De Bisschop, na in de omliggende provinciën zoo veel tegenspoed en

schade geleden te hebben, wilde echter de verovering van _Friesland_

beproeven, en in deze uiterste kracht-inspanning tevens de beslissing

van den ganschen veldtogt wagen. Uit de Geldersche en Overijsselsche

steden brengt hij van de beste Fransche, Keulsche en Munstersche troepen

te _Steenwijk_ eene magt bijeen, welke op 6 à 7,000 man (door anderen op

8,000 voetknechten en 100 ruiters) begroot werd. Op den 15 Augustus rukt

hij daarmede langs verschillende wegen op _Friesland_ aan. Op het eerste

berigt daarvan, trekken de onzen, onder gedurige schermutselingen met

den vijand, van _Wolvega_ terug tot _Heerenveen_, welk hoofdkwartier

Prins MAURITS, Prins HENDRIK CASIMIR en AYLVA tot het uiterste wilden

verdedigen, waartoe ook dadelijk de derde man opgeroepen werd en de

burgers van _Leeuwarden_, _Sneek_, _Franeker_ enz. reeds den volgenden

nacht naar _Heerenveen_ vertrokken. Na de schansen van de _Blessebrug_

en _Bekaf_ genomen te hebben, trok de vijand de _Stellingwerven_ in tot

_Oudeschoot_. Verschillende gevechten vielen er voor, waarin hij

herhaaldelijk werd geslagen. Zijne pogingen, om _Heerenveen_ te

overweldigen, mislukten, en nu zocht hij zijn moedwil te koelen door de

ingezetenen op contributie te stellen, door de dorpen te berooven, te

plunderen en te branden, door het vee uit de weiden met zich te voeren

en de vruchten des velds, welke stonden ingezameld te worden, te rooven

of te verwoesten. Vooral _Wolvega_, _Oudeberkoop_ en _Makkinga_ hebben

daarbij veel geleden. Ondanks het bekomen van versterking uit

_Steenwijk_, vond hij in de dapperheid der Friesche benden, in de groote

magt, welke hem tegengesteld werd door het spoedig toesnellen van de

gewapende burgers, en in het door een hevigen noordwestewind opgestuwde

water zoo veel tegenstand, dat zijn aanval geheel mislukte, en dat de

bisschoppelijke troepen na verloop van vijf à zes dagen met groot

verlies naar _Zwolle_, _Zutphen_ en _Arnhem_ terugtrokken. Eerst nadat

de Friezen nog eenmaal krachtige hulp hadden geboden, om het door den

Bisschop zoo lang en fel benarde _Koevorden_ te ontzetten, hetgeen in

het begin van October, meest ten gevolge van een sterken oostewind,

gelukte, werd het den uitgetrokken burgers vergund, de door hen bezette

posten te verlaten en naar hunne woningen terug te keeren[241]. (Zie

_Aanteekening 25_.)

[241] Uitvoerige bijzonderheden omtrent al het voorgevallene vindt men

in de belangrijke werken van dien tijd: _Holl. Mercurius_, 152, en

_d'Ontwaekte Leeuw_, Amst. 1673, I 36, 47, 60, 74, 122, 130; II 15,

46, 47 env.; SYLVIUS, I 653; zie ook VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 254.

* * * * *

Groot en algemeen was de vreugde over deze bevrijding van _Friesland_,

hetwelk, terwijl het grootste gedeelte der Nederlandsche provinciën zoo

lang door de vijandelijke benden was overheerd, geplaagd en uitgezogen

geworden, volkomen vrij was gebleven. Der Friezen oude moed en trouw

had, met Gods bijstand, dit gewest in het bijzonder weder beveiligd. De

vast- en bededagen, welke men zoo dikwijls had gehouden, werden nu

vervangen door dankdagen, ook wegens de verlossing van het gansche

vaderland van de overmagtige vijanden, die door hooger magt waren

gestuit in hunne geweldige pogingen, om het te overmeesteren en onder

hunne heerschappij te brengen.

