aangenomen, werden de belangen der Kerk, onder toezigt van den Staat, in
elke plaats waargenomen door de _Kerkeraden_, bestaande uit Predikant,
Ouderlingen en Diakenen, en door _Kerkvoogden_, die met het bestuur van
de Kerke- en Pastorie goederen belast waren. De gemeenten, welke, in het
laatst der 18e eeuw, 192 in getal waren, bediend door 208 leeraars,
waren verdeeld in 6 _Klassen_, genoemd naar de plaatsen, waar de
Klassikale vergaderingen werden gehouden, als: _Leeuwarden_, _Dokkum_,
_Franeker_, _Sneek_, _Bolsward_ en _Zevenwouden_ of _Heerenveen_. In die
vergaderingen hadden zitting al de predikanten, ieder met een ouderling,
doch uit de steden twee. Aan haar was de handhaving van de Kerkelijke
Wetten van _Friesland_ opgedragen[184]. Ieder klasse vaardigde jaarlijks
twee predikanten en twee ouderlingen af ter zamenstelling van de
_Provinciale Synode_, die in elke Pinksterweek plegtig en in het
openbaar vergaderde, bij rondgang in de genoemde plaatsen, gelijk ook te
_Harlingen_. In deze aanzienlijke kerk vergaderingen werden de belangen
der Friesche Kerk behandeld onder toezigt van twee leden van
Gedeputeerde Staten, die haar als Commissarissen-Politiek bijwoonden, om
het evenwigt des gezags tusschen Staat en Kerk te bewaren. Daarin hadden
mede zitting Correspondenten van de andere Provinciale Synoden, naar
ieder van welke ook een lid uit deze provincie werd afgevaardigd. De
uitvoering van de Synodale besluiten was opgedragen aan een collegie van
12 Deputaten, hetwelk meermalen in het jaar vergaderde.
[184] Het _Compendium der Kerkelijke Wetten_ is eerst uitgegeven door
D^o. G. NAUTA, Amst. 1757, en in 1771 verbeterd en vermeerderd
herdrukt te Leeuwarden. In 1806 is daarop gevolgd een _Wetboek en
Kerken-orde voor Vriesland_, door de Synode van 1804 vastgesteld.
In de eerste tijden werden de traktementen der predikanten alleen uit de
pastorie-goederen genoten en zoo vele dorpen bijeengevoegd of
gecombineerd, als noodig was, om hun een genoegzaam onderhoud te
verzekeren. Die opbrengst werd echter reeds in 1584 tot eene som van 300
Gld. aangevuld, als suppletie uit 's lands kas of uit de opbrengst van
de kloostergoederen. Van lieverlede werd die som verhoogd, totdat zij in
1699 tot 450 Gld. gebragt werd. De lage prijzen der landhuren, ten
gevolge der veepest, gaven aanleiding tot het Staatsbesluit van 1744,
dat de ingezetenen al hunne pastoriegoederen aan den lande konden
overdragen, om genoemde som in haar geheel te kunnen ontvangen.
Vervolgens werd bij Staats-resolutie van 1761 bepaald, al de
pastoriegoederen der suppletie-trekkende plaatsen te verkoopen, waar
tegen de Staat zich verbond, ieder der predikanten jaarlijks 500 Gld. en
de Emeriti 300 Gld. uit te keeren[185].
[185] Zie die Res. en Lijst dier Vastigheden in de daarvan uitgegevene
_Billetten van Verkoping_, Leeuw. 1762 en 1763, 4^o. 2 dln.
De benoeming van de Predikanten in de steden geschiedde door den
Magistraat uit een drietal, door den Kerkeraad opgemaakt[186]. Ten
platten lande hadden de Hervormde Stemgeregtigde eigenaars der vaste
goederen het regt tot het beroepen van predikanten en het beheer van de
kerke- en pastorie-goederen, als van ouds her, behouden[187].
[186] Omstreeks het midden der vorige eeuw zijn er door de Predikanten
LAURMAN, COLUMBA en DREAS, GREYDANUS, REINALDA, GREVENSTEIN en
ENGELSMA, _Naamlijsten van de Hervormde Predikanten_, welke sedert de
reformatie in de zes klassen van _Friesland_ het evangelie hebben
verkondigd, uitgegeven, meest voorzien met aanteekeningen, waarvan
sommige van veel historisch belang zijn.
