Bij de _Staten_ des lands of de Volmagten der grietenijën en steden toch

berustte nu de oppermagt of de souvereiniteit. Deze hadden acht personen

(twee uit ieder Goo en uit de Steden) benoemd tot hunne _Gedeputeerden_,

aan wie met den Gouverneur of Stadhouder de uitvoerende magt en het

dagelijksch bestuur van zaken was toevertrouwd: »bezonderlinge om

voortaen te procederen tot grondelycke Evangelische Reformatie, soo wel

in den saeken van den waren Religie, als de vervallene Politye over het

gantsche Lant"[136]. Doch deze magt was, te gelijk met het beleid van de

justitie, vroeger uitgeoefend door het _Hof van Friesland_, dat nu nog,

bij voortduring, hetzelfde gezag wilde uitoefenen, ook ten aanzien van

het burgerlijk bestuur. Deze Provinciale Raden, welke zoo lang even

Spaanschgezind als de Gedeputeerden Staatsgezind waren geweest, werden

in hunne vorderingen ondersteund, door de afgevaardigden der _Steden_,

die nu, bij de verandering van regeringsvorm, even als de drie

Gooën, bij het stemmen op de landsdagen een afzonderlijk kwartier

wilden uitmaken. Zij eischten zelfs meer: want, daar eertijds de

vertegenwoordiging had bestaan uit de Prelaten of de Roomsche

Geestelijkheid en de Edelen en Eigenerfden, zoowel van het platteland

als uit de steden, zoo verlangden zij nu, na het vervallen van het

eerste staatslid (de Geestelijkheid), dat de steden evenveel

afgevaardigden ten landsdage zouden zenden als het platteland. Het Hof

ondersteunde die eischen, werkte met de steden de Gedeputeerden tegen,

die door de Staten beschermd werden, en zoo was er bestendige twist en

verdeeldheid onder al de leden der landsregering, met eene hevigheid,

welke het algemeen belang met groote schade bedreigde[137]. Zoo

verspilde men tijd en krachten, welke men zoo hoog noodig had tot

regeling van de algemeene belangen en het bestrijden van een vijand, die

nog bestendig een gewest bedreigde, waarbij hij, voor het behoud van

geheel het noordelijk _Nederland_, zoo veel belang had. Vele staatsleden

ijverden voor hunne meening uit zucht voor het algemeene welzijn, welke

zich in de zelfde mate ontwikkelde, als zij zich boven de verdrukking

had weten te verheffen; bij anderen was gehechtheid aan het oude in

strijd met de nieuwe vormen en eischen van het oogenblik; doch er waren

ook, die, uit eer- en heerschzucht, minder het algemeen dan hun eigen

belang voorstonden; ja zelfs, die, wanhopende op den goeden uitslag, nog

met _Spanje_ heulden. Zoo wilden ook de in welvaart en magt toegenomene

steden gebruik maken van de gelegenheid ter bekoming van meer gezag in

den Staat, en liet _Leeuwarden_ zich vooral krachtig gelden en veel

voorstaan op de eer, dat het, als de grootste en sterkste stad des

lands, de eerste geweest was, die de reformatie in kerk en staat had ten

uitvoer gelegd. De onderlinge verbittering steeg zelfs zóó hoog, dat de

Gedeputeerden _Leeuwarden_ verlieten en in 1584 en 1585 hunne

vergaderingen en de landsdagen te _Franeker_ hielden[138].

[136] _Charterboek_, IV 235; STELLINGWERFF, _Politycq Discours_, 32.

[137] Zie het uitvoerig verhaal deswege in VAN REYD, _Nederl.

Oorlogen_, 61, en WINSEMIUS, 689, 714 env., benevens de verdere

ontwikkeling hiervan in de eerste _Aanteekening_ achter het 2e deel

mijner _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, 407 en de daar

aangehaalde schrijvers.

[138] Ook om deze reden werd in die jaren de Lands Akademie te

_Franeker_, en niet te _Leeuwarden_, opgerigt.

