en tuinen, prachtige
wouden en liefelijke boschjes, waaronder zich de woeste zandgronden
schier verliezen, en vooral die grootsche duinen en daarachter in de
verte de graauwe zee, die ontzettende!"
[260] Ik bedoel den Göttinger Hoogleeraar F. LÜCKE, die met Prof.
ULLMANN in 1847 _Nederland_ bezocht en zijne opmerkingen later
mededeelde. In _de Tijdspiegel_ en vóór de vertaling van LÜCKE'S
_Vredeleus_, Leeuw. 1850, zijn daarvan overzettingen gegeven.
»Ook dit land", dacht hij, »heeft God geschapen en tot eene goede
woonplaats zijner menschen-kinderen ingerigt, als zij Zijne heilige
bedoelingen in de natuur regt verstaan en volgen. Juist dit, dat in dit
land overal de regelende, bouwende, scheppende, worstelende menschelijke
geest zich vertoont; dat men bij elke schrede de zedelijke degelijkheid,
nijverheid, koenheid en netheid van het volk kan opmerken, daar het met
edelen trots het land op de wrokkende zee verovert en er zich tegen
verdedigt; woeste en vruchtbare gronden evenzeer weet te bebouwen, en
water met land, vlakte met heuvels met kunstenaarshand, vaak op
verrassende wijze, tot de liefelijkste landschappen, als tot lusthoven,
verbindt,--juist dit had voor hem eene groote aantrekkelijkheid. De
natuur zonder kunst en menschenwerk heeft haar schoon; maar volle
bevrediging vindt de geest toch eerst dán, wanneer Natuur en
Geschiedenis elkander doordringen. Ja, 't is een soort van godsdienstig
genot, een land te zien, van de zedelijke kracht des volks zoo geheel
doortrokken en bezield als dit, waarin het gebod des Scheppers, dat de
mensch zich de geheele natuur moet onderwerpen, met zoo veel ernst en
gelukkig gevolg volbragt wordt."
Elk beschaafd volk heeft zijn historischen grondslag, waarvan het zich
nooit kan losrukken. Hem kwam het voor, dat ons volk meer dan andere de
bezielende herinnering van zijne groote gebeurtenissen bewaard-en zijn
historischen grond, even als zijn land tegen de zee, bewaakt en
verdedigd heeft. »Bewaart dien edelen historischen zin!" roept hij onzen
landgenooten ten slotte toe, en wie gevoelt niet, dat in de kennis der
geschiedenis, ook van den oorsprong en de verbetering van den
vaderlandschen bodem, eene kracht ligt, om onze vaderlandsliefde te
bevestigen en den moed te verhoogen, ten einde bij voortduring aan
deszelfs volmaking met ijver mede te werken.
Is zijne beschouwing op ons vaderland in het algemeen van
toepassing,--zij is dit in het bijzonder op _Friesland_, waar de natuur
zoo weinig, de hand des nijveren volks zoo veel ter bescherming en
verbetering van den bodem heeft verrigt, ook zonder den steun van
buitenlandsche hulpbronnen, waaraan _Holland_ vooral zijn aanzien en
grootheid verschuldigd is. Daarom rekenen wij op de belangstelling onzer
lezers inzonderheid, bij de beschouwing van de ~voornaamste~ oorzaken en
middelen, waardoor in dit tijdvak de aanwas en de verbetering van den
Frieschen bodem is bevorderd.
_Aanwas. Bedijkingen._
Verlies van grond had _Friesland_ niet meer te betreuren sedert de
groote veranderingen, welke in de 13e en 14e eeuw de Zuiderzee deden
ontstaan. (Zie bl. 56-64 hier vóór.) Integendeel, er was op verscheidene
plaatsen langs de kust gelegenheid tot landwinning, welke zelfs meer
algemeen zou geweest zijn, indien onze zeedijken, bij grootere breedte
en vlakte, de bescherming hadden kunnen ontberen van de paalwerken,
welker regtstandige afwering van de golven nu ten gevolge had, dat de
aanslag van grond op vele plaatsen verhinderd en het strand uitgekolkt
werd.
