ook de sterke, ja bijna onwinbaar geachte, vesting _Koevorden_ zich
zonder tegenstand aan den Bisschop had overgegeven, of de ontsteltenis
en wrevel der burgers bedreigde de algemeene rust. Men school bijeen en
maakte elkander het hoofd warm door het opsommen van allerlei grieven en
bezwaren zoowel tegen de stads- als landsregering. Op aansporing van
eenige predikanten en van den Hervormden Kerkeraad kwamen ruim 60
burgers op den Stads Schutters-Doelen bijeen, die een Voorzitter en
Schrijver benoemden en eenige punten ten papiere bragten, welke zij
oordeelden, dat tot herstel van de vervallene zaken noodwendig in acht
genomen moesten worden. Zij vaardigden daarmede eenigen hunner af naar
Prinses ALBERTINE, de Staten en den Magistraat, en verwierven eenig
gehoor, zoodat het besluit werd genomen, om in den uitersten nood de
gansche provincie onder water te zetten. Ook de Prinses diende bij de
Staten eene memorie in, bevattende voorslagen tot beveiliging van het
bedreigde vaderland[228]. Intusschen groeide het getal misnoegden, dat
op den Doelen vergaderde, tot 2 à 300 personen aan, die zeven punten aan
de Stedelijke Regering voorstelden tot afwering van het klimmende
gevaar. Deze stelde de gemeente gerust door zoo veel mogelijk in te
willigen, met bepaling, dat ook de andere Steden daarover moesten
verstaan worden, weshalve afgevaardigden daarvan op den 11 Julij te
_Leeuwarden_ werden bijeengeroepen. Elf punten stelden deze vast, welke
door Gecommitteerden aan de Staten werden overgebragt. Gelijktijdig
vergaderden ook de Predikanten der Klassis van _Leeuwarden_, die op den
12 Julij alle Predikanten van _Friesland_ in de hoofdstad ontboden, om
zich de zaken des lands aan te trekken, en om, in overeenstemming met de
stedelijke besturen, voorstellen tot verbetering en redding te doen. Een
getal van niet minder dan 150 leeraren verscheen er, en begaf zich in
statigen optogt naar het Landshuis, waar zij, bij monde van den
moedigen, later zoo beroemden, BALTHASAR BEKKER, destijds Predikant te
_Franeker_, aan de Staten te kennen gaven, »hoe groot de misbruiken
waren, in Kerk en Staat ingeslopen; dat het verval van den Staat
voornamelijk was veroorzaakt door het goddeloos ambtverkoopen, waardoor
de gemeente bijna werd uitgeput en de rijkdommen gebragt onder eenige
weinige personen, die aan het roer der regering zaten, zoodat er
Grietmannen waren, die drie of vier van de aanzienlijkste ambten
bedienden; dat men alzoo de betrekkingen niet gaf aan de bekwaamsten,
maar aan hen, die daarvoor het meeste geld boden, ja zelfs aan kinderen,
die den lande geen dienst konden doen; dat kunsten en wetenschappen niet
werden gevoed, maar uitgebluscht, en dat men alzoo aan middelen van
reformatie diende te denken tot afwering van den nakenden ondergang van
den Staat, en bijzonder tot aanstelling van een generaal hoofd" enz.
Verder leverden zij eene uitvoerige Deductie in, over wier inhoud zij
ook des anderen daags, van 's morgens tot 's avonds, met de Staten
beraadslaagden[229].
[228] Dit stuk is medegedeeld in de _Leeuw. Cour._ van 1836, No. 36.
[229] VITRINGA, _Mem. Annotatien_, I 639. Ik heb den inhoud dezer
aanspraak hier vooral medegedeeld, omdat al de verdere klagten en
bezwaren, welke tot de latere gebeurtenissen aanleiding gaven, in de
hoofdzaak hierop nederkwamen.
