Ver van het tooneel des oorlogs verwijderd en bestendig het genot van

den voorspoed smakende, verkeerde deze provincie in een bloeijenden

toestand, toen de jeugdige HENDRIK CASIMIR I in December 1632 zijn

voortreffelijken vader in de regering opvolgde. Rustig was zijne

regering niet, wegens het duurzaam blaken der verschillen tusschen de

staatsleden, welke zelfs aanleiding gaven tot oproerige bewegingen onder

het volk. Om deze te bedwingen, zonden de Algemeene Staten bij herhaling

gezanten en krijgsvolk herwaarts; doch de voorzigtige Stadhouder wist

zijn invloed met veel beleid aan te wenden, om het inrukken van die

troepen binnen _Leeuwarden_, als strijdig met de regten en de hoogheid

van dit gewest, te beletten, en niet minder, om de verstoorde rust te

herstellen en de twistende partijen vooreerst te bevredigen. Groote

diensten heeft hij daarin dit gewest bewezen. Doch ook als krijgsman had

hij zich der belangen van het vaderland gewijd, en vond Prins FREDERIK

HENDRIK in hem een dapperen steun, aan wien hij belangrijke togten

toevertrouwde. In 1637 en volgende jaren behaalde hij, aan het hoofd van

het zoogenaamde vliegende leger, op de frontieren van Rijn, Maas en Waal

vele voordeelen op de Spanjaarden, waarbij hij zich »met sonderlinge

sorghvuldicheyt en vigilantie kweet," en om zijne goede zorg en orde,

evenzeer als om zijne bescherming van de weerlooze ingezetenen tegen den

vijand geprezen werd. Doch ook hij bragt zijn leven dat vaderland ten

offer, als de negende der Nassausche helden, die in dezen krijg voor de

goede zaak het leven lieten. Op den togt in _Vlaanderen_, niet ver van

_Hulst_ eene schans aanvallende, waarbij de zijnen, uit »een

sonderlinghe ghenegentheydt, die sij hem toedroegen, als Leeuwen

vochten," werd hij in den rug geschoten, waaraan hij den 2 Julij 1640

stierf, »tot hertelijcke droefheydt van 't gantsche Leger, van den

Prince, die grote hope op hem hadde, en oock van de vyandt, by wien hy

in aensien ende grote estime waer." Zelfs zou een vijandelijk

hoofd-officier dien dag hebben gezegd: »de braveste Cavalier van

_Nederlandt_ is gebleven." Uitbundig is de lof, welken tijdgenooten

dezen jeugdigen held, die slechts 29 jaren mogt bereiken, toezwaaijen.

De Friezen, die zijne godsdienstige braafheid en voortreffelijke

eigenschappen hoogelijk vereerden, betreurden algemeen zijnen dood, en

vergezelden vol rouw zijne plegtige uitvaart, waartoe de Staten eene som

van niet minder dan 12,000 Gld. bestemden[156].

[156] _Chart._ V 341, 355; V. D. SANDE, 173, 199, 212, 215 en vooral

217. Zie mede de vroeger vermelde schrijvers en VAN LEEUWEN'S Aantt.

op _it aade Friesche Terp_, 453 env.