De zelfde oorzaken, welke de verlanding van de Middelzee bevorderd
hadden, bleven, ook nadat _het Bildt_ van 1505-1508 door een zwaren
zeedijk was afgesloten, voortgaan, den hoek tusschen _Dijkshoek_
en _Wierum_, welke bij weste- en zuidweste-winden in de luwte ligt,
te vullen. Telkens, wanneer die aanslibbing eene belangrijke
uitgestrektheid had verkregen, werd zij bedijkt. De eerste inpoldering
daarvan geschiedde in 1580 en 1590 door het bedijken van den _Holwerder
Wester- en Oosterpolder_ en den _Ternaarder-polder_, gezamenlijk ook
_Nieuw-Dongeradeel_ genaamd. Hierop volgde in 1600 het bedijken van het
_Nieuwe Bildt_, niet minder dan 1756 morgen bedragende met bovendien 260
pondematen _Nieuw Munneke-Bildt_ onder _Ferwerderadeel_. De daarbij
aangelegde _Nieuwe Bildtzijl_ werd echter reeds in 1655 gedamd, ten
gevolge der voortdurende aanslijking, welke het mogelijk maakte, om in
1715 de _Westelijke Bildt-pollen_, groot 444 morgen, en in 1754 de
_Oostelijke Bildt-pollen_, groot 126 morgen, benevens het gansche
_Noorderleeg_, door den tegenwoordigen zeedijk binnen te brengen. Sedert
deze laatste bedijking bleef de gelegenheid tot landwinning benoorden
_het Bildt_ en _Ferwerderadeel_ zóó gunstig, dat er tot heden, van _St.
Jacobi-Parochie_ tot voorbij _Blija_, weder eenige honderden bunders
vruchtbaar land op de kust zijn aangeslibd, welke de namen dragen van de
_Bildt-pollen-Aanwas_, het _Noorderleegs-Buitenveld_, de _Keegen_ en de
_Bokke- en Boere-pollen_[261].
[261] Zie meer uitvoerige berigten deswege in de _Nasporingen
betrekkelijk de Middelzee_, 83, 97; _Charterboek_, III 1045; V 487,
489, 541, 1201; VI 163.
Ook op den noordoosthoek dezer provincie werd in 1592 eene groote
uitgestrektheid lands aangewonnen, doordien de _Anjumer-_ en
_Lioessenser-polder_ bedijkt en vereenigd werd met het vroegere eilandje
_de Band_. Doch _Oost-Dongeradeel_, ten opzigte der aanslijking zoo
gunstig gelegen, verkreeg later een aanwas van nog grooter belang en
meer gewigtig gevolg voor gansch _Oostergoo_. Bezuiden deze grietenij
stroomde het Dokkumerdiep als een breede tak van de Lauwerszee tot aan
de stad _Dokkum_, waar het zeewater eerst gekeerd werd door eene sluis,
in 1583 aldaar van _Oudzijl_, bewesten die stad, overgebragt. Tusschen
de dijken van dezen tak verzamelden de slibstoffen zich van lieverlede
dermate, dat het vernaauwde diep den zeehandel van _Dokkum_ niet enkel
belemmerde, maar bij hooge vloeden met sterker geweld op de dijken
aandrong. In 1665 en vooral in 1717 bragt dit groote schade te weeg.
