Nadat JOHAN DE WITT in 1653 Raadpensionaris van _Holland_ was geworden,

deed hij moeite dezen oorlog te doen eindigen, hetgeen eerst in 1654

gelukte. Bij voortduring werd er echter eene uitbreiding onzer zeemagt

vereischt, om het gezag van den Staat als zeemogendheid te vestigen.

Hierin slaagde men boven verwachting, en mogten onze voortreffelijke

zeevoogden DE RUYTER, CORN. TROMP, DE WITH, VAN WASSENAAR en anderen

grooten roem behalen bij de bescherming van onzen handel in de Oostzee

en de verdediging van _Denemarken_ tegen _Zweden_ (1655, 1659), door het

straffen van de zeeroovers in de Middellandsche zee (1656, 1661), door

het beteugelen van de Kaapvaart der Franschen (1656), in den oorlog met

_Portugal_ (1657), en bij de bescherming van onzen handel, scheepvaart

en buitenlandsche bezittingen. KAREL II, die in _Holland_ zoo vele

blijken van gastvrijheid en hulde had ontvangen, was echter naauwelijks

op den Engelschen troon hersteld, of deze trouwlooze Vorst deed

_Nederland_, welks bloeijende handel ook zijn nijd en wrevel had

opgewekt, den oorlog aan (1665), nadat de vijandelijkheden reeds vroeger

op eene verraderlijke wijze waren begonnen door het wegnemen van eenige

onzer schepen en bezittingen. De verontwaardiging over zulk eene

handelwijze spande de veerkracht onzer landgenooten, om alles aan te

wenden, wat tot wederstand en vernedering van zulk een vijand kon

strekken. De Staten van _Friesland_ waren thans meer dan ooit gezind,

het hunne tot versterking der vloot bij te dragen. »Nu ontwikkelde ook

de Vriesche Admiraliteit eene tot dusverre ongekende magt. Met geenen

minderen ijver dan hare gezusters bezield, wist zij thans niet alleen

het getal harer schepen aanmerkelijk te vermeerderen, maar dezelve ook

zoodanig te doen uitrusten, dat zij onder de schoonste, best gewapende

en uitmuntendst bemande van 's Lands vloot gerekend werden[199];

waardoor de Vriesche zeelieden in de gelegenheid gesteld werden, om

onder bijzondere opperhoofden deel te nemen aan de groote zeeslagen van

dit tijdperk, hunnen van oudsher verkregen roem mannelijk te handhaven

en zelfs te vermeerderen. Met den aanvang van dezen oorlog verdubbelde

die Admiraliteit hare werkzaamheden, en nam het getal van hare groote

schepen zoo aanmerkelijk toe, dat zij in staat was, een aanzienlijk en

voortreffelijk smaldeel te leveren, hetwelk met die der overige

collegien niet slechts kon vergeleken worden, maar die van sommige

overtrof. Nu meenden de Staten van _Vriesland_, daartoe aangespoord door

hetgeen omtrent de verheffing van zoo vele hoofdbevelhebbers in

_Holland_ en _Zeeland_ gebeurd was, het noodig en nuttig te wezen, en

geregtigd te zijn, om over hunne scheepsmagt ook eenen Luitenant- en

Vice-Admiraal en eenen Schout-bij-nacht aan te stellen; tot welke

waardigheden zij, in Lentemaand 1665, verhieven de Kapiteinen AUKE

STELLINGWERF, RUDOLF COENDERS en HENDRIK BRUYNSVELT"[200].

[199] "Dit getuigt, onder anderen, de Raadpensionaris J. DE WITT, in

een' zijner brieven aan de Algemeene Staten."

[200] DE JONGE, _Zeewezen_, II _b_ 32, 105. Waar het mogelijk is, wil

ik over dit onderwerp het liefst de eigene woorden van dezen bevoegden

beoordeelaar mededeelen, die zeker het meeste gezag verdient.

