waardige wijze werd vervuld door acht elkander opvolgende Vorsten uit
het Huis van Nassau, aan wier geslacht het gansche vaderland, sedert den
vrijheids-oorlog, zoo veel verpligting had, en waaruit de tegenwoordige
Koninklijke familie in eene regte lijn afstamt. De deugden en
bekwaamheden van hen en hunne gemalinnen, die soms, bij minderjarigheid
des opvolgers, de teugels van het bewind opvatten, leven nog voort in
eene eervolle nagedachtenis. Hun zetel, het _Stadhouderlijk Hof_, thans
het _Koninklijk Paleis_, te _Leeuwarden_, dat nog hunne afbeeldsels
(gelijk de Groote Kerk hun stoffelijk overschot) bewaart, moge, even als
de door hen aangelegde Prinsentuin aldaar, die herinnering duurzaam
levendig houden[173].
[173] Zie de geschiedenis van dit en de andere Vorstelijke Gebouwen te
_Leeuwarden_ in de _Geschiedk. Beschrijv._ II 295 env. en eene
Volglijst dezer Stadhouders in de tweede Tijdrekenk. Lijst hier
achter. Ik herhaal hier den wensch, dat de Levens dezer Vorsten
eenmaal naauwkeurig mogen worden opgemaakt, vooral uit die groote
verzameling stukken, uitmakende het Archief dier Stadhouders, welke ik
in 1837 heb opgespoord in het Rijks-Archief en Huis-Archief des
Konings, volgens mijn berigt in _de Vrije Fries_, II 18.
_Het Hof Provinciaal._
De Hertogen van _Saksen_ hadden in 1499 een _Provincialen Raad_ te
_Franeker_ en in 1504 een _Geregtshof_ te _Leeuwarden_ ingesteld en de
Saksische Ordonnantie uitgevaardigd, waarbij de Keizerlijke regten met
behoud van sommige lands gewoonten in _Friesland_ ingevoerd-, en
bepalingen ter handhaving van het burgerlijk en regterlijk bestuur
vastgesteld werden. In 1571 had dit Hof een grootsch gebouw, de
_Canselarij_, tot zetel betrokken; doch bij de omwenteling van 1580 werd
aan dat Hof alle bewind in de zaken der burgerlijke regering of het
bestuur des lands onttrokken. Sedert dien tijd was alleen het beleid der
civile en criminele Justitie, of de hoogste regtsmagt en uitspraak in
burgerlijke geschillen en omtrent strafbare daden, aan dit Hof
opgedragen. De eerste, ook wanneer men zich van de Nedergeregten bij
appèl beriep op de uitspraak van het Hof, waarvan geen beroep op eenig
hooger geregtshof kon geschieden. In 1602 werd door de Staten van
_Friesland_ de _Lands Ordonnantie_ uitgevaardigd, welke, herzien en
aangevuld in 1723, nevens het Romeinsche regt, als Hoofdwetboek het
rigtsnoer bleef van eene Regtbank, die, door krachtbetoon en strikte
regtvaardigheid, den meesten eerbied en het hoogste ontzag mogt
verwerven. Groot was dit voorregt, dat _Friesland_ genoot boven andere
provinciën, wier regtsmagt lang en vaak zeer willekeurig door Jonkers,
Heeren, Drosten enz. op grond van oude kostumen en landregten werd
uitgeoefend.
Dit Hof van Justitie dan bestond uit 12 Raadsheeren, welke de Stadhouder
uit eene nominatie van ieder der vier kwartieren koos, benevens een
Procureur-Generaal en Griffier, ieder met een Substituut of hulp;
alsmede een Rollarius, een Ontvanger der Canselarij-geregtigheden, een
Sportelmaander, zes Deurwaarders, acht Boden enz. Dagelijks hield het
Hof twee zittingen in de Canselarij, waar boven het eene Bibliotheek
bezat, waarin de beste werken over de regtsgeleerdheid en aanverwante
vakken waren opgenomen. Het Blokhuis werd als huis van arrest voor nog
niet veroordeelde gevangenen--het Landschaps Tucht- of Werkhuis, na 1661
als strafgevangenis gebezigd. Het Hof ontleende zijn aanzien voor een
groot deel van de voortreffelijke geleerden uit den aanzienlijksten
stand, welke gedurende drie eeuwen daarin als Raadsheeren zitting
hadden[174].
