Nadat _Frankrijk_ en _Engeland_ op den 7 April 1672 aan _Nederland_ den

oorlog hadden verklaard, trok LODEWIJK XIV in persoon aan het hoofd van

een leger van ongeveer 140,000 man met ongemeene snelheid herwaarts, met

oogmerk om _Holland_ in eens binnen te dringen en de republiek in den

hartader te treffen. Boven alle uitdrukking prachtig en ontzagverwekkend

was dat leger, door veldoversten als CONDÉ, TURENNE en DE CHAMILLY

aangevoerd. Wel hadden de Staten-Generaal, na hevige twisten, eindelijk

den twee-en-twintigjarigen Prins WILLEM III het opperbevel over het

krijgsvolk opgedragen en de zoo lang uitgestelde wervingen bevolen; doch

vóór hij met een veldleger van 17,000 man naar de oostelijke grenzen kon

trekken, stroomden de Munstersche en Keulsche troepen _Overijssel_

binnen, waren de steden en vestingen aan den Rijn veroverd en stond

LODEWIJK op onze grenzen om den Rijn over te trekken. Bij dezen

overtogt, waartoe men op den 12 Junij eene doorwaadbare plaats had

gekozen bij het Tolhuis, niet ver van _Lobith_ en de Kleefsche grenzen,

had echter een merkwaardig voorval plaats, dat ik hier wil verhalen, ook

omdat het de eer van der Friezen naam verhoogde te midden van de

smadelijke vernedering des vaderlands.

Nadat de bevelhebber van ons verdedigings-leger in de _Betuwe_, DE

MONTBAS, zijne stellingen aan den Rijn op eene verdachte wijze had

verlaten, werd de Veldmaarschalk WIRTZ door den _Prins van Oranje_ naar

den post bij het Tolhuis gezonden. Hij had onder zijn bevel de vier

regimenten ruiterij van KINGMA, HAERSOLTE, LA LECQ en JOSEPH, en

ontmoette hier het regiment voetvolk van AYLVA. DE MONTBAS had dit

laatste doen aftrekken naar _Nijmegen_. De bevelhebber dezer vesting,

overtuigd van het belang van den post bij het Tolhuis, zond deze Friezen

echter terug, en, nadat ze op nieuw naar _Nijmegen_ waren gezonden,

wederom naar het Tolhuis, waar zij afgemat[219] aankwamen op het

oogenblik, dat de overtogt der Franschen was begonnen. De ruiterij van

WIRTZ trachtte dit te verhinderen, door hevig op de Franschen te vuren.

Vruchteloos deed hij op den door het water trekkenden vijand een aanval,

doch door het vijandelijk kanonvuur bestookt, trok hij terug en nam met

al zijne kavalerie de vlugt. Het regiment van AYLVA, dat WIRTZ krachtig

had ondersteund, was nu aan zich zelf overgelaten, en zag het nuttelooze

van verderen tegenstand in, nu de talrijke vijand eenmaal den oever had

bereikt. Zij willen echter niet vlugten, maar besluiten de wapenen neder

te leggen, zich aan den vijand over te geven en van hem lijfsbehoud te

vragen. CONDÉ staat hun dit verlangen onvoorwaardelijk toe. Daar staan

zij nu geschaard met hun afgelegd geweer aan hunne voeten, in het volle

vertrouwen, dat zij, na zich vruchteloos van hunnen pligt te hebben

gekweten, niets van den vijand hebben te vreezen. Doch, wat zien zij?

Daar vliegt de Hertog DE LONGUEVILLE, wien nog geene gelegenheid tot

eenig wapenfeit was gegeven, gevolgd door een stoet van Edelen, ijlings

aan op hen, die daar rustig staan. Zij zien den dollen hoop op zich

toerijden en denken aan verraad. Zelfs zien zij een hunner officieren

(waarschijnlijk afgezonden om te vernemen, of men zich aan 't woord des

Generaals houden mag) door DE LONGUEVILLE met eene pistool treffen, en

nu is hun besluit genomen, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

Immers, het is op voorwaarde van lijfsbehoud, dat zij de wapenen

nederlegden? Nu zij bedreigd worden, hebben zij het regt die weder op te

vatten.