Deze, aan het hoofd geplaatst van het 5e eskader, dat uit 14 Friesche en

Groninger oorlogsschepen bestond, vereenigden zich met 's lands vloot,

welke door de zorg der Admiraliteiten en van DE WITT tot eene ongemeene

sterkte was opgevoerd, vermits zij een getal uitmaakte van 103 schepen

van oorlog, 7 jagten, 11 branders en 12 galjoten, gewapend met 4869

stukken geschuts en voorzien met ruim 21,000 matrozen en soldaten. Deze

magtige vloot, welke men bestand achtte, om zich met de Engelsche

zeemagt te meten, stak den 23 Mei 1665 onder het opperbevel van den

Luitenant-Admiraal JACOB VAN WASSENAAR OBDAM in zee. Doch tegen alle

verwachting was de uitslag hoogst ongunstig. Ofschoon vele vlootvoogden

wonderen van dapperheid bedreven, liet de, voor deze taak niet volkomen

berekende, opperbevelhebber de gunstigste gelegenheid om op de

Engelschen voordeel te behalen, voorbijgaan, zoodat, toen hij zelf met

zijn schip in de lucht vloog,--de wakkere Admiraal KORTENAER gevallen en

ook onze Admiraal STELLINGWERFF gesneuveld en diens schip, de

Zevenwouden, door de Engelschen genomen was, de gansche vloot met

groot verlies aftrok en veel verminderd en zwaar beschadigd in de

vaderlandsche havens terugkeerde. Vele kapiteins werden wegens

pligtverzuim strengelijk gestraft, doch ook andere, die zich dapper

hadden gedragen, geprezen en bevorderd. Onder deze laatste was TJERK

HIDDES DE VRIES van _Sexbierum_, die, als Kapitein van het schip: de

Steden, zich op dezen togt door ongemeene manhaftigheid en schrander

doorzigt onderscheiden hebbende[201], dadelijk in STELLINGWERFF'S plaats

tot _Luitenant-Admiraal van Friesland_ werd aangesteld. Met weergalooze

kracht-inspanning werd de ontredderde vloot hersteld, en reeds in

Augustus des zelfden jaars weder naar zee gezonden, en nu wel onder het

opperbevel van den algemeen geachten Luit.-Admiraal DE RUYTER, die, pas

uit _Amerika_ in het vaderland teruggekeerd, onzen DE VRIES het bevel

over een der vier smaldeelen van de vloot toevertrouwde. Hoe krachtig en

moedig de onzen nu ook waren, zij vonden dit jaar geene gelegenheid, om

met de Engelschen slaags te geraken. Men bleef zich dus versterken, in

de hoop van in den volgenden jare den vijand op eene geduchte wijze te

vernederen. Hiertoe werden krachtige toebereidselen gemaakt, en stonden

de Friesche Staten dit jaar eene som van ruim 900,000 Gld. der

Admiraliteit ten behoeve der zeemagt toe, en schroomde men niet, daartoe

buitengewone heffingen en geldleeningen te doen[202].

[201] Zie een belangrijken brief van hem bij AITZEMA, XI _b_ 919;

WAGENAAR, XIII 147 env.; DE JONGE, II _b_ 180, 247, 281 env.

[202] Resol. van Gedeputeerden; _Reg. Staats-res_. 13, 206; _Chartb._

V 747, 749, 750; VITRINGA, _Memoriale Annotatien_, I 412 env.

Werkelijk stak DE RUYTER den 5 Junij 1666 met eene verbazende vloot in

zee, waarvan het tweede smaldeel, groot 28 schepen, geplaatst werd onder

het bevel van TJERK HIDDES, die nu het schip _Groot Frisia_ voerde.