Zoodanig was de toestand van _Friesland_ ten aanzien der regering, toen

de vijand in 1583 op nieuw een inval in _Westergoo_ deed, roovende en

brandende door _Oostergoo_ trok en zelfs de omstreken verontrustte van

_Leeuwarden_, dat nog bezig was, zijne vestingwerken te versterken en

uit te breiden. Gruwelijke mishandelingen en moorden kenmerkten zijne

schreden. In allerijl werden de onverhoeds overvallene en verslagene

ingezetenen opgeroepen, om die benden tegen te staan en ten lande uit te

drijven[139].

[139] WINSEMIUS, 713; SCHOTANUS, 915.

In deze »benaude gestaltenisse" des lands trachtte men vooral de grenzen

zoo veel mogelijk te beveiligen, door het versterken van de oude en het

opwerpen van nieuwe ~Schansen~ op een aantal plaatsen. Van tijd tot tijd

werd dit getal vermeerderd, zoodat _Friesland_, buiten de versterkte

steden, eerlang met eene zoom van kleine vestingen was omgeven. Aan de

oostzijde werden daartoe _Oostmahorn_, _Munnekezijl_ en _Kollum_

versterkt en _de Friesche palen_, _Zwartedijk_ en _Bredenberg_

aangelegd. Tot verdediging van de zuidelijke grenzen werden de schansen

_Bekhof_, _Slijkenburg_ en _de Blesse_ opgeworpen en die van _de

Lemmer_, te _Hindeloopen_ en te _Sotterum_ bij _Makkum_ sterker gemaakt.

Ook binnen in het land, te _Oldeboorn_, _Joure_, _Rottum_, _Terband_ en

_Oudeschoot_, werden schansen gelegd, om den vijand den doortogt te

verhinderen of die plaatsen te beschermen[140].

[140] WINSEMIUS, 705, 765, 833, 836; VAN REYD, 64, 152, 206. Bovendien

werd er in vele dorpskerken eene bezetting van 30 à 40 soldaten uit

het veldleger gelegd tot bescherming van het platteland. In andere

kerken hielden de ingezetenen dag- en nachtwachten.

* * * * *

Bij dit alles was het duidelijk gebleken, dat het _Friesland_ aan een

geschikt en krachtvol ~hoofd~ ontbrak, hetwelk zoowel de twistende

regeringsleden als den nog onverslagen vijand wist te bedwingen, en dat

tevens schrander genoeg was, om partij te trekken van den gelukkigen

toestand, waarin de Friezen zich, in de hoofdzaak, bevonden. De

Stadhouder MERODE toch was daartoe te oud en te zwak, en had te weinig

invloed, om zich te doen gelden. Er werd een jonger en moediger man

vereischt, om in het krijgswezen op alle punten te voorzien, en om de

fiere en onbuigzame gemoederen te leiden van die staatsleden, welke,

prat op de herkrijging van de zoo lang ontbeerde vrijheid, nu geen

stroobreed wilden afstaan van hun regt of van hunne bijzondere meening

omtrent de bevordering van het algemeen belang. Intusschen had men zoo

weinig vertrouwen op eigene krachten en scheen de toestand des lands zoo

hopeloos, om zonder vreemde hulp _Spanje_ het hoofd te bieden, dat de

Nederlanders eerst de hulp van _Frankrijk_ inriepen en den _Hertog van

Anjou en Alençon_ als beschermer der Nederlandsche vrijheid aannamen, en

daarna bij herhaling en dringend zich der Koningin van _Engeland_

aanboden[141].

[141] WINSEMIUS, 743 env.; V. REYD, 54; _Charterb._ IV 301, 530.