[174] Jhr. E. M. VAN BURMANIA gaf in 1742 eene _Naamrol_ van deze
Raden van het Hof met korte levensschetsen in 't licht. Een vervolg
daarop, bevattende de namen der Rentmeesters van de Domeinen,
Procureurs-Generaals, Griffiers, Substituten en eerste Deurwaarders,
verscheen in 1748. De Saksische Ordonnantie komt voor in het
_Charterb._ II 35 en de Lands Ordonn. ald. IV 1138, V I, 99. Zie over
de Canselarij en genoemde gevangenissen de _Geschiedk. Beschrijv._ I
112, 260; II 319, 333 env. Voorts FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 291;
_Tegenw. Staat_, IV 139. De Dissertatie van Mr. J. M. VAN BEIJMA,
Leiden 1835, bevat de geschiedenis van het Hof van zijn oorsprong tot
het einde der 16e eeuw.
_De Rekenkamer_
bestond uit vier Rekenmeesters, uit ieder kwartier een, die gelijktijdig
met Gedeputeerden op het Collegie vergaderden. Aan hen was het toezigt
over 's lands penningen, het nagaan van de rekeningen der ontvangers, de
zorg voor de zaken der (in 1765 opgehevene) Munt enz. opgedragen. Dit
collegie had een Secretaris, een Pensionaris, benevens eene Kamer van
Financiën met een Commies-Generaal enz. In het bijzonder had zij het
toezigt op
_de Lands Kantoren._
Deze en de Provinciale Ontvangers waren vier in getal, naar de wijze van
invordering der belastingen; als:
Het _Kantoor der Floreenen_, of van de opbrengst der Floreenrente uit de
vaste goederen (de Landtax), benevens het middel der vijf speciën: het
hoofd- en schoorsteengeld, de bezaaide landen, het horengeld en paarden.
Het _Kantoor der Consumptiën_ ontving de gewone middelen of de
belastingen op zout, wijn, bier, koffij, thee, zoete waren, laken, klein
zegel, havenregten enz.
Het _Kantoor der Losse Renten_ had de ontvang en uitbetaling der
geldleeningen en renten, en der opbrengst van de belastingen op het
gemaal, beestiaal, turf, brandhout, brandewijn, waagregt, passagie-geld,
de equivalenten der ambtenaren, de collaterale successie, de registratie
op den verkoop der vaste goederen enz.
Het _Kantoor der Lijfrenten_ was belast met het beheer over, onder dezen
naam, door den lande opgenomen gelden, en ontving de reële en personeele
heffingen op de huren der vastigheden en aangeteekende kapitalen.
Vroeger was er nog een _Kantoor der Domeinen_, of van de opbrengst van
_het Bildt_ en der kloostergoederen, veenen en landen, der provincie
toebehoorende enz. Na het verkoopen van deze vastigheden is dit kantoor
in 1766 opgeheven en vereenigd met dat der consumptiën[175].
[175] Een uitvoerig overzigt van al de menigvuldige en zware
belastingen, welke in de vorige eeuw in _Friesland_ geheven werden,
vindt men in den _Tegenw. Staat_, IV 337. Zie daarover ook het
belangrijke boekje van Mr. D. _Over de belastingen der Republiek_,
Amst. 1837, bl. 127, 167.
_De Generaliteit._
Uithoofde van _Frieslands_ betrekking tot de _Unie_ of het verbond met
de overige zes gewesten, die te zamen den Staat der _Zeven Vereenigde
Nederlandsche Provinciën_ uitmaakten, waren er nog verscheidene
aanzienlijke betrekkingen, welke daaruit voortvloeiden.