Hevig was de hierop gevolgde vierdaagsche zeestrijd, waarin

laatstgenoemde zeeheld, nadat EVERTSEN gesneuveld was, veelvuldige

blijken gaf van ongemeene dapperheid, door bij herhaling moedig op den

vijand in te breken, zoodat zelfs vreemden hem den lof gaven, dat hij

»een der beste en kloekmoedigste Opperhoofden was, dien een groot deel

der overwinning toekwam"[203]. Mede onderscheidde zich zijn

Schout-bij-nacht HENDRIK BRUNSVELDT, van wien gemeld wordt, dat hij

»sich wonder mannelyk queet: want van twee Vyandts Scheepen ter

wederzyde aan boord geklampt zijnde, sulcx dat hij in het midden was

leggende, soo heeft hy, in plaats van sich (gelyk de Engelsche Admiraal

GEORGE ASCUE ghedaen heeft) op te geven en om quartier te roepen, syn

Volk tot dapperheydt aangemoedight, en gheordineert, dat se ter

weder-zyden souden overspringen en Enteren, gelyk ook aanstonts soo

gheseght soo gedaen wierdt, nemende de valjante BRUNSVELDT, eer hy

eenige assistentie konde bekomen, beyde zyn Bespringers wegh, en maakte

hun beyde tot syn ghevangens." Niet genoeg bezet en daarna bevrijd,

werden deze schepen van 40 en 58 stukken echter door Kapitein PAAUW ten

tweeden male vermeesterd[204].

[203] _Memorien van den Grave de Guiche_, bl. 262 en 277 van het orig.

en 270 en 286 van de vert. Deze Fransche edelman, die zich met andere

aanzienlijke personen op de vloot bevond, schreef den naam van TJERK

HIDDES naar zijne Fransche uitspraak KIERKIDES, welke spelling ook de

schrandere vertaler behouden heeft.

[204] Ik vond dit verhaal (bij DE JONGE, II _b_ 282 en in het

officiëel verslag in den _Holl. Mercurius_, 90 slechts kort vermeld)

in een oorspronkelijk _Zee-Journael_ van dien togt, zoo als die

destijds, bij gemis van Couranten, te _Amsterdam_ en elders werden

gedrukt en onder den naam van _Nieuwe Tijdingen_ verspreid.--In 1663

hadden Gedeputeerde Staten hier een vasten _Post_ opgerigt, tweemalen

ter week van _Leeuwarden_ op _Zwolle_ en verdere plaatsen. Het _Huis

Benthem_ was hier het eerste Postkantoor en JETSE STIENSMA de eerste

Postmeester. _Charterboek_, V 693, 707.

Groot was de vreugde in het vaderland over de schitterende overwinning,

welke op dezen togt werd behaald. Men wilde echter het behaalde voordeel

vervolgen en den vijand door vernedering tot vrede dwingen. Met den

meesten ijver werd de vloot van de bekomene schade hersteld, zoodat

reeds in Julij weder eene zeemagt het vaderland verliet, welke uit niet

minder dan 118 zeilen, voorzien met ruim 22,000 man, bestond. Op den 4

Augustus 1666 ving de strijd weder aan, doch onder min gunstige

omstandigheden voor de onzen. Het Zeeuwsch en Friesch smaldeel, onder de

Luit.-Admiralen JAN EVERTSEN en TJERK HIDDES DE VRIES, had de voorhoede,

viel het Engelsch eskader der witte vlag kloekmoedig aan en leed daarbij

geweldig, doch verdedigde zich gedurende eenige uren mannelijk. Weldra

echter werden beide Admiralen, gelijk ook de Vice-Admiraal COENDERS, in

het heetste van het gevecht, doodelijk gewond. »Hierdoor van hunne

voornaamste Hoofden verstoken, verliezen de anderzins dappere Zeeuwen en

Vriezen hunne gewone kloekmoedigheid." Terwijl nu de voorhoede wijkt,

verflaauwt de moed der overige schepelingen van dit eskader, en valt de

vijand met des te meer geweld op den middeltogt van DE RUYTER aan, die,

eindelijk, strijdende wijkt en vervolgens den terugtogt aanneemt, zoodat

hij met geringe verliezen de vloot in het verslagene vaderland

terugbragt. In het volgende jaar 1667 wischte hij echter door zijn

stouten togt naar _Chattam_ de smet dezer nederlaag uit, en werden de

Engelschen gedwongen tot vrede, die nog in dat jaar te _Breda_ werd

gesloten[205].