Gelukkig dus voor _Friesland_, dat MERODE zijn ontslag verzocht en

bekwam; doch nog gelukkiger, dat de _Prins van Oranje_, op verzoek der

Friesche steden, in diens plaats stelde zijns broeders zoon, den

vier-en-twintigjarigen Graaf WILLEM LODEWIJK _van Nassau_, die in Maart

1584 de regering aanvaardde. Reeds drie jaren te voren, toen VERDUGO,

met 10 vendelen Walen herwaarts gekomen, zijn eersten aanval, bij

_Kollum_, op _Friesland_ deed, had zijn doorluchtige oom hem, pas van de

Akademie van _Heidelberg_ teruggekeerd, met 600 man den Friezen te hulp

gezonden. Naast den Engelschen Overste JOHN NORRITS, die den 18 Julij

1581 bij _Munnekezijl_ een aanzienlijk voordeel op de Spaansche benden,

sterk 6000 man, mogt behalen, werd hij, hoe jong ook nog, een krachtig

tegenstander van VERDUGO. Dezen bestreed hij bij _Noordhorn_, aan het

hoofd der ruiterij, met zulk eene uitstekende onverschrokkenheid, dat in

hem zijn roemruchte oom LODEWIJK scheen te herleven, daar hij, hoe ook

beschoten, met het grootste gevaar, bij herhaling zich door de

vijandelijke slagorde heen sloeg. Ook _Koevorden_ hielp hij op hem

winnen, hoewel hij daar al dadelijk door een zesponds kogel aan het

linkerbeen dermate gewond werd, dat hij aan de gevolgen van dat schot al

zijn leven kreupel ging. Elf jaren later werd hij voor die zelfde

vesting nogmaals gekwetst. Onvertsaagd waagde hij zich op de

gevaarlijkste togten, doch bleef verder ongedeerd[142].

[142] VAN REYD, 30, 61; WINSEMIUS, 703; _Charterboek_, IV 425;

BOSSCHA, _Heldendaden_, I 262, 267.

Hij, die zich der Friezen zaak zoo ijverig had aangetrokken, verdiende

en verwierf zich ook hun vertrouwen, hetwelk hij zich bij voortduring

waardig maakte. Nadat Prins WILLEM _van Oranje_ door een noodlottigen

dood den _Nederlanden_ ontvallen was, werd hij nog in het zelfde jaar

1584 door de Staten tot »absoluit Stadholder ende Gouuerneur ouer deezen

Landschappe" verkozen. Hij aanvaardde die hoogst moeijelijke taak, in

weerwil der menigvuldige bezwaren en gevaren, waarin het land verkeerde,

doch die hij als Nassauer het hoofd wilde bieden, naar het voorbeeld van

zijnen doorluchtigen voorganger. Want terwijl de vijand van buiten het

land bedreigde, was van binnen de verdeeldheid onder de regeringsleden

tot eene ontzettende hoogte geklommen. Met bedaarde zorg en voorzigtige

maatregelen zocht hij den onderlingen vrede te bevorderen, en leverde in

den volgenden jare bij de Staten eene Memorie in, bevattende zijne

voorslagen van hetgeen tot bescherming en verdediging tegen den gemeenen

vijand moest gedaan worden. Door een wijs en gematigd bestuur in de

zaken der regering, ook met betrekking tot de twistende staatsleden, en

door beleid en dapperheid jegens de vijanden, verwierf hij aller

achting, zoodat hij eerlang algemeen als Vader vereerd werd[143].

[143] WINSEMIUS, 752, 757; VAN REYD, 64; _Charterb._ IV 512. Bekend is

het, dat de Friezen hem veelal _uws heit_ noemden.

De zorg voor de bevestiging van de verkregene vrijheid ging bij de

Staten tevens gepaard met de zucht, om de ingevoerde Hervormde leer te

beschermen en uit te breiden, en om te zorgen, dat alle steden en dorpen

van goede Predikanten en Onderwijzers werden voorzien. Hiertoe waren

vooral de inkomsten der plaatselijke geestelijke goederen aangewezen.