* * * * *

't Was inderdaad een groot voorregt van _Friesland_, dat het zijn belang

aldus had verbonden aan een Vorstelijk Huis, hetwelk bij opvolging

waardige leden telde, in staat, om, bij het immer voortduren van den

oorlog, te voldoen aan de eischen der Staten, die aan het hoofd der

uitvoerende magt een man wilden bezitten, in wien zich de hoedanigheden

vereenigden van »eenen aensienlycken, gequalificeerden ende vertrouden

Persone, van cloeckheyt, dapperheyt ende goede ervarentheyt in materie

van State ende Crychshandel"[157]. Die zeldzaam bestendig vereenigde

gaven waren het deel der leden van dezen tak uit het beroemde stamhuis

van _Nassau_, die ook hun belang aan dat van _Friesland_ hadden

verbonden, en zich bij die verbindtenis even gelukkig gevoelden als de

Friezen, die immer met dankbaar vaderlandsch gevoel hebben erkend, dat

al hunne de Stadhouders uit dit doorluchtig geslacht, als staatsmannen

en helden het vaderland tot nut en roem, en als menschen en christenen,

door vereeniging van bekwaamheid met braafheid, den landzaat ten

voorbeelde en der menschheid tot eere gestrekt hebben. Dit zegt veel,

doch de geschiedenis zou dit in meerdere bijzonderheden kunnen

vermelden, dan ons vergund is hier mede te deelen. Wie toch overtuigd is

van den invloed, welke de zin, de zeden en geestrigting van regenten op

een volk uitoefenen, die schat het voorregt hoog en acht dien invloed

weldadig voor de zedelijke ontwikkeling van alle standen, wanneer die

regenten om hunne bekwaamheden evenzeer geacht, als om hun karakter en

gezindheden alom geëerd en bemind worden. En al mogen deze niet altijd,

gelijk wapenfeiten, schitteren,--zij verspreiden een weldadigen gloed

van liefde en verknochtheid, welke die geslachten overleeft in eene

eervolle en zegenende nagedachtenis. Zóó herdenken wij, Friezen, de

Stadhouders uit het Huis van _Nassau_, de stamvaders van het thans

regerende Koninklijk geslacht. Op allen passen wij den wensch toe, dien

de dichter DA COSTA omtrent WILLEM LODEWIJK uitte:

[157] _Charterboek_, V 259.

_Gedenk den vroomen held, die heel zijn zielzucht prentte,

O Neêrland! in de dienst, tot uw behoud verricht!

Gij, Friesland, 't allereerst, met Groningen, met Drenthe,

Zijn wakkre vaderzorg zoo duur, zoo teêr verpligt.

Gedenkt hem, Nassaus huis, gy, zyn doorluchte neven,

Van ouds gedragen op der Christnen heilgebed!

Gy, uit zyn Frieschen stam op Neêrlands troon verheven,

o Koning, op wiens keus meer dan Europa let!_[158]

[158] _Zangen uit verscheidenen leeftijd_, 1847, 110. Vele berigten

omtrent deze Stadhouders heb ik medegedeeld in de _Geschiedkundige

Beschrijving van Leeuwarden_, II 2, 3, 95, 296-319, 427 env. Ruime

stof is er voorhanden, om hunne levens uitvoerig te behandelen.

Ook nu, in 1640, na het smartelijk verlies van Graaf HENDRIK CASIMIR,

kon dat Huis die breuke heelen. In zijn broeder, Graaf WILLEM FREDERIK

_van Nassau_, die, van gelijken aard en inborst, eene gelijke opleiding

had genoten, vond het een Stadhouder, die dadelijk de afgebrokene taak

kon opvatten. Wel vielen _Groningen_ en _Drenthe_ hem af, door zich

Prins FREDERIK HENDRIK te kiezen, doch de Friesche Staten aarzelden

niet, hem den 23 Julij 1640 eenparig tot hun Stadhouder en

Kapitein-Generaal aan te stellen, welke betrekkingen hem eerst tien

jaren later mede door de twee genoemde naburige provinciën werden

opgedragen[159]. En dat ook hij door zijn beminnelijk karakter,

krijgsdeugden en staatkundige bekwaamheden zich de hoogachting en

erkentenis der Staten wist te verwerven, bleek mede daaruit dat zij hem

in 1650 en op nieuw in 1661 een geschenk van 50,000 Gld. vereerden, en

in 1651 hunne ingenomenheid met zijn huwelijk met Prinses ALBERTINE

AGNES _van Oranje_, de dochter van FREDERIK HENDRIK, aan den dag legden,

door haar, tot Kind of Dochter van Staat aangenomen, den Stadhouder tot

Gemalin over te dragen en een geschenk van eene tonne gouds aan te

bieden[160].

[159] _Charterboek_, V 458; WAGENAAR, _Vad. Hist._ XII 131.

