ROBLES was destijds Kolonel van een regiment Waalsche knechten te

_Groningen_. Portugees van geboorte, aan het Hof van KAREL V opgevoed,

vereerd met het vertrouwen der Landvoogdes, die hem zelfs naar _Madrid_

zond, om verzachting van de plakkaten te bewerken, was hij in 1569 te

_Groningen_ gekomen, en had hij zoowel blijken gegeven van gestrengheid

en ijver voor de zaak des konings, als van menschlievendheid ter redding

en verzorging van allen, die door den Allerheiligenvloed ongelukkig

waren geworden. Zoo men wil, bragt hij zelfs te _Brussel_ te weeg, dat

de soldij zijner krijgsknechten van daar werd overgemaakt, en dat

_Friesland_ en _Groningen_ een jaar lang van schatting ontheven werden,

omdat hunne krachten naauwelijks toereikende waren om de geledene schade

aan hunne zeeweringen te herstellen. Veler achting viel hem daardoor ten

deel, bij al de strenge maatregelen, welke hij op bevel van ALVA moest

nemen, om het Spaansche gezag te schragen. Kort na zijne overkomst in

_Friesland_ (in April 1572) zag hij zich als Luitenant des nieuwen

Stadhouders GILLIS VAN BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, benoemd, en in

het laatst des volgenden jaars (1573) in diens plaats tot Stadhouder en

Kapitein-Generaal aangesteld. Hierdoor kwam hij nog beter in de

gelegenheid, om zich van zijnen belangrijken last te kwijten[127].

[127] Zie al de stukken in het _Charterb._ III, 869, 876, 884, 891,

894, 902 env.; CAROLUS, 235; KOK, _Vaderl. Woordenb._ 24e dl. 309.

Nadat hij zich naar _Harlingen_ begeven en zich overtuigd had van den

deerlijken toestand der meest weggeslagen dijken, was zijn besluit

genomen, om krachtdadige middelen tot herstel aan te wenden, om allen

tegenstand moedig het hoofd te bieden, en de onwilligen zelfs met geweld

tot de uitvoering te dwingen. Na lang oponthoud, mede ten gevolge zijner

geweldige maatregelen om 's konings gezag te handhaven tegen de pogingen

der edelen, om _Friesland_ onder het gezag van Prins WILLEM te brengen,

was de zaak zoo veel vooruitgegaan, dat in December 1572 de Binnen- en

Buitendijksters beide al hunne geschillen en processen opdroegen aan

ROBLES en eene andere commissie van Raadsheeren, belovende zich aan de

uitspraak van deze arbiters te zullen onderwerpen. Hierop werd de

goedkeuring van ALVA ontvangen en die uitspraak den 7 Augustus 1573

gegeven. Daarbij werd, met afwijking van het arbitrament van 1533,

vastgesteld, dat de zeedijk van _het Bildt_ tot _Makkum_ voor de helft,

tot omstreeks _Harlingen_, door de Binnendijksters, en voor de

wederhelft door de Buitendijksters zou worden gemaakt en onderhouden.

Deze uitspraak werd in naam des Konings den 4 September door ALVA

goedgekeurd, en daarna afgekondigd, om spoedig ten uitvoer gelegd te

worden[128]. In het volgende voorjaar trok men met ijver aan het werk,

nadat ROBLES en zijne Raden den 25 Maart 1574 bij eene uitvoerige

ordonnantie had bepaald hoedanig het werk ingerigt, verdeeld en bestuurd

zou worden. De dijk van vijf uren gaans lengte moest eene hoogte bekomen

van 12 voet, met een beloop van 5 roede aan de zeezijde en 3 roede aan

de landzijde, en eene kruin van 6 voet breedte. Het geheele werk werd

verdeeld in elf perceelen. Aan ieder perceel werkte 300 man, welke

onder het opzigt stonden van een kapitein, een schrijver of opzigter en

12 rotmeesters. De werkuren waren gesteld van 's morgens 5 tot 's avonds

6 uur; de drie schofturen daar tusschen werden door het uitsteken van

een vaandel uit den toren van _Harlingen_ aangewezen. Een half uur

bezuiden die stad werd een geheel nieuwe inlegger gemaakt, welke nog de

_Kornels-dijk_ genoemd wordt. Ter bevordering van orde en gezag onder

zoo groote menigte werklieden, waren daarbij strenge bepalingen gemaakt.

