oorlog hadden verklaard, trok LODEWIJK XIV in persoon aan het hoofd van
een leger van ongeveer 140,000 man met ongemeene snelheid herwaarts, met
oogmerk om _Holland_ in eens binnen te dringen en de republiek in den
hartader te treffen. Boven alle uitdrukking prachtig en ontzagverwekkend
was dat leger, door veldoversten als CONDÉ, TURENNE en DE CHAMILLY
aangevoerd. Wel hadden de Staten-Generaal, na hevige twisten, eindelijk
den twee-en-twintigjarigen Prins WILLEM III het opperbevel over het
krijgsvolk opgedragen en de zoo lang uitgestelde wervingen bevolen; doch
vóór hij met een veldleger van 17,000 man naar de oostelijke grenzen kon
trekken, stroomden de Munstersche en Keulsche troepen _Overijssel_
binnen, waren de steden en vestingen aan den Rijn veroverd en stond
LODEWIJK op onze grenzen om den Rijn over te trekken. Bij dezen
overtogt, waartoe men op den 12 Junij eene doorwaadbare plaats had
gekozen bij het Tolhuis, niet ver van _Lobith_ en de Kleefsche grenzen,
had echter een merkwaardig voorval plaats, dat ik hier wil verhalen, ook
omdat het de eer van der Friezen naam verhoogde te midden van de
smadelijke vernedering des vaderlands.
Nadat de bevelhebber van ons verdedigings-leger in de _Betuwe_, DE
MONTBAS, zijne stellingen aan den Rijn op eene verdachte wijze had
verlaten, werd de Veldmaarschalk WIRTZ door den _Prins van Oranje_ naar
den post bij het Tolhuis gezonden. Hij had onder zijn bevel de vier
regimenten ruiterij van KINGMA, HAERSOLTE, LA LECQ en JOSEPH, en
ontmoette hier het regiment voetvolk van AYLVA. DE MONTBAS had dit
laatste doen aftrekken naar _Nijmegen_. De bevelhebber dezer vesting,
overtuigd van het belang van den post bij het Tolhuis, zond deze Friezen
echter terug, en, nadat ze op nieuw naar _Nijmegen_ waren gezonden,
wederom naar het Tolhuis, waar zij afgemat[219] aankwamen op het
oogenblik, dat de overtogt der Franschen was begonnen. De ruiterij van
WIRTZ trachtte dit te verhinderen, door hevig op de Franschen te vuren.
Vruchteloos deed hij op den door het water trekkenden vijand een aanval,
doch door het vijandelijk kanonvuur bestookt, trok hij terug en nam met
al zijne kavalerie de vlugt. Het regiment van AYLVA, dat WIRTZ krachtig
had ondersteund, was nu aan zich zelf overgelaten, en zag het nuttelooze
van verderen tegenstand in, nu de talrijke vijand eenmaal den oever had
bereikt. Zij willen echter niet vlugten, maar besluiten de wapenen neder
te leggen, zich aan den vijand over te geven en van hem lijfsbehoud te
vragen. CONDÉ staat hun dit verlangen onvoorwaardelijk toe. Daar staan
zij nu geschaard met hun afgelegd geweer aan hunne voeten, in het volle
vertrouwen, dat zij, na zich vruchteloos van hunnen pligt te hebben
gekweten, niets van den vijand hebben te vreezen. Doch, wat zien zij?
Daar vliegt de Hertog DE LONGUEVILLE, wien nog geene gelegenheid tot
eenig wapenfeit was gegeven, gevolgd door een stoet van Edelen, ijlings
aan op hen, die daar rustig staan. Zij zien den dollen hoop op zich
toerijden en denken aan verraad. Zelfs zien zij een hunner officieren
(waarschijnlijk afgezonden om te vernemen, of men zich aan 't woord des
Generaals houden mag) door DE LONGUEVILLE met eene pistool treffen, en
nu is hun besluit genomen, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
Immers, het is op voorwaarde van lijfsbehoud, dat zij de wapenen
nederlegden? Nu zij bedreigd worden, hebben zij het regt die weder op te
vatten.
[219] De _Hollandse Mercurius_, 72, zegt zelfs, dat het "schoone
Regiment van ALUA van 't geduerig marcheren was afgemartelt, eerst uyt
de Spaensse Nederlanden na 't Leger, van daer na Nimwegen, van
Nimwegen na de Rijnkant, van de Rijnkant weer na Nimwegen, en weder
van daer na de Rijnkant."