[160] _Register op de Staats-resol._ 343, 513, 587. Vandaar (dat wij

dit hier voorloopig vermelden), dat de Friesche regenten zoo vele

bewijzen gaven van hunne ingenomenheid met het Stadhouderschap, zoowel

op de vermaarde Groote Vergadering van 1651, als in 1654 bij het

stemmen over de acte van uitsluiting in de Staten-Generaal. Tegen de

heerschzuchtige bedoelingen van _Holland_ en andere gewesten, die het

Stadhouderschap geheel schenen te willen vernietigen, protesteerden de

Friesche Afgevaardigden ten sterkste, als eene schending van de Unie,

als een maatregel tegen het belang des lands, en vooral als eene

beleedigende ondankbaarheid jegens het _Huis van Oranje_, hetwelk zoo

veel goeds verrigt had voor het vaderland. Zie AITZEMA, f^o. III 542,

815, 826; KOK, _Vaderl. Woordenboek_, 16e dl. 603 en het _Register_ b.

v. 587.

* * * * *

Intusschen was, met Gods hulpe, de tachtigjarige oorlog geëindigd door

den Vrede, te _Munster_ in 1648 gesloten; een vrede, waarbij eindelijk

door _Spanje_ de onafhankelijkheid der Nederlandsche gewesten erkend- en

een perk gesteld werd aan de bloedige oorlogen en verbazende geldelijke

opofferingen, welke _Nederland_ uit zich zelf niet had kunnen

bestrijden, als de Almagtige het niet gesteund- en als het zelf geen

gebruik gemaakt had van zijne gunstige ligging voor koophandel en

zeevaart, door zich in _Oost-_ en _West-Indië_ buitengewone bronnen van

nijverheid en voorspoed te openen. Die vrede en vrijheid, welke zoo

groote opofferingen vergold en het bezit dier bronnen van welvaart

bekrachtigde, had eene onbedenkelijke waarde voor het volksbestaan der

Nederlanders. In _Friesland_, dat bij dit verbond was vertegenwoordigd

door FRANS VAN DONIA, wonende op _Hinnema-state_ te _Jelsum_, was de

vreugde over deze bevestiging van den Staat groot en algemeen. Daarom

wilden ook 's lands Staten, dat zij op eene plegtige en luisterrijke

wijze werd afgekondigd. Tot dat einde werd er tegen de Stads-Waag te

_Leeuwarden_ een rijk versierde Triumfboog opgerigt, vóór welke op den

26 Mei 1648 de afkondiging plaats had[161]. Bovendien werd er een

Monument van deze gebeurtenis tegen den gevel van het Landshuis

opgerigt[162].

[161] Eene beschrijving van de, in het Stedelijk Archief nog bewaarde,

afbeelding dezer plegtigheid heb ik gegeven in den tekst der _Twaalf

Gezigten op en in Leeuwarden_, 1850, bl. 15.

[162] Zie _Tegenw. Staat_, II 70 en _Geschiedk. Beschrijv._ II 16.

Bij den terugblik op het behandelde gedeelte van dit tijdvak, moeten wij

erkennen, uit de laatste tijden weinige bijzonderheden van het

volksleven der Friezen te hebben medegedeeld. Dit is zeer natuurlijk.

_Friesland_ genoot sedert de overgave van _Groningen_ in 1594 het

voorregt, om, van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich rustig aan

zijne eigene en in de onveilige oorlogstijden veel verwaarloosde

belangen te kunnen toewijden. Met wakkerheid legde het volk zich op de

verbetering van landbouw en veeteelt, op de uitbreiding van handel,

fabrijken en handwerken toe. De steden rezen in bloei en vermogen,

werden verfraaid en vergroot en met aanzienlijke gebouwen en nuttige

inrigtingen verrijkt[163]. Op het land verspreidde de ontwikkeling der

bronnen van volksbestaan eene welvaart, welke de vergrooting der buurten

van vele dorpen ten gevolge had; terwijl edelen en eigenerfden daarbij

op hunne bezittingen zoo vele staten en landhuizen, ja soms kostbare

kasteelen bouwden of herbouwden, dat het groote getal van derzelver

namen op de kaarten der grietenijen nog onze verwondering verdient[164].