In de _Staten-Generaal_ of de Algemeene Staten der Nederlanden,--die
aanzienlijke vergadering van gevolmagtigde afgevaardigden uit iedere
Provincie, tot waarneming en handhaving van het gemeen belang der
bondgenooten, te _'s Gravenhage_ gezeteld,--werd _Friesland_
vertegenwoordigd door vier Afgevaardigden, een uit ieder kwartier en
somtijds nog een buitengewonen Raad uit dat der Steden. Gewone zaken
werden in deze vergadering bij meerderheid van stemmen behandeld; doch
tot buitengewone zaken, als: oorlogs-verklaring, werving, geldleening,
verbonden met andere mogendheden enz. werd eenparigheid van stemmen en
uitdrukkelijke toestemming der Staten van iedere provincie vereischt.
Die gevolmagtigden hadden echter geen vrije stem, of magt om naar hun
inzigt te handelen, maar moesten zich, vooral in gewigtige zaken,
gedragen naar de resolutie, welke de Souvereine Staten hunner
provinciën deswege hadden genomen, en telkens met dezen ruggespraak
houden, wanneer er iets voorkwam, waartoe zij niet of niet genoeg gelast
waren. Zeker was dit zeer voorzigtig gehandeld, doch in belangrijke en
spoed vereischende zaken, veroorzaakte deze omslagtige wijze van
beraadslaging zoodanige vertraging, dat daaruit dikwijls groote nadeelen
en onaangenaamheden ontstonden.
Het aandeel van ieder der provinciën in het dragen van de
Generaliteits-lasten was verdeeld in dezer voege. Van de 100 Gulden
betaalde:
_Gelderland_ 5 Gld. 12 Stuiv. 13 Penn.
_Holland_ 58 » 6 » 4-1/4 »
_Zeeland_ 9 » 3 » 8 »
_Utrecht_ 5 » 16 » 7-1/2 »
_Friesland_ 11 » 13 » 2-3/4 »
_Overijssel_ 3 » 11 » 5 »
_Groningen en Ommelanden_ 5 » 16 » 7-1/2 »
-----------------------------------
100 » : » : »
_Drenthe_ betaalde 1 boven de 100 Gld. Dat _Friesland_, in vergelijking
van andere landprovinciën, bij deze zoogenaamde _Quota_ verbazend hoog
was aangeslagen, valt gereedelijk in het oog, en heeft dan ook
aanleiding gegeven, dat deze, buitendien voor eigene behoeften reeds zoo
zwaar belaste, provincie zich daar tegen bijna twee eeuwen lang, doch
vruchteloos, verzet- en eene billijker verdeeling van de algemeene
lasten betoogd en verzocht heeft[176].
[176] Zie deswege Prof. N. YPEY, _Verhandeling over de Quotae_, Harl.
1784, en vooral de krachtige _Deductie_ der Friesche Staten van 1786,
in groot en breed 4^o gedrukt, waarin tevens de ware toestand van 's
lands financiën is bloot gelegd. Prof. YPEY berekende, dat de Quota
van _Friesland_, in verhouding tot de overige provinciën, moest zijn:
9 Gld. 12 St. 2 Penn. Eerst in de laatste jaren der republiek,
omstreeks 1792, vond dit gehoor, en werd de Quota dezer provincie op
ruim 9 Gld. gesteld.
In den _Raad van State_ of de duurzame vergadering, welke voor de
uitvoering en handhaving van de besluiten, wetten en bevelen der
Algemeene Staten zorg droeg, doch later meer bepaald met de zorg voor
het krijgswezen en de geldmiddelen der republiek was belast, had
_Friesland_ twee van de twaalf leden, en mede twee afgevaardigden in de
_Generaliteits-Rekenkamer_, welke met eene Kamer van Financiën en
Muntkamer aan dezen Raad verbonden was.
Het bestuur van de Lands Zeezaken of de Marine was opgedragen aan de
_Admiraliteit der Vereenigde Nederlanden_, in 1586 opgerigt en in 1597
voor vast geregeld. Zij bestond uit vijf Collegiën, waarvan _Friesland_
er een bezat; terwijl deze provincie een afgevaardigde uit _Oostergoo_
zond in het Collegie op de Maas te _Rotterdam_, een uit _Westergoo_ naar
dat van het Noorder-kwartier te _Enkhuizen_ en een uit de _Zevenwouden_
naar dat te _Amsterdam_ gevestigd. Bovendien werd dit gewest in de
_Oost-_ zoowel als in de _West-Indische Compagnie_ door een lid
vertegenwoordigd.