[219] De _Hollandse Mercurius_, 72, zegt zelfs, dat het "schoone

Regiment van ALUA van 't geduerig marcheren was afgemartelt, eerst uyt

de Spaensse Nederlanden na 't Leger, van daer na Nimwegen, van

Nimwegen na de Rijnkant, van de Rijnkant weer na Nimwegen, en weder

van daer na de Rijnkant."

In de uiterste verwarring schieten zij op den toesnellenden brooddronken

hoop in, en ontstaat er een moorddadig gevecht. Maar voor de laatsten,

die bij den tot dusver gunstig geslaagden togt altijd lachten, is nu de

ure des geweens gekomen. Hoe vermoeid en verontwaardigd de Friezen ook

waren, zij treffen zeker. DE LONGUEVILLE, de aanvoerder, de volle neef

van CONDÉ, stort terneder. Aan zijne zijde valt GUITRI, Grootmeester der

koninklijke garderobe; de Graven DU PLESSIS, DE THEOBON, de Heeren

BOURY, D'AUBUSSON, DE LA FORCE, DE LA SALLE--allen vinden hier hunnen

dood. Vele Prinsen, Hertogen, Graven en aanzienlijke Edelen ontvangen

wonden, waarvan bijna niemand hunner later geheel herstelde.

CONDÉ, het hoofd der gansche armée, dat vreeselijk schieten hoorende,

vliegt toe en gebiedt stilte; maar te vergeefs tracht hij dit bloedbad

te stuiten. Een onzer officieren, OSSENBROEK of HASEBROEK, trekt de

pistool, mikt op CONDÉ, die wel het schot ontwijkt, maar te gelijker

tijd zijn arm, verbrijzeld, aan zijne zijde voelt nederzinken. De wond,

die hij voelt, het verlies van zijn neef en het onverwachte van dezen

aanval maken hem woedend; en, in plaats van nu nog een einde te maken

aan dit gevecht, gebiedt hij thans de aansnellende troepen met alle magt

op de onzen los te rukken. Nu wordt de strijd hernieuwd. »De Fransche

Cavallerye barsten met een groote verwoetheyt los, en vallen met sulken

furie als desperate menschen op dese Vriesen aan, die vigoureuse

Resistentie bieden." Doch wat baatte dezen hun heldenmoed, tegen zulk

eene aanzienlijke overmagt? Zij bezwijken weldra, terwijl de meesten hun

leven duur verkoopen. LODEWIJK ziet het verschrikkelijke lot der zijnen,

en, stampvoetende van spijt en ongeduld, verwenscht hij het oogenblik,

waarin hij eene onderneming begon, die hem, pas op den vijandelijken

bodem getreden, nu reeds meer edellieden en aanvoerders kostte dan

menige veldslag.

Van het schoone regiment VAN AYLVA bleef ten laatste, na langdurige

worsteling, niet meer dan een klein hoopje over. De namen van eenige

hunner aanvoerders zijn ons opgeteekend. Het waren de twee Kapiteins

ANDRIES VAN VELSEN en DUCO VAN HEMMEMA; vijf Luitenants: DOUWE VAN

EPPEMA, HAJO TWINGBERGEN, BARENT HEKMAN, BAVIUS ROMMEDA en JOH. BECHIUS;

drie Vaandrigs: FREDERIK VAN OCKINGA, TARQUINIUS BEINTEMA en JAN DUDEN,

met nog 4 Sergeanten en 105 Soldaten. Zij werden allen naar _Emmerik_

gevoerd, waar zij zich langer dan twee maanden met water en brood

moesten behelpen. De gesneuvelde helden rusten hier op een thans

vergeten akker. Indien zulke mannen door den verraderlijken DE MONTBAS

niet tot viermalen heen en weder gedreven en niet afgemat en te laat

aangekomen waren, om den overtogt te verhinderen--gewis zij zouden als

LEONIDAS met zijne dapperen dezen toegang tot hun vaderland ligt met zoo

veel eer verdedigd hebben als die Spartanen. Zij zouden misschien den

Franschen Koning teruggeworpen hebben. Dan zeker prijkte aan den Rijn

eene eernaald op hun graf; nu rusten ze ongekend en vergeten.