Met den Staat werd tevens de burgerlijke toestand der ingezetenen

gevestigd, en eene maatschappelijke inrigting geregeld, welke zeer lang

onveranderd bleef bestaan.

[163] Ten aanzien van _Leeuwarden_ zie men daarvan veelvuldige

bewijzen in de _Geschiedkundige Beschrijving_, II 4-77.

[164] Van honderden dier gebouwen heb ik in mijn _Frisia Illustrata_,

of Teekeningen van Friesche kerken, gestichten, staten, dorpsgezigten

enz. uit de vorige eeuw, afbeeldingen verzameld.

Die voorspoed, welke zich in alle standen verspreidde, had echter ook

zijne schaduwzijde: want, zegt een geschiedschrijver dier dagen,

»neffens dese verbeteringhe van het Landt, nam oock die hovaerdye ende

pracht in Klederen, Huysraet, Bancquetten en alle kostelheyt ergerlijcke

overhant, 't welck al te langhe waere in 't kleyne te verhalen"[165].

Uitsluitende zorg voor enkel stoffelijke belangen, welke alléén geld en

voordeel najaagde, stond de ontwikkeling van den geest steeds in den

weg; en terwijl de geleerden, vooral op 's lands Hoogeschool te

_Franeker_, met groote schreden vorderden op den weg der wetenschappen,

hield de zedelijke, godsdienstige en letterkundige vooruitgang des volks

geen gelijken tred met den stoffelijken voorspoed. Bovendien, sedert de

Dordsche Synode in 1618 eenmaal had bepaald, wat de Hervormde Kerk voor

christelijke waarheid te houden had, scheen men bevrediging te vinden in

koude leerstellingen, die den warmen gloed van de godsdienst der liefde

verdrongen hadden. Bij al den voorspoed betoonde men ook weinig

behoefte aan godsdienst, terwijl men zijne staatkundige regten met des

te meer ijver deed gelden. Vandaar, dat er nog eene andere oorzaak was,

die nadeelig werkte op de zedelijke zoowel als de burgerlijke belangen.

[165] VAN REYD, 351; DE KONING, _Voorvad. Levenswijze_, 200.

Vermits het regt tot stemming van bestuurders en staatsleden alléén

gegrond was op het bezit van vaste goederen, was de zucht om meer

bezittingen te verwerven, ten einde meer magt en invloed op het

staatsbestuur te bekomen, evenzeer toegenomen als de zucht naar hoogheid

en eere, en om zelf tot ambten en waardigheden te geraken.

_Thans (dachten ze in hun hart), thans komt het er op aan,

Om naar 't voordeeligst Ambt te streven en te staan:

En die naar kennis, kunst en wetenschap wil streven,

Doolt verre van den weg om met vermaak te leven.

Die Rijk is, is ook wijs, ook dapper, en in staat,

Om Friesland nut te zijn, én door beleid én raad.

Die magtig is in geld, in goedren overvloedig,

Is eerlijk, schrander, braaf, verheven en grootmoedig!_

_Dus achtte men welhaast de vaderlandsche zaak._

_Maar in een Vrij Gewest is ware Vreê te erkennen,

Wanneer men in de jeugd de kindren doe gewennen

Aan 't denkbeeld, dat de mensch niet voor zich zelve alleen

Geboren is, maar ook ten nutte van 't Gemeen;

Ja, dat zulks de eerste lust en de eerste pligt moet wezen,

Door geene Staatzucht, door geen Geldlust te belezen.

Daar derft de Raad des lands geen krachten, geenen moed,

Tot wering van het kwaad, tot staving van het goed.

De zon van het Gezag doet hare vruchtbre stralen

Dáár van den hoogen trans, van haren hemel dalen_[166].

[166] WILLEM VAN HAREN, _Lof der Vrede_, 's Hage 1742, 53, 59, 61.