Het behaagde den Staten aan den laatst geuiten wensch, ook door de
Vergadering op den Doelen voorgesteld, dadelijk te voldoen, en op den 13
Julij Zijne Vorstelijke Doorluchtigheid Prins HENDRIK CASIMIR _van
Nassau_ te ontheffen van het afwachten zijns ouderdoms van twintig
jaren, en »te stellen in de dadelycke functie ende poscessie van het
Stadthouderschap ende Capiteinschap Generaal dezer Provincie" enz.[230]
De jeugdige Vorst, die naauwelijks den ouderdom van 15 en een half jaar
bereikt had, doch reeds den 8 Junij te vergeefs aan de Staten verzocht
had, om in zijn rang als Kolonel tegen de Franschen te velde te mogen
trekken, werd daarop dadelijk van het Hof gehaald, legde den eed af en
werd nog dien zelfden dag in het Collegie van Gedeputeerde Staten en in
het Hof Provinciaal ingeleid, en met gelukwenschen begroet, in de hoop,
dat men van deze bevordering »alles goeds voor den dienst ende welstandt
van den Lande onder Godes genadigen zeegen mogt verwachten."
[230] _Charterb._ V 831. Deze Resolutie is echter maar door 45 van de
82 leden der Staten onderteekend. Zóó vele personen schijnen er
afwezig geweest te zijn?
Deze gebeurtenis gaf algemeen genoegen, en had vooreerst dit gelukkig
gevolg, dat de overige nog onverhoorde klagten der ingezetenen zoo lang
tot zwijgen gebragt werden, dat de middelen tot landverdediging met
gepaste zorg konden worden aangewend. Want reeds op den volgenden dag
werd, op aandrang der Steden, het ligten van den derden man bevolen en
dadelijk uitgevoerd. Op eens werden er alzoo nog 3000 man in de wapenen
geroepen, om voor eene maand tot versterking van het leger of van de
schansen te strekken en daarna afgelost te worden. Den 22 Julij trokken
vier compagniën burgers van _Leeuwarden_ uit; twee compagniën (mede
ieder van ruim 100 man) volgden later; den 20 Augustus werden allen door
op nieuw uitgelote burgers vervangen, die zich naar de _Oudeschouw_ en
tusschen _Garijp_ en _Tietjerk_ begaven. Eerst thans werden ook de
wallen der hoofdstad, die reeds in den vorigen jare in staat van beleg
was gesteld, en tot wier versterking de Staten reeds in Mei 24,000 Gld.
hadden toegezegd, met kracht van arbeid verhoogd en verbeterd[231]. Nu
was er ontzag voor de regering en ijver in de uitvoering; de
verslagenheid en vrees, welke de krachten weder hadden verlamd, maakten
plaats voor moed en inspanning, en in het overige der maanden Julij en
Augustus betoonde het volk zich rustig van binnen en krachtig naar
buiten. De jeugdige Stadhouder, in staatszaken door zijne verstandige
moeder gesteund en in krijgszaken onderwezen en voorgelicht door een man
als AYLVA, mogt een zeer gunstigen invloed uitoefenen; en met welk een
gelukkig gevolg de door vreemde benden overal omringde Friezen den
vijand nu wederstand boden, ja zelfs aanvielen en verdreven--daarvan
hebben wij hier vóór reeds uitstekende bewijzen medegedeeld. AYLVA
bevond zich met het hoofdleger meest te _Heerenveen_, en zag zijne magt
door de genomene maatregelen zoodanig versterkt, dat deze, tegen het
einde van Augustus, op omstreeks 8,000 man aan troepen, behalve nog
5,000 gewapende landlieden werd geschat. Hij, die met den bijnaam van
»de ontzaggelijke Generaal" was vereerd, nam alle mogelijke maatregelen,
om _Friesland_ voor een inval des vijands te vrijwaren: sluizen
werden opengezet, polders en bedijkte landen geïnundeerd, en
veldverschansingen opgeworpen, die de zoogenaamde _Friesche linie_
uitmaakten. Deze linie begon van de _Kuinder_ aan de Zuiderzee, volgde
de Linde tot de _Blessebrug_, ging van daar noordwaarts naar de Tjonger
en de verschanste _Schoterbrug_, wendde zich vervolgens over
_Heerenveen_ en _Terbandsterschans_ naar _Gorredijk_, en van daar over
de schansen _Bredenberg_, _Zwartedijk_ en _Friesche palen_ naar de
grenzen. Echter is »_Friesland_ in 1672 minder behouden gebleven door
zijne onderwaterzettingen en linie van verschansingen, welke nooit
ernstig is aangevallen, als wel door de bekwaamheid van AYLVA en door de
geestkracht der bevolking, die, vaardig de wapenen opvattende, spoedig
eene magt uitmaakte, welke den vijand ontzag inboezemde en van elken
aanval op _Friesland_ deed afzien"[232]. Hoe algemeen de nood en hoe
dreigend het gevaar in den beginne ook ware--_Friesland_ bleef, God lof!
vrij en ongedeerd, en met _Zeeland_ de eenige provincie des vaderlands,
waar de overmagtige vijanden, die den ondergang van _Nederland_ besloten
hadden, geene veroveringen behaalden.