[205] DE JONGE, II _b_ 336, 344 env.; WAGENAAR, XIII 210; _Holl.

Mercurius_, 115; AITZEMA, XII 97; BRANDT, 515.

Voor _Friesland_ vooral was het sneuvelen van den voortreffelijken TJERK

HIDDES DE VRIES een groot en onherstelbaar verlies. De Zeeuwsche

Admiraliteit getuigde van hem[206], »dat hij begaafd was met vele

uitmuntende hoedanigheden, om zijne betrekking van Luitenant-Admiraal

waardiglijk te bekleeden, en dat hij in de uitvoering daarvan

menigvuldige bewijzen gegeven heeft, niet alleen van soldaat- en

zeemanschap, maar ook van goede orde en conduite, mitsgaders van

prompte expeditie." DE RUYTER schatte hem zóó hoog, dat hij niemand

waardiger achtte hem in het opperbevel op te volgen dan DE VRIES, van

wiens kunde en trouw hij volkomen overtuigd was. Algemeen werd hij »als

een der kundigste en dapperste Zeehelden van dit tijdperk" geroemd. Ook

's lands Staten gaven blijken van hunne erkentenis bij zijnen dood, door

het bezorgen van eene plegtige uitvaart bij zijne begrafenis te

_Harlingen_, en door den zoon, na zijn sneuvelen geboren en tevens

moederloos geworden, in hunne bescherming te nemen[207].

[206] DE JONGE, II _b_ 353; III _a_ 417. Zijne beste levensbeschrijv.

is die in de _Levens van Nederl. Mannen en Vrouwen_, Amst. en Harl.

1776, III 1; KOK, XXX, 36; BRANDT, _de Ruiter_, 401, 407, 419, 423,

424 env. Zie verder _Aanteekening 23_.

[207] Deze zoon, TJERK DE VRIES, ook in 's lands zeedienst opgeleid,

stierf reeds in 1689 als Kapitein van en op 's lands oorlogsschip: de

Brack op een terugtogt van _Engeland_.

Tot opvolger van DE VRIES werd niet de vroeger zoo loffelijk

vermelde DOUWE AUKES gekozen, maar een edelman, HANS WILLEM _Baron_

VAN AYLVA, die toen Kolonel was bij het krijgsvolk te land; een man,

die wel in 1667 den togt naar _Chattam_ mede maakte, doch een land- en

geen zee-officier was, waarom hij in 1672, toen hij tevens tot

Luitenant-Generaal der landmagt was bevorderd, zich niet bij de vloot

voegde, maar, beter op zijne plaats, tot bescherming van _Friesland_ aan

land bleef[208].

[208] Zie over AYLVA als Luit.-Admiraal: BRANDT, 558, 573, 585, 589,

590, 594, 598, 599, 644, 646; DE JONGE, II _b_ 421; III _a_ 51, 124.

Tot dien laatstgenoemden zeetogt leverde _Friesland_ slechts een fregat

en een advisjacht, en in 1673 voegden zich slechts drie Friesche

oorlogsschepen, benevens een brander en twee kleine vaartuigen, bij 's

lands vloot. Ook werd er in AYLVA'S plaats geen nieuwe Luit.-Admiraal

aangesteld. De groote inspanning, om zich tegen den vijand te land te

verdedigen, geldgebrek, verschillen met _Groningen_ en tusschen de

Staatsleden, en bewegingen onder het volk, gevoegd bij toenemende

onverschilligheid omtrent _Frieslands_ belang bij eene zoo talrijke

vloot--ziedaar zoo vele redenen, »waardoor de Vriesche zeemagt, welke in

den voorgaanden oorlog zulk eene luisterrijke plaats in de vloot bekleed

had, van hare kortstondige grootheid verviel"[209].