In de uiterste verwarring schieten zij op den toesnellenden brooddronken
hoop in, en ontstaat er een moorddadig gevecht. Maar voor de laatsten,
die bij den tot dusver gunstig geslaagden togt altijd lachten, is nu de
ure des geweens gekomen. Hoe vermoeid en verontwaardigd de Friezen ook
waren, zij treffen zeker. DE LONGUEVILLE, de aanvoerder, de volle neef
van CONDÉ, stort terneder. Aan zijne zijde valt GUITRI, Grootmeester der
koninklijke garderobe; de Graven DU PLESSIS, DE THEOBON, de Heeren
BOURY, D'AUBUSSON, DE LA FORCE, DE LA SALLE--allen vinden hier hunnen
dood. Vele Prinsen, Hertogen, Graven en aanzienlijke Edelen ontvangen
wonden, waarvan bijna niemand hunner later geheel herstelde.
CONDÉ, het hoofd der gansche armée, dat vreeselijk schieten hoorende,
vliegt toe en gebiedt stilte; maar te vergeefs tracht hij dit bloedbad
te stuiten. Een onzer officieren, OSSENBROEK of HASEBROEK, trekt de
pistool, mikt op CONDÉ, die wel het schot ontwijkt, maar te gelijker
tijd zijn arm, verbrijzeld, aan zijne zijde voelt nederzinken. De wond,
die hij voelt, het verlies van zijn neef en het onverwachte van dezen
aanval maken hem woedend; en, in plaats van nu nog een einde te maken
aan dit gevecht, gebiedt hij thans de aansnellende troepen met alle magt
op de onzen los te rukken. Nu wordt de strijd hernieuwd. »De Fransche
Cavallerye barsten met een groote verwoetheyt los, en vallen met sulken
furie als desperate menschen op dese Vriesen aan, die vigoureuse
Resistentie bieden." Doch wat baatte dezen hun heldenmoed, tegen zulk
eene aanzienlijke overmagt? Zij bezwijken weldra, terwijl de meesten hun
leven duur verkoopen. LODEWIJK ziet het verschrikkelijke lot der zijnen,
en, stampvoetende van spijt en ongeduld, verwenscht hij het oogenblik,
waarin hij eene onderneming begon, die hem, pas op den vijandelijken
bodem getreden, nu reeds meer edellieden en aanvoerders kostte dan
menige veldslag.
Van het schoone regiment VAN AYLVA bleef ten laatste, na langdurige
worsteling, niet meer dan een klein hoopje over. De namen van eenige
hunner aanvoerders zijn ons opgeteekend. Het waren de twee Kapiteins
ANDRIES VAN VELSEN en DUCO VAN HEMMEMA; vijf Luitenants: DOUWE VAN
EPPEMA, HAJO TWINGBERGEN, BARENT HEKMAN, BAVIUS ROMMEDA en JOH. BECHIUS;
drie Vaandrigs: FREDERIK VAN OCKINGA, TARQUINIUS BEINTEMA en JAN DUDEN,
met nog 4 Sergeanten en 105 Soldaten. Zij werden allen naar _Emmerik_
gevoerd, waar zij zich langer dan twee maanden met water en brood
moesten behelpen. De gesneuvelde helden rusten hier op een thans
vergeten akker. Indien zulke mannen door den verraderlijken DE MONTBAS
niet tot viermalen heen en weder gedreven en niet afgemat en te laat
aangekomen waren, om den overtogt te verhinderen--gewis zij zouden als
LEONIDAS met zijne dapperen dezen toegang tot hun vaderland ligt met zoo
veel eer verdedigd hebben als die Spartanen. Zij zouden misschien den
Franschen Koning teruggeworpen hebben. Dan zeker prijkte aan den Rijn
eene eernaald op hun graf; nu rusten ze ongekend en vergeten.