[187] Zie over den aard en de geschiedenis van dit regt de beide
werkjes van den Heer Mr. W. W. BUMA, _het regt der Hervormde
Floreenpligtigen op de verkiezing van Predikanten en op het Beheer van
Kerkegoederen_, Leeuw. 1849, en _de Onbevoegdheid der Alg. Herv.
Synode tot het regelen van het Beheer der Plaatselijke Kerkegoederen_,
Leeuw. 1851, gelijk ook de werkjes van den Eerw. Heer J. H. REDDINGIUS
GZ. over dit onderwerp. Vele, overigens weinig bekende bijzonderheden
zijn daarin opgenomen.
* * * * *
Bij de zorg, welke de Overheid steeds aan den dag legde voor het
kerkelijke en voor de belangen der Akademie, zoowel ter vorming van
waardige predikanten als ter bevordering van de studie der hoogere
wetenschappen in het algemeen, vooral ten behoeve van de meest
vermogende standen, steekt zeer af de toenmalige verwaarloozing van het
lager onderwijs. Wel waren er in nagenoeg alle Steden Latijnsche Scholen
gevestigd, welke gelegenheid aanboden tot opleiding van jongelieden, ook
uit den burgerstand; wel poogden de Staten in 1774 te _Leeuwarden_ eene
Fransche Kostschool op te rigten,--doch het onderwijs op de bijzondere
scholen was zeer gebrekkig, en het lot der onderwijzers, bijzonder op
het land, zeer beklagenswaardig. Een der meest verdienstelijke
onderwijzers uit de vorige eeuw, FOEKE SJOERDS te _Ooster-Nijkerk_,
die zich door onderscheidene historische werken beroemd maakte, heeft
in een zijner geschriften van den toestand van het schoolwezen, dat
»uit hoofde van de weinige bekwame Schoolmeesters en hun armoedigen
staat aan eene algemene veragting was bloot gestelt," een tafereel
opgehangen, hetwelk ons met bedroeving vervult[188]. In weerwil de
Staten in 1580 reeds bepaalden, dat de geestelijke goederen ook tot
onderhoud van scholen en onderwijzers zouden worden aangewend, was de
bezoldiging zoo gering, dat er nog in 1768 weinige dorpen waren, waarin
de onderwijzers, boven woning, tuin en een gering schoolgeld, meer dan
100 of 150 Gld. inkomen genoten. Men leidde zich dus niet toe op de
verkrijging van bekwaamheden voor eene betrekking, welke geen genoegzaam
onderhoud verschafte, hoe nuttig zij ook ware voor het belang en de
beschaving der maatschappij.--Het voorregt dat onze eeuw door de
invoering van verbeterd onderwijs boven de vorige geniet, leeren wij
alzoo door deze vergelijking hoogelijk waarderen.
[188] Zie zijne _Algemene Beschrijvinge van Friesland_, II 542.
* * * * *
Zoodanig was in de hoofdzaak de regeringswijze van _Friesland_, tusschen
de jaren 1580 en 1795. Het geheel was eene staatsinrigting, waarmede de
Friezen zelve altijd zijn ingenomen geweest, al bestonden er bestendig
ook klagten over gebreken en misbruiken, welke men gaarne veranderd zag,
en waarvan vele reeds in 1627, 1672 en 1748 gewijzigd zijn. Ook toen
verwarde men de onvolkomenheden en dwalingen der personen, die de
regering uitmaken, weleens met den vorm van Staatsbestuur. Groot was en
bleef steeds de invloed van den adel en de aanzienlijke geslachten en
werd de volksregering of democratie getemperd door de aristocratie en
omgekeerd. Dat hieruit bestendig strijd werd geboren, was zeer
natuurlijk, hoewel het zeker is, dat de invloed dier aanzienlijke
personen, die wegens hunne bezittingen de meeste belastingen betaalden
en het grootste belang bij eene goede regering hadden, dit gewest meer
voordeelig dan schadelijk is geweest. De oppermagt, of het vermogen om
te regeren, òf door zich zelven òf door anderen, bleef in _Friesland_
toch, als van eeuwen her, berusten bij het _volk_, voor zoo verre het
vaste goederen bezat, en daardoor deel kon hebben in de keuze van de
Overheden. De Staten, door hen, althans op het land, regtstreeks
gekozen, waren de vertegenwoordigers en uitvoerders dier Souvereine
magt[189]. Vandaar, dat een bekwaam schrijver uit het laatst der vorige
eeuw omtrent de Friesche staatsgesteldheid kon zeggen: »Te vergeefs