[209] Zie deze redenen breeder ontwikkeld bij DE JONGE, III _a_ 204.

In weerwil de bloei der Friesche Admiraliteit zoo zeer was gedaald,

bleven de Friesche zeelieden op de vloot, met de Zeeuwen onder BANCKERS

vereenigd, bij herhaling blijken van dapperheid betoonen, door den

vijand de meest mogelijke afbreuk toe te brengen. Ook waren er bij die

vroegere togten mannen gevormd, die eerst later in de gelegenheid kwamen

zich door roemrijke daden te onderscheiden. Onder deze verdient eene

eerste plaats de uitmuntende Kapitein JACOB BINCKES of BENCKES, van

_Koudum_, die, nadat hij de Algerijnsche zeeroovers had helpen

tuchtigen, tweemalen als kommandeur met een smaldeel naar de

_West-Indien_ gezonden werd, waar hij vele kloeke daden bedreef, in 1673

met EVERTSEN in _Virginië_ grooten buit op de Engelschen behaalde,

_New-York_ of wel geheel _Nieuw-Nederland_ op de Britten veroverde, en

eindelijk »het eiland _Tabago_ tot het schouwtooneel maakte eener

dapperheid, die eerst de Franschen met schande deed wijken en daarna op

den hem toevertrouwden post een roemrijken dood stierf"[210].

[210] Mijn bestek gedoogt niet, aangaande dezen man meerdere

bijzonderheden mede te deelen. Omtrent weinige personen is DE JONGE

zóó uitvoerig, als over dezen dapperen zeeman, van wien hij vele, tot

dusverre onbekende, bijzonderheden heeft medegedeeld. Zie III _a_ Inl.

XII, 30, 345-366, 415, III _b_ 49, 275-363.

* * * * *

Terwijl het vaderland aldus van ~buiten~ bedreigd werd door een

geduchten vijand, die het tot eene tijdelijke overspanning van krachten

dwong, welke het op den duur niet kon volhouden, was het van ~binnen~

verre van rustig en voorspoedig gebleven. De republikeinsche geest der

ingezetenen, die scherp acht gaf op de handelingen der regering, meende

destijds niet zoo spoedig gebreken of misbruiken in het Staatsbestuur te

ontwaren, of men school bijeen, gaf blijken van ernstig misnoegen, en

deed de pogingen tot verbetering dikwijls vergezeld gaan van onrustige

bewegingen, oploopen en soms wel van gewelddadigheden. Hierdoor werden

de beste bedoelingen vaak bezoedeld of verijdeld, en de driften opgewekt

der lagere volksklassen, van wier ruwe en ongebonden zeden in dit

tijdvak wij vele voorbeelden zouden kunnen bijbrengen, welke geenszins

tot eere strekken van dien goeden ouden tijd, dien wij waarlijk niet

behoeven terug te wenschen[211].

[211] Tot kenschetsing van de zeden en den trap van beschaving dier

dagen, welke wij hier niet in bijzonderheden kunnen vermelden, meenen

wij een enkel bewijs te moeten aanvoeren. In het zelfde jaar 1661, dat

de Staten ten gevolge der toenemende publieke onveiligheid,

veroorzaakt door veelvuldige luije bedelaars, vagabonden en

landloopers, gedrongen waren een Lands Tucht- en Werkhuis op te

rigten, werden er plakkaten uitgevaardigd zoowel tegen "dát schadelyck

geboefte," als tegen het drukken van schandelijke en ergerlijke

boeken, alsmede tegen het onbehoorlijk zuipen en slempen op de

lijkmaaltijden. Zie die stukken in het _Charterb._ V 651, 653, 661,

662. Den hoofdinhoud van het laatste willen wij hier mededeelen met de

woorden van HORATIUS VITRINGA in zijne MS. _Memoriale Annotatien_, I

262:

"De Staten van _Frieslant_, insiende het schandelyck en godtloos

misbruick van 't suypen en slempen, dat daeghelycks en dickmaels by de

begraffenissen der dooden gepleecht wierde van alderhande soorten van

menschen, en hetwelcke soo groff gingh, dat menich droncken bout in

het sterffhuis konde vertoeven tot 9 à 10 uyren in den avont, en haer

alsdan als beesten laten nae huis leyden, nemende menichmael kannen en

glasen onder de mantel en hoyck mede om in het drincken niet vergeten

te worden; in voegen, dat een gemeen Burger tot een begraffenisse van

nooden hadde ten minste een aem wyns en sommige vrij wat

meer,--hebben, daerinne willende voorsien, den 13 Julij 1661 (op een

gravamen van 't Classis van _Leuwaerden_, in desen jare op het Synode

alhier vergadert, voorgedragen) by openbare placcaten laten verbieden,

dat niemand voortaen, soo groot als klein, edel ofte onedel, directe

off indirecte, voor off nae de begraffenisse, sal vermogen wyn, bier

off stercken dranck te doen schencken by poene van 50 Ggld., 't

appliceren 1/3 part voor den aenbrenger, 1/3 part voor den Officier en

1/3 part voor de armen: waer mede het drincken oock een eynde heeft

genomen." Dit laatste wordt door de herhaling van dit plakkaat in 1683

tegengesproken. Zie _Charterb._ V 1213.

Zoo werden de steden _Leeuwarden_ en _Franeker_ in 1657 grootelijks

verontrust door burgergeschillen en klagten over de regeringsleden, die

hevige verbittering hadden opgewekt, wegens het schenden van de

reglementen en de vrijheden der ingezetenen, tegen wier belang eenige

weinige staat- en baatzuchtige personen zich van het gezag hadden

meester gemaakt. Met veel moeite en door het verleenen van nieuwe

Reglementen van Raadsbestelling werden die onlusten door den Stadhouder

en de Staten bevredigd[212]. Een ander misbruik dier dagen was het

verkoopen van de lands ambten en betrekkingen, zoo burgerlijke als

militaire, welke de regenten en bijzonder de Gedeputeerde Staten, die ze

beurtelings begaven, in weerwil van vroegere verbodsbepalingen, niet

altijd aan de waardigste personen, maar veelal aan hen, die de hoogste

som daarvoor aanboden, opdroegen. Het misnoegen hierover, in 1662 op

nieuw ontstaan, gaf zelfs aanleiding, dat het Hof twee regenten daarover

proces aandeed, waarom de Staten, na lange onderhandelingen, daartegen

strenge verbodsbepalingen uitvaardigden, en eene boete van 100 gouden

Rijders op de overtreding daarvan vaststelden[213].

[212] VITRINGA, _Mem. Annotatien_, I 93; _Charterb._ V 592, 595, 604,

606, 608, 609; _Tegenw. Staat_, II 169, 468.

[213] VITRINGA, I 271; _Charterb._ V 666, 667, 679, en AITZEMA, X 524,

die onschatbare bron voor onze vaderlandsche geschiedenis!

