Sedert de Hervormde leer in _Friesland_, tot godsdienst van Staat was

aangenomen, werden de belangen der Kerk, onder toezigt van den Staat, in

elke plaats waargenomen door de _Kerkeraden_, bestaande uit Predikant,

Ouderlingen en Diakenen, en door _Kerkvoogden_, die met het bestuur van

de Kerke- en Pastorie goederen belast waren. De gemeenten, welke, in het

laatst der 18e eeuw, 192 in getal waren, bediend door 208 leeraars,

waren verdeeld in 6 _Klassen_, genoemd naar de plaatsen, waar de

Klassikale vergaderingen werden gehouden, als: _Leeuwarden_, _Dokkum_,

_Franeker_, _Sneek_, _Bolsward_ en _Zevenwouden_ of _Heerenveen_. In die

vergaderingen hadden zitting al de predikanten, ieder met een ouderling,

doch uit de steden twee. Aan haar was de handhaving van de Kerkelijke

Wetten van _Friesland_ opgedragen[184]. Ieder klasse vaardigde jaarlijks

twee predikanten en twee ouderlingen af ter zamenstelling van de

_Provinciale Synode_, die in elke Pinksterweek plegtig en in het

openbaar vergaderde, bij rondgang in de genoemde plaatsen, gelijk ook te

_Harlingen_. In deze aanzienlijke kerk vergaderingen werden de belangen

der Friesche Kerk behandeld onder toezigt van twee leden van

Gedeputeerde Staten, die haar als Commissarissen-Politiek bijwoonden, om

het evenwigt des gezags tusschen Staat en Kerk te bewaren. Daarin hadden

mede zitting Correspondenten van de andere Provinciale Synoden, naar

ieder van welke ook een lid uit deze provincie werd afgevaardigd. De

uitvoering van de Synodale besluiten was opgedragen aan een collegie van

12 Deputaten, hetwelk meermalen in het jaar vergaderde.

[184] Het _Compendium der Kerkelijke Wetten_ is eerst uitgegeven door

D^o. G. NAUTA, Amst. 1757, en in 1771 verbeterd en vermeerderd

herdrukt te Leeuwarden. In 1806 is daarop gevolgd een _Wetboek en

Kerken-orde voor Vriesland_, door de Synode van 1804 vastgesteld.

In de eerste tijden werden de traktementen der predikanten alleen uit de

pastorie-goederen genoten en zoo vele dorpen bijeengevoegd of

gecombineerd, als noodig was, om hun een genoegzaam onderhoud te

verzekeren. Die opbrengst werd echter reeds in 1584 tot eene som van 300

Gld. aangevuld, als suppletie uit 's lands kas of uit de opbrengst van

de kloostergoederen. Van lieverlede werd die som verhoogd, totdat zij in

1699 tot 450 Gld. gebragt werd. De lage prijzen der landhuren, ten

gevolge der veepest, gaven aanleiding tot het Staatsbesluit van 1744,

dat de ingezetenen al hunne pastoriegoederen aan den lande konden

overdragen, om genoemde som in haar geheel te kunnen ontvangen.

Vervolgens werd bij Staats-resolutie van 1761 bepaald, al de

pastoriegoederen der suppletie-trekkende plaatsen te verkoopen, waar

tegen de Staat zich verbond, ieder der predikanten jaarlijks 500 Gld. en

de Emeriti 300 Gld. uit te keeren[185].

[185] Zie die Res. en Lijst dier Vastigheden in de daarvan uitgegevene

_Billetten van Verkoping_, Leeuw. 1762 en 1763, 4^o. 2 dln.

De benoeming van de Predikanten in de steden geschiedde door den

Magistraat uit een drietal, door den Kerkeraad opgemaakt[186]. Ten

platten lande hadden de Hervormde Stemgeregtigde eigenaars der vaste

goederen het regt tot het beroepen van predikanten en het beheer van de

kerke- en pastorie-goederen, als van ouds her, behouden[187].

[186] Omstreeks het midden der vorige eeuw zijn er door de Predikanten

LAURMAN, COLUMBA en DREAS, GREYDANUS, REINALDA, GREVENSTEIN en

ENGELSMA, _Naamlijsten van de Hervormde Predikanten_, welke sedert de

reformatie in de zes klassen van _Friesland_ het evangelie hebben

verkondigd, uitgegeven, meest voorzien met aanteekeningen, waarvan

sommige van veel historisch belang zijn.