»Zoo werd het wijd beroemde en heldhaftige _Friesland_, van alle eeuwen

vermaard als de moeder en te gelijk het kind van de Vrijheid; van de

Romeinen gevreesd, door de Britten gehoorzaamd en door de Franken

geëerd, als de voedster van ontembare helden, op nieuw met handen en

tanden verdedigd. Zoo werd den Munsterschen Bisschop afgeleerd, de

grenzen in te breken van een land, dat, door natuurlijke kracht en

schrandere kunst versterkt, voor buitenlandsch geweld ongenaakbaar

bleek te zijn, zoo lang het beschermd werd door fiere nazaten, niet

ontaard van de heldendeugd der roemrijke voorvaderen"[242].

[242] ROMYN DE HOOGHE, _Spiegel van Staat_, Amsterdam 1706, I, 7e

tafereel, 1, 7.

* * * * *

Na zoo krachtvolle inspanning had het vaderland behoefte aan rust en

vrede. Er werden daartoe met _Munster_, _Keulen_, _Engeland_, ja zelfs

eerlang ook met _Frankrijk_, en wel bij herhaling, verdragen gesloten,

doch de trouweloosheid van den oorlogszuchtigen LODEWIJK XIV hield ons

land nog langer dan twintig jaren in de wapenen, daar eerst met den

vrede van _Rijswijk_ (1697) de rust duurzaam scheen te zullen zijn. Hoe

gelukkig, dat _Nederland_ gedurende al die jaren in den, eerst lang

vernederden, doch daarna roemrijk verhevenen, Prins WILLEM III een

staatsman en held bezat, die den Franschen monarch, na hem dit land

eerst hevig betwist te hebben, bij voortduring het hoofd kon bieden, en

die nieuwe lauweren voor den vaderlandschen krijgsroem mogt behalen.

Ook _Friesland_, dat, ver van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich

sedert 1673 weder rustig aan zijne eigene belangen kon wijden en de

welvaart zijner ingezetenen bestendig zag toenemen,--ook dit gewest

bezat gelijktijdig staatsmannen en helden, die den _Prins van Oranje_

krachtdadig ondersteunden in het beveiligen van het vaderland en het

bevorderen van zijne waardigheid en eer tegenover magtige naburen. DE

RUYTER vond bij zijne laatste zeetogten in de dapperheid der, onder

BANCKERS vereenigde, Zeeuwen en Friezen, die de Franschen en Engelschen

»met hunne gewone kloekmoedigheid aantastten"; een krachtigen

steun[243]. De dappere JACOB BINCKES, geroemd als »een voorsichtig

soldaat, een manhaftig Capiteyn, een getrouw Commandeur en een

goedertieren Christen, wiens voorige Heldendaden bewijs gaven van

grooter verwachtingen," mogt intusschen de eer der Nederlandsche vlag in

de _West-Indien_ roemrijk handhaven, en in 1677 nog eene overwinning op

de Franschen behalen, na »een der hardnekkigste gevechten, waarvan de

Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen gewag maakt"[244]. De

belangrijke Friesche staatsstukken van dien tijd getuigen van de

uitstekende bekwaamheden van Staatsmannen, als WILLEM VAN HAREN, ALLART

PIETER VAN JONGESTAL, HANS VAN WYCKEL, PIBO VAN DOMA, MATTHIJS, ASSUERUS

en GYSBERT VAN VIERSSEN, ISAAC DE SCHEPPER en anderen[245], waarvan de

eerste alleen in twaalf gezantschappen naar vreemde mogendheden en als

vredehandelaar het hoog gezag des lands deed gelden en de belangen van

oorlog en vrede regelde. Nog grooter roem behaalden HANS WILLEM _Baron_

VAN AYLVA (hier vóór reeds zoo dikwijls vermeld), MENNO _Baron_ VAN

COEHOORN en de Stadhouder HENDRIK CASIMIR II in den strijd voor het

vaderland.