Maar deze dappere Friezen verdienen niet vergeten te worden: want deze
gebeurtenis, als heldenfeit reeds belangrijk op zich zelve, had
buitendien twee gevolgen, welke, op dát oogenblik, voor het vaderland
van groot gewigt waren. Hun moedig gedrag maakte een diepen indruk op
de overmoedige Fransche grooten, die den togt ter verovering van
_Nederland_ als een speeltogtje beschouwden, en werkelijk, zoolang het
leger in aantogt was, weinig tegenstand ontmoetten en geringe verliezen
leden; doch die hier, bij den eersten tred op onzen bodem, al dadelijk
met de eersten van den adel in rouw werden gedompeld. Het tweede
voordeel, hierdoor te weeg gebragt, bestond dáárin, dat CONDÉ hier de
eenige wond ontving, welke hij in al zijne veldtogten heeft bekomen,
waardoor hij langer dan twee maanden te _Emmerik_ aan zijne legerstede
geboeid en buiten gevecht bleef, waardoor zijn plan mislukte, om met
20,000 ruiters, ieder met een soldaat achter zich op het paard,
regelregt op _Amsterdam_ aan te rukken, en deze stad, van waar alle
verdedigings-middelen toen naar elders waren verzonden, te overrompelen,
om in eens zeker te zijn van den val der gansche republiek[220]. Dat
zulk een plan verijdeld werd door dit schot, en dat de Voorzienigheid
door dezen tegenspoed des vijands een eerste blijk gaf van hulp en
bescherming,--ook dit gaf den vaderen moed in hun benarden toestand en
kracht om dien vijand te wederstaan, bij groot gewin van tijd, om zich
in staat van tegenweer te stellen. Dáárom blijve dit weinig bekende feit
in geheugenis. Dáárom blijven wij deze vaderlandsche helden vereeren!
(Zie verder _Aanteekening 24_.)
[220] VALKENIER, 458, zegt duidelijk: "Door dese quetsure van CONDÉ
bleef de groote Resolutie, om op _Amsterdam_ te gaan, geheel achter,
en wierden de concepten geheel verandert." Ook Kapitein W. J. KNOOP,
in zijn belangrijk stuk: _de Verdediging van Nederland_, in _de Gids_,
1851, 317, houdt het voor "zeer waarschijnlijk, dat, wanneer dadelijk
na den overtogt van den Rijn het Fransche leger op Holland was
aangevallen, dat gewest zou zijn veroverd en daarmede het vaderland
verloren."
Bij het voortrukken van de Franschen had Prins WILLEM III _Overijssel_
verlaten en zich naar _Holland_ begeven, ten einde de oostelijke grenzen
dier provincie te bezetten en te verdedigen tegen den vijand. Hij had te
gelijk den Luitenant-Generaal HANS WILLEM _Baron_ VAN AYLVA met zijne
overige benden naar _Friesland_ gezonden, ten einde zich geheel te
wijden aan de bescherming van dit gewest. Doch naauwelijks was deze te
_Leeuwarden_ aangekomen, of hem volgde het berigt, dat alle
Overijsselsche steden zich schandelijk hadden overgegeven, en dat de
Munstersche en Keulsche benden zich door _Drenthe_ naar _Koevorden_ en
_Groningen_ hadden gewend en op de grenzen stonden van _Friesland_.
Algemeene verslagenheid maakte zich van aller gemoederen meester; de
steden waren onbevestigd en van alles onvoorzien, de troepen moedeloos;
het geheele land was vol verwarring en vrees. Men noemde de regering
radeloos, het volk redeloos, het land reddeloos.--In plaats van
vertrouwen op- was er hevige verbittering tegen het landsbestuur, dat,
door het verwaarloozen van de landmagt en van de verdedigings-werken,
den vijand zoo zeer ruim baan had gegeven; terwijl het voetstoots
overgaan van zoo vele steden en sterkten het vermoeden van gepleegd
verraad opwekte. Vele ingezetenen van het platte land vlugtten naar de
steden, waar alles in verwarring verkeerde: want elk was verlegen en
verwachtte ieder oogenblik den vijand.