[187] Zie over den aard en de geschiedenis van dit regt de beide

werkjes van den Heer Mr. W. W. BUMA, _het regt der Hervormde

Floreenpligtigen op de verkiezing van Predikanten en op het Beheer van

Kerkegoederen_, Leeuw. 1849, en _de Onbevoegdheid der Alg. Herv.

Synode tot het regelen van het Beheer der Plaatselijke Kerkegoederen_,

Leeuw. 1851, gelijk ook de werkjes van den Eerw. Heer J. H. REDDINGIUS

GZ. over dit onderwerp. Vele, overigens weinig bekende bijzonderheden

zijn daarin opgenomen.

* * * * *

Bij de zorg, welke de Overheid steeds aan den dag legde voor het

kerkelijke en voor de belangen der Akademie, zoowel ter vorming van

waardige predikanten als ter bevordering van de studie der hoogere

wetenschappen in het algemeen, vooral ten behoeve van de meest

vermogende standen, steekt zeer af de toenmalige verwaarloozing van het

lager onderwijs. Wel waren er in nagenoeg alle Steden Latijnsche Scholen

gevestigd, welke gelegenheid aanboden tot opleiding van jongelieden, ook

uit den burgerstand; wel poogden de Staten in 1774 te _Leeuwarden_ eene

Fransche Kostschool op te rigten,--doch het onderwijs op de bijzondere

scholen was zeer gebrekkig, en het lot der onderwijzers, bijzonder op

het land, zeer beklagenswaardig. Een der meest verdienstelijke

onderwijzers uit de vorige eeuw, FOEKE SJOERDS te _Ooster-Nijkerk_,

die zich door onderscheidene historische werken beroemd maakte, heeft

in een zijner geschriften van den toestand van het schoolwezen, dat

»uit hoofde van de weinige bekwame Schoolmeesters en hun armoedigen

staat aan eene algemene veragting was bloot gestelt," een tafereel

opgehangen, hetwelk ons met bedroeving vervult[188]. In weerwil de

Staten in 1580 reeds bepaalden, dat de geestelijke goederen ook tot

onderhoud van scholen en onderwijzers zouden worden aangewend, was de

bezoldiging zoo gering, dat er nog in 1768 weinige dorpen waren, waarin

de onderwijzers, boven woning, tuin en een gering schoolgeld, meer dan

100 of 150 Gld. inkomen genoten. Men leidde zich dus niet toe op de

verkrijging van bekwaamheden voor eene betrekking, welke geen genoegzaam

onderhoud verschafte, hoe nuttig zij ook ware voor het belang en de

beschaving der maatschappij.--Het voorregt dat onze eeuw door de

invoering van verbeterd onderwijs boven de vorige geniet, leeren wij

alzoo door deze vergelijking hoogelijk waarderen.

[188] Zie zijne _Algemene Beschrijvinge van Friesland_, II 542.