Bij al deze bewegingen was het herhaaldelijk gebleken, welk eene

vredelievende gezindheid en wijze gematigdheid den Stadhouder, Prins

WILLEM FREDERIK _van Nassau_, bezielde. Groot was dus het verlies, toen

deze brave Vorst den Friezen in 1664 door den dood ontviel. Een droevig

ongeluk was daarvan de oorzaak, en wel het losbranden van zijn eigen

pistool, dat eerst weigerde af te gaan en daarna, toen hij naar de

oorzaak daarvan wilde zien, hem met een kogel, onder de kin in en nevens

het oog uit, dermate trof, dat hij, na het schrijven van brieven aan de

Staten en den Prins van Oranje en het maken van schikkingen omtrent zijn

huis, zeven dagen later op eene den Christen waardige wijze stierf. De

Staten, die hem in 1659 de erfopvolging zijns zoons hadden verzekerd,

overtuigd van zijne »loffelycke, meriten, treffelycke daden en

singuliere groote diensten in de krygs-expeditien, selfs met gevaer van

Lyf en Leven, voor het Vaderlandt gedaen," huldigden zijne nagedachtenis

mede door eene prachtige uitvaart bij zijne begrafenis op den 15

December, waartoe zij de onkosten met eene som van 16,000 Gld

bestreden[214]. Bovendien benoemden zij dadelijk zijnen minderjarigen

zoon tot hunnen Stadhouder en Kapitein-Generaal, om deze waardigheden

op zijn 20e jaar te aanvaarden, hoewel hij nu reeds in het genot

gesteld werd van het traktement. Zijne opvoeding droegen zij zijner

moeder en voogdes, de voortreffelijke Prinses ALBERTINE AGNES, op, en

deze kweet zich daarvan op eene zoo loffelijke wijze, dat de jonge Vorst

eerlang blijken gaf, de hem bij voorraad opgedragene betrekkingen en

zijne aanzienlijke afkomst allezins waardig te zijn[215].

[214] Bij het terugkeeren van deze begrafenis had Prins JOAN MAURITS

_van Nassau_ het ongeluk, bij het overrijden van de Weeshuisbrug in

_Franeker_, in het water en onder zijn paard te vallen. Gelukkig

gered, moest hij daar eenige weken vertoeven tot zijne herstelling.

Eene afbeelding van dit voorval is daarna in steen gehouwen en

geplaatst in den muur van het Weeshuis, nevens deze brug, die daarvan

den naam van de Mauritsbrug ontving. AITZEMA, 823.

[215] VITRINGA, _Memorien_, I 388; _Charterboek_, V 616, 738, en

vooral uitvoerige berigten in AITZEMA, XI _a_ 75-131; SYLVIUS,

_Vervolg_, II 43; N. ARNOLDUS, _Vorstelijke

Rouw-Lyck-ende-Lof-Reeden_, Leeuw. 1664, 19; WAGENAAR, XIII 97; _Reg.

Staats-res._ 513.

* * * * *

Deze ramp werd nu verder gevolgd door eene rij van tegenspoeden, die het

vaderland in het uiterste gevaar bragten, die den landzaat groote schade

berokkenden, en die de regering en het volk tot eene krachtige

inspanning en aanwending van alle vermogens opwekten. Een geweldige

storm en springvloed veroorzaakten in December 1665 talrijke dijkbreuken

en eenen watervloed, zoo als _Friesland_ sedert 1570 niet had

ondervonden[216]. Eene schrikkelijke pestziekte woedde, vooral in de

steden, en rukte duizenden weg (1665, 1666)[217]. De oorlog met

_Engeland_ (waarvan wij reeds hier vóór gewaagden) dreigde heviger dan

ooit, en noopte tot verbazende uitrustingen, wervingen en geldheffingen,

onder bestendige wisseling van nederlagen en zegepralen. Doch niet enkel

ter zee, ook te land werd _Nederland_ gelijktijdig aangevallen en wel

aan zijne minst versterkte oostzijde. De oorlogszuchtige CHRISTOF

BERNHARD VAN GALEN, Bisschop van _Munster_, achtte zich door onzen Staat

beleedigd, viel de oostelijke grensplaatsen aan en veroverde de

_Dijlerschans_, waaruit hij echter door onzen Stadhouder WILLEM FREDERIK

werd verdreven (Mei 1664). Uit wrok hierover bemagtigde hij een gedeelte

van _Gelderland_ en _Overijssel_, en, na het winnen der schans van

_Rooveen_, stond hij weldra met 8,000 man aan de onbeschermde grenzen

van _Friesland_ (1665). Groot en algemeen was daarover hier de

ontsteltenis en vrees, zoodat vele bewoners van het land met hunne

goederen van waarde naar de steden vlugtten. Gelukkig kwam de

Veldmaarschalk JOAN MAURITS _van Nassau_ weldra over zee herwaarts,

stelde zich aan het hoofd der krijgsmagt, en wederstond den vijand, die

door _Drenthe_ in _Groningerland_ was getrokken, met zóó gunstig gevolg,

dat hij eerlang over de grenzen terugtrok, waarna in April 1666 de vrede

met den Bisschop werd gesloten[218].