Maar deze dappere Friezen verdienen niet vergeten te worden: want deze

gebeurtenis, als heldenfeit reeds belangrijk op zich zelve, had

buitendien twee gevolgen, welke, op dát oogenblik, voor het vaderland

van groot gewigt waren. Hun moedig gedrag maakte een diepen indruk op

de overmoedige Fransche grooten, die den togt ter verovering van

_Nederland_ als een speeltogtje beschouwden, en werkelijk, zoolang het

leger in aantogt was, weinig tegenstand ontmoetten en geringe verliezen

leden; doch die hier, bij den eersten tred op onzen bodem, al dadelijk

met de eersten van den adel in rouw werden gedompeld. Het tweede

voordeel, hierdoor te weeg gebragt, bestond dáárin, dat CONDÉ hier de

eenige wond ontving, welke hij in al zijne veldtogten heeft bekomen,

waardoor hij langer dan twee maanden te _Emmerik_ aan zijne legerstede

geboeid en buiten gevecht bleef, waardoor zijn plan mislukte, om met

20,000 ruiters, ieder met een soldaat achter zich op het paard,

regelregt op _Amsterdam_ aan te rukken, en deze stad, van waar alle

verdedigings-middelen toen naar elders waren verzonden, te overrompelen,

om in eens zeker te zijn van den val der gansche republiek[220]. Dat

zulk een plan verijdeld werd door dit schot, en dat de Voorzienigheid

door dezen tegenspoed des vijands een eerste blijk gaf van hulp en

bescherming,--ook dit gaf den vaderen moed in hun benarden toestand en

kracht om dien vijand te wederstaan, bij groot gewin van tijd, om zich

in staat van tegenweer te stellen. Dáárom blijve dit weinig bekende feit

in geheugenis. Dáárom blijven wij deze vaderlandsche helden vereeren!

(Zie verder _Aanteekening 24_.)

[220] VALKENIER, 458, zegt duidelijk: "Door dese quetsure van CONDÉ

bleef de groote Resolutie, om op _Amsterdam_ te gaan, geheel achter,

en wierden de concepten geheel verandert." Ook Kapitein W. J. KNOOP,

in zijn belangrijk stuk: _de Verdediging van Nederland_, in _de Gids_,

1851, 317, houdt het voor "zeer waarschijnlijk, dat, wanneer dadelijk

na den overtogt van den Rijn het Fransche leger op Holland was

aangevallen, dat gewest zou zijn veroverd en daarmede het vaderland

verloren."

Bij het voortrukken van de Franschen had Prins WILLEM III _Overijssel_

verlaten en zich naar _Holland_ begeven, ten einde de oostelijke grenzen

dier provincie te bezetten en te verdedigen tegen den vijand. Hij had te

gelijk den Luitenant-Generaal HANS WILLEM _Baron_ VAN AYLVA met zijne

overige benden naar _Friesland_ gezonden, ten einde zich geheel te

wijden aan de bescherming van dit gewest. Doch naauwelijks was deze te

_Leeuwarden_ aangekomen, of hem volgde het berigt, dat alle

Overijsselsche steden zich schandelijk hadden overgegeven, en dat de

Munstersche en Keulsche benden zich door _Drenthe_ naar _Koevorden_ en

_Groningen_ hadden gewend en op de grenzen stonden van _Friesland_.

Algemeene verslagenheid maakte zich van aller gemoederen meester; de

steden waren onbevestigd en van alles onvoorzien, de troepen moedeloos;

het geheele land was vol verwarring en vrees. Men noemde de regering

radeloos, het volk redeloos, het land reddeloos.--In plaats van

vertrouwen op- was er hevige verbittering tegen het landsbestuur, dat,

door het verwaarloozen van de landmagt en van de verdedigings-werken,

den vijand zoo zeer ruim baan had gegeven; terwijl het voetstoots

overgaan van zoo vele steden en sterkten het vermoeden van gepleegd

verraad opwekte. Vele ingezetenen van het platte land vlugtten naar de

steden, waar alles in verwarring verkeerde: want elk was verlegen en

verwachtte ieder oogenblik den vijand.