In dezen hoogen nood verzochten Gedeputeerde Staten de Raden van den
Hove, om hen met raad en daad bij te staan, waarop beide aanzienlijke
collegiën in den nacht van den 13e en 14e Junij 1672 in stilte
bijeenkwamen, om over den gevaarlijken toestand der provincie te
raadplegen. Hier gold het de keus tusschen deze twee uitersten: of men
zich gemeenschappelijk en met alle krachten tegen den vijand zou
verdedigen, dan of men door eene provinciale capitulatie, op gunstige
voorwaarden, zich uit deze onheilen zoude redden. Die keus was voor
Friezen niet lang twijfelachtig. Met ter zijde stelling van alle
bezwaren, nam men »een animeuse en cordate resolutie, om tot behout van
Religie en Vryheyt, voor haardsteden en altaren met gesamentlijke hand
het uyterste te wagen, en goet en bloet tot den laatsten effort te
spendeeren"[221]. Men zond dadelijk afgevaardigden uit, om in _Holland_
en _Groningen_ hulp te erlangen, welke echter door niemand werd
verleend. Men was dus geheel aan eigene krachten overgelaten. De
onmiddellijk bijeengeroepen Staten, die reeds vroeger vast- en bededagen
uitgeschreven en eene geldleening van eenige tonnen gouds geopend
hadden, benoemden nu eene commissie, die met het nemen van maatregelen
tot verdediging dezer provincie werd belast. Zij kon echter over geene
grootere magt beschikken, dan over 22 compagniën voetvolk en 15 à 16
compagniën ruiterij, waarmede het gansche gewest op alle punten bezet en
de aanvallen des vijands afgewend moesten worden. Hoe geringe magt bij
zoo moeijelijke taak! Spoedig riep men dus de vroeger uitgeschrevene
ligting van 3,000 man burgers in de wapenen. De Bevelhebbers van
_Leeuwarden_, die in den nacht dadelijk met den Magistraat, Vroedschap
en Predikanten maatregelen hadden beraamd, boden zich aan, om met de
geheele burgerij uit te trekken; doch bij voorraad werd dit getal
bepaald op 250 man, die in 3 compagniën, benevens eene compagnie
vrijwilligers, reeds den volgenden dag »met ongemeene couragie en
vreugde uyt marcheerden naar _Heerenveen_." Zulk een voorbeeld der
Hoofdstad verdreef alle verslagenheid: want door »dit manmoedig Exempel
der Stede _Leeuwarden_ raakten alle andere Steden in _Vriesland_ te
gelijk met de Huysluyden ten platten lande, om mede in de wapenen te
komen, dapper gaande. Geheele Grietenyen boden sich gewillig aan." Allen
voegden zich bij het krijgsvolk van AYLVA, ten einde »een Legertjen te
formeeren, om daar mede den Vyand te verwachten, en te betoonen, dat sy
noch van 't rechte bloet der oude en beroemde Vriesen waren, die in
stantvastigheyt alle Natiën overtroffen"[222]. Dit leger werd door AYLVA
met veel voorzigtigheid gebruikt en op de grenzen bestendig in beweging
gehouden, zoodat zelfs geen officier kennis droeg van de sterkte dezer
magt, welke den vijand groot ontzag inboezemde.
[221] VALKENIER, 597; _Charterboek_, V 812 en verv.
[222] Zie VALKENIER, _'t Verwerd Europa_, Amst. 1675, 597 en vooral
het uitvoerig verhaal bij SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, I 561.
In allerijl werden nu ook de Buiten-fortificatiën der provincie, of de
schansen _Munnekezijl_, _Friesche palen_, _Zwartedijk_, _Bredenberg_,
_Bekhof_ of _Bekaf_, bij de _Schoterbrug_ enz. hersteld en met
krijgsbehoeften en manschap voorzien. Aan de drie hoofdwegen werden er
nieuwe verschansingen opgeworpen, als bij de _Blessebrug_, aan de
Wetering tegenover de _Oudeschouw_, te _Gorredijk_ en twee aan den
Zwarteweg op een uur afstands van _Leeuwarden_, welke laatste de namen
ontvingen van _Albertine Agnes_ en _Hendrik Casimir_[223]. Een dergelijk
retranchement werd ook aangelegd te _Heerenveen_, waar de Generaal
AYLVA, die met genoemde commissie alles bestuurde, een hoofdkwartier
vestigde. Een ander hoofdkwartier legde hij te _Bergum_, van waar hij
zijne voorposten uitzette aan den hoofdweg op de Suameerder heide, waar
deze zich verschansingen opwierpen. Met veel grond had men toch van de
talrijke belegeraars van _Groningen_ een uitval in deze provincie te
wachten, daar de Bisschop besloten had, eerst _Groningen_ te bemagtigen
en intusschen _Friesland_ met 3 à 4,000 man bestendig in alarm te
houden. Werkelijk had zulk een uitval reeds den 26 Julij plaats. Na in
het Wester-kwartier van _Groningen_ hunne plunder- en roofzucht betoond
te hebben, trokken 13 standaarden bisschoppelijke ruiters over
_Duurswoude_ naar _Dragten_, aan welks zuidzijde zich eene brandwacht
bevond, die, op het zien van de groote magt des vijands, naar de
voorposten op de heide terugtrok. Deze, alzoo van het naderend gevaar
verwittigd, gorden zich aan, trekken den vijand kloekmoedig tegen,
waarna de vooruitrukkende ruiters, nabij _Nijega_, spoedig met de
Bisschoppelijken slaags geraken. Deze, veinzende terug te trekken,
lokken de Friezen in eene hinderlaag, waar een aantal soldaten in het
koren verborgen ligt. Doch nu ondersteunt het Friesche voetvolk de
ruiterij met zooveel dapperheid, dat zij, na een hevig gevecht, de
benden des Bisschops met een verlies van 150 man terugdrijven, waarbij
zij slechts 25 man verloren[224].