veranderden de volken rondom hen hunne taal, hunne Zeden, hunne Wetten
en Regeeringsvorm; de Friezen integendeel vertoonen nog hun oude
karakter; zy behouden nog de meesten hunner wetten; zy spreeken nog
hunne oude taal. Bij hen heeft alles de eeuwen verduurd, en men zou
zeggen, dat zij in hunne Veenen(?) eene veilige schuilplaats of een
hulpmiddel tegen Veroveraars en Onderdrukkers gevonden hebben. De
Friezen hebben hunne oude Rechten bewaard, als een dierbaar onderpand,
om te toonen, dat zy nooit geheel verloren zyn geweest."[190]
[189] Nog heden ten dage zijn de bijeenroepingen van de
Floreenpligtigen in de dorpskerken, welke wij in de dagbladen lezen,
een overblijfsel van de magt en het regt der ingezetenen op de
regeling van hunne gemeentelijke belangen. Zie _Aanteekening 22_.
[190] _Grondwettige Herstelling van het Nederl. Staatswezen_, Amst.
1784, I 81. Het derde deel, waarin de Staatsvorm van _Friesland_ in
het bijzonder zou behandeld worden, is echter niet verschenen.
37. _Strijd tegen Buitenlandsche Gevaren bij Binnenlandsche Welvaart,
tusschen den Munsterschen en den Utrechtschen vrede. 1648-1713._
De vrede van _Munster_ had in den staatkundigen toestand van _Nederland_
eene groote verandering te weeg gebragt. Nog grooter werd deze, toen
kort daarna de jeugdige Stadhouder Prins WILLEM II overleed (1650). Daar
_Groningen_ en _Drenthe_ nu den Frieschen Stadhouder, Graaf WILLEM
FREDERIK, mede tot den hunnen aannamen, zoo stonden deze drie
noordelijke gewesten vervolgens tegen al de overige stadhouderlooze
provinciën over, en gaven de uiteenloopende belangen en inzigten
dikwijls aanleiding tot hevige botsingen. _Friesland_ en zijn Stadhouder
hadden nu alle kracht en beleid noodig, om zich te doen gelden tegen het
overmagtige en overmoedige _Holland_, dat, sterk door zijne ligging,
welvaart en rijke hulpbronnen, nu het de landprovinciën minder noodig
had als bolwerken tegen _Spanje_, zijn belang en staatkunde voortaan
alléén wilde doen zegevieren, en zijn wil als eene wet trachtte te doen
gelden. Dát _Holland_ ijverde vooral vóór de Souvereiniteit der
provinciën, vóór de vermindering van de land- en de vermeerdering van de
zeemagt, doch tegen het Stadhouderschap. Ten aanzien van dit laatste
vond het steeds een krachtigen bestrijder in _Friesland_.
Dit bleek reeds op de Groote Vergadering, welke in Januarij 1651 te _'s
Hage_ was bijeengeroepen tot regeling van de drie gewigtige punten: het
bondgenootschap, de godsdienst en het krijgswezen (_unie_, _religie_ en
_militie_). Ruim 300 afgevaardigden uit de verschillende gewesten kwamen
daar bijeen. _Friesland_ zond er zestien van zijne bekwaamste
staatkundigen met den Lands Secretaris, en had de eer, als voorzittende
provincie, de vergadering door Dr. PIBO VAN DOMA, Ontvanger en Dijkgraaf
van Kollumerland, met eene rede te doen openen, waarna de beroemde
Raadpensionaris JACOB CATS de voorstellen mededeelde en _Hollands_
gezindheden ontvouwde[191]. Wel zegevierde de staatkunde dier provincie,
al ontweek zij ook het punt van het Stadhouderschap; doch toen zij in
1654 in haren afkeer tegen de onvoorzigtige handelingen van Prins WILLEM
II zoo ver ging, dat zij, bij eene _acte van seclusie_, diens eenigen
zoon van de hoop op eenig bewind wilde uitsluiten, toen verzetten de
Staten van _Friesland_ zich krachtig daartegen. In hevige bewoordingen
betoonden zij zich verontwaardigd »over de ongehoorde ondanckbaerheyt
tegens het loffelyck huys van Orangien, waer van de voorouderen soo
treflich van den Staet deser vereenigde Nederlanden hebben gemeriteert,
met haer goet ende bloet beschermt, ende soo notable victorien
bevochten, waer door wy van die gedreigde ende bynae onvermydelycke
slavernie syn gepræserveert, ende met Godes zegen tot soo een glorieuse
Staet gebracht, als daer in wy ons tegenwoordichlyck bevinden"[192].