In dezen hoogen nood verzochten Gedeputeerde Staten de Raden van den

Hove, om hen met raad en daad bij te staan, waarop beide aanzienlijke

collegiën in den nacht van den 13e en 14e Junij 1672 in stilte

bijeenkwamen, om over den gevaarlijken toestand der provincie te

raadplegen. Hier gold het de keus tusschen deze twee uitersten: of men

zich gemeenschappelijk en met alle krachten tegen den vijand zou

verdedigen, dan of men door eene provinciale capitulatie, op gunstige

voorwaarden, zich uit deze onheilen zoude redden. Die keus was voor

Friezen niet lang twijfelachtig. Met ter zijde stelling van alle

bezwaren, nam men »een animeuse en cordate resolutie, om tot behout van

Religie en Vryheyt, voor haardsteden en altaren met gesamentlijke hand

het uyterste te wagen, en goet en bloet tot den laatsten effort te

spendeeren"[221]. Men zond dadelijk afgevaardigden uit, om in _Holland_

en _Groningen_ hulp te erlangen, welke echter door niemand werd

verleend. Men was dus geheel aan eigene krachten overgelaten. De

onmiddellijk bijeengeroepen Staten, die reeds vroeger vast- en bededagen

uitgeschreven en eene geldleening van eenige tonnen gouds geopend

hadden, benoemden nu eene commissie, die met het nemen van maatregelen

tot verdediging dezer provincie werd belast. Zij kon echter over geene

grootere magt beschikken, dan over 22 compagniën voetvolk en 15 à 16

compagniën ruiterij, waarmede het gansche gewest op alle punten bezet en

de aanvallen des vijands afgewend moesten worden. Hoe geringe magt bij

zoo moeijelijke taak! Spoedig riep men dus de vroeger uitgeschrevene

ligting van 3,000 man burgers in de wapenen. De Bevelhebbers van

_Leeuwarden_, die in den nacht dadelijk met den Magistraat, Vroedschap

en Predikanten maatregelen hadden beraamd, boden zich aan, om met de

geheele burgerij uit te trekken; doch bij voorraad werd dit getal

bepaald op 250 man, die in 3 compagniën, benevens eene compagnie

vrijwilligers, reeds den volgenden dag »met ongemeene couragie en

vreugde uyt marcheerden naar _Heerenveen_." Zulk een voorbeeld der

Hoofdstad verdreef alle verslagenheid: want door »dit manmoedig Exempel

der Stede _Leeuwarden_ raakten alle andere Steden in _Vriesland_ te

gelijk met de Huysluyden ten platten lande, om mede in de wapenen te

komen, dapper gaande. Geheele Grietenyen boden sich gewillig aan." Allen

voegden zich bij het krijgsvolk van AYLVA, ten einde »een Legertjen te

formeeren, om daar mede den Vyand te verwachten, en te betoonen, dat sy

noch van 't rechte bloet der oude en beroemde Vriesen waren, die in

stantvastigheyt alle Natiën overtroffen"[222]. Dit leger werd door AYLVA

met veel voorzigtigheid gebruikt en op de grenzen bestendig in beweging

gehouden, zoodat zelfs geen officier kennis droeg van de sterkte dezer

magt, welke den vijand groot ontzag inboezemde.

[221] VALKENIER, 597; _Charterboek_, V 812 en verv.

[222] Zie VALKENIER, _'t Verwerd Europa_, Amst. 1675, 597 en vooral

het uitvoerig verhaal bij SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, I 561.