* * * * *

Zoodanig was in de hoofdzaak de regeringswijze van _Friesland_, tusschen

de jaren 1580 en 1795. Het geheel was eene staatsinrigting, waarmede de

Friezen zelve altijd zijn ingenomen geweest, al bestonden er bestendig

ook klagten over gebreken en misbruiken, welke men gaarne veranderd zag,

en waarvan vele reeds in 1627, 1672 en 1748 gewijzigd zijn. Ook toen

verwarde men de onvolkomenheden en dwalingen der personen, die de

regering uitmaken, weleens met den vorm van Staatsbestuur. Groot was en

bleef steeds de invloed van den adel en de aanzienlijke geslachten en

werd de volksregering of democratie getemperd door de aristocratie en

omgekeerd. Dat hieruit bestendig strijd werd geboren, was zeer

natuurlijk, hoewel het zeker is, dat de invloed dier aanzienlijke

personen, die wegens hunne bezittingen de meeste belastingen betaalden

en het grootste belang bij eene goede regering hadden, dit gewest meer

voordeelig dan schadelijk is geweest. De oppermagt, of het vermogen om

te regeren, òf door zich zelven òf door anderen, bleef in _Friesland_

toch, als van eeuwen her, berusten bij het _volk_, voor zoo verre het

vaste goederen bezat, en daardoor deel kon hebben in de keuze van de

Overheden. De Staten, door hen, althans op het land, regtstreeks

gekozen, waren de vertegenwoordigers en uitvoerders dier Souvereine

magt[189]. Vandaar, dat een bekwaam schrijver uit het laatst der vorige

eeuw omtrent de Friesche staatsgesteldheid kon zeggen: »Te vergeefs

veranderden de volken rondom hen hunne taal, hunne Zeden, hunne Wetten

en Regeeringsvorm; de Friezen integendeel vertoonen nog hun oude

karakter; zy behouden nog de meesten hunner wetten; zy spreeken nog

hunne oude taal. Bij hen heeft alles de eeuwen verduurd, en men zou

zeggen, dat zij in hunne Veenen(?) eene veilige schuilplaats of een

hulpmiddel tegen Veroveraars en Onderdrukkers gevonden hebben. De

Friezen hebben hunne oude Rechten bewaard, als een dierbaar onderpand,

om te toonen, dat zy nooit geheel verloren zyn geweest."[190]

[189] Nog heden ten dage zijn de bijeenroepingen van de

Floreenpligtigen in de dorpskerken, welke wij in de dagbladen lezen,

een overblijfsel van de magt en het regt der ingezetenen op de

regeling van hunne gemeentelijke belangen. Zie _Aanteekening 22_.

[190] _Grondwettige Herstelling van het Nederl. Staatswezen_, Amst.

1784, I 81. Het derde deel, waarin de Staatsvorm van _Friesland_ in

het bijzonder zou behandeld worden, is echter niet verschenen.

37. _Strijd tegen Buitenlandsche Gevaren bij Binnenlandsche Welvaart,

tusschen den Munsterschen en den Utrechtschen vrede. 1648-1713._

De vrede van _Munster_ had in den staatkundigen toestand van _Nederland_

eene groote verandering te weeg gebragt. Nog grooter werd deze, toen

kort daarna de jeugdige Stadhouder Prins WILLEM II overleed (1650). Daar

_Groningen_ en _Drenthe_ nu den Frieschen Stadhouder, Graaf WILLEM

FREDERIK, mede tot den hunnen aannamen, zoo stonden deze drie

noordelijke gewesten vervolgens tegen al de overige stadhouderlooze

provinciën over, en gaven de uiteenloopende belangen en inzigten

dikwijls aanleiding tot hevige botsingen. _Friesland_ en zijn Stadhouder

hadden nu alle kracht en beleid noodig, om zich te doen gelden tegen het

overmagtige en overmoedige _Holland_, dat, sterk door zijne ligging,

welvaart en rijke hulpbronnen, nu het de landprovinciën minder noodig

had als bolwerken tegen _Spanje_, zijn belang en staatkunde voortaan

alléén wilde doen zegevieren, en zijn wil als eene wet trachtte te doen

gelden. Dát _Holland_ ijverde vooral vóór de Souvereiniteit der

provinciën, vóór de vermindering van de land- en de vermeerdering van de

zeemagt, doch tegen het Stadhouderschap. Ten aanzien van dit laatste

vond het steeds een krachtigen bestrijder in _Friesland_.

