zij zich lang van de overige protestanten hebben onderscheiden: hunne
_afgescheidenheid van de wereld_ en verzaking van hare genietingen,
opdat zij door haar niet besmet en in hun christelijken wandel gestoord
zouden worden;--hun weigeren om het _Overheidsambt_ te bekleeden en
_Wapenen_ te dragen tot het voeren van