Daarom nam men toen op nieuw in overweging het reeds in 1584 door de
naastgelegene grietenijen geopperde denkbeeld (_Chb._ IV 456, V 445),
om het gansche diep op de grenzen der provincie af te sluiten, door
bij _Engwierum_ in den wijden mond tusschen _Kollumerland_ en
_Oost-Dongeradeel_ een dijk met eene zeesluis te leggen. Het voorstel
daartoe vond bij de Staten dien bijval, dat eerlang tot de uitvoering
werd besloten. Dit werk, onder het bestuur van den bekwamen WILLEM LORÉ
in 1725 op eene grootsche schaal ondernomen, werd in 1729 voltooid en
had, terwijl de kosten bijna 3 tonnen gouds bedroegen, zeer belangrijke
gevolgen. Want door dezen nieuwen _Statendijk_ van een half uur gaans
lengte werden de naastgelegene grietenijen ontheven van het onderhoud
van 6,000 roeden zeedijks ter wederzijden langs het diep tot _Dokkum_;
de nieuwe zeesluis verving alsnu de Dokkumer, Driezumer, Oudwouder- en
Kollumerzijlen, die vroeger in genoemd diep uitstroomden; de aangeslibde
en binnengebragte gronden, die 661 bunders bedroegen, werden nu in
vruchtbare bouwlanden herschapen, en het kolossale sluisgebouw met drie
kokers (een meesterstuk van waterbouwkunde) was eene hoofdwaterlossing
van _Oostergoo-_ en, na het uitgraven van het diep, ook voor de
scheepvaart van _Dokkum_, eene zaak van groot gewigt geworden; terwijl
een weg langs den breeden dijk (een model van waterkeering) en brug over
de sluis eene verbinding daarstelden tusschen twee, vroeger ver van
elkander gescheidene, grietenijen[262]. Buiten de sluis, sedert de
_Dokkumer Nieuwe Zijlen_ genaamd, bleef de aanslibbing nog voortduren,
en werd in 1752 aan de noordzijde het _Engwierumer-Nieuwland_ met een
zeedijk omsloten. Evenzoo bleef de landwinning voortduren aan de
zuidzijde van de buitenkil ter vergrooting van _Kollumerland_, hetwelk
reeds in 1529 door bedijking was verrijkt geworden met de uitgestrekte
waardgronden van _Nieuw-Kruisland_, ten oosten waarvan in 1689 reeds
weder een aanwas met een kadijk was omgeven, welke zich tot de
Buiten-Lauwers of de grenzen van _Groningen_ uitstrekte.
[262] De gansche geschiedenis van dit groote werk heb ik, bij
gelegenheid der droogmaking van de sluis in 1834, uit de
_Staats-resolutiën_ opgemaakt en met Prof. DE CRANE uitgegeven in het
werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, Fran. 1835, bl. 39.
Aan de westkust dezer provincie was minder gelegenheid tot landwinning,
dewijl deze al te zeer bloot stond aan den geweldigen en nimmer
rustenden golfslag der Zuiderzee. Behalve eene uitgestrektheid lands
nevens _Dijkshoek_[263], kunnen wij daar enkel gewagen van het
_Workumer-Nieuwland_, vroeger een inham tusschen de steden _Workum_ en
_Hindeloopen_. Reeds had Koning FILIPS II in 1557 WILLEM JANSZ.,
Burgemeester van _Enkhuizen_, toegestaan, om dezen »Inbochte van den
Strande, het Worckumer-Hop genaempt, omtrent den sluyse, genoempt
Kolderzijl, groot 300 mergen," te bedijken, toen de Staten van
_Friesland_ in 1605 en bij herhaling in 1610 daartoe octrooi verleenden
aan _Workum_, dat de vergunning aan WILLEM JANSZ. bij overdragt had
bekomen. Werkelijk scheen deze stad in 1621 eindelijk tot de bedijking
te zullen overgaan; doch, daar de kosten van uitvoering hare krachten
welligt te boven gingen, verbond zij zich met zes aanzienlijke Friesche
edelen, die daartoe met haar eene overeenkomst sloten. Kort daarna werd
het werk ondernomen en de nieuwe zeedijk in 1624 voltooid, waarbij de
buitenhaven van _Workum_, het Zool genoemd, eene aanmerkelijke
verlenging bekwam. Bij de aanzienlijke kosten, die hiertoe vereischt
werden, had men toen en later met groote tegenspoeden te kampen, dewijl
deze polder, van 1200 pondematen oppervlakte, sedert, ten gevolge van
doorbraken in den dijk, drie malen is overstroomd geweest. Bij de
dijkbreuk van 1776 werden er zelfs twee tonnen gouds gevorderd, om de
geledene schade aan de zeewering, waarin op twee plaatsen gaten waren
geslagen, te herstellen[264].