[223] Van eenige dezer schansen komen afbeeldingen voor bij SYLVIUS, I
298 en in _d' Ontroerde Leeuw_, 70.
[224] Alleen _d' Ontroerde Leeuw_, 41 en _Holl. Mercurius_ van 1672,
112 maken melding van dit feit, later door SYLVIUS in zijn _Vervolg
op_ AITZEMA en in _it aade Friesche Terp_ medegedeeld. Zie ook van D.
H. VAN DER MEER in den _Friesche Volks Almanak_, 1841, 44 meer
uitvoerige berigten deswege.
De gunstige uitslag van deze eerste aanraking met den vijand versterkte
den moed der ingezetenen en van het gansche verdedigings-leger in geene
geringe mate. Bovendien waren de Friezen onbekrompen genoeg, om, hoezeer
zij aan zich zelve waren overgelaten, in den hoogsten nood het fel
benarde _Groningen_ nog bijstand te bieden met 230 soldaten, 20,000 pond
buskruid en 2,000 Gld. geld, alsmede met een konvooi ruiterij, waarmede
de Generaal AYLVA zelf die stad den 14 Augustus bezocht[225]. Men
vreesde toen echter, dat de vijand ook aan de zuidzijde, van uit
_Steenwijk_, een aanval op _Friesland_ zou wagen. En inderdaad had deze
plaats. Nadat de Munsterschen eenige ruiterij naar _Heerenveen_ hadden
gezonden tot verkenning, en deze door de onzen waren gevangen genomen,
vielen zij in den nacht van den 18 en 19 Augustus op de schans van dit
hoofdkwartier met groote hevigheid aan. Moedig teruggeslagen, herhalen
zij nog twee malen den storm, doch worden door onze dappere verdedigers
op nieuw wederstaan, zoodat zij met schade den terugtogt moesten
aannemen[226].
[225] Dit vermeldt ELDERCAMPIUS in zijn _Journael_ van 't beleg, Gron.
1672, en de _Holl. Mercurius_, 127, 129.
[226] VALKENIER, 807, die in dezen meer te vertrouwen is dan _it aade
Friesche Terp_, 245, dat dezen aanval tusschen den 8 en 9 September
stelt.
Na den vijand alzoo tweewerf tegenstand geboden en teruggeslagen te
hebben, had men zelfs den moed, hem in het veroverde _Overijssel_ aan te
vallen en verliezen toe te brengen. Ofschoon eene poging van AYLVA, om
met 1200 man _de Kuinder_ te veroveren, door het spoedig naderen van
ontzet uit _Kampen_ en _Zwolle_ mislukte, liet men zich daardoor niet
afschrikken. Ook om ontzag in te boezemen, wilde men een stouten aanslag
wagen. Hiertoe werd in de maand Augustus het kleine, doch met zes
bolwerken versterkte _Blokzyl_ gekozen. Na geheime onderhandelingen met
ingezetenen dier plaats, die reeds den Bevelhebber geweigerd hadden,
zich door een eed aan den Bisschop van _Munster_ te verbinden, waarom
hij grootere bezetting had ingenomen, werden den 23 Augustus 450 van de
moedigste Friesche soldaten en schutters, onder geleide van DIRK VAN
BAERDT, Grietman van _West-Stellingwerf_ en Lid van Gedeputeerden, en
onder het bevel van den Kapitein ALBERT CHRISTOFFEL VAN HANIA, over de
Zuiderzee derwaarts gevoerd. Te _Blankenham_, op een uur afstands van
_Blokzijl_, treden zij aan land, en weldra trekt de Munstersche
bevelhebber hen met 300 man en twee veldstukken te gemoet. De Friezen
vallen hem aan, en, na een hevig gevecht, gelukt het hun, hem met zoo
veel overhaasting terug te slaan naar de schans, dat hij naauwelijks den
tijd heeft de poort te sluiten voor zijne vervolgers, die mede pogen
binnen te dringen. De gewapende burgers weigeren niet alleen den
bevelhebber, om met hem de aanvallers te weêrstaan, maar ze dwingen hem
zelfs de sterkte over te geven. Zij besluiten alles tot hunne bevrijding
te wagen, jagen de Munsterschen van de wallen en kappen de Kuinderpoort
open, terwijl intusschen de moedige Friezen de schans hevig aanvallen en
door gracht en poort binnendringen. De vijand vlugt ter Zuiderpoort uit,
maar laat, fel vervolgd en beschoten, nog menige doode achter, en
daaronder ook den Kommandant, die, toen hij zich met de vlugt dacht te
redden, door een Fries wordt doorschoten.