[243] Zie de voorbeelden daarvan bij DE JONGE, _Zeewezen_, III _a_

130, 150, 269, 292.

[244] Behalve het vroeger aangehaalde uit DE JONGE, op bl. 259, blijkt

dit uit veelvuldige plaatsen in het 3e dl. 1e en 2e st. van zijn

voortreffelijk werk, waaruit ik tot mijn leedwezen geene meerdere

bijzonderheden kan mededeelen. Ook SYLVIUS, I, 14e bk. 341, 348, 15e

bk. 93 enz. gewaagt met veel lof van de heldendaden van BINCKES.

[245] Zie over dezen SCHELTEMA, _Staatkundig Nederland_, het

_Wapenboek_, het _Stamboek_, het _Charterboek_ enz.

AYLVA, die van de bescherming zijner provincie zoo veel eer mogt

verwerven, wist in den slag van _Senef_ (1674) »door uitstekende

dapperheid zijn reeds verkregen »roem loffelijk te handhaven," en dien

bij de belegering van _Keizersweerd_ en _Bonn_ en inzonderheid vóór en

in den slag van _Fleurus_ (1690) te vergrooten. Als een der

voortreffelijkste legerhoofden geacht, zag hij zich in het laatst zijns

levens het opperbevel over de Staatsche troepen in _Braband_

opgedragen[246]. COEHOORN, die zich in 1673 bij de belegering van

_Maastricht_ als Kapitein voor het eerst door dapperheid onderscheidde,

en vóór _Grave_[247] en in den slag van _Senef_ aan zijn heldenmoed de

bevordering tot Kolonel had te danken, muntte vervolgens evenzeer als

legerhoofd en als uitstekend vestingbouwkundige uit, daar hij in de

versterkingskunst voor ons land een nieuw tijdvak deed aanbreken, en

alzoo een waardig tegenstander werd van den beroemden Franschen

Ingenieur VAUBAN. In den slag van _Fleurus_, waar hij »boven andere

Nederlanders uitmuntte"; bij de roemrijke verdediging en daarna

herneming van de sterke vesting _Namen_ (1692, 1695); door de

versterking van _Groningen_, _Koevorden_, _Nijmegen_ en _Bergen op

Zoom_; door de verovering van _Luik_ (1702), van _Bonn_ (1703) en andere

schitterende wapenfeiten verdiende hij, tot de hoogste waardigheden

opgeklommen en de groote Stededwinger en Friesche Jupiter genaamd, een

eervollen rang onder de groote mannen des vaderlands[248].

[246] SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, dat aan hem werd opgedragen, I

287, 562 env. III, 1691, 51; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 166, 232, 240,

_Bijlage_ 9 env.; _Friesche Volks Almanak_, 1841, 62.

[247] Uit dit beleg is de bijzonderheid bewaard, dat de Friesche

Luitenant LAURENTIUS DE BLAU, bij een aanval doodelijk getroffen, door

zijne achttienjarige jongevrouw, ANTJE TJEBBES TJEBBINGA, met veel

onverschrokkenheid uit de loopgraven werd gedragen, in de legerplaats

gebragt en naar _Leeuwarden_ vervoerd, om hem bij zijne vaderen te

doen rusten. Zie FERWERDA, _Wapenboek_, I in _de Blau_. Ook BOSSCHA,

II 193 vermeldt dit en Mr. VAN HALMAEL bezong dit blijk van

huwelijkstrouw in den _Alm. v. 't schoone en goede_, 1837.