Zelfs wil men, dat er eene galg op den dijk geplaatst was. ROBLES zelf

hield naauwlettend toezigt en allen in bedwang door de vrees voor zijn

ongenoegen en de bedreigde straffen.

[128] _Charterb._ III 909, 919, 931, 940, 946, 948, 958, 966, 979.

Schoon het werk voorspoedig voortging, kon het echter dat jaar niet

worden voltooid. Na het nemen van de noodige voorzorgen tegen den

winter, werd het in het volgende voorjaar hervat en in den zomer van

1575 geheel volbragt, waarna er nog een aantal hoofden, kisten en

kribben van paalwerk werden aangebragt tot bescherming van den dijk en

het breken van den golfslag. In den volgenden jare werd ter gedachtenis

dezer zoo wél volbragte onderneming en ter eere van den wakkeren

Stadhouder, als grenspaal tusschen de beide perken van onderhoud, op den

dijk nabij _Harlingen_ een gedenkteeken opgerigt, waarvan de vier

opschriften den tijd der stichting en de namen der stichters

vermeldden[129].

[129] Zie deze opschriften en eene afbeelding van dezen _Terminus_ of

zoogenaamden _Steenenman_ bij WINSEMIUS, 588 en op de Friesche kaarten

van SCHENK en HALMA; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 112, _Tegenw.

Staat_, III 594, IV 309; KOK, _Vad. Woordenb._ 24e dl. 314. Dit

gedenkteeken, in de vorige eeuw verloren geraakt, is in 1776 op kosten

van den Dijkgraaf, KAREL GEORG Grave VAN WASSENAER TWICKEL, in vorigen

vorm hersteld. Later zijn de beide oude koppen teruggevonden, en door

Jhr. I. ÆBINGA VAN HUMALDA bewaard op een gemetseld voetstuk in den

tuin van _Burmaniahuis_ te _Leeuwarden_. De steen met het latijnsche

hoofdopschrift der westzijde is in Mei 1851 teruggevonden, onder in

een muur gemetseld, bij gelegenheid der vergrooting van de buitenhaven

van _Harlingen_.

Daar gelijktijdig ook de noordelijke zeeweringen dezer provincie werden

hersteld, zoodat er in 1574 enkel aan die van _West-Dongeradeel_ van 12

tot 1500 man werkten; daar er ook omtrent de zuidelijke zeedijken

schikkingen tot verbeterd onderhoud werden gemaakt, en vermits de naam

van het _Caspar-Robles-diep_ nog aanwijst, dat dit kanaal, tusschen het

Bergumermeer en de Lauwers, ter bevordering eener betere gemeenschap met

_Groningen_, door hem mede is tot stand gebragt,--zoo zien wij in dit

alles met genoegen de blijken van hetgeen de standvastigheid en

welberaden moed van ROBLES binnen zoo weinige jaren in _Friesland_ tot

duurzaam heil des lands mogt tot stand brengen. In het zelfde jaar, dat

het gedenkteeken werd opgerigt, verkeerde echter de kans, werd hij door

zijn krijgsvolk gevangen genomen, te _Leeuwarden_ op het Blokhuis een

tijdlang in bewaring gehouden, waarna hij in 1585 voor _Antwerpen_

omkwam. Zijn naam en gedachtenis zijn echter bij elken Fries in gezegend

aandenken gebleven, en gaarne zeggen wij den dichter na[130]:

[130] VAN HALMAEL, _Lied_. Zie bladz. 57 hier vóór.