Voorzeker was het niet vreemd, dat zulk eene rigting, welke alle lessen

der godsdienst tot vrede en zachtmoedigheid versmaadde, aanleiding gaf

tot oneindige kuiperijen en partijschappen, welke de rust van den Staat

bestendig in gevaar stelden en de uitvoering van gewigtige verbeteringen

beletten. Een tijdgenoot (de Raadsheer VAN DEN SANDE, 208) getuigt

deswege: »van die twist, oneenicheydt ende factien is de eenighste

oorsake geweest, de overgroote ende ongheregelde ampt ende

regieringhsucht, waerdoor voorgaende goede wetten, Lands-ordinantien

ende resolutien zijn ontbonden, veracht ende met voeten ghetreeden,

waerom goede Patriotten vreesden, dat uyt dusdanige ongebondenheyt

eyndelijck eene nieuwe combustie, oock wel eene totale ruyne hares

Vaderlandts ontstaen mochte." Ja, SCHOTANUS noemt »de vervloeckte

staet-sucht een oude plage," gelijk UBBO EMMIUS »een grasseerende pest

van dit Landt"; terwijl het tafereel, dat de eerste van den zedelijken

toestand des volks, in het midden der 17e eeuw, ophangt[167], ons met

bedroeving vervult, en weder een bewijs levert, dat de voorspoed (die

proefsteen onzer zedelijke waarde), schoon een zegen des Allerhoogsten,

door misbruik veelal meer verderfelijk is voor de waarachtige belangen

eens volks, dan tegenspoed en lijden, welke veelal verkeerdelijk voor

rampen, kastijdingen en plagen Gods worden gehouden.

[167] Aan het slot der Voorrede van zijne _Beschrijv. end Chronijck_

van 1655. Zie ook HALBERTSMA, _Letterk. Naoogst_, I 147, 150;

STARTER'S en FONTEYNE'S _Politycke Kuiper_, 1621, 1647; BAARDT,

_Deugden Spoor_, 1645, GYSBERT en meerdere geschriften van dien tijd.

Evenmin als van de vroegere partijschappen der Schieringers en

Vetkoopers, zullen wij nu een uitvoerig verhaal geven van deze

Staatstwisten, welke vaak met gelijke hevigheid, doch onder andere

omstandigheden en in eenigzins meer beschaafde vormen gevoerd werden

als die vroegere. Omtrent al de twisten van KAREL ROORDA tegen Graaf

WILLEM LODEWIJK, de verschillen over de opbrengst van _Frieslands_

aandeel (_quota_) in de algemeene lasten en het inwilligen van de

impositiën en generale middelen, allen reeds in 1593 aangevangen, later

voortgezet en tot 1640 met hevigheid gevoerd, zoodat de Algemeene Staten

bij herhaling afgezanten en krijgsvolk naar _Friesland_ moesten afzenden

tot herstel van de rust en het innen van de schattingen,--omtrent dit

alles kunnen wij hier in geene bijzonderheden treden[168]. Van meer

duurzaam belang hebben wij het geacht, hierop te laten volgen een

overzigt van den Regeringsvorm of het Staatsbestuur van _Friesland_ in

dit tijdperk, dewijl deze met die gebeurtenissen in naauw verband stond

en sommige onzer tegenwoordige instellingen daarvan nog uitvloeisels

zijn. Tevens kan dit strekken tot verklaring van vele punten, welke bij

de behandeling van de Geschiedenis vermeld worden.

[168] Wij hebben daarvan in _Aanteek. 21_ de bronnen medegedeeld voor

ieder, die in de nasporing van al deze onlusten bijzonder belang mogt

stellen.

36. _De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de Republiek._

_De Staten._

De Souvereiniteit of de Oppermagt des lands werd sedert 1580 in

_Friesland_ uitgeoefend door de _Staten_, als gevolmagtigden, bij vrije

keuze, van de bezitters van zoodanige vaste goederen, waaraan van ouds

het stemregt was verknocht[169].

[169] Zie over dit onderwerp de belangrijke _Verhandeling over het

Stemrecht_, door P. WIERDSMA, Leeuw. 1792, en de Dissert. _de Jure

Suffragandi_, van E. DE WENDT VAN SYTZAMA, Utr. 1841.