Dit bleek reeds op de Groote Vergadering, welke in Januarij 1651 te _'s

Hage_ was bijeengeroepen tot regeling van de drie gewigtige punten: het

bondgenootschap, de godsdienst en het krijgswezen (_unie_, _religie_ en

_militie_). Ruim 300 afgevaardigden uit de verschillende gewesten kwamen

daar bijeen. _Friesland_ zond er zestien van zijne bekwaamste

staatkundigen met den Lands Secretaris, en had de eer, als voorzittende

provincie, de vergadering door Dr. PIBO VAN DOMA, Ontvanger en Dijkgraaf

van Kollumerland, met eene rede te doen openen, waarna de beroemde

Raadpensionaris JACOB CATS de voorstellen mededeelde en _Hollands_

gezindheden ontvouwde[191]. Wel zegevierde de staatkunde dier provincie,

al ontweek zij ook het punt van het Stadhouderschap; doch toen zij in

1654 in haren afkeer tegen de onvoorzigtige handelingen van Prins WILLEM

II zoo ver ging, dat zij, bij eene _acte van seclusie_, diens eenigen

zoon van de hoop op eenig bewind wilde uitsluiten, toen verzetten de

Staten van _Friesland_ zich krachtig daartegen. In hevige bewoordingen

betoonden zij zich verontwaardigd »over de ongehoorde ondanckbaerheyt

tegens het loffelyck huys van Orangien, waer van de voorouderen soo

treflich van den Staet deser vereenigde Nederlanden hebben gemeriteert,

met haer goet ende bloet beschermt, ende soo notable victorien

bevochten, waer door wy van die gedreigde ende bynae onvermydelycke

slavernie syn gepræserveert, ende met Godes zegen tot soo een glorieuse

Staet gebracht, als daer in wy ons tegenwoordichlyck bevinden"[192].

[191] AITZEMA, _Saken van Staet en Oorlogh_, 4^o. VII 205 env.

WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 153.

[192] _Charterboek_, V 575 en vele krachtige vertoogen bovendien in

AITZEMA, VIII 102 env., vooral tegen DE WITT, VAN BEVERNINGH en

NIEUPOORT gerigt. KOK, _Vad. Woordenb._ XVI 603.

De afgevaardigden van _Holland_, stelden alle moeite in het werk, om

_Friesland_ dit protest te doen intrekken; zij leverden eene ernstige

wederlegging daarvan in, waartegen de ijverige Friesche afgevaardigden,

HAUTBOIS en VAN WYCKEL, niets schuldig bleven, zoodat men hoe langer hoe

meer op elkander verbitterd geraakte. Krachtig deden de Friezen het

regt van het Vorstelijk huis gelden tegen het onregtvaardig gedrag van

_Holland_, dat steeds de andere provinciën trachtte te overvleugelen.

Zij drongen er mede op aan, dat hun Stadhouder tot Veldmaarschalk

benoemd wierde, toen deze waardigheid door den dood van den Heer VAN

BREDERODE was opengevallen (1655). Te vergeefs: want die Stadhouder was

door het aanvoeren van het leger des Prinsen tegen _Amsterdam_ ook bij

_Holland_ in ongenade gevallen.--Zóó ijverden de verbroederde gewesten

tegen elkander en verzwakten de goede verstandhouding, welke duurzaam

van zoo hoog belang was, dewijl het vaderland gelijktijdig van buiten

bestookt werd door een vijand, die niet enkel Hollands hartader, handel

en scheepvaart, maar ook de eer en de onafhankelijkheid des geheelen

lands bedreigde.

_De Engelsche oorlogen._

Hevige burgertwisten in _Engeland_ hadden in 1649 ten gevolge, dat

Koning KAREL I, de schoonvader van Prins WILLEM II, onthoofd- en dit

rijk tot een gemeenebest verklaard werd onder het Protectorschap van

OLIVIER CROMWELL. Deze betoonde zich al spoedig vijandig tegen

_Nederland_, dat den verdreven koningszoon KAREL II had opgenomen, en

welks bloeijende scheepvaart en handel den nijd hadden opgewekt der

Engelschen, die, eene aanzienlijke zeemagt bezittende, het meesterschap

over de zee voor zich alléén begeerden. Hoe gevaarlijk het ook was, zich

met die zeemagt te meten--voor ons land was een oorlog onvermijdelijk;

vooral, nadat CROMWELL onzen handel een gevoeligen slag had toegebragt

door de _acte van navigatie_ (Oct. 1651), waarbij aan vreemden werd

verboden, hunne waren binnen _Engeland_ te voeren, ten zij met Engelsche

schepen. Vanhier, dat de Generale Staten, die in dit jaar onze zwakke

vloot van 40 schepen reeds met 36 versterkt hadden, in het volgende jaar

bevolen, dat de zeesteden nog 50 en de admiraliteiten nog 100 schepen

zouden uitrusten. Van de eerste, of de directieschepen, zou _Holland_

38, _Zeeland_ 9 en _Friesland_ met _Groningen_ 3 leveren; van de

laatste, of de landsschepen, moesten de admiraliteiten van de _Maas_,

van _Zeeland_ en het _Noorder-kwartier_ (_Noord-Holland_) ieder 16-1/2,

_Friesland_ met _Groningen_ 17-1/2 en _Amsterdam_ de overige 33 schepen

bekostigen[193].