[263] Ten gevolge van aanslibbing werd de _Lunde-_ (of _Lidlumer_)
_zijl_ bij _Koehool_, N. W. van _Tjumarum_, verstopt, en onder
overeenkomst tusschen Gedeputeerden en de Regering van _Harlingen_,
van 1584, naar deze stad overgebragt (_Charterb._ IV 504). Hierdoor
ontstond het Lands-zijltje aan de Zoutsloot, thans nog een niet
onbelangrijk middel tot uitstrooming in die stad.
[264] Zie de hiertoe betrekkelijke stukken in het _Charterb._ V 112,
172, 262, 263, 264, 268, 435, 585, 1204; _Reg. Staats-res._ 538, 859;
SCHOTANUS, _Beschrijv._ 266; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 258; _Teg.
Staat_, III 396; VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. 52. Het octrooi van
1557 en daarop gevolgde stukken vindt men in het Prov. Archief, _Lands
Dijkagieboek_, kopij 131-150. Het gezegde van WINSEMIUS, aan het slot
zijner _Chronique_, dat Keizer KAREL reeds vroeger octrooi zou hebben
gegeven, schijnt ongegrond.
Aan de zuidkust werd in 1633 een inham, nabij _Mirns_, bedijkt, welke
den naam van de _Wielpolder_ verkreeg (_Chb._ V 1205). Verder oostwaarts
werden daar ter beveiliging des lands buitengewone maatregelen genomen.
Ten gevolge van den slechten toestand der dijken van _de Kuinder_ en den
watervloed van 1701, die in de zuidelijke grietenijen groote schade
veroorzaakte, trachtte men in 1702 deze meer te beveiligen door het
leggen van een geheel nieuwen zeedijk. Wegens de onvolkomenheid der
aansluiting met den zeedijk van _Overijssel_, werd deze dijk niet langs
de kust, maar op eenigen afstand daarvan binnenwaarts gelegd, en wel van
de zoogenaamde _Boedsteden_ tot _Slijkenburg_, en alzoo langs de plaats,
waar eertijds de _Schoterzijl_ lag, welke reeds jaren te voren meer
benedenwaarts naar _Slijkenburg_ aan de Linde was verlegd geworden. Bij
deze gelegenheid werd er door de provincie in den nieuwen dijk en de
Tjonger eene sluis gelegd, welke thans nog den naam draagt van de
_Schoterzijl_, gelijk de nieuwe zeewering dien van de _Statendijk_. Door
dit belangrijk werk zagen de lage zuidelijke kwartieren hunne veiligheid
zeer bevorderd; terwijl _Friesland_ daardoor onafhankelijk werd van
Overijssels waterkeeringen. De landen ten zuiden van den nieuwen dijk en
ten westen van de Worst-sloot of de grensscheiding werden nu enkel door
een kadijk afgesloten[265].
[265] _Charterb._ VI 250-423; _Reg. Staats-res._ 187, 390, 733; FOEKE
SJOERDS, _Beschrijv._ I 265; _Teg. Staat_, III 542, IV 328.
Nieuwe stormen en watervloeden in 1702 en 1703, die vooral de dijken van
_Zevenwouden_ hevig teisterden, vorderden krachtige voorziening en deden
de Staten zelfs bedacht zijn, om alle provinciale zeedijken te doen
verhoogen en te verzwaren. Groote beletselen deden zich daartegen op.
Eerst nadat in 1715 en 1717 dit gewest op nieuw door dijkbreuken en
overstroomingen veel te lijden had, werden er krachtiger maatregelen tot
verzwaring van het paal- en aardewerk en tot een beter onderhoud van de
zeeweringen genomen. (Zie daarover bl. 238 hier vóór.)