_Daar staan zij, de reuzen, aan 't bogtige strand,

En houden de zee in den toom en aan band,

Bespotten, trotseren haar woede.

Slechts weinigen houden, bij dag en bij nacht,

Bij hen, bij die redders, die dwingers, de wacht;

Wij slapen gerust op hun hoede._

_Die reuzen van dijken, wie heeft ze gesticht?

Wie heeft ze in geledren en reijen gerigt,

Zoo als zij ons =Friesland= omgeven;

Een vijand, een dienaar des wreedsten tirans;

Maar eere zij hem, en de naam dezes mans

Blijv' hier, in ons harte, steeds leven._

34. _Strijd en Zegepraal der Vrijheid en der Hervorming. (1568-1580.)_

Onder afwisseling van voor- en tegenspoed, hadden de Friezen nog een

hevigen strijd door te staan, vóór ze van hun verzet tegen _Spanje_

eenige gewenschte vrucht zagen. In plaats van de verlangde verzachting

van de maatregelen tegen de verandering in de godsdienst, zond de Koning

den Hertog van ALVA in 1567 naar _Nederland_, om het volk met geweld tot

het oude kerkgezag terug te brengen. Daartoe strekte ook de benoeming

van CUNERUS PETRI tot Bisschop van _Leeuwarden_, die den 1 Februarij

1570 zijne plegtige intrede deed, de kerk van _Oldehove_ tot

Bisschoppelijke kerk wijdde, en hier en door de gansche provincie het

pausdom en kerkelijk gezag in vollen luister verhief. Deze dwangmiddelen

waren de Friezen zeer tegen de borst, en toen in dat zelfde jaar 1570 de

hier vóór gemelde verschrikkelijke watervloed alom nood en dood

verspreidde, de welvaart kwijnde, de vrees voor 's konings wraak toenam

en de toekomst niets dan ellende spelde, beheerschte in _Friesland_ eene

diepe verslagenheid aller gemoederen.

Want nadat in 1568 de strijd was begonnen en de Stadhouder AREMBERG in

den eersten slag tegen LODEWIJK _van Nassau_, bij _Heiligerlee_ in

_Groningerland_, was gesneuveld, werd deze laatste daarna door ALVA bij

_Jemmingen_, nabij de Eems, geheel verslagen. Een aantal der

voornaamste Friezen verkeerde in ballingschap. Veler bezittingen werden

verbeurd verklaard. Van niemand had men hulp te wachten. Er scheen dus

weinig hoop te zijn op het welslagen van den strijd. Doch onze vaderen

verflaauwden niet, en vertrouwden op de hulp van God, dien zij in stilte

vereerden en om redding smeekten. Zijn zegen toch kon niet rusten op de

wreede dwangmiddelen der Spaanschen, die de heiligste regten des volks

en de voorschriften van godsdienst en menschlijkheid schonden, ja met

voeten traden. Eindelijk kwam er dan ook van de zijde der zee eenige

uitkomst opdagen. Reeds lang hadden JAN BONGA, Grietman van

_West-Dongeradeel_ en anderen met een aantal schepen invallen op de

Friesche kust gedaan, om enkele plaatsen op de Spanjaarden te veroveren,

toen het gerucht der inneming van _den Briel_ (1 April 1572) aller hoop

versterkte, dat de dag der verlossing spoedig zou aanbreken. Nadat

onderscheidene steden van _Holland_ Prins WILLEM _van Oranje_ waren

toegevallen, deed deze ook pogingen, om de voornaamste Friesche steden

te winnen, en op zijne zijde te brengen. DUCO MARTENA en andere edelen

spanden daartoe kloekmoedig hunne krachten in, en werkelijk gelukte het

hun, _Slooten_, _Sneek_, _Bolsward_, _Franeker_ en _Dokkum_ te

bemagtigen. De Prins haastte zich daarom, Graaf JOOST _van Schouwenburg_

als zijn Stadhouder herwaarts te zenden; doch deze keus was niet

gelukkig, en weldra bleek het, dat al deze pogingen nog ontijdig-, en

als de vreugde over dezen voorspoed van korten duur waren. Want sedert

AREMBERG'S dood was het Stadhouderschap over dit gewest opgedragen aan

KAREL VAN BRIMEU, _Graaf van Megen_[131], en daarna aan GILLIS VAN

BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, die te gelijk ook over de andere