[231] VITRINGA, 643; _Charterb._ V 834, 1074, 1075; _Geschiedk.
Beschrijving_, II 135; VALKENIER, 653 vermeldt, dat _Leeuwarden_
alléén 1000 weerbare burgers leverde. (Zie _Aanteek. 25_.)
[232] Dus oordeelt Kapitein W. J. KNOOP in _de Verdediging van
Nederland in 1672_, in _de Gids_, 1851, 330.
* * * * *
Doch naar gelang het gevaar van buiten verminderde, vermeerderde de
onrust van binnen. Daar moest nog een hevige strijd gestreden worden,
vóór de vijanden van de regten en vrijheden des volks van het misbruikte
gezag ontzet en door meer vrijzinnige mannen vervangen waren. Gelijk de
smetstoffen in den dampkring zich allengs ophoopen, totdat ze eindelijk
in een vervaarlijk onweder losbarsten, zich zelve verwoesten en een
gezuiverden luchtstroom aanvoeren,--zoo leert ook de geschiedenis der
volken, dat de meeste staatkundige en kerkelijke instellingen, in den
loop der tijden zoodanig ontaarden, dat er soms eene geruchtmakende
omwenteling noodig is, om het verbroken evenwigt te herstellen, en om
verbeteringen in te voeren, welke vroeger, uit gehechtheid aan het oude,
niet konden tot stand komen. Zóó was het geweest voor de reformatie--die
hevige ontbranding en algeheele omkeering van zaken!--zóó was het
gebleven in de naauwelijks gevestigde republiek. Toen er ten jare 1626
verontrustende volksbewegingen waren ontstaan, en een aantal ingezetenen
»Doleancen over de Abusen, in den Staet van Regieringhe in-gesloopen,"
inleverde, waren de Staten verpligt geweest, ter bevrediging van de
misnoegde burgers »reformatie, resolutie ende approbatie" van al die 35
punten toe te staan. Doch aan de uitvoering daarvan werd kwalijk de hand
gehouden. Vanhier zoo vele latere klagten, vooral tegen het verkoopen
van de ambten, dat wel in 1662 verboden werd, maar toch bleef
voortduren. Vanhier, dat de Staten bij het opkomen van het onweder in
1672, zoo het schijnt uit eigene beweging, den 2 Maart eene commissie
benoemden, »om met elkanderen te concerteeren over de beste middelen en
expedienten tot een generaele reforme ende verbeeteringe, so in 't stuk
van Militie, of Politie ende Finantien dienende"[233]. Die commissie
bleef echter werkeloos, en schenen de regenten er belang bij te hebben,
in de bestaande orde of wanorde geene veranderingen te brengen. De
Staten hadden daardoor evenwel eene schuldbekentenis gedaan en de
noodzakelijkheid van eene reformatie erkend. Dit bleef bij het volk niet
onopgemerkt. Het kon echter geene krachtdadige middelen tot herstel
verwachten van die zelfde regenten, die bij zoo velen het vertrouwen
hadden verloren. Van lieverlede werd dus de strijd voorbereid tusschen
de aanhangers van het behoud en van vooruitgang, die, toen de wenschen
des volks onverhoord bleven, weldra met geweld zou losbarsten.
[233] _Charterboek_, V 299, 301, 313, 316, 666, 815.
_Groningen_ was bevrijd en de kracht des vijands geknakt;--_Blokzyl_ was
gewonnen door onze legermagt, wier sterkte nu ontzag baarde. De nood
scheen dus geweken, de overwinning nabij te zijn. Zoo brak de maand
September 1672 aan, en keerden de uitgetrokkene burgers terug. Weêr
vingen de vergaderingen op den Doelen te _Leeuwarden_ aan. Deze
»Doelisten" verzochten den Magistraat, om op nieuw de afgevaardigden uit
alle Steden van _Friesland_ bijeen te roepen. Dit geschiedde, en op den
9 September werden de vergaderingen van deze op het Raadhuis weder
geopend. Zij ontwierpen 53 punten van reformatie, voor het meerendeel de
zelfde doleanciën van 1626, doch nu meer uitgewerkt en toegepast op de
tegenwoordige behoeften[234]. De hoofdzaken waren gebleven: dat niemand
meer dan één ambt zou mogen bedienen; dat geene Grietmannen of
ambtenaren leden der Staten mogten zijn, en dat niemand voortaan eenig
ambt zou mogen verkoopen of voor geld overdragen.