[191] AITZEMA, _Saken van Staet en Oorlogh_, 4^o. VII 205 env.
WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 153.
[192] _Charterboek_, V 575 en vele krachtige vertoogen bovendien in
AITZEMA, VIII 102 env., vooral tegen DE WITT, VAN BEVERNINGH en
NIEUPOORT gerigt. KOK, _Vad. Woordenb._ XVI 603.
De afgevaardigden van _Holland_, stelden alle moeite in het werk, om
_Friesland_ dit protest te doen intrekken; zij leverden eene ernstige
wederlegging daarvan in, waartegen de ijverige Friesche afgevaardigden,
HAUTBOIS en VAN WYCKEL, niets schuldig bleven, zoodat men hoe langer hoe
meer op elkander verbitterd geraakte. Krachtig deden de Friezen het
regt van het Vorstelijk huis gelden tegen het onregtvaardig gedrag van
_Holland_, dat steeds de andere provinciën trachtte te overvleugelen.
Zij drongen er mede op aan, dat hun Stadhouder tot Veldmaarschalk
benoemd wierde, toen deze waardigheid door den dood van den Heer VAN
BREDERODE was opengevallen (1655). Te vergeefs: want die Stadhouder was
door het aanvoeren van het leger des Prinsen tegen _Amsterdam_ ook bij
_Holland_ in ongenade gevallen.--Zóó ijverden de verbroederde gewesten
tegen elkander en verzwakten de goede verstandhouding, welke duurzaam
van zoo hoog belang was, dewijl het vaderland gelijktijdig van buiten
bestookt werd door een vijand, die niet enkel Hollands hartader, handel
en scheepvaart, maar ook de eer en de onafhankelijkheid des geheelen
lands bedreigde.
_De Engelsche oorlogen._
Hevige burgertwisten in _Engeland_ hadden in 1649 ten gevolge, dat
Koning KAREL I, de schoonvader van Prins WILLEM II, onthoofd- en dit
rijk tot een gemeenebest verklaard werd onder het Protectorschap van
OLIVIER CROMWELL. Deze betoonde zich al spoedig vijandig tegen
_Nederland_, dat den verdreven koningszoon KAREL II had opgenomen, en
welks bloeijende scheepvaart en handel den nijd hadden opgewekt der
Engelschen, die, eene aanzienlijke zeemagt bezittende, het meesterschap
over de zee voor zich alléén begeerden. Hoe gevaarlijk het ook was, zich
met die zeemagt te meten--voor ons land was een oorlog onvermijdelijk;
vooral, nadat CROMWELL onzen handel een gevoeligen slag had toegebragt
door de _acte van navigatie_ (Oct. 1651), waarbij aan vreemden werd
verboden, hunne waren binnen _Engeland_ te voeren, ten zij met Engelsche
schepen. Vanhier, dat de Generale Staten, die in dit jaar onze zwakke
vloot van 40 schepen reeds met 36 versterkt hadden, in het volgende jaar
bevolen, dat de zeesteden nog 50 en de admiraliteiten nog 100 schepen
zouden uitrusten. Van de eerste, of de directieschepen, zou _Holland_
38, _Zeeland_ 9 en _Friesland_ met _Groningen_ 3 leveren; van de
laatste, of de landsschepen, moesten de admiraliteiten van de _Maas_,
van _Zeeland_ en het _Noorder-kwartier_ (_Noord-Holland_) ieder 16-1/2,
_Friesland_ met _Groningen_ 17-1/2 en _Amsterdam_ de overige 33 schepen
bekostigen[193].