[248] BOSSCHA, II 144, 172, 188, 192, 240, 258, 261, 315, 319 env.;

_Friesche Volks Almanak_, 1840, 104; N. YPEIJ, _Gedenkschrift van

Coehoorn_, Fran. 1781; CHALMOT, _Biogr. Woordenb._ VII 129; KOK,

_Vaderl. Woordenb._ X 366; _Levensbes. van Nederl. Mannen_, VII 169;

MERKES, _Memorie over Coehoorn_, 's Hage 1825; VAN KAMPEN, _Geschied._

II 138; _Karakterkunde_, II 415; VAN LOON, _Historiepenn._ IV 342; VAN

LEEUWEN in het _Friesch Jierboeckje_, 1829, 1.

Prins HENDRIK CASIMIR II, bij den dood zijns vaders slechts zeven jaren

oud, ontving eene verstandige opvoeding van zijne voortreffelijke

moeder, Prinses ALBERTINE AGNES, die, ook nadat hij in 1672, ruim 15

jaren oud, tot werkelijk Stadhouder was verheven, hem tot 1679 als

voogdes ter zijde stond[249], gelijk hij in AYLVA een uitstekend

leermeester en voorganger vond in den krijg. Reeds op zeventienjarigen

ouderdom woonde hij den slag van _Senef_ bij, en was, »ook in het

dreigendst levensgevaar, onafscheidelijk aan de zijde van den jeugdigen

Opperbevelhebber WILLEM III, waardoor hij zich waardig toonde de spruit

te zijn, in wie de edelaardigheid der telgen van ORANJE op den Frieschen

stam was overgeplant." Als Stadhouder, mede over _Groningen_ en

_Drenthe_, was hij zeer geacht, en gedroeg hij zich steeds edelmoedig

jegens Prins WILLEM III, toen deze in 1677, al te heerschzuchtig over de

afdanking van Friesch krijgsvolk beschikkende, daardoor, en mede bij de

door hem voorgestelde werving van 16,000 man in 1684, een krachtigen

tegenstand uitlokte van _Frieslands_ Staten, die onverzettelijk bleven

in de uitoefening van hun regt, om zelve patenten of marschorders aan de

troepen af te geven. Die Staten gaven den jeugdigen Vorst menig blijk

van hunne genegenheid en vertrouwen. Zij verzochten hem zelfs eene

gemalin te kiezen, en toen hij die gevonden had in de schrandere Prinses

AMALIA _van Anhalt-Dessau_, werd haar niet enkel een geschenk van

100,000 Gld. aangeboden, maar ook het vorstelijk paar bij den

luisterrijken intogt te _Leeuwarden_, op den 19 Augustus 1684, een

onthaal bereid, zoo als hier nog geen Vorst was ten deel gevallen, en

waarbij men al de blijken van den rijkdom en de weelde dier bloeijende

dagen ten toon spreidde[250]. In 1690 aangesteld tot tweeden

Veldmaarschalk, gaf hij nieuwe blijken van ongemeene dapperheid in de

veldslagen van _Fleurus_, waarbij zijne lijfgarde twee vaandelen

veroverde op de bloem des Franschen legers, van _Steenkerke_ en

_Neerwinden_. Nadat zijne gezondheid reeds bij den eersten veldtogt was

geknakt, overleed hij den 15 Maart 1696 te _Leeuwarden_, algemeen om

zijne deugden en verdiensten diep betreurd. Zijne edele moeder, Prinses

ALBERTINE AGNES, overleefde hem slechts twee maanden, daar zij den 14

Mei 1696 op het door haar gestichte lusthuis _Oranjewoud_ overleed[251].

[249] Toen de Prinses in 1679 naar _Duitschland_ vertrok en haar zoon

het bewind aanvaardde, nam zij van de Staten afscheid bij eene

Missive, waarin zij treffende blijken gaf van hare "groote liefde,

affectie ende danckbare erkentenis jegens dese gezegende Provincie;"

waarop de Staten eene resolutie namen, welke evenzeer van hunne

erkentenis en toegenegenheid getuigde en vergezeld ging van een

geschenk van 5,000 Gld. met toezegging van een jaarlijksch

lijfpensioen tot gelijk bedrag. Zie deze Missive en Resolutie bij

SYLVIUS, II 42. De regering van _Leeuwarden_ ontving bovendien een

brief, waarin de Vorstin hare goede gezindheden nog sterker uitdrukte.