Doch gebrek aan leeraren en de overtuiging van het belang der

beoefening van de wetenschappen voor de verstandelijke ontwikkeling der

ingezetenen bewogen de Staten, op voorstel der Friesche Geestelijkheid,

de bezittingen der vervallene kloosters mede te bezigen tot oprigting

van een Seminarium of Akademie, inzonderheid tot opleiding van

Predikanten. De stad _Franeker_ werd daartoe bij voorkeur bestemd, en de

voor negen jaren te _Leiden_ gestichte Hoogeschool tot voorbeeld

genomen. Reeds den 29 Julij 1585 werd deze Akademie plegtig ingewijd, en

alzoo de grond gelegd van dien beroemden zetel der geleerdheid, welke

later voor wetenschappen en beschaving in dit gewest, ja voor geheel

_Nederland_ en een deel van _Europa_, van weldadigen invloed is

geweest[144].

[144] WINSEMIUS, 710, 747, 752, 758; SCHOTANUS, _Beschrijv._ 140.

* * * * *

Inmiddels waren de bezettingen der steden en schansen, benevens het

krijgswezen door de ijverige zorgen van Graaf WILLEM LODEWIJK op een

beteren voet gebragt, en waande men zich verzekerd tegen den magtigen

vijand, die _Groningen_ en _Steenwijk_ nog immer bezet hield. Doch die

vijand bespiedde zorgvuldig elke gelegenheid, om _Friesland_ afbreuk te

doen of te overvallen. Hij deed dit vooral in Januarij 1586, toen de

Stadhouder zich tot regeling van zaken naar _'s Gravenhage_ begeven had

en een strenge vorst een inval scheen te begunstigen. Een deel der

bezetting van _Steenwijk_, sterk 3000 man en 700 ruiters, trok, onder

aanvoering der Oversten VAN DEN BERG en TAXIS, onverhoeds door

_Gaasterland_ naar _Hindeloopen_ en _Workum_; van daar voorbij

_Bolsward_ door _Witmarsum_ en _Tjum_ naar _Spannum_ en _Winsum_, overal

door moorden en branden de sporen zijner wraakzuchtige woede

achterlatende. Zoo verre waren zij reeds gevorderd, toen de Friesche

krijgsoverste STEYN MALTISSEN hen met ruim 1400 man tegentrok en te

_Boxum_ met hen slaags geraakte. Vóór dat hij zich in slagorde kon

stellen, werd hij door de Spanjaarden overvallen. Van beide zijden werd

woedend gestreden; doch de onzen, voor de overmagt bukkende, werden

deels verslagen, deels naar _Leeuwarden_ verdreven of gevangen genomen.

Schrik en vrees ontzette algemeen de gemoederen, alsof de vijand zich nu

weder in het hart des lands zou nestelen. Doch deze verkeerden spoedig

in blijdschap en dankbaarheid »voor Godes sonderlinghe versieninge en

genade," dewijl men 's lands behoudenis dááraan had te danken, dat het,

op het zelfde uur, dat de slag gewonnen werd, begon te dooijen en te

regenen, waardoor de Spaansche benden, met een haast, alsof zij

vlugtten, naar _Steenwijk_ terugtrokken[145].

[145] WINSEMIUS 772; VAN VERVOU, _Gedenckw. Geschiedenissen_, 32; VAN

REYD, 68; VAN DEN SANDE, 16; VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 199.

Sedert deze ramp waren de Staten meer dan ooit geneigd, om, door het

werven van meerder krijgsvolk, de bedoelingen des Stadhouders, ter

verdrijving van den vijand, te ondersteunen. Zijn moed rees met het

gevaar: want op het zelfde tijdstip, dat men, wegens de mislukte zending

van den Engelschen landvoogd LEICESTER, meer den toorn dan de hulp van

Koningin ELISABETH had te wachten, en terwijl de Spaansche armade, of de

zoogenaamde onoverwinnelijke vloot, _Nederland_ met den ondergang

bedreigde, vormde Graaf WILLEM LODEWIJK, in overleg met Prins MAURITS,

het plan, om den oorlog niet langer verdedigender-wijze (_defensif_),

maar voortaan aanvallender-wijze (_offensif_) te voeren, dewijl hij

achtte, dat daarmede de helft zou gewonnen zijn[146].