In allerijl werden nu ook de Buiten-fortificatiën der provincie, of de

schansen _Munnekezijl_, _Friesche palen_, _Zwartedijk_, _Bredenberg_,

_Bekhof_ of _Bekaf_, bij de _Schoterbrug_ enz. hersteld en met

krijgsbehoeften en manschap voorzien. Aan de drie hoofdwegen werden er

nieuwe verschansingen opgeworpen, als bij de _Blessebrug_, aan de

Wetering tegenover de _Oudeschouw_, te _Gorredijk_ en twee aan den

Zwarteweg op een uur afstands van _Leeuwarden_, welke laatste de namen

ontvingen van _Albertine Agnes_ en _Hendrik Casimir_[223]. Een dergelijk

retranchement werd ook aangelegd te _Heerenveen_, waar de Generaal

AYLVA, die met genoemde commissie alles bestuurde, een hoofdkwartier

vestigde. Een ander hoofdkwartier legde hij te _Bergum_, van waar hij

zijne voorposten uitzette aan den hoofdweg op de Suameerder heide, waar

deze zich verschansingen opwierpen. Met veel grond had men toch van de

talrijke belegeraars van _Groningen_ een uitval in deze provincie te

wachten, daar de Bisschop besloten had, eerst _Groningen_ te bemagtigen

en intusschen _Friesland_ met 3 à 4,000 man bestendig in alarm te

houden. Werkelijk had zulk een uitval reeds den 26 Julij plaats. Na in

het Wester-kwartier van _Groningen_ hunne plunder- en roofzucht betoond

te hebben, trokken 13 standaarden bisschoppelijke ruiters over

_Duurswoude_ naar _Dragten_, aan welks zuidzijde zich eene brandwacht

bevond, die, op het zien van de groote magt des vijands, naar de

voorposten op de heide terugtrok. Deze, alzoo van het naderend gevaar

verwittigd, gorden zich aan, trekken den vijand kloekmoedig tegen,

waarna de vooruitrukkende ruiters, nabij _Nijega_, spoedig met de

Bisschoppelijken slaags geraken. Deze, veinzende terug te trekken,

lokken de Friezen in eene hinderlaag, waar een aantal soldaten in het

koren verborgen ligt. Doch nu ondersteunt het Friesche voetvolk de

ruiterij met zooveel dapperheid, dat zij, na een hevig gevecht, de

benden des Bisschops met een verlies van 150 man terugdrijven, waarbij

zij slechts 25 man verloren[224].

[223] Van eenige dezer schansen komen afbeeldingen voor bij SYLVIUS, I

298 en in _d' Ontroerde Leeuw_, 70.

[224] Alleen _d' Ontroerde Leeuw_, 41 en _Holl. Mercurius_ van 1672,

112 maken melding van dit feit, later door SYLVIUS in zijn _Vervolg

op_ AITZEMA en in _it aade Friesche Terp_ medegedeeld. Zie ook van D.

H. VAN DER MEER in den _Friesche Volks Almanak_, 1841, 44 meer

uitvoerige berigten deswege.

De gunstige uitslag van deze eerste aanraking met den vijand versterkte

den moed der ingezetenen en van het gansche verdedigings-leger in geene

geringe mate. Bovendien waren de Friezen onbekrompen genoeg, om, hoezeer

zij aan zich zelve waren overgelaten, in den hoogsten nood het fel

benarde _Groningen_ nog bijstand te bieden met 230 soldaten, 20,000 pond

buskruid en 2,000 Gld. geld, alsmede met een konvooi ruiterij, waarmede

de Generaal AYLVA zelf die stad den 14 Augustus bezocht[225]. Men

vreesde toen echter, dat de vijand ook aan de zuidzijde, van uit

_Steenwijk_, een aanval op _Friesland_ zou wagen. En inderdaad had deze

plaats. Nadat de Munsterschen eenige ruiterij naar _Heerenveen_ hadden

gezonden tot verkenning, en deze door de onzen waren gevangen genomen,

vielen zij in den nacht van den 18 en 19 Augustus op de schans van dit

hoofdkwartier met groote hevigheid aan. Moedig teruggeslagen, herhalen

zij nog twee malen den storm, doch worden door onze dappere verdedigers

op nieuw wederstaan, zoodat zij met schade den terugtogt moesten

aannemen[226].

[225] Dit vermeldt ELDERCAMPIUS in zijn _Journael_ van 't beleg, Gron.

1672, en de _Holl. Mercurius_, 127, 129.

[226] VALKENIER, 807, die in dezen meer te vertrouwen is dan _it aade

Friesche Terp_, 245, dat dezen aanval tusschen den 8 en 9 September

stelt.