noordelijke provinciën waren gesteld. Gedurende hunne afwezigheid werd

het gezag hier waargenomen door SEGHER, _Heer van Groesbeeck_ en CASPAR

DE ROBLES, als hunne plaatsvervangers, te gelijk met het te _Leeuwarden_

gevestigde _Hof van Friesland_, dat sterk Spaanschgezind was. Nog vóór

laatstgenoemde werkelijk Stadhouder werd, gelukte het hem, al de reeds

ingenomene plaatsen te herwinnen en andere te versterken, zoodat de

bondgenooten op nieuw eene teleurstelling moesten ondervinden in de

herstelling van het Spaansche gezag.

[131] Over dezen zijn onlangs bijzondere berigten medegedeeld in zijne

betrekking als Stadhouder van _Gelderland_, in NIJHOFF'S _Bijdragen_,

VII 262. Zie over ROBLES het Tijdr. Overzigt der Vorsten hier achter,

en in het bijzonder VAN METEREN, _Hist. der Ned._ Amst. 1647, 112^o;

REINICO FRESINGA, van _Franeker_, _Memoriën_, in DUMBAR, _Analecta_,

Dav. 1722, III 10; _Charterb._ V 1062; _Register op de

Staats-resolutiën_, 186.

Eerlang echter neigde dat gezag ten ondergang: want met den jare 1576

verkeerde de kans, ten gevolge van een zamenloop van verscheidene

omstandigheden. Toen het misnoegen der ingezetenen ten top was gestegen,

en de _Prins van Oranje_ zelfs de zaken des lands als wanhopig

voorstelde, stierf ALVA'S opvolger, Don LOUIS DE REQUESENS, sloegen de

Spaansche soldaten aan het muiten, werd de Stadhouder ROBLES door zijn

eigen krijgsvolk te _Groningen_ gevangen genomen, en verbonden

verscheidene provinciën zich tot een verdrag, om gezamenlijk de

staatkundige en godsdienstige vrijheid te verdedigen, de Spaansche

benden te verdrijven en de vervolgingen te doen ophouden.

Dit verdrag, de Bevrediging of _Pacificatie van Gent_ genaamd, had

groote gevolgen. De eendragtige wil der landzaten versterkte de magt en

den moed, om _Spanje_ te weêrstaan. Al de vroeger gevlugte ballingen

kwamen terug. De uitoefening van de Hervormde godsdienst werd niet meer

gestraft of gehinderd. De Raad van State, te _'s Gravenhage_ gevestigd,

zette de goede zaak door, en zond GEORG VAN LALAING, later _Graaf van

Rennenberg_ genaamd, als Stadhouder naar _Friesland_. De Bisschop van

_Leeuwarden_ werd door hem gevangen genomen en verwijderd. Na de _Unie

van Brussel_ (1577) werd in 1578 door den Landvoogd, Aartshertog

MATTHIAS, de zoogenaamde Godsdienst- of _Religions-vrede_ afgekondigd,

waarbij vrijheid van godsdienst voor Hervormden en Roomschen beide werd

toegestaan, zoodat de eersten hier op vele plaatsen kerken bekwamen en

openlijke godsdienst-oefeningen hielden.