Keeren wij nu weder terug tot de enkel Provinciale Regerings-collegiën.
_Het Collegie ter Admiraliteit_
van _Friesland_, waartoe _Groningen_ mede behoorde, was in 1596
gevestigd te _Dokkum_, doch in 1645 verplaatst naar het gunstiger
gelegene _Harlingen_. Het bestond uit tien leden, waarvan vier uit
_Friesland_ en zes uit de overige provinciën, met den Stadhouder aan het
hoofd, en ondersteund door een Raad en Advocaat-Fiscaal, een
Secretaris, Ontvanger-Generaal, Equipagemeester, Vendumeester en
verscheidene andere ambtenaren. De belangen van het Zeewezen van deze
provincie, in verband met die des lands, werden verzorgd door dit
aanzienlijk Collegie, hetwelk te _Harlingen_, behalve een Vergaderhuis,
ruime Magazijnen en eene Scheepstimmerwerf bezat. De twee eersten werden
in 1771 door een fellen brand in asch gelegd, waarbij ook de Secretarie
met al hare archiven, benevens een groote voorraad scheepsbehoeften
verloren ging. De laatste, de werf, ontving in 1781 en 1782 eene
aanzienlijke vergrooting, zoodat daarop sedert verscheidene
oorlogs-fregatten en andere groote schepen, van 24 tot 74 stukken
gebouwd werden[177].
[177] Zie _Charterboek_, V 330, 477, 485, 493, 521, 558, en _Tegenw.
Staat_, III 13, waar eene uitvoerige beschrijving van dit Collegie
voorkomt.
_De Monster-Commissarissen_
waren vier in getal, uit elk kwartier een, en belast met de monstering
der compagniën van den Staat, het toezigt op deszelfs vestingen en
versterkte plaatsen, zoo in als buiten _Nederland_, het onderzoek van de
krijgsbehoeften enz.[178]
[178] Zie omtrent deze en verdere opgenoemde betrekkingen de
Staatsbesluiten in het belangrijk Alph. _Register der Resolutiën van
de Staaten van Friesl._ 1570-1780, van J. A. DE CHALMOT, Kampen 1784.
_Curatoren van 's Lands Hoogeschool te Franeker._
Aan vier, uit ieder der kwartieren gekozene, aanzienlijke personen, was
de zorg voor het hooger onderwijs en het bestuur van de Akademie
opgedragen, overeenkomstig de Resolutiën, door de Staten deswege
genomen. Sedert 1653 stond de Stadhouder als eerelid aan het hoofd van
dit collegie, dat door een Secretaris werd ondersteund. Door het
verordenen van gepaste maatregelen, goede inrigtingen en eene
voorzigtige keuze van personen tot Hoogleeraren, hebben deze Curatoren
gedurende ruim twee eeuwen veel bijgedragen tot den bloei en roem der
Akademie te _Franeker_, »de kweekschool van groote mannen voor
_Nederland_"[179].
[179] In VRIEMOET, _Athenæ Frisiacæ_, Leov. 1758, komt eene Lijst voor
van deze Curatoren, voorafgaande die der Hoogleeraren, met
levensschetsen van ieder. Over deze Hoogeschool zal in het vervolg
nader worden gesproken.
_Het Jagtgeregt._
Sedert 1591 was een aanzienlijk edelman als _Houtvester en Pluimgraaf_
door de Staten bekleed met de regtsmagt over alle zaken, welke de Jagt,
de Visscherij, het wildschieten, het rapen van eijeren enz. betroffen,
voor zooverre daarbij lands plakkaten werden overtreden. In 1748 werd
echter de Prins Stadhouder aangesteld tot _Opper-Houtvester_, met magt
tot aanstelling van een _Luitenant-Houtvester_ en vier _Meester-Knapen_,
die, met een Secretaris en 's Lands Fiscaal, een Geregt uitmaakten,
waaraan sedert de hoogste regtsmagt ten aanzien van dit onderwerp was
opgedragen, volgens het Reglement van den jare 1750.