Na den vijand alzoo tweewerf tegenstand geboden en teruggeslagen te

hebben, had men zelfs den moed, hem in het veroverde _Overijssel_ aan te

vallen en verliezen toe te brengen. Ofschoon eene poging van AYLVA, om

met 1200 man _de Kuinder_ te veroveren, door het spoedig naderen van

ontzet uit _Kampen_ en _Zwolle_ mislukte, liet men zich daardoor niet

afschrikken. Ook om ontzag in te boezemen, wilde men een stouten aanslag

wagen. Hiertoe werd in de maand Augustus het kleine, doch met zes

bolwerken versterkte _Blokzyl_ gekozen. Na geheime onderhandelingen met

ingezetenen dier plaats, die reeds den Bevelhebber geweigerd hadden,

zich door een eed aan den Bisschop van _Munster_ te verbinden, waarom

hij grootere bezetting had ingenomen, werden den 23 Augustus 450 van de

moedigste Friesche soldaten en schutters, onder geleide van DIRK VAN

BAERDT, Grietman van _West-Stellingwerf_ en Lid van Gedeputeerden, en

onder het bevel van den Kapitein ALBERT CHRISTOFFEL VAN HANIA, over de

Zuiderzee derwaarts gevoerd. Te _Blankenham_, op een uur afstands van

_Blokzijl_, treden zij aan land, en weldra trekt de Munstersche

bevelhebber hen met 300 man en twee veldstukken te gemoet. De Friezen

vallen hem aan, en, na een hevig gevecht, gelukt het hun, hem met zoo

veel overhaasting terug te slaan naar de schans, dat hij naauwelijks den

tijd heeft de poort te sluiten voor zijne vervolgers, die mede pogen

binnen te dringen. De gewapende burgers weigeren niet alleen den

bevelhebber, om met hem de aanvallers te weêrstaan, maar ze dwingen hem

zelfs de sterkte over te geven. Zij besluiten alles tot hunne bevrijding

te wagen, jagen de Munsterschen van de wallen en kappen de Kuinderpoort

open, terwijl intusschen de moedige Friezen de schans hevig aanvallen en

door gracht en poort binnendringen. De vijand vlugt ter Zuiderpoort uit,

maar laat, fel vervolgd en beschoten, nog menige doode achter, en

daaronder ook den Kommandant, die, toen hij zich met de vlugt dacht te

redden, door een Fries wordt doorschoten.

»Alsoo is de Fortresse _Blokzijl_ door de wonderlijke bestieringe des

Almogenden Gods, en de overgroote couragie der Vriesche Officieren ende

Soldaten, als mede door de voorsichtige hulpe en bystand van de

Burgeren, op den 23. Augusti, anno 1672. gewonnen, en in haar oude

Vryheyt gestelt. _Vollenhoven_ is ook daar op van de Vyanden verlaten."

De vroeger tweemalen te vergeefs aangevallene sterke _Kuinder-schans_

werd daardoor mede gedrongen, zich aan de Friezen over te geven.

Wij hebben dit merkwaardige wapenfeit in het bijzonder vermeld, omdat,

nog vóór de verlossing van _Groningen_, »het kleine _Blokzijl_ zich de

eer verwierf, van _het eerst van alle Nederlandsche steden_, het juk der

vreemde overheersching, door eigene dapperheid en de hulp der Friezen,

te hebben afgeworpen"[227]. De moed, om den vijand met goed gevolg te

wederstaan en deze provincie verder te beveiligen, werd hierdoor zeer

verlevendigd, en nog meer door de bevrijding van _Groningen_. Zelfs wil

men, dat dit feit en de magt, welke AYLVA verder ontwikkelde, mede

hebben bijgedragen, om den vijand het beleg van _Groningen_ (28 Aug.) te

doen opbreken.

[227] Zie het uitvoerig verhaal bij SYLVIUS, I 427; VALKENIER, _'t

Verwerd Europa_, 803; _d' Ontroerde Leeuw_, 46; SIEGENBEEK,

_Geschiedenis der Burgerwapening_, 130; BOSSCHA, _Heldend._ II 126.

Ter belooning van "dese heroïque actie der Burgeren" werden, nog in

dat zelfde jaar, aan _Blokzyl_ stedelijke regten toegekend, volgens

octrooi van Prins WILLEM III.

* * * * *

Toen deze voordeelen werden behaald, had er echter in _Friesland_ eene

algemeene volkswapening plaats gehad, en was er eene belangrijke

gebeurtenis voorgevallen, welke groote gevolgen had. Wij willen den loop

dier omstandigheden, uit veelvuldige stukken van dien tijd, zoo kort

mogelijk verhalen.

* * * * *

Reeds hebben wij te kennen gegeven, dat de oorzaak van 's lands ongeval

door vele burgers werd geweten aan de Regenten. De handelingen van velen

hunner hadden het misnoegen der gemeente zoodanig opgewekt, dat zij het

vertrouwen verloren hadden, en bedreigd werden met de blijken eener

verbittering, welke reeds den 21 Junij het onstuimig gemeen van en

omtrent _Sneek_ het huis van den Grietman van _Wymbritseradeel_ te

_Ysbrechtum_ deed plunderen. Niet genoeg, dat overmagtige vijanden dit

gewest van buiten met ondergang bedreigden--nog grootere ramp scheen den

lande te gelijker tijd van binnen beschoren te zijn, door het misnoegen

des volks tegen het gezag en door de verdeeldheid van de Staatsleden

onderling, welke eerlang tot eene ontzettende hoogte stegen.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 22 / 41 段