Doch dit alles was niet genoeg; men wilde meer. Men had zoo lang en zoo

veel van de heerschzucht der Spanjaarden en Geestelijken geleden, dat

men, toen het meerendeel der ingezetenen blijken gaf der hervorming

toegedaan te zijn, verlangde van de Spaanschen en Roomschen geheel

ontslagen te worden. Onmogelijk was dit, zoo lang de blokhuizen of

kasteelen der steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ en _Stavoren_ nog met

Spaansche benden bezet bleven, dewijl, bij het minste blijk van opstand,

het geschut dezer sterkten die steden groote schade kon aanbrengen. Deze

~moesten~ dus veroverd worden, en hiertoe kreeg men meer moed na het

sluiten der _Unie van Utrecht_ (1579), waarbij ook _Friesland_ zich met

de overige zes noordelijke provinciën had verbonden, om _Spanje_ te

wederstaan, de godsdienstvrijheid te beschermen en onderling een

vereenigden Staat uit te maken.

De burgerij van _Leeuwarden_, aangevoerd door den wakkeren

tachtigjarigen Burgemeester ADJE LAMMERTS, durfde het bestaan, op bevel

van Gedeputeerde Staten, het Blokhuis harer stad aan te tasten en

kloekmoedig te veroveren, waarna, door het slechten van de wallen en

het dempen van de grachten aan de stadzijde, deze sterkte ontmanteld

werd. Deze heugelijke gebeurtenis, welke voorviel op den 1 Februarij

1580, bragt den Friezen verlossing aan uit de wreede tirannij van

_Spanje_ en van het pausdom, en was dus zeer rijk in gewigtige gevolgen.

Dadelijk haalde men te _Leeuwarden_ de monniken en verdere geestelijke

personen uit de kloosters, en geleidde hen, onder vreugde-bedrijf, met

trompetten en trommelen de stad uit. De kasteelen van _Harlingen_ en

_Stavoren_ gingen insgelijks over. Men was nu de Spanjaarden meester, en

had weldra aan den _Prins van Oranje_ de gunstige beschikking te danken,

om 100,000 Gld. uit 's Konings domeinen te heffen, vooral tot

versterking van de steden _Leeuwarden_, _Harlingen_, _Sneek_ en

_Slooten_, ten einde tegen de aanvallen des vijands bestand te zijn.

Bloedige tooneelen, welke omwentelingen doorgaans vergezellen, had men

echter niet te betreuren, daar alles vrij bezadigd toeging. De vreugde

was grooter dan de wraaklust[132].

[132] Zie de breedere voorstelling van laatstvermelde groote

gebeurtenissen, welke hier eigenlijk te beknopt zijn medegedeeld, in

de _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, I 227 env. en de

daarbij vermelde bronnen en schrijvers.

Reeds den 31 Maart 1580 namen de Staten van _Friesland_, een besluit,

waarbij de Roomsche eeredienst afgeschaft en verboden werd, en waarbij

bepaald werd, dat de renten van de Geestelijke goederen der kerken

voortaan moesten aangewend worden ten behoeve der Hervormde eeredienst,

tot onderhoud van predikanten, onderwijzers, armen en weldadige

instellingen. Vele priesters en kloosterlingen gingen uit eigene

beweging tot de Hervormde kerk over. De gebouwen der vijftig in

_Friesland_ bestaande kloosters werden meest alle verkocht en gesloopt.

Een nieuw leven bezielde de vrije burgers van den nieuwen Staat, die nu,

van den band der dwingelandij ontslagen, God naar hun licht en

overtuiging mogten vereeren, vol van dankbaarheid voor zoo zegenrijke

verlossing.