_Het Krijgsgeregt_
dezer provincie bestond uit een _Geregts-Scholtus_ met twee
_Assessoren_, een Secretaris, een Advocaat, een Kapitein-Gewaldige met
zijn Luitenant en een Gerigts-Weibel of bode en trawanten. Alle
misdrijven van het krijgsvolk, zoowel civiel als crimineel, werden door
deze regtbank behandeld en ook aan lijf en leven gestraft; de laatste
evenwel met overroeping van de bevelhebbers der troepen in deze
provincie en met voorkennis des Stadhouders, die, bij doodstraffen, ook
het regt van pardon had. De regtdagen of het kamergeregt werden gehouden
te _Leeuwarden_ in de Lands Provoost of Gewaldige, achter de Galileër
Kerk. Op voorstel van den Prins Stadhouder werd echter, bij
Staats-resolutie van 24 Februarij 1775 dit »Provintiaal Krygsgerechte
der Friessche en Nassauwsche Regimenten" opgeheven, en vervangen door
een Krijgsraad met een Auditeur-Militair, op den voet der andere
provinciën. De beroemde geleerde, PETRUS WIERDSMA, was de eerste, aan
wien laatstgenoemd ambt, gedurende twintig jaren door hem bekleed, werd
opgedragen[180].
[180] Omtrent de laatste onderwerpen zie men FOEKE SJOERDS,
_Beschrijv._ II 342 en de Staats-resolutiën; DE WAL, _Oratio de claris
Frisiæ Jureconsultis_, Leov. 1825, 415.
_De Nedergeregten._
Ieder der dertig _Grietenijen_ van _Friesland_ werd bestuurd door een
_Grietman_ met twee, drie of meer _Bijzitters_ en een Secretaris.
Gedeputeerde Staten (en sedert 1748 de Stadhouder) verkozen den Grietman
en deze koos de Bijzitters, beide uit een drietal personen. Voor den
eersten werd eene nominatie gemaakt door de meerderheid der dorpen,
welke de meeste stemmen hadden van de stemgeregtigde ingezetenen, die
voor de laatsten eene nominatie zamenstelden, en verder op gelijke wijze
ontvangers, predikanten en onderwijzers stemden. Aan de politieke magt,
welke dit Grietenij-bestuur uitoefende, ten aanzien van het belang en de
veiligheid der ingezetenen, de uitvoering van de Staatsbesluiten, de
zorg voor dijken, wegen, armen enz., was echter toenmaals een juridieke
magt, eene mindere of lagere Regtbank, een _Nedergeregt_ verbonden, in
vele opzigten overeenkomende met de latere Vrede- of Kantongeregten. Als
zoodanig was het, behalve met de bestendige zorg omtrent de
nalatenschappen, de minderjarigen, boedelscheidingen, verkoopingen enz.,
in het bijzonder belast met de regeling van burgerlijke regtszaken en de
vervolging van policie-misdrijven. Men kon zich echter van deze
uitspraken beroepen op het Hof Provinciaal, hetwelk ten aanzien van
strafbare daden of het crimineele alleen de hulp ter opsporing en
inlichting genoot van de Nedergeregten, die slechts geringe
policie-straffen, als geldboeten, aan de kaak stellen, korte gevangenis
enz. konden opleggen. Tot dit einde werd er in elke grietenij wekelijks
een regtdag gehouden op de regt- of weerkamer in de hoofdplaats. Een
gewigtige steun en hulp tot dat alles vond het gezag toenmaals in de
_Dorpregters_, over één groot of twee kleine dorpen, waartoe meestal de
geschiktste ingezetenen, met name de onderwijzers werden gekozen, en aan
wie vele kleine zorgen ter bevordering van het beheer, vrede, veiligheid
en regt waren opgedragen. Tot deze geregten behoorden verder een
Fiscaal, Executeur, Adsistenten enz.[181]
[181] Zie over de Grietenij-besturen de hier vóór aangehaalde werken,
benevens C. L. Â BEIJMA, _Tractatus de Grietmannis_, Fran. 1780; H. B.