[193] DE JONGE, _Geschiedenis van het Ned. Zeewezen_, II _a_ 30 env.;
WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 232 env.
Bij eene nieuwe regeling van het Nederlandsche Zeewezen had _Friesland_,
in vereeniging met _Groningen_, in 1596 een eigen _Collegie ter
Admiraliteit_ verkregen, hetwelk te _Dokkum_ was gevestigd. Dan de
minder gunstige ligging van deze stad tot aanbouw, toerusting en het
uitbrengen van oorlogsschepen gaven reeds in 1603 aanleiding tot een
voorstel, om dezen zetel van het Collegie te verplaatsen. Ook later,
toen het verviel en vrij werkeloos bleef, drong men daarop aan, totdat
eindelijk in 1642 (toen het niet meer dan 4 schepen bezat, waarvan het
grootste slechts 16 stukken voerde), het besluit genomen en in 1645
volbragt werd, om het Collegie ter Admiraliteit te verplaatsen naar
_Harlingen_, welke stad verpligt werd, den zetel en de gevangen- en
pakhuizen van het Collegie te bekostigen[194]. Van de gunstige ligging,
ruime havens en veel beschikbaren grond tot werven in deze zeestad,
welke gedurende de laatste halve eeuw zoo zeer in bloei was toegenomen,
verwachtte men voor de belangen van het provinciale zeewezen gunstige
gevolgen. Voor de uitbreiding en bescherming van de scheepvaart en
handel van _Harlingen_ zelf scheen deze verplaatsing van zulk
aanzienlijk ligchaam mede van groot belang te zijn. En toch bleef het
Stedelijk Bestuur nalatig in het voldoen aan gezegde verpligting,
waartoe het nog in 1653 moest aangespoord worden[195]. Het Collegie was
alzoo dáár nog niet volkomen gevestigd, toen de eerste Engelsche oorlog
uitbrak, en het zich op eens verpligt zag tot zulk een belangrijken
aanbouw en uitrusting van oorlogsschepen. Hierop geheel niet voorbereid
of ingerigt, voldeed het tragelijk aan deze, door den dreigenden nood
gevorderde verpligting, waarom de Friesche Staten, die in 1652 consent
gaven tot het aanwenden van 2 tonnen gouds en in het volgende jaar van 2
millioen gulden ten behoeve van het zeewezen, hun ongenoegen te kennen
gaven over de nalatigheid en de verkeerde handelingen van het Collegie.
De Friesche Admiraliteit kon dan ook in 1653 tot de 154 schepen, waaruit
onze zeemagt toen bestond, niet meer dan 10 bodems van 137 stukken,
bemand met 500 matrozen, toebrengen[196]. Bij herhaling deden de Staten
hun misnoegen blijken over het slecht bestuur van het Collegie, dat in
1656 tot verantwoording werd geroepen wegens de gelden, voorgeschoten
tot het bouwen van 60 schepen van oorlog. Sedert dien tijd schijnen de
zaken gunstiger te zijn gegaan, en werd het alleen in 1659 212,000 Gld.
toegestaan tot aanbouw en uitrusting van schepen, opdat _Friesland_ het
zijne mogt toebrengen tot de middelen ter verdediging des vaderlands.
[194] _Charterboek_, IV 896, V 330, 477, 485, 486; _Reg. op de
Staats-resol._ 10, 205, 313; _Tegenw. Staat_, III 13.
[195] _Charterboek_ V 521, 558. Dit is te vreemder, omdat de Regering
van _Harlingen_ reeds in 1644 bij acte had aangenomen, "omme de Heeren
Raden ter Admiraliteyt op Stadts costen te voorsien met een bequame
huysinge tot het Collegie ende Vergaderinge, sampt gevangen- en
packhuysen."
[196] _Reg. Staats-resol._ 13; DE JONGE, _Zeewezen_, I 280, 281; II
_a_ 346, II _b_ 31, en verder de Resolutiën van Gedeputeerden.
Bij dezen, in den aanvang zoo gebrekkigen, toestand der schepen,
die tevens te min geschut en te weinig bekwaam volk hadden, moest
het beleid en de moed der vroeger gevormde zeelieden veel vergoeden.