Wel had men nog vele jaren te strijden tegen de Spaansche benden, daar

het naburige _Groningen_ nog gedurende veertien jaren den Koning

onderworpen bleef,--moedig sloeg men echter de handen in-een tot opbouw

van een vrijen burgerstaat, die alleen het welzijn der ingezetenen

bedoelde. Vroeger dan eenige der andere provinciën, genoot _Friesland_

dus dit voorregt; terwijl het zijne groote verpligting erkende aan den

edelen Prins WILLEM _van Oranje_, door ook hem tot Stadhouder aan te

stellen, en ook hem blijken van vereering te geven, toen hij in het

volgende jaar 1581 zelf naar _Friesland_ overkwam tot regeling van vele

zaken des bestuurs. Daardoor vond men zich mede gesterkt, tot het nemen

van het gewigtige besluit, om den Koning van _Spanje_ vervallen te

verklaren van zijn regt op deze landen. Deze afzwering van den Koning

had in Julij 1581 op eene plegtige wijze plaats, en werd het gezag en

het bestuur des lands toevertrouwd aan de _Staten_ van iedere provincie

en van hare afgevaardigden: de _Algemeene Staten van Nederland_, als de

wettige overheden der vrije landzaten.

* * * * *

Na veel lijden en strijden werd aldus de onafhankelijkheid des lands

hersteld, hoewel deze niet erkend werd door den Koning, die tot 1648, en

alzoo nog bijna 70 jaren lang, moeite deed, om dit land te herwinnen.

Deze omwenteling in den Staat en die hervorming van de Kerk, met zoo

veel moeite verkregen, vestigde hier een vrijen protestantschen Staat,

wier instellingen van gunstigen invloed waren op de belangen der

ingezetenen, zoodat zij daardoor eene groote schrede voorwaarts deden op

den weg der volmaking, zoowel ten aanzien van hunne burgerlijke

betrekkingen als van hunne zedelijke, verstandelijke en godsdienstige

beschaving. Dáárom dankten de vaderen God voor zijne hulp en

bescherming; dáárom is deze verandering, als een keerpunt in de

geschiedenis van ons vaderland, van zoo uitstekend gewigt, en dáárom

vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis als eene der voornaamste

middelen tot verheffing van ons geslacht, ter vorming van goede burgers

en vrome Christenen. Maar, als dankbare nakomelingen, vereeren wij

tevens der vaderen moed en edele vrijheidszucht, en stemmen wij tot hun

lof gaarne in met het antwoord van onzen dichter WILLEM VAN HAREN[133]

op de vraag:

[133] _Tweede Lierzang_, Harderwijk 1742, 14.

_--Waarom zijn dan toch eertijds onze Vadren,

Met eerlijk bloed alleen gewapend in hunne adren,

En zonder krijgsvolk, zonder geld,

Niet afgemaakt door 't Spaansch geweld?_

_Omdat hun edle ziel, langs 't pad der Eer gedreven,

De Godsvrucht en de Trouw meer schatte dan het leven,

En, door hun deugd, des Hoogsten hand

Deed gunstig zijn voor 't Vaderland._

_Tot hen, tot dat geslacht, het oog dan opgeheven!

Eene andere eeuw aanschouwd, ten voorbeelde opgegeven!

De aloude Dapperheid en Deugd

Geprent in 't hart van onze jeugd!_

VIERDE TIJDVAK.

FRIESLAND ONDER HET BESTUUR DER STATEN EN DER STADHOUDERS UIT HET HUIS

VAN NASSAU.

VAN DE HERVORMING IN KERK EN STAAT, OF DE VESTIGING VAN DE REPUBLIEK DER

VEREENIGDE NEDERLANDEN, TOT AAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE KOMST DER

FRANSCHEN.

_Van het jaar 1580 tot 1795._

35. _De vestiging van den nieuwen Staat. (1580-1648.)_

De omwenteling van 1580 is een hoogst belangrijk keerpunt in de

geschiedenis van _Friesland_. De staatkundige en godsdienstige toestand

der ingezetenen onderging daardoor toch eene verbazende verandering,

welke van uitgestrekte gevolgen was voor de toekomst. Ligt kunnen we ons

voorstellen, hoe groot de blijdschap was onzer vaderen over die

verlossing van de knellende dwinglandij der Spanjaarden, en hoe zeer

deze gepaard ging met dankbaarheid aan God voor zijne wonderbare redding

en hulp ter bekoming der vrijheid van godsdienst en geweten, welke men

op te hooger prijs stelde, naarmate men ze lang gezocht en ontbeerd had.