In Januarij van elk jaar werden door deze laatste in iedere Grietenij

twee personen, waarvan de eene een Edelman en de andere een Eigenerfde

of bezitter van eene stemhebbende plaats of zathe moest zijn, gestemd en

als Volmagten ten Landsdage afgevaardigd; terwijl de Regeringen der

Steden, uit Magistraat en Vroedschap bestaande, uit ieder dezer leden

een Gecommitteerde benoemden.

Het getal leden, dat den grooten Landsdag uitmaakte, bestond alzoo uit

82, waarvan ieder kwartier in eene afzonderlijke Kamer zitting nam,

hebbende _Oostergoo_ 22, _Westergoo_ 18, _Zevenwouden_ 20 en de _Steden_

22 leden. Die zittingen werden gehouden in het _Landshuis_, naast de

Canselarij, te _Leeuwarden_. De gewone of groote _Landsdag_, die

niet langer dan zes weken mogt duren, werd altijd geopend op den

eersten Donderdag in Februarij, welke dag den naam droeg van den

_Propositiedag_: want, nadat dan alle Volmagten der vier kwartieren in

de Kamer van _Oostergoo_ bijeengekomen waren, begaf de Stadhouder (zoo

hij zich in _Leeuwarden_ bevond) zich aan het hoofd van Gedeputeerde

Staten, met groote plegtigheid, van het Collegie naar het Landshuis, in

de vergadering. Deze werd dan door den Secretaris van Gedeputeerden

geopend met eene aanspraak, bevattende een overzigt van de

omstandigheden des tijds en van de voornaamste punten, welke aan de

beraadslaging der Staten zouden worden onderworpen, waarna hij de balans

van de provinciale kas overleidde. Vervolgens deed een der Leeuwarder

Predikanten (die daartoe beurtelings verkozen werden en hiervoor een

geschenk ontvingen van 50 Gld., gelijk genoemde Secretaris van 500 Gld.)

met opene deuren een gebed, tot afsmeeking van Gods zegen over de

verrigtingen van den Landsdag, welke laatste plegtigheid altijd door

eene talrijke menigte werd bijgewoond.

Er was nog een _vijfde_ Kamer aan deze vergadering verbonden,

het _Mindergetal_ genaamd, bestaande uit 8 personen, twee uit

ieder kwartier, met den Stadhouder als Voorzitter. Ten einde de

beraadslagingen van het groot getal Staten te vereenvoudigen, werden

alle zaken, welke de Landsdag moest behandelen, vooraf in deze Kamer

gebragt en onderzocht. Daarna gingen de twee leden van ieder kwartier,

met het advies van het Mindergetal, naar hunne vergaderde Kamer, wier

beslissing zij terugbragten in het Mindergetal, dat den uitslag der

stemming, bij kwartieren, en daarnaar de Resolutiën der Staten opmaakte.

Bij staking had de Stadhouder het voorregt der beslissing. Aan deze

gewigtige vaste commissie was een Secretaris van Staat toegevoegd, tot

welk hoogst belangrijk ambt steeds de bekwaamste personen werden

gekozen.

Aan deze Staten was, als de hoogste Overheid van den lande, de

besturende en wetgevende magt toevertrouwd, en werden de belangen der

provincie op zich zelve en in betrekking tot de Generaliteit, of het

verbond met de overige provinciën, door hen behartigd en al de regten

der oppermagt uitgeoefend, behoudens de fondamenteele beginselen van

regering (zoo als men het noemde), welke ook zij verpligt waren te

eerbiedigen. Op ingekomen zaken van gewigt of die geen uitstel leden,

werd er somtijds een Buitengewone Landsdag uitgeschreven, waarop echter

geene andere zaken mogten behandeld worden dan die waren opgegeven door

_De Gedeputeerde Staten._

Aan dit aanzienlijk Collegie, uit en door de Staten voor drie jaren

benoemd, was de uitvoering van de Staatsbesluiten, het dagelijksch

bestuur van de provincie, de zorg voor 's lands veiligheid, het toezigt

over den waterstaat en veelvuldige bijzondere bemoeijingen betrekkelijk

de policie, het krijgswezen, de geldmiddelen, de godsdienst, het

onderwijs enz. opgedragen. Het bestond uit 9 leden, waarvan ieder der

Gooën 2 en de Steden 3 verkozen, benevens een Secretaris.--Een Advokaat

en Fiscaal, belast met de verdediging der provinciale belangen, was

daaraan toegevoegd. Wekelijks hield het zijne vergaderingen op het

Statenhuis of _Collegie_, thans het Gouvernements-gebouw, te

_Leeuwarden_[170].