[193] DE JONGE, _Geschiedenis van het Ned. Zeewezen_, II _a_ 30 env.;

WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 232 env.

Bij eene nieuwe regeling van het Nederlandsche Zeewezen had _Friesland_,

in vereeniging met _Groningen_, in 1596 een eigen _Collegie ter

Admiraliteit_ verkregen, hetwelk te _Dokkum_ was gevestigd. Dan de

minder gunstige ligging van deze stad tot aanbouw, toerusting en het

uitbrengen van oorlogsschepen gaven reeds in 1603 aanleiding tot een

voorstel, om dezen zetel van het Collegie te verplaatsen. Ook later,

toen het verviel en vrij werkeloos bleef, drong men daarop aan, totdat

eindelijk in 1642 (toen het niet meer dan 4 schepen bezat, waarvan het

grootste slechts 16 stukken voerde), het besluit genomen en in 1645

volbragt werd, om het Collegie ter Admiraliteit te verplaatsen naar

_Harlingen_, welke stad verpligt werd, den zetel en de gevangen- en

pakhuizen van het Collegie te bekostigen[194]. Van de gunstige ligging,

ruime havens en veel beschikbaren grond tot werven in deze zeestad,

welke gedurende de laatste halve eeuw zoo zeer in bloei was toegenomen,

verwachtte men voor de belangen van het provinciale zeewezen gunstige

gevolgen. Voor de uitbreiding en bescherming van de scheepvaart en

handel van _Harlingen_ zelf scheen deze verplaatsing van zulk

aanzienlijk ligchaam mede van groot belang te zijn. En toch bleef het

Stedelijk Bestuur nalatig in het voldoen aan gezegde verpligting,

waartoe het nog in 1653 moest aangespoord worden[195]. Het Collegie was

alzoo dáár nog niet volkomen gevestigd, toen de eerste Engelsche oorlog

uitbrak, en het zich op eens verpligt zag tot zulk een belangrijken

aanbouw en uitrusting van oorlogsschepen. Hierop geheel niet voorbereid

of ingerigt, voldeed het tragelijk aan deze, door den dreigenden nood

gevorderde verpligting, waarom de Friesche Staten, die in 1652 consent

gaven tot het aanwenden van 2 tonnen gouds en in het volgende jaar van 2

millioen gulden ten behoeve van het zeewezen, hun ongenoegen te kennen

gaven over de nalatigheid en de verkeerde handelingen van het Collegie.

De Friesche Admiraliteit kon dan ook in 1653 tot de 154 schepen, waaruit

onze zeemagt toen bestond, niet meer dan 10 bodems van 137 stukken,

bemand met 500 matrozen, toebrengen[196]. Bij herhaling deden de Staten

hun misnoegen blijken over het slecht bestuur van het Collegie, dat in

1656 tot verantwoording werd geroepen wegens de gelden, voorgeschoten

tot het bouwen van 60 schepen van oorlog. Sedert dien tijd schijnen de

zaken gunstiger te zijn gegaan, en werd het alleen in 1659 212,000 Gld.

toegestaan tot aanbouw en uitrusting van schepen, opdat _Friesland_ het

zijne mogt toebrengen tot de middelen ter verdediging des vaderlands.

[194] _Charterboek_, IV 896, V 330, 477, 485, 486; _Reg. op de

Staats-resol._ 10, 205, 313; _Tegenw. Staat_, III 13.

[195] _Charterboek_ V 521, 558. Dit is te vreemder, omdat de Regering

van _Harlingen_ reeds in 1644 bij acte had aangenomen, "omme de Heeren

Raden ter Admiraliteyt op Stadts costen te voorsien met een bequame

huysinge tot het Collegie ende Vergaderinge, sampt gevangen- en

packhuysen."

[196] _Reg. Staats-resol._ 13; DE JONGE, _Zeewezen_, I 280, 281; II

_a_ 346, II _b_ 31, en verder de Resolutiën van Gedeputeerden.

Bij dezen, in den aanvang zoo gebrekkigen, toestand der schepen,

die tevens te min geschut en te weinig bekwaam volk hadden, moest

het beleid en de moed der vroeger gevormde zeelieden veel vergoeden.