VAN SMINIA, _Nieuwe Naamlijst van Grietmannen_, Leeuw. 1837; _de
Grietmannen in Friesland_, aldaar 1848.
Minder eenparig of gelijkmatig was de regeringsvorm der elf Friesche
_Steden_, welke in 1615, 1637, 1657 en 1786 nieuwe Reglementen van
Raadsbestelling ontvingen, waarbij er soms eenige veranderingen in de
namen of vormen kwamen; terwijl de verkiezing (door electeurs, uit de
burgerij of de breede gemeente en de regeringsleden gekozen en bij
herhaling uitgeloot) zeer zamengesteld was, om de onpartijdigheid van de
keuze te verzekeren. Zoo bestond te _Leeuwarden_ de regering uit een
(jaarlijks ten deele aftredende) _Magistraat_ van 12 en een _Vroedschap_
van 40 leden, welke laatste in 1637 de Gezworene Gemeente had vervangen.
De Vroedschappen werden voor hun leven gekozen en daaruit de nominatie
van Magistraats-leden opgemaakt. De Magistraat of het regerend ligchaam,
dat de Vroedschap in belangrijke zaken tot Raad had, was zamengesteld
uit: 4 Burgemeesters, 6 Schepenen en 2 Bouwmeesters of Raadslieden, met
een Secretaris, 4 Pensionarissen, 4 Rentmeesters en 20 Bevelhebberen of
de Hopman en Vaandrik der Schutterij uit ieder der 10 espels, waarin de
stad verdeeld was, en die in sommige gevallen stem hadden in
regeringszaken. In andere steden bestond de Magistraat enkel uit 6 of 8
Burgemeesters of met bijvoeging van 2 of 4 Raadslieden, en was het getal
Vroedschappen geëvenredigd naar hare grootte. Bij de jaarlijksche
aftreding van de Magistraatsleden werd er eene nominatie gemaakt,
waaruit de Stadhouder eene keuze deed, evenwel volgens vrijwillige
opdragt, eerst van 9 en daarna van alle 11 steden[182]. Behalve het
burgerlijk bestuur van de steden was aan deze Magistraten of
Burgemeesters ook de uitoefening van de regtsmagt der Nedergeregten
opgedragen, op nagenoeg gelijke wijze als dit ten platten lande
geschiedde, met geringe wijzigingen naar plaatselijke omstandigheden.
[182] Dat hiervan misbruik werd gemaakt en dat vooral Prins WILLEM V
zijne vrienden als _Premier_ aan het hoofd der Magistraten stelde,
heeft in het laatste tijdperk der republiek veel stof tot misnoegen
gegeven. Zie daarover in 't bijzonder (ALLART) _de Vrijheid_, 4e dr.
Amst. 1783, bl. 241, env. Ook dáárom trokken sommige steden in 1782
deze vrijwillige opdragt in, en vernieuwden zij vervolgens zelve hare
Magistraat. Vele Raadsbestellingen der steden zijn opgenomen in de
drie laatste deelen van den _Tegenw. Staat_; in het 4e dl. daarvan is
eene uitvoerige beschrijving van de geheele Regering. Zie ook FOEKE
SJOERDS, _Beschrijv._ II 378.