[216] VITRINGA, _Memorien_, I 432; AITZEMA, XI _b_ 1039.

[217] Ook onzen dichter GYSBERT JACOBSZ. met vrouw en zoon. Zie

HALBERTSMA, _Hulde_, II 299.

[218] VITRINGA, I 430; BOSSCHA, II 18; AITZEMA, XI _b_ 1034 env.

Volgens den eersten bedroegen de Provinciale lasten van Oorlog voor

_Friesland_ in 1666 [f]263,000 per maand of [f]2,178,000 in het jaar.

_De Oorlogen met Frankrijk._

Doch die vrede was kwalijk gemeend geweest, en, had hij eerst geheuld

met _Engeland_ tot vernedering van onzen Staat, wier grootheid en

aanzien den nijd van alle naburen scheen opgewekt te hebben,--geene drie

jaren verliepen er, of die zelfde Bisschop vond daartoe een bondgenoot

in den hooghartigen en oorlogszuchtigen LODEWIJK XIV, Koning van

_Frankrijk_, die het evenzeer te doen was om de _Spaansche Nederlanden_

(_België_), welke hij in 1667 aan het hoofd van een leger van 47,000 man

binnentrok. Wel scheen het drievoudig verbond tusschen _Nederland_,

_Engeland_ en _Zweden_, gelijk ook de vrede van _Aken_ (1668) aan den

voortgang der Fransche wapenen een perk te stellen, en vleide men zich

in ons land, dat de rust nu spoedig hersteld zou worden en dat men de

zoo lang reeds verwaarloosde landmagt niet behoefde te versterken,--men

bedroog zich zeer. Hoe gelukkig de staatkunde van DE WITT ook vele

gevaren wist af te wenden, het grootste gevaar had hij niet voorzien,

gelijk ook niemand vooraf wilde of konde gelooven, dat de Franschen »oyt

couragie souden hebben, om tegens soo machtige Bontgenoten in 't velt te

durven komen." De uitslag was echter geheel anders.

De gekwetste eigenliefde en de roemzucht des jeugdigen Konings, die zoo

vele grieven jegens _Nederland_ meende te hebben; de krijgshaftigheid

zijns volks; het aanzienlijk leger en de schatten, waarover hij te

beschikken had, en de oorlogszucht zijner bekwame veldoversten--en daar

tegenover onze zwakke landmagt en vervallene vestingen bij de afgunst

der vijandiggezinde naburen--dit alles begunstigde zijn toeleg, om

_Nederland_, het kostte wat het wilde, te veroveren. Daartoe wist

LODEWIJK eerst het drievoudig verbond te ontbinden, _Engeland_ en

_Zweden_ aan Frankrijks belang te onderwerpen, en zich van de hulp te

verzekeren van den Keurvorst van _Keulen_, van de Bisschoppen van

_Munster_ en _Osnabrug_ en van den Hertog van _Brunswijk-Lunenburg_.

Deze vereenigde magten hadden den ondergang besloten van _Nederland_,

dat alzoo van alle uitzigt op hulp van buiten was verstoken. Hoe kon de

uitslag van dien strijd twijfelachtig zijn? Hoe was het den Nederlanders

mogelijk, ook bij de moedigste kracht-inspanning, zoo vele vijanden met

hoop op gunstigen uitslag te wederstaan? Hoe gering die hoop ook ware en

hoe zeker de ondergang des lands ook scheen--onze vaderen vertsaagden

niet, wapenden zich moedig en vertrouwden den uitslag aan God, dien zij

in dezen hoogen nood vurig om hulp en verlossing smeekten.

* * * * *

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 21 / 41 段