[146] VAN REYD, 135; VAN DEN SANDE, 18.

De moedige poging, om _Groningen_ aan den vijand te ontrukken, in 1587

bij herhaling ondernomen, was daarvan een eerste gevolg. Zij mislukte,

doch al de schermutselingen met den vijand, al het nemen en hernemen van

de talrijke verschansingen op de noordoostelijke grenzen des lands,

waren voor den jeugdigen held eene leerschool en strekten tot

verzwakking van den vijand. Bij dat alles was hij met zijne 2 à 3000

Friezen, zonder andere hulp, in een gedurigen en dikwijls moeitevollen

strijd met VERDUGO'S benden, sterk 4 à 5000 man. Eerst in 1591 woog het

belang der Unie, om de Spaanschen uit deze streken te verdrijven, zwaar

genoeg, dat de Generale Staten en Prins MAURITS hem daartoe krachtige

hulp boden. De vermeestering van de omliggende sterkten _Delfzijl_,

_Enumatil_, _Lettelberd_ enz. was het eerste werk. In 1592 werd, na veel

tegenspoed en een merkwaardig beleg van vijf weken, het sterke

_Steenwijk_ gewonnen. Dit versterkte den moed tot verdere veroveringen,

welke _Holland_ echter afried en wilde tegenhouden, waarop de

voortvarende MAURITS ronduit antwoordde: dat, zoo _Holland_ deszelfs

troepen terugtrok, hij, al ware het alléén met de Friezen en de

ruiterij, het behaalde voordeel wilde vervolgen. Zijn voornemen

zegevierde, en met ongemeene inspanning werd het door VERDUGO zeer

versterkte _Koevorden_ aangevallen en na een hevig beleg gewonnen.

Hierbij werd echter Graaf WILLEM LODEWIJK andermaal door een kogel

getroffen. Na zijne herstelling veroverde hij in den volgenden jare

_Wedde_, _Winschoten_, _Midwolde_ enz., schoon VERDUGO van deze

afwezigheid gebruik maakte, om een strooptogt in het oostelijk gedeelte

van _Friesland_ te doen, waarbij verscheidene dorpen verbrand en

geplunderd werden[147].

[147] WINSEMIUS, 805, 810, 814; VAN REYD, 176-198; VAN LEEUWEN,

_Kronyk_, 202; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 303, 309.

Nadat men zich verder van de overige omliggende schansen verzekerd had,

werd in Mei 1594 het beleg voor _Groningen_ geslagen, en, in weerwil van

den krachtigen tegenstand der bezetting, met zoo veel moed, overleg en

ijver doorgezet, dat deze stad zich den 23 Julij overgaf en Prins

MAURITS en Graaf WILLEM LODEWIJK den volgenden dag hun plegtigen intogt

in de stad hielden[148]. Hierdoor werd _Groningen_ en met haar de

_Ommelanden_ als lid der Unie aangenomen en Graaf WILLEM LODEWIJK

daarover tot Stadhouder aangesteld. Ofschoon de aftrekkende benden van

VERDUGO voor het laatst nog hunne woede koelden, door in de

_Zevenwouden_ te plunderen en te branden, was het winnen van deze stad

met de omgelegene sterkten en het verdrijven van de Spaanschen uit deze

noordelijke streken voor de veiligheid en het behoud van _Friesland_

eene zaak van het hoogste belang. Algemeen was dus hier, even als in het

gansche vaderland, de blijdschap over deze merkwaardige belegering en

roemrijke overwinning op de Spanjaarden[149].

[148] Bij dit beleg, hetwelk beroemd is geworden in de geschiedenis,

berustte het opperbevel eigenlijk bij onzen Stadhouder; "nochtans uyt

beleeftheydt ende om meerder eendracht wille gunde hij Prins MAURITS

die eere mede, gelyck er steets eene sonderlinghe liefde ende

eenicheydt tusschen dese twee gheweest is," zegt VAN REYD, 234.