_De Dijksgeregten._
In eene provincie, welke lager ligt dan de gewone vloeden der zee,
die haar voor het grootste gedeelte en aan alle zijden omringt en
bestookt, was voorzeker geene zorg van meer belang dan die voor de
zeedijken en sluizen. Veiligheid van personen en rustig bezit van
goederen was toch geheel afhankelijk van de deugdzaamheid der middelen
tot landverdediging. Met groote moeite en opofferingen hadden de vaderen
die bolwerken rondom de kust opgeworpen; doch het kostbaar onderhoud
ging steeds met groote bezwaren vergezeld, en tallooze watervloeden, die
verschrikkelijke verwoestingen en belangrijke verliezen ten gevolge
hadden, deden de Friezen eeuwen lang gevoelen, dat er krachtiger
middelen van tegenstand vereischt werden, om meester te blijven van dit
fel bestreden erf. Moeijelijk waren deze tot stand te brengen, zoolang
ieder dorp der naast aan zee gelegene grietenijen, van ouds met het
onderhoud belast, een zeker perk of deel van den algemeenen dijk had te
herstellen, uit welke verpligting dikwijls hevige twisten en langdurige
verschillen voortvloeiden. Eerst nadat de Kersvloed van 1717 hier op
nieuw groote schade en verliezen had te weeg gebragt, kwam daarin
verbetering. Want de Staten gelastten niet alleen de beschadigde werken
te herstellen, maar ook alle dijken te verzwaren en te verhoogen, op
een geregelden en vasten voet, en bovendien, dat in iedere
zeedijks-contributie het onderhoud gemeen-gemaakt en aan de onmiddelijke
zorg der dijksbesturen overgelaten zou worden. In weerwil van sterken
tegenstand, werd bij Staats-resolutiën van 1718 en 1719 bepaald, dat in
meestal de dijkspligtige grietenijen of dorpen en steden, waar zulks
niet reeds het geval was, de vastigheden voortaan werden bezwaard met
een omslag, in verhouding van de hoeveelheid der roeden dijkwerk, die
zij vroeger in hun afzonderlijk perk hadden onderhouden. Dat deze
krachtige maatregel van gelukkig gevolg was, bleek ook daaruit, dat
_Friesland_ tot den jare 1775 van overstroomingen bevrijd bleef.
Bij die gelegenheid werden er ook nadere bepalingen, onder den
naam van Dijks-instructiën, gemaakt ten behoeve van sommige
contributiën. De voornaamste dezer waren: 1. _Kollumerland_
en _Nieuw Kruisland_, met _Gerkesklooster_ en _Visvliet_; 2.
_Oost-Dongeradeel_ en der daaraan gelegen polders; 3. _West-Dongeradeel_
en die der _Ternaarder-_ en _Holwerder-polders_; 4. _Ferwerderadeel_;
5. _het Oud en Nieuw Bildt_ en die der latere bedijkingen; 6 en 7. _de
Vijfdeelen_, van _Dijkshoek_ tot _Makkum_, waartoe de grietenijen
_Franekeradeel_, _Menaldumadeel_, _Hennaarderadeel_, _Baarderadeel_
en _Barradeel_ met de steden _Harlingen_ en _Franeker_, benevens zeven
noordelijke dorpen van _Wonseradeel_, behoorden. Deze contributie was
in twee deelen gescheiden: in binnen-en buitendijks, waarvan de
scheiding was de zoogenaamde Steenenman bij _Harlingen_; 8.
_Wonseradeels-Zuiderzeedijken_; 9. _Hemelumer-Oldephaert c. an._; 10.
_Wijmbritseradeel_ met _Sneek_ en _Ylst_, eene uitgestrektheid dijks in
de laatstvorige grietenij uitmakende; 11. _Workum_; 12. _het
Workumer-Nieuwland_; 13. _Hindeloopen_; 14. in de _Zevenwouden_, de
_Zeven Grietenijen_ (als: _Doniawarstal_, _Haskerland_, _Lemsterland_,
_Schoterland_, _Gaasterland_, _Ængwirden_ en _Schoterland_, benevens
_Opsterland_) met de stad _Slooten_; 15. _de Lindedijken_ enz.
De Dijksbesturen of geregten, hoewel niet overal gelijk, bestonden
veelal uit een Dijkgraaf (op _het Bildt_ Heemraad genaamd), uit twee of
meer Dijks-Gedeputeerden en een Secretaris en Ontvanger, benevens
Volmagten of Gecommitteerden uit de grietenijen of dorpen en steden, die
het bestuur kozen, het oppertoezigt hadden en verantwoording van
ontvangsten en uitgaven ontvingen, volgens naauwgezette bepalingen,
welke omtrent dit belangrijk onderwerp door de Staten waren
voorgeschreven[183].
[183] Met opgave van al de bijzonderheden is dit onderwerp uitvoerig
behandeld in het vierde deel van den _Teg. Staat_, bl. 273. Zie ook
FOEKE SJOERDS, I 265, II 452; _Regist. der Staats-res._ op _Dijken_,
enz.
_Het Kerkbestuur._