Zie _Geschiedk. Beschrijv._ II 298. Later keerde zij echter in

_Friesland_ terug, en woonde meest op het _Oranjewoud_.

[250] Behalve in stukken van het Stedelijk Archief, vindt men eene

uitvoerige beschrijving van deze "Princelyke Inhalinge" bij SYLVIUS,

II, 1684, 125.

[251] Zie over deze Vorst en Vorstin: _Charterb._ V 914, 1103, 1216,

1242; SYLVIUS, I 552, 653, _b_ 97, 178; _Regist. Staats res._ 46, 513,

587; KOK, _Vaderl. Woordenb._ II 507, XVI 606, XX 547; FOEKE SJOERDS,

_Beschrijv._ II 188; _Tegenw. Staat_, II 147; VAN KAMPEN, _Karakterk._

II 337, 405, 414; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 103, 168, 239, 240, 258;

STEENBERGEN, _Lijkrede op Prinses Albertine Agnes_; VAN LEEUWEN,

_Kronyk_, 456; VAN HALMAEL in den _Friesche Volks-Almanak_, 1844, 182.

Behalve zeven dochters, liet de Prins slechts een zoon na, JAN WILLEM

FRISO, die naauwelijks den ouderdom van acht jaren had bereikt. Al de

waardigheden des vaders werden hem dadelijk door de Friesche Staten

toegezegd, terwijl het bewind intusschen door zijne moeder en voogdes

werd waargenomen. Van deze bekwame en schrandere vrouw ontving hij eene

voortreffelijke opvoeding, welke zijn gunstigen aanleg dermate

ontwikkelde, dat hij reeds op zijn 13e jaar de Hoogeschool te _Franeker_

kon bezoeken. In het volgende jaar verwisselde hij deze met die van

_Utrecht_, en wel op verzoek van Prins WILLEM III, die, zelf geene

kinderen hebbende, den naam van _Oranje_ en de voortduring van zijn Huis

in de _Nederlanden_ op dezen jongeling vestigen wilde, en hem daarom ook

genoegzaam als zoon aannam en tot zijn vollen erfgenaam verklaarde. De

spoedig hierop gevolgde dood van dezen tweeden vader (1702) was alzoo

voor de verdere opleiding van den jongen Vorst een even groot nadeel,

als de erfenis van titel en bezittingen hem voordeel scheen te beloven.

De naijver van _Holland_ en de overige, nu op nieuw Stadhouderlooze,

provinciën jegens _Friesland_ en zijne Stadhouders, reeds vroeger zoo

dikwijls gebleken, was nu weder de oorzaak, dat men niet alleen aan de

begeerte des Konings, om den jongen Prins in zijne waardigheden te doen

opvolgen, geenszins voldeed, maar ook onverschillig toezag, dat

_Pruissen_ zich van een gedeelte der erfenis van _Oranje_ meester

maakte, hoezeer ook de Algemeene Staten, als uitvoerders van Koning

WILLEM'S uitersten wil, daarvoor hadden behooren te zorgen. Te vergeefs

ijverden de Friesche Staten dus voor zijne benoeming tot Generaal

(1703), waarbij zij bestendig van de andere provinciën tegenwerking

ondervonden[252]. Doch hij wilde dien rang niet als gunst ontvangen,

maar door dappere daden verdienen.

[252] Zie die geschillen vermeld bij KOK, XVI 607; _Reg.

Staats-resol._ 517.--"Holland was voor Frieschen invloed bevreesd",

zegt GROEN VAN PRINSTERER, _Handboek der Vaderl. Geschiedenis_, 589.