[149] Zie WINSEMIUS, 816-822; _Charterboek_, IV 883; VAN REYD,

231-241, 253; V. D. SANDE, 22; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 319;

WAGENAAR, VIII 368; WICHERS, _Tractaat van de Reductie der Stadt

Groningen_, 1794, II 277. Een naauwkeurig verhaal van het geheel is

vervat in de _Geschiedkundige Aanteekeningen omtrent het Beleg van

Groningen_, uitgegeven bij gelegenheid van den gecostumeerden optogt,

gehouden bij de inwijding van het Akademie-gebouw te _Groningen_ in

Sept. 1850; een werkje, hetwelk duurzaam historische waarde zal

bezitten.

* * * * *

Ook op de verdere veldtogten van MAURITS stond onze Stadhouder hem

waardig ter zijde. Bij de belegering van _Rijnberk_ was het »WILLEM

LODEWIJK met zijne Friezen, die eene halve maan voor de Rijnpoort

stormenderhand innamen," waardoor deze sleutel van den Rijn zich moest

overgeven. Toen MAURITS vervolgens in drie maanden tijds negen

versterkte steden en vijf kasteelen veroverde, in weerwil zijn vijand

Aartshertog ALBERT 60,000 man tot zijne dienst had,--waren het weder

»WILLEM LODEWIJK met zijne Friezen, die zich altijd op den voorgrond

vertoonden." En ofschoon hij MAURITS in den slag bij _Nieuwpoort_ niet

vergezelde, waren het dáár de door hem gevormde Friesche soldaten, welke

zich eervol onderscheidden. Zeventien vaandelen of bijna 3000 Friezen

waren onder den Overste-Luitenant TACO VAN HETTINGA derwaarts getrokken,

en mogten, in de voorhoede, Prins MAURITS eene zegepraal helpen behalen,

welke een der roemvolste bedrijven is in onze geschiedenis. Nadat 150

Friesche piekeniers de Spanjaarden van de duinen hadden afgedrongen, gaf

hun voorbarige, maar in dezen oogenblik weldadige kreet van: victorie!

een schok tot eene algemeene voorwaartsche beweging van het

Nederlandsche leger, welke van gunstig gevolg was. Dit schonk den

Friezen tevens de gelegenheid, om den opperbevelhebber van het Spaansche

leger, Don FRANCISCO DE MENDOZA, _Admirant van Arragon_, gevangen te

nemen, waardoor een der grootste voordeelen van den slag werd

behaald[150].

[150] Hoogst vermoedelijk viel dit te beurt aan het vaandel van EDZART

VAN GROVESTINS, die voorkomt in het _Stamboek_, I 133, II 83 en in het

_Leven en Bedrijf van Wilhelm en Maurits van Nassau_, Amst. 1651, 196;

terwijl hij bedoeld zal zijn met de woorden: _Hy krigge de Amerant mey

finzen_, in GYSBERT'S vers: _Egge, Wynering in Goadsfrjuen_, bl. 69.

De reden, waarom aan dit feit en dezen aanzienlijken gevangene, later

voor 23,000 Gld. gerantsoeneerd, immer zoo hooge waarde is gehecht,

verklaart de dichter H. A. MEIJER in eene Aant. op zijn _Heemskerk_,

208 aldus: "Het gevangennemen van den Admirant van Arragon, Francisco

de Mendoça en andere aanzienlijke Spanjaarden, op het slagveld van

Nieuwpoort, had eene uitwisseling van krijgsgevangenen ten gevolge,

waardoor vele Nederlanders van de Spaansche galeijen en uit de

Spaansche kerkers werden ontslagen, en in hun vaderland terugkeerden."