Eerlang echter bedreigde eene nieuwe ramp het vaderland met een gevaar,
waarbij alle menschelijke kracht en schranderheid schenen te kort te
schieten, doch waartegen 's lands Staten maatregelen van voorzorg in het
werk stelden, welke even gewigtig als hoogst kostbaar waren. Een kleine
worm, van een teêr en slijmachtig zamenstel, doch met een harden kop
gewapend, doorboorde in 1731 en volgende jaren de zeepalen, welke den
voet onzer dijken beschermen, dermate, dat men daarvan de grootste
gevaren duchtte. De gansche westkust van _Friesland_, van _Dijkshoek_
tot _Stavoren_, werd daardoor deerlijk geteisterd. Een harde wind in
Julij 1732 sleepte bij duizenden doorknaagde palen weg; ook de deuren
van sommige sluizen werden er door verteerd. De algemeene bekommering
was zóó groot, dat er zelfs een Bededag werd gehouden, om de verlossing
van dit kwaad van den Hemel af te smeeken.
Aangezien alle herstelling van het paalwerk vruchteloos scheen, dewijl
ook het nieuwe hout spoedig werd aangetast, trachtte men den dijksvoet
te beschermen door zware keisteenen, welke uit _Noorwegen_ aangevoerd-
en voor de paalwerken geworpen werden. Het landsbestuur kon echter den
uitslag niet afwachten van dit nieuwe beveiligingsmiddel, dat eerst
hevig bestreden-, doch later van groote dienst bevonden werd. Men achtte
het noodzakelijk, om intusschen mede door het opwerpen van
_Slaperdijken_ binnen de zeedijken de provincie op de gevaarlijkste
punten door afsluiting te beveiligen. Op drie plaatsen werden zulke
binnenleggers opgeworpen. Onder het beleid van gemelden Mathematicus
LORÉ werd in 1732 de eerste dijk gelegd: van den binnendijk van het
_Workumer-Nieuwland_ tot aan den heuvel, waarop _Koudum_ is gelegen,
en van daar over _Galama-dammen_ tot aan den hoogen grond van
_Hemelumer-Nijeburen_. Wegens den stijgenden nood riep men tot dit werk
de hulp in van het Friesche krijgsvolk. Gesterkt door deze troepen,
welke met het overige werkvolk een leger van ruim 2,000 man uitmaakten,
werden in weinig meer dan drie maanden tijds eene binnenlandsche
waterkeering, sedert de _Koudumer-Slaperdijk_ genoemd, van 180 voeten
breedte en 1500 roeden lengte, midden door lage landen en diepe vaarten
opgeworpen, en bovendien drie sluiswerken daarin tot stand gebragt,
waarvan de kosten met die der aangekochte, deels vergravene, landen op
ruim 125,000 Gld. te staan kwamen. Ten behoeve der waterlossing is
later (1775) in het noordelijk gedeelte van dezen dijk, aan het
_Workumer-Nieuwland_, nog eene sluis gebouwd.
In het volgende jaar, 1733, werd de tweede Slaperdijk gelegd langs het
dorp _Surig_, bezuiden _Harlingen_, met het doel, om het gevaar, waarin
de vooruitspringende landhoek, het _Suriger-oord_, verkeerde, en de
gevolgen, welke eene doorbraak van deszelfs dijken kon te weeg brengen,
voor het overig gedeelte der provincie schadeloos te maken. Ook deze
dijk van eene onverbreekbare sterkte, daar hij bij 300 roede lengte, 278
voet breedte en 13 voet hoogte heeft, zoodat de kosten van aanleg 70,000
Gld. bedroegen, werd naar het plan en onder opzigt van LORÉ aangelegd,
die daarin weder een voorbeeld gaf van de volkomenste wijze van
landverdediging tegen de zee; een voorbeeld, naar hetwelk wij zouden
wenschen, dat eenmaal al onze overige zeedijken mogten kunnen worden
hervormd[266].
[266] Meer uitvoerig heb ik de geschiedenis van het tot stand brengen
der beide laatstgemelde werken beschreven in het reeds genoemde
werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, bl. 59 env. waar
achter ook de gronden voor den laatst geuiten wensch zijn medegedeeld.