Was het een geluk voor den staat, dat de later zoo beroemde MICHIEL

ADRIAANSZ. DE RUYTER zich in 1652 eindelijk liet bewegen, in 's

lands dienst te treden en, als Vice-kommandeur op eene vloot van 30

schepen, 60 koopvaardijschepen te geleiden en te beschermen tegen de

Engelschen,--op dien eersten togt blonk, als het eerste dappere bedrijf,

de heldhaftigheid van een Friesch Kapitein uit. Deze was DOUWE AUKES,

bevelvoerende op een der twee grootste Oost-Indievaarders, die nu ten

oorlog waren toegerust, de _Struisvogel_ of _Vogelstruis_ geheeten,

gewapend met 40 stukken en 200 man, terwijl het schip van DE RUYTER

zelven slechts 28 stukken en 134 koppen voerde. Op den middag van den 26

Aug. 1652 was het gevecht tegen den Vice-admiraal GEORGE AYSCUE, die 40

schepen onder zich had, bij _Plymouth_ pas begonnen, toen bovengenoemd

schip vooruit snelde en zich alleen te digt onder de Engelschen begaf,

die dadelijk met drie of vier groote schepen den Struisvogel meenden te

vernielen, door hem van alle zijden fel aan te tasten. De matrozen,

ziende dat geen der Hollandsche schepen opkwam om hen te ontzetten,

wilden niet vechten, maar het schip overgeven, waartoe ze hun Kapitein

poogden te dwingen. Doch met het gevaar steeg den moed van dezen, die

het uiterste wilde wagen. Met een sabel in de eene en een lont in de

andere hand, »trad hij onder de Maets, dreygende hun alle, in geval sij

nu niet vromelijck vochten, in de Lucht te doen springen, luidkeels

roepende: Schept moed, mijn kinders, schept moed. Ik zal u den weg

wijzen, en als wij de vijanden niet langer konnen wederstaan, dan zal ik

u alle van de gevangenisse bevrijden, door middel van de lont, dien ik

in de hand hebbe." Die taal maakte een gewenschten indruk en herstelde

den verflaauwden moed der zijnen: ieder vloog naar zijne plaats en post.

»En den valjanten DOUWE, die een Stuck op den Overloop hadde staen,

waermede hy Seyn dede van los te branden, vierde met 24 Stucken in den

Engelsman, die hy vry dicht had laten komen, soodat die met Volck en al

wat daer op was dadelijck is gesoncken. Stracks kreeg hy het tweede

Engels Schip op zij, een Bengel met 50 Stukken; DOUWE trefte die als de

eerste met syn tweede Laeg Geschuts, soodat die oock stracks te gronde

ging: op dese twee Schepen waren by de 900 Zielen, waer af niet eenen

(dat men weet) levendig gebergt is. Den derden Engelsman, onder zyn

scheut komende, kreegh ook soo veel, dat hy krengde;" waarna onze

dappere Kapitein, na een verlies van 30 man, den weg open vond, om uit

den drang te geraken en zich bij 's lands vloot te voegen[197]. In den

avond namen de Engelschen, die 1300 dooden hadden, de vlugt, en DE

RUYTER, verwonderd over den uitslag van dezen strijd tegen zoo groote

overmagt, betuigde: »Als de almagtige God kloekmoedigheid wil geven, dan

verkrijgt men de overwinning"[198].

[197] Van dezen DOUWE AUKES zijn geene andere bedrijven of

levensbijzonderheden bekend. Vermoedelijk verliet hij na den eerste

Engelschen oorlog de zee en werd koopman te _Amsterdam_, waar hij bij

den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, in aanmerking kwam, om, wegens

zijn vroeger bedrijf, de gemagtigden tot 's lands vloot als Zeeraad te

dienen. Zie BRANDT, _de Ruiter_, 398. De _Holl. Mercurius_, 1666, 169

noemt hem, die verder niet bij BRANDT voorkomt, "een van de beste

Zee-helden van onsen tijt, so in goet beleyt, courage, als

ervarentheyt," en meent zelfs, dat hij in 1666 bestemd was tot

Luit.-Admiraal, in plaats van TJERK HIDDES.

[198] Ik ben het verhaal gevolgd in den _Hollantsche Mercurius_ van

1652, III 82, nagenoeg overeenkomende met BRANDT, _Leven van de

Ruiter_, Amst. 1701, 27 en DE JONGE, _Zeewezen_, II _a_ 53.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 20 / 41 段