Was het een geluk voor den staat, dat de later zoo beroemde MICHIEL
ADRIAANSZ. DE RUYTER zich in 1652 eindelijk liet bewegen, in 's
lands dienst te treden en, als Vice-kommandeur op eene vloot van 30
schepen, 60 koopvaardijschepen te geleiden en te beschermen tegen de
Engelschen,--op dien eersten togt blonk, als het eerste dappere bedrijf,
de heldhaftigheid van een Friesch Kapitein uit. Deze was DOUWE AUKES,
bevelvoerende op een der twee grootste Oost-Indievaarders, die nu ten
oorlog waren toegerust, de _Struisvogel_ of _Vogelstruis_ geheeten,
gewapend met 40 stukken en 200 man, terwijl het schip van DE RUYTER
zelven slechts 28 stukken en 134 koppen voerde. Op den middag van den 26
Aug. 1652 was het gevecht tegen den Vice-admiraal GEORGE AYSCUE, die 40
schepen onder zich had, bij _Plymouth_ pas begonnen, toen bovengenoemd
schip vooruit snelde en zich alleen te digt onder de Engelschen begaf,
die dadelijk met drie of vier groote schepen den Struisvogel meenden te
vernielen, door hem van alle zijden fel aan te tasten. De matrozen,
ziende dat geen der Hollandsche schepen opkwam om hen te ontzetten,
wilden niet vechten, maar het schip overgeven, waartoe ze hun Kapitein
poogden te dwingen. Doch met het gevaar steeg den moed van dezen, die
het uiterste wilde wagen. Met een sabel in de eene en een lont in de
andere hand, »trad hij onder de Maets, dreygende hun alle, in geval sij
nu niet vromelijck vochten, in de Lucht te doen springen, luidkeels
roepende: Schept moed, mijn kinders, schept moed. Ik zal u den weg
wijzen, en als wij de vijanden niet langer konnen wederstaan, dan zal ik
u alle van de gevangenisse bevrijden, door middel van de lont, dien ik
in de hand hebbe." Die taal maakte een gewenschten indruk en herstelde
den verflaauwden moed der zijnen: ieder vloog naar zijne plaats en post.
»En den valjanten DOUWE, die een Stuck op den Overloop hadde staen,
waermede hy Seyn dede van los te branden, vierde met 24 Stucken in den
Engelsman, die hy vry dicht had laten komen, soodat die met Volck en al
wat daer op was dadelijck is gesoncken. Stracks kreeg hy het tweede
Engels Schip op zij, een Bengel met 50 Stukken; DOUWE trefte die als de
eerste met syn tweede Laeg Geschuts, soodat die oock stracks te gronde
ging: op dese twee Schepen waren by de 900 Zielen, waer af niet eenen
(dat men weet) levendig gebergt is. Den derden Engelsman, onder zyn
scheut komende, kreegh ook soo veel, dat hy krengde;" waarna onze
dappere Kapitein, na een verlies van 30 man, den weg open vond, om uit
den drang te geraken en zich bij 's lands vloot te voegen[197]. In den
avond namen de Engelschen, die 1300 dooden hadden, de vlugt, en DE
RUYTER, verwonderd over den uitslag van dezen strijd tegen zoo groote
overmagt, betuigde: »Als de almagtige God kloekmoedigheid wil geven, dan
verkrijgt men de overwinning"[198].
[197] Van dezen DOUWE AUKES zijn geene andere bedrijven of
levensbijzonderheden bekend. Vermoedelijk verliet hij na den eerste
Engelschen oorlog de zee en werd koopman te _Amsterdam_, waar hij bij
den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, in aanmerking kwam, om, wegens
zijn vroeger bedrijf, de gemagtigden tot 's lands vloot als Zeeraad te
dienen. Zie BRANDT, _de Ruiter_, 398. De _Holl. Mercurius_, 1666, 169
noemt hem, die verder niet bij BRANDT voorkomt, "een van de beste
Zee-helden van onsen tijt, so in goet beleyt, courage, als
ervarentheyt," en meent zelfs, dat hij in 1666 bestemd was tot
Luit.-Admiraal, in plaats van TJERK HIDDES.
[198] Ik ben het verhaal gevolgd in den _Hollantsche Mercurius_ van
1652, III 82, nagenoeg overeenkomende met BRANDT, _Leven van de
Ruiter_, Amst. 1701, 27 en DE JONGE, _Zeewezen_, II _a_ 53.