[234] De beroemde ULRIK HUBER gaf in een naamloos geschrift, getit.
_Spiegel van Doleancie en Reformatie_, eene beoordeeling van deze
punten, met eene, in die dagen van opgewondenheid zoo nuttige
waarschuwing, "dat soo heerlijcken werck niet werde bezoedelt met de
vlecke van onrecht en onvoorsichtigheydt." Het ambtverkoopen noemt hij
daarin: "de schandvlecke ende de kancker van de Vriesche Regeringe."
Deze Remonstrantie der Friesche Steden werd door 37 harer
Gecommitteerden, die zich den 12 September in plegtigen optogt naar het
Landshuis begaven, den Staten aangeboden. Bij monde van HIERONIMUS DE
BLAU, Burgemeester van _Leeuwarden_, verzochten zij de goedkeuring en
aanneming van deze punten, »die tot groot nut en eenigste behoud van
het land strekten: opdat alzoo eenmaal, de misbruiken geweerd zijnde, de
staat des lands in ouden luister en glans hersteld-, het regtmatig
misnoegen der gemeente weggenomen- en hare gemoederen gerustgesteld
mogten worden."
Die moedige poging, waarbij tevens de zaak des volks door de Regenten
der Steden was overgenomen en voorgestaan, verwekte ontzag. De Staten,
die zich niet in toereikend getal aanwezig bevonden, om daarover te
beraadslagen, namen hierop dit krachtig besluit: dat niemand der
aanwezige leden _Leeuwarden_ zou mogen verlaten, en dat de overige leden
op den 16 September ter vergadering moesten verschijnen, bij verbeurte
van 500 gouden Friesche rijders (ongev. 1750 Gld). Nu werden de poorten
gesloten en door de burgerwacht beveiligd: eensdeels, om het vertrekken
van personen te keer te gaan, en anderdeels, om te verhoeden, dat de
Staten meerdere krijgsmagt in de stad bragten, ten einde de reformatie
in de geboorte te stuiten. Daarvoor bestond vrees. Groot was de spanning
der gemoederen.
De Staten vergaderden werkelijk op den bepaalden tijd, en hielden zich
met het onderzoek van het voorgestelde bezig. Tevens kwamen de
afgevaardigden der Steden weder bijeen, en begaven zich naar den
Landsdag, om op de aanneming van hare punten aan te dringen. Ook het
volk kon mede den uitslag kwalijk afwachten, maar verzamelde zich op den
20 en 21 in grooten getale voor het Landshuis, met dreigend verzoek tot
afdoening. Het werd echter gerustgesteld door genoemde afgevaardigden en
eenige burgers, die inzage verzocht hadden van den stand der zaken.
Doch, toen er op den 27 September nog geen besluit gevallen was, werd de
opgewondene gemeente zóó ongeduldig, dat zij, de vergaderplaats
bezettende, dreigde niet van daar te zullen gaan, vóór de resolutie
genomen was; weshalve de Magistraat twee compagniën burgers derwaarts
zond, om gevreesde onheilen te voorkomen. Op den laten avond werd echter
het volk tevreden gesteld door het berigt, dat de Staten alle punten
hadden aangenomen[235].
[235] Zie _Charterboek_ V 835, 837, benevens de toenmaals afzonderlijk
gedrukte stukken, welke zich bevinden in het HS. van VITRINGA, wiens
verhaal ik ben gevolgd, met aanvulling uit SYLVIUS, I 567 env.
Aldus was er aan de volksstem gehoor gegeven, en bleef het gemeen zich
nu en vervolgens onthouden van uitspattingen en gewelddadigheden, die
zoo dikwijls met de invoering van groote veranderingen gepaard gaan.