»Alsoo is de Fortresse _Blokzijl_ door de wonderlijke bestieringe des
Almogenden Gods, en de overgroote couragie der Vriesche Officieren ende
Soldaten, als mede door de voorsichtige hulpe en bystand van de
Burgeren, op den 23. Augusti, anno 1672. gewonnen, en in haar oude
Vryheyt gestelt. _Vollenhoven_ is ook daar op van de Vyanden verlaten."
De vroeger tweemalen te vergeefs aangevallene sterke _Kuinder-schans_
werd daardoor mede gedrongen, zich aan de Friezen over te geven.
Wij hebben dit merkwaardige wapenfeit in het bijzonder vermeld, omdat,
nog vóór de verlossing van _Groningen_, »het kleine _Blokzijl_ zich de
eer verwierf, van _het eerst van alle Nederlandsche steden_, het juk der
vreemde overheersching, door eigene dapperheid en de hulp der Friezen,
te hebben afgeworpen"[227]. De moed, om den vijand met goed gevolg te
wederstaan en deze provincie verder te beveiligen, werd hierdoor zeer
verlevendigd, en nog meer door de bevrijding van _Groningen_. Zelfs wil
men, dat dit feit en de magt, welke AYLVA verder ontwikkelde, mede
hebben bijgedragen, om den vijand het beleg van _Groningen_ (28 Aug.) te
doen opbreken.
[227] Zie het uitvoerig verhaal bij SYLVIUS, I 427; VALKENIER, _'t
Verwerd Europa_, 803; _d' Ontroerde Leeuw_, 46; SIEGENBEEK,
_Geschiedenis der Burgerwapening_, 130; BOSSCHA, _Heldend._ II 126.
Ter belooning van "dese heroïque actie der Burgeren" werden, nog in
dat zelfde jaar, aan _Blokzyl_ stedelijke regten toegekend, volgens
octrooi van Prins WILLEM III.
* * * * *
Toen deze voordeelen werden behaald, had er echter in _Friesland_ eene
algemeene volkswapening plaats gehad, en was er eene belangrijke
gebeurtenis voorgevallen, welke groote gevolgen had. Wij willen den loop
dier omstandigheden, uit veelvuldige stukken van dien tijd, zoo kort
mogelijk verhalen.
* * * * *
Reeds hebben wij te kennen gegeven, dat de oorzaak van 's lands ongeval
door vele burgers werd geweten aan de Regenten. De handelingen van velen
hunner hadden het misnoegen der gemeente zoodanig opgewekt, dat zij het
vertrouwen verloren hadden, en bedreigd werden met de blijken eener
verbittering, welke reeds den 21 Junij het onstuimig gemeen van en
omtrent _Sneek_ het huis van den Grietman van _Wymbritseradeel_ te
_Ysbrechtum_ deed plunderen. Niet genoeg, dat overmagtige vijanden dit
gewest van buiten met ondergang bedreigden--nog grootere ramp scheen den
lande te gelijker tijd van binnen beschoren te zijn, door het misnoegen
des volks tegen het gezag en door de verdeeldheid van de Staatsleden
onderling, welke eerlang tot eene ontzettende hoogte stegen.