Zie ook BOSSCHA, _Heldendaden_, I 334, 336, 355, 391. Onder de

Friesche oversten en kapiteins, die ten deele in deze en de volgende

strijden het leven lieten, worden met eere vermeld: DOUWE en FREDERIK

VAN GROVESTINS, JULIUS VAN EIJSINGA, QUIRYN DE BLAU, HANS VAN

OOSTHEIM, HANS DE VRIES, MICHIEL HAGHE, WILLEM WILLEMSZ. enz.

Met wijs beleid wist Graaf WILLEM LODEWIJK vervolgens deze gewesten te

besturen, en de eindelooze en vaak hevige twisten, zoo tusschen de stad

_Groningen_ en de _Ommelanden_, als tusschen de Friesche staatsleden zoo

veel mogelijk te bevredigen. Van de laatste mogt hij aangename blijken

van dankbaarheid en vereering ontvangen. In weerwil der bezwaren,

waaronder de provincie gebukt ging, vereerden zij hem in 1598 eene som

van 36,000 Gld., en toen hij in 1607 eene reis naar _Duitschland_ wilde

doen, deden zij hun verlof daartoe met een geschenk van 5000 Gld.

vergezeld gaan. Bij het sluiten van het twaalfjarig bestand, in 1609,

aan het hoofd der gemagtigden geplaatst, bleek vooral zijn »diepsinnich

verstand" in de vereffening der strijdige belangen, en bepaalden de

Friesche Staten, »tot erkentenis, belooning en vergoeding voor de groote

diensten, door het Huis van Nassau aan dezen Staat bewezen," dat zijn

politiek traktement verdubbeld- en zijn militair traktement tot 36,000

Gld. 's jaars verhoogd zou worden[151]. Hij beminde de letteren,

moedigde het beoefenen van de wetenschappen aan, zorgde dat ieder

tevreden kon zijn over de regering, en was, ook door gematigdheid in de

toenmalige twisten over geloofszaken, voor allen een voorbeeld ter

navolging: want ofschoon de zelfde partij als Prins MAURITS toegedaan,

had hij toch den moed, diens sterke maatregelen af te keuren, hem tot

zachtheid en gematigdheid te raden en hem te waarschuwen voor de

schromelijke gevolgen, welke de gansche wereld hem alléén zou wijten.

Zijne verdiensten als staatsman werden geëvenaard door die als

krijgsman, en men vindt zelfs tot zijn lof verhaald, dat hij de nieuwe

krijgskunde het eerst in gebruik heeft gebragt, welke MAURITS vervolgens

op zijn voorbeeld tot grootere volmaaktheid verhief[152]. Groot was dus

de rouw in gansch _Friesland_ en de omgelegen gewesten, toen die edele

Stadhouder in 1620 hun in 60jarigen ouderdom ontviel, nadat hij deze

provincie 36 jaren lang met zoo veel wijsheid had bestuurd. Door het

bezorgen van eene prachtige uitvaart of lijkstatie en het stichten van

eene kostbare marmeren Graftombe in het koor der Groote Kerk te

_Leeuwarden_, trachtten de Friesche Staten de nagedachtenis te huldigen

van den voortreffelijken vorst, aan wien men zich ten hoogste verpligt

gevoelde[153].

[151] VAN REYD, 329; _Regist. Staats-res._ 511; _Chart._ V 134, 159.

[152] WAGENAAR, V. H. X 408; BOSSCHA, _Heldend._ I 274 env.

[153] VAN DEN SANDE, 20, 87; WINS. 902; SCHOT. 861, 891; _Tegenw.

Staat_, IV 39, 74; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 137, 184; SCHELTEMA,

_Staatk. Ned._ II 482; V. KAMPEN, _Gesch._ I 489; _Karakterk._ I 491;

_Levens v. ber. Ned._ II 1; VAN HEUSDE, _Diatr. in Guil. Lud. vit.

etc._; BAUDARTIUS, _Nass. Oorl._ 459; _Schuit- en Jagtpraatjes_, II

35, 37, 87; AITZEMA, _Saken van Staet en Oorlogh_, 4^o. I 3, 16;

KLUIT, _Hist. der Holl. Staatreg._ III 499; _Geschiedk. Beschrijv. van

Leeuwarden_, II 2, 49, 95, 296, 427.