Daartoe scheen de gelegenheid zich aan te bieden, toen hij in 1703,

eerst 16 jaren oud, als vrijwilliger met zijn leidsman VAN HEEMSTRA den

eersten veldtogt bijwoonde. Immers, de zelfde oorlogszuchtige en

trouwelooze Koning LODEWIJK XIV, die ons vaderland nu reeds langer dan

30 jaren bijna onafgebroken met magtige legers had bestreden, had nu,

ten gevolge van een staatkundig verschil over de Spaansche erfopvolging,

den oorlogsfakkel in de _Spaansche Nederlanden_ (_België_) geworpen,

waar zijn verbazend leger, op 300,000 man begroot, hevige tegenstanders

ontmoette in Prins EUGENIUS _van Savoije_, die de troepen des Duitschen

Keizers, en in den Hertog VAN MARLBOROUGH, die de verbondene Engelsche

en Nederlandsche benden aanvoerde. Wegens het belang der zaak, waaraan

men »de vrijheid van gantsch Europa" gelegen achtte, waren de Staten der

Vereenigde gewesten, en wel bijzonder _Friesland_, eenstemmig gezind,

tegenover den Franschen despoot eene geduchte magt te ontwikkelen. Zij

hielden woord, en bragten gedurende dezen bloedigen oorlog van 1702 tot

1712 een leger te velde, dat jaarlijks tusschen de 110 tot 130,000 man

bedroeg[253]. Ook _Friesland_ getroostte zich tot dat einde verbazende

opofferingen van geld en manschap, en zag de dapperheid zijner

krijgsoversten en soldaten met eere erkend. Reeds omtrent de vier eerste

jaren van dien krijg vermeldt een schrijver van dien tijd zulks in de

volgende woorden: »Nu heeft die heerlyke Provintie de Lof, dat haare

_Vriesen_ zo te voet als te paard, wel een groot gewicht in des Lands

overwinningen inbrengen; en dat zy, streng en hardnekkig vechtende, de

uitgepikte magt van 's Konings huis by _Ramillies_ gebrooken en

vertreeden hebben, en in de Beleegeringen standvastig en schrander zyn,

zo dat de vyandlycke Steeden, zelfs de alderuitgeleezenste sterke

Vestingen, voor 't vuur van _Koehoorn_, de _Vriesschen Archimedes_,

plooyen; voortgaande met zegevierende schreeden na _Europa'as_ Vryheid,

door het vernederen van dien ontrouwen en hovaardigen _Franschen_

Dwingeland"[254].

[253] BOSSCHA, II 301, 541 env. Bovendien had Staat gelijktijdig over

de 50 zware linieschepen in dienst. De schuld der republiek werd door

dezen oorlog vermeerderd met 350 millioen! GROEN, 588.

[254] ROMYN DE HOOGHE, _Spiegel van Staat_, Amst. 1706, I, 7e

tafereel, 28.

't Mogt den jeugdigen Prins FRISO, hoezeer brandend verlangende naar den

strijd, niet gebeuren, in de eerste jaren, dat hij den Successie-oorlog

aan de zijde van OUWERKERK bijwoonde, bijzondere blijken te geven van

zijn krijgsmansaard en heldengeest. Niettemin waren die togten voor hem

eene belangrijke leerschool; en miskenning was hem een prikkel, om zich

zelven met waardigheid te verheffen. Eerst in 1708 werd hij in de

gelegenheid gesteld, zich door dapperheid te onderscheiden en aller

oogen op zich te vestigen. Doch toen ook was hij niet enkel bevorderd

tot Generaal van het voetvolk, maar ook tot de waardigheden zijns

vaders. Nadat hij, den ouderdom van 20 jaren bereikt hebbende, den 18

November 1707 met groote plegtigheid te _Leeuwarden_ was ingehaald,

werd hij den 22 dier maand tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van

_Friesland_ gehuldigd; terwijl zijne moeder als Voogdes den dank der

Staten en eene gift en een jaargeld van 5,000 Gld. ontving. De luister

van zijn Huis, in 1704 door den aankoop van de heerlijkheid _Ameland_

(voor [f]175,000), en in 1708 door het Stadhouderschap van _Groningen_

en _Drenthe_ verhoogd, werd in het volgende jaar bekroond door een

gelukkig huwelijk met de schoone en brave Prinses MARIA LOUISA _van

Hessen-Kassel_, waarover groote vreugde werd bedreven[255].