Doch niet minder gewigtig waren de gevolgen der uitvoering van dit
Staatsbesluit. Tegen den 14 October werd er een nieuwe Landsdag
uitgeschreven, waartoe nu vooraf vrije personen, die geene ambten of
betrekkingen hadden, moesten worden gestemd. Dit geschiedde, en op den
bepaalden dag werden de nieuwe Staten, op het Landshuis vergaderd,
door den Stadhouder en Gedeputeerde Staten plegtig en wettig
»geintroduceerd", als 's lands hoogste en souvereine magt. Dan, al
dadelijk rees er verschil, _wie_ de geloofsbrieven der nieuwe leden
moest onderzoeken. De oude Gedeputeerden verlangden dit te doen, in
weerwil den 29 Maart te voren bepaald- en als eene fundamenteele wet
aangenomen was, dat het visiteren der procuratiën van de Volmagten zou
geschieden door 12 Staten en 4 Gedeputeerden, tot op de helft afgeloot,
waar tegen het kwartier der Steden zich toen en nu weder verzette.
Ons bestek gedoogt niet, deze in vele opzigten belangrijke verschillen
hier in het breede te vermelden. Het zij genoeg, hier mede te deelen,
dat de nieuwe Staten nu zelve elkanders geloofsbrieven onderzochten,
dat zij nieuwe leden kozen tot Gedeputeerden, en dat zij zich vestigden
als 's lands hoogste magt, in weerwil het kwartier der Steden zich aan
de vergadering onthield.
Die tweespalt werkte niet weinig de partij in de hand van die oude
regeringsleden, welke noode van het gezag afstand hadden gedaan, en nu
zich hevig beklaagden, dat zij binnen 's tijds wederregtelijk uit de
regering gezet waren, zoodat zij hunne opvolgers niet als de wettige
magt wilden erkennen. Integendeel, voor een vol jaar tot Volmagt
gekozen, wilden zij het gezag zoo lang blijven uitoefenen. Daartoe
schreven acht hunner, meest Grietmannen, die zich »de olde en wettelycke
Regeringe deser Provintie" noemden, een Landsdag van al de vroegere
Staten te _Sneek_ uit, gaven eene uitvoerige Deductie van hun regt,
alsmede hunne punten van reformatie in het licht, en bevolen
Gedeputeerde Staten zich naar _Sneek_ te begeven, nadat de regering van
_Leeuwarden_ geweigerd had, hen in deze stad, als Staten, te ontvangen.
Ziedaar dan op nieuw een vuur van verdeeldheid aan het branden, dat,
terwijl de vijand de grenzen des lands nog steeds bedreigde, hoogst
gevaarlijk was voor de veiligheid en het gezag van den Staat. Immers,
indien de jeugdige Stadhouder en zijne moeder de partij der nieuwe
Staten te _Leeuwarden_ hadden gekozen, was er een overwigt geweest; maar
beide, het meest belang hebbende bij het kwartier der Steden, dat zich
nog altijd aan de vergadering bleef onttrekken, schroomden, uit
verregaande voorzigtigheid, zich partij te stellen, en riepen de hulp in
van het Hof, om de twistende Staatsleden te bevredigen. Dit was echter
niet mogelijk, dewijl de nieuwe Staten den Landsdag te _Sneek_ niet
erkenden, zich mede bij Deductie daar tegen verdedigden, en geene
pogingen onbeproefd lieten, om de Steden te bewegen ter vergadering te
verschijnen, en den Stadhouder, om zitting te nemen aan het hoofd der
Gedeputeerden, welk collegie echter nog niet ter helft voltallig was.
Alle pogingen om deze geschillen bij te leggen, bleken ijdel te zijn:
want ieder stond op zijn vermeend regt, zonder daarvan iets ten behoeve
van den vrede te willen opofferen. De reeds zegevierende partij van
vooruitgang en verbetering, of de nieuwe Staten, had, behalve de
volksgunst, enkel tot steun de Regering van _Leeuwarden_, terwijl de
partij van het behoud, of de oude Staten te _Sneek_, gesteund werd door
den Stadhouder en zijne moeder met het Hof en het leger, benevens de
overige Steden. De kans stond dus hagchelijk, of de reformatie in het
belang des volks duurzaam zou zegepralen. Gelukkig, dat het volk zich
rustig hield, terwijl het in sterke spanning den uitslag verbeidde.
Eindelijk sloeg de twist tusschen de beide staatsmagten tot
feitelijkheden over, waarbij de tusschenkomst van het Hof noodzakelijk
was. In zulk een toestand van verwarring eindigde het merkwaardige jaar
1672.