[170] Uitvoeriger berigten nopens deze Staats-collegiën vindt men in

FOEKE SJOERDS, _Beschrijv_. II 88; VAN BURMANIA, _de Jure Comitiorum_,

Fran. 1751, en _Tegenw. Staat_, IV 1. De Dissert. van Mr. S. W. H. A.

VAN BEIJMA THOE KINGMA, _Hist. Ord. Fris._ Leiden 1835, behoort tot

een vroeger tijdperk, van 1515-1581.

_De Stadhouder._

Het doorluchtig hoofd van den Staat, dat de luister der Oppermagt van de

Staten bestendig vertoonde en waarnam, was de _Stadhouder_. Dit ambt en

dezen naam, eigenlijk Stedehouder (Lieutenant) of Plaatsbekleeder van

een afwezigen Vorst of Heer, had men gewijzigd overgenomen van de

Spaansche Regering. Want hoewel de volksregering een uitvloeisel was der

verkregene vrijheid, deed de veelheid der hoofden en zinnen en nog meer

het belang van het krijgswezen de behoefte gevoelen aan een luisterrijk

hoofd, dat, door den Souverein bekleed met magt en met de zorg voor de

algemeene belangen belast, als het ware in het midden stond tusschen

dien Souverein en het Volk. Van velen nam men dus ~raad~ in, omdat één

mensch niet ligt alles ziet, doch de ~uitvoering~ werd overgelaten aan

één persoon: want in eenheid is kracht. Zelf achtten de Staten het

noodzakelijk, »dat eene veelhoofdige regering getemperd werd door een

schijn of schaduw van Monarchie"[171].

[171] Zij betoogden dit in 1651 in een stuk bij AITZEMA, f^o. III 542.

De Stadhouder deelde deze magt met Gedeputeerde Staten, aan wier

hoofd hij als Voorzitter was geplaatst; terwijl hem tevens het

oppergebied over het krijgsvolk en het beleid van den oorlog te land

en te water was opgedragen, in de waardigheid van _Kapitein- en

Admiraal-Generaal_, welke aan het Stadhouderschap was verbonden. Met

betrekking tot de Generaliteit had hij zitting in den Raad van State

te _'s Gravenhage_. Voorts kon hij zitting nemen in het Hof van Justitie

en in de Rekenkamer. Hem was de jaarlijksche aanstelling van de

Magistraats-personen in de steden en de beslissing van hunne geschillen

opgedragen, terwijl het kwartier der steden hem mede de begeving van de

omgaande Provinciale ambten had toevertrouwd[172]. Bovendien waren er,

in verschillende tijden, meerdere regten en waardigheden aan dit hoog

aanzienlijk ambt verbonden. In de hoofdzaak kwam het ambt des

Stadhouders hierop neder: in het beschermen van de provincie tegen

binnen-en buitenlandsch geweld; in het toezigt op het krijgswezen en in

de zorg voor een goed en vaardig bestuur van de provinciale zaken met

Gedeputeerde Staten.

[172] Hiervan zijn de zoogenaamde _Landsdag-penningen_ afkomstig, die,

aan de eene zijde het borstbeeld des Stadhouders en aan de andere

zijde het wapen des Stadhouders, omgeven van die der elf steden,

vertoonende, namens den Vorst aan hare Volmagten ten landsdage werden

uitgereikt. VAN LOON, _Historiepenn._ IV 169, heeft die bestemming

alzoo verkeerd opgegeven.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 18 / 41 段