[255] Zie _Reg. Staats-resol._ 343, 517; LAMIGUE, _Leven van J. W.

Friso_, II 9, 30, 109, 117; KOK, XVI 682; _Tegenw. Staat_, II 376. Ook

deze Prinses ontving van de Friesche Staten eene tonne gouds als

huwelijks-gift, en de Prins een geschenk van 16,000 Gld.

Inmiddels had de Prins in den slag bij _Oudenaarden_ (Mei 1708) zich de

baan des roems ontsloten en getoond, wat het vaderland van hem

verwachten kon. Met heldenmoed rukte hij aan het hoofd zijner bataljons

op de bloem des Franschen legers aan en noodzaakte die te wijken: eerst

viel hij het »door een meesterlijken togt en zwenking in de flank, en

daarna door een stouten marsch in den rug", zoodat hij veel toebragt tot

deze roemrijke overwinning. »De beslissende dapperheid, door

_Frieslands_ jeugdigen Stadhouder hier betoond, zweefde op de tong van

elken Vaderlandlievenden _Nederlander_"[256]. In het beleg van

_Rijssel_, in 117 dagen met verbazende opofferingen gewonnen, was hij de

tweede in het opperbevel, doch de eerste bij elk gevecht en iederen

aanval. Ook _St. Amand_, _Doornik_ en _Gent_ hielp hij veroveren.

Telkens bleek het, dat voor zijne onversaagdheid geen gevaar te groot en

voor zijn moed geen tegenstand te sterk was. In den hoogst belangrijken

slag bij _Malplaquet_ (1709), eerst geplaatst aan het hoofd van negen

bataljons, die de vijandelijke verschansingen moesten beklimmen, rukt

hij met zeldzame dapperheid tegen een vreeselijk kanon- en geweervuur

in. »Voort, voort!" klinkt in een hevig kruisvuur zijne stem, en, als

sleepte hij zijne troepen aan koorden met zich mede, spoeden zij naar

hun doel. Het eerst de grachtboord der verschansing bereikende, zwaait

de jonge held met den hoed in de hoogte, en stuiven al zijne benden in

de gracht, bestijgen en veroveren met leeuwenmoed de borstwering, en

verdrijven den vijand met de bajonet. Duizenden ziet hij om zich henen

vallen en zelfs bijna al zijne officieren; met het klimmende gevaar

voelt hij echter zijn heldenmoed rijzen, en blijft hij de zijnen

aanvoeren, al zijn reeds twee paarden onder hem doodgeschoten. Een

vaandrig grijpt hij het vaandel uit de hand, stuift daarmede alléén op

de vijandelijke werken in, en, roepende: »volgt mij, mijne vrienden!

hier is uw post!" plant hij het op de borstwering, die op nieuw wordt

veroverd. Juist deze »voorbeeldelooze stoutmoedigheid," die

persoonlijke, alle gevaar trotserende, moed van _Oranje_, welke aan

roekeloosheid grensden, hadden de overwinning mede mogelijk gemaakt,

ofschoon zij in hem misduid werden, daar hij altijd moest bedenken, dat

hij de eenige Vorst was uit de huizen van _Nassau_ en _Oranje_, waarop

de hoop des vaderlands was gevestigd. De Voorzienigheid spaarde hem

echter als door een wonder.

[256] VAN KAMPEN, _Karaktk._ II b 530: BOSSCHA, _Neerl. Held._ II 420.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 24 / 41 段