* * * * *
Reeds voor eenigen tijd hadden de Staten-Generaal der Vereenigde
_Nederlanden_ hunne tusschenkomst aangeboden tot herstel van de rust. De
oude Staten hadden die verzocht en aangenomen; doch de nieuwe bedankten
daarvoor, dewijl zij achtten, dat er geene andere wettige vergadering
dan de hunne kon bestaan; terwijl zij, even als Gedeputeerde Staten, van
al het voorgevallene een uitvoerig verslag naar _'s Gravenhage_
opzonden, waarbij zij tevens de oude Staten als verstoorders van de
gemeene rust aanklaagden[236]. Daarom wilden zij veeleer de bemiddeling
van het Hof inroepen; doch daar dit hiertoe moeijelijk te bewegen was,
en twee Landsdagen te gelijk niet konden blijven bestaan, zoo vonden de
Staten-Generaal goed, in het begin des jaars 1673 drie hunner leden
herwaarts te zenden. Het waren de Heeren R. VAN MOLENSCHOT, Pensionaris
van _Dordrecht_, wegens _Holland_, M. VAN CROMMON, wegens _Zeeland_, en
JOHS. EECK, wegens _Groningen_, die in last hadden, »om de ontstane
onlusten tusschen de Regenten in deze provincie in der minne bij te
leggen" niet alleen, maar ook, »om de Staten serieuselyck te versoeken
ende aen te maenen tot betalinge van de quota voor de militie, de
legerlasten ende subsidien, aen de geallieerden van den Staet belooft,
waarin Frieslandt, door de groote Verdeeltheden onder de Regenten,
defectueus was gebleven"; terwijl zij vast besloten waren, niet te
vertrekken vóór de geschillen nedergelegd waren.
[236] Zie deze en verder hiertoe betrekkelijke stukken in het
_Charterboek_, V 888, 892, 931 env.
Werkelijk hebben deze Heeren, in vereeniging met den Stadhouder en
daarna met eenige leden van het Hof, geene moeite onbeproefd gelaten, om
dit doel te bereiken, waartoe zij onderscheidene voorstellen,
reglementen en 105 punten van reformatie voordroegen. Doch hieruit rezen
nieuwe tegenkantingen en onlusten, welke met veel moeite werden
bedwongen. Nadat den 17 Februarij een nieuwe landsdag te _Leeuwarden_
was beschreven, waarbij die voorstellen met allen ernst werden
aangedrongen, had men goede hope op een gunstig besluit van dezen. Doch
alles te vergeefs: »alsoo dat de Heeren Gecommitteerden van Haer Hoog
Mog., na met beleefde woorden soo wel als harde dreigementen sterck te
hebben aengehouden, eyndelyck den 2 Maart vruchteloos en onverrichter
saecken hebben moeten vertrecken, tot droefheyt van de welmeenende
Ingesetenen des Landts"[237].
[237] VITRINGA, _Memoriale Annotatien_, I 706.
Zoo scheen dan de breuke onheelbaar te zijn, en _Friesland_ op nieuw
eene prooi der partijwoede te zullen worden. Doch neen! zij was in
waarheid der genezing nabij: want alleen de vreemde inmenging der
Staten-Generaal, door de onderliggende partij van _Sneek_ slechts
begeerd, doch door die van _Leeuwarden_ steeds afgekeerd en vermeden,
had de toenadering verhinderd. Die fiere Friezen wilden de herstelling
van het gezag niet aan de hulp van vreemden dank weten. Met het vertrek
der afgevaardigden veranderde de gansche zaak, terwijl de Landsdag te
_Sneek_ bereids in zich zelven was te niet gegaan. Reeds den 7 Maart
werd bij Staats-resolutie de beslissing van de verschilpunten aan den
Stadhouder en negen Staatsleden opgedragen. Binnen acht dagen dienden
deze een Reglement en 97 »Poincten Reformatoir" in, bevattende
uitvoerige bepalingen ter wering van misbruiken en tot omschrijving van
de grenzen des gezags in het bestuur dezer provincie. Daarbij werd
tevens de uitschrijving van eene algemeene Amnestie voorgesteld, »op dat
de memorie ende geheugenisse van alle die gepasseerde onlusten,
dissentien ende murmuratien tusschen de Regenten te eenemael mogen
worden weggenomen ende uytgewischt."