* * * * *

Zijn jongere broeder, Graaf ERNST CASIMIR _van Nassau_, volgde hem op.

Deze, op reizen door _Duitschland_, _Frankrijk_ en _Zwitserland_ in

letteren en kunsten geoefend, had reeds 25 jaren lang onder hem en

MAURITS dezen staat gediend, en mogt, vooral door zijn beleid en moed

vóór den slag bij _Nieuwpoort_, grooten lof behalen. Hij was nu tot

Veldmaarschalk van der Staten leger en Luit.-Gouverneur van _Gelderland_

en _Utrecht_ opgeklommen, hoewel het geluk hem doorgaans minder

begunstigde dan zijn moed het verdiende. Den 3 Augustus 1620 werd hij

door de Staten van _Friesland_ tot Stadhouder en Kapitein-Generaal

aangesteld, hoewel _Groningen_ en _Drenthe_ Prins MAURITS kozen en eerst

na den dood van dezen, in 1625, hem deze waardigheid opdroegen. In alles

betoonde hij zich een broeder waardig, die hem deze landen in vrede en

voorspoed had achtergelaten, en hij spaarde geene zorg om hunne belangen

te bevorderen. In het staatkundige genoot hij groot vertrouwen, zoodat

de Algemeene Staten hem meermalen aanzienlijke gezantschappen en

zendingen opdroegen. In den krijg stond hij MAURITS en FREDERIK HENDRIK

verder als steun en raadsman ter zijde, en werden hem belangrijke togten

ter verdrijving van den vijand toevertrouwd. Even als zoo vele leden van

zijn geslacht, stierf ook hij op het bed van eer, in de dienst van het

vaderland ter verkrijging der onafhankelijkheid. Bij het bezigtigen van

_Roermonds_ loopgraven, voor welke vesting hij in 1632 het beleg had

geslagen, ontving hij een schot; en sneuvelde »_Frieslands_ uitmuntende

Stadhouder, de dappere en minzame ERNST CASIMIR, uitstekend geacht om

zijne dapperheid en gedrag, tot groote droeffenisse van alle goede

Patriotten ende mercklycke verachteringhe van de gemeene sake; hetwelcke

een beclaeghelycke doodt voor de Geunieerde Landen ende den Prince was,

also hy de oudste ende meest ervarendste overste was, die alle syne

dinghen met een groot beleydt ende couragie, tot welstandt van de

landen uytgevoert hadde"[154].

[154] DE LA PISE, 893; V. D. SANDE, 87, 163; WINS. 884, 902, 909;

_Charterb._ V 259. Zie verder over hem ook de meeste der hier vóór

aangehaalde schrijvers. VONDEL vereerde hem met eene _Lijckklacht,

Poëzij_, 456; G. CORVINUS hield in 1637 te _Herborn_ op hem eene

Lijkrede.

Ook hij mogt van de Staten van _Friesland_ vele bewijzen van vertrouwen

en vereering ontvangen, waarvan in 1627 een geschenk van 1500 en in 1630

van 50,000 Gld. getuigden; terwijl hem kort voor zijn dood de

erfopvolging van zijn zoon toegezegd was en zijner weduwe een pensioen

van 4,000 Gld. werd toegelegd. Bij uitstek talrijk en prachtig was de

lijkstoet, welke zijn stoffelijk deel ten grave geleide[155].

[155] Zie _Regist. op de Staats-resol._ 512. Het eenig bekende, rijk

uitgevoerde ex. der Afbeelding van deze Vorstelijke Begrafenis is

thans in het bezit van mijnen geachten vriend Jhr. Mr. H. B. VAN

SMINIA te _Bergum_.

* * * * *

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 17 / 41 段