Doch die vreugde werd spoedig getemperd: want verbazend groot waren de

bezwaren, welke zich spoedig opdeden, om het verkregene te behouden en

te verdedigen tegen een vijand, van wiens wraaklust en bloeddorst

_Haarlem_, _Naarden_, _Zutphen_ en andere steden reeds vroeger zulke

moorddadige tooneelen hadden opgeleverd. Immers, ALEXANDER FARNESE,

_Hertog van Parma_, een veldheer, die ALVA in krijgskunde evenaarde en

in staatkundig beleid en buigzaamheid verre overtrof, was met nieuwe en

talrijke Spaansche benden in _Nederland_ aangekomen. FRANÇOIS VERDUGO,

_Heer van Schengen_, die zijn aanzien enkel aan dapperheid had te

danken, was als Stadhouder des Konings met tien vaandels knechten

gezonden naar _Groningen_, ter vervanging van den afvalligen RENNENBERG,

die de schande zijner trouwloosheid niet lang overleefde. Uit die

krachtig versterkte stad werd het oostelijk gedeelte van _Friesland_

bestendig bestookt; terwijl het zuidelijk gedeelte van dit gewest bloot

stond aan de uitvallen der bezetting van _Steenwijk_, sedert deze stad

weder in handen der vijanden was gevallen. Zulk een uitval deden de

Spanjaarden reeds in November 1580. Met eene verbazende snelheid trokken

zij langs de zeekust, namen de schans van _de Lemmer_ in, overrompelden

_Slooten_ (waarbij de edele DUCO MARTENA in hunne handen viel),

herwonnen het kasteel van _Stavoren_, overmeesterden de schans bij

_Makkum_ en roofden, onder schrikkelijken moedwil, tot aan de poorten

van _Harlingen_. Algemeen was de verslagenheid in den lande en groot het

gebrek aan krijgsvolk, aan geld en leeftogt, tot voortzetting van een

strijd, die men bijna wanhoopte te zullen kunnen volhouden. Met veel

moeite gelukte het de Friesche benden in den volgenden jare, die

verloren plaatsen te herwinnen[134].

[134] WINSEMIUS, 679, 684. Volgens den staat van het krijgsvolk in

1579 had men in _Friesland_ voor 3000 voetknechten, 200 ruiters, 200

pionniers enz. de som van ruim 43,000 Gld. in de _maand_ noodig.

_Charterb._ IV, 115. Zulk eene krijgsmagt hadden de Friezen te

wederstaan en te verdrijven ter bekoming der vrijheid!

Intusschen had de edele Prins WILLEM _van Oranje_, op ernstig aanhouden

der Staten van _Friesland_, besloten, ook deze provincie als Gouverneur

en Stadhouder in zijne bescherming te nemen. Uithoofde der afgelegenheid

en veelvuldige andere zorgen, benoemde hij BERNARD VAN MERODE, _Heer van

Rummen_, hier tot zijn Luitenant of Plaatsbekleeder, doch kwam in April

1581 zelf met zijne gemalin, CHARLOTTE VAN BOURBON, in _Friesland_, om

orde te stellen op vele zaken der regering. Te _Harlingen_ aan wal

gekomen, werd hij, algemeen als Vader des vaderlands vereerd, te

_Leeuwarden_ op eene luisterrijke wijze ingehaald. Op een buitengewonen

landsdag handelde hij met de Staten over vele zaken, en schreef, bij

eene uitvoerige Ordonnantie, die wijze van regering, justitie, politie

en beleid van het krijgswezen voor, welke hem op dat oogenblik de beste

voorkwam[135]. Te kort echter was zijn verblijf, dan dat zijn invloed

duurzaam heilzame gevolgen mogt hebben: want hoog waren toen reeds de

verschillen gerezen tusschen de leden der regering over de mate en de

grenzen van het gezag.

[135] WINSEMIUS, 689, 697; _Charterboek_ IV, 241.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 16 / 41 段