Het was dit Reglement, hetwelk op den 19 Maart 1673 bij Staats-resolutie
werd aangenomen, goedgekeurd en uitgevaardigd, waarbij voor den vervolge
een beteren voet van regering werd vastgesteld, en waarmede deze
onzalige staatstwisten een einde namen, tot groote vreugde van al de
welmeenende ingezetenen des lands[238].
[238] Zie deze stukken in het _Charterb._ V 957, 959 env. Ook zijn ze
afzonderlijk gedrukt, en mede opgenomen in het _Recueil van
Reglementen_ enz. gedrukt te _'s Gravenhage_ in 1678, toen er over de
nakoming van deze punten nieuwe geschillen ontstonden.
* * * * *
Deze bijlegging van de geschillen, die zegepraal der partij van den
vooruitgang was niet enkel ter bevordering van de staatkundige regten
des volks en ter afschaffing van vele misbruiken-, maar ook om eene
andere reden eene zaak van groot belang. Hoe gelukkig men in den vorigen
jare ook tegen de buitenlandsche magten had gestreden; met welk gunstig
gevolg de dappere WILLEM III de Franschen op de Hollandsche grenzen
wederstand had geboden, terwijl de RUYTER ter zee de Engelschen met roem
bestreed--de toestand des lands was en bleef nog hoogst gevaarlijk.
Gegrond was hier de vrees, dat de Bisschop van _Munster_ met versche
benden herwaarts zou optrekken, om het verlorene _Koevorden_ te
herwinnen, en deze noordelijke streken op nieuw met kracht aan te
vallen. Ja, zelfs werd er eerlang een gerucht verspreid, dat TURENNE met
eene groote magt naar _Friesland_ zou oprukken. Daarom trachtten de
Staten het gansche gewest tijdig in weerbaren staat te stellen. Reeds
den 25 Januarij 1673 werd bevolen, dat alle manschappen van 18 tot 60
jaren zich moesten voorzien van geweer en dagelijks wapenoefeningen
houden, en dat elk huisgezin één man moest leveren, om op het eerste
bevel uit te trekken. Den 18 Maart werd het bevel herhaald, dat alle
weerbare ingezetenen zich gereed moesten houden, om in geval van nood
dadelijk op te komen. Den 21 April kwam de Veldmaarschalk Prins JOAN
MAURITS _van Nassau_ herwaarts, gevolgd van eenige regimenten ruiterij
en voetvolk, die tot versterking van _Heerenveen_ en _Joure_ gebruikt
werden. Hier vernam hij, dat de Bisschop werkelijk in aantogt was, om
een aanslag op _Koevorden_ te wagen, waarop hij zich dadelijk naar
_Groningen_ begaf, om orde te stellen op het voorzien van genoemde
vesting en de beveiliging van die provincie. Vervolgens gelastte hij
hier de zeesluizen te openen, tot het inunderen van de lage streken;
terwijl er een dam gelegd werd in de Linde, en de wegen op de grenzen
onbruikbaar gemaakt werden. Hij riep de landlieden op, om aan het
versterken van de schansen te arbeiden. Den 11 Julij bepaalden de
Staten, dat het uittrekken van den derden man binnen 14 dagen zou plaats
hebben, waarna het getal daarvan den 28 Julij op 3,000 man werd
vastgesteld, welke iedere 14 dagen door anderen zouden afgelost worden.
Dit uittrekken werd toen echter vertraagd door verschillen over het
onderhouden van die manschappen, hetwelk de Staten ten laste der steden
en grietenijen hadden gebragt[239].
[239] Zie _Charterb._ V 946, 973, 977, 983, 985, 988.
Men had echter goed gezien, dat het gevaar toen op het hoogst was,
en dat men een hevigen aanval van de Bisschoppelijke troepen had
te wachten. Tusschen deze en de onzen hadden er wel gedurig
schermutselingen plaatsgehad, waarbij met afwisselend geluk was
gestreden; ook had Prins MAURITS den 2 Julij vier regimenten voetvolk en
een regiment dragonders der Munsterschen in hun kwartier te _Staphorst_
aangetast, waarna AYLVA te vergeefs een aanval op _Zwartsluis_
waagde:--doch dit alles bragt geene beslissing te weeg, maar diende
enkel, om onze grenzen te beveiligen en den vijand af te matten, of te
ontmoedigen, om aan den voorgenomen aanval te denken[240].
[240] SYLVIUS, _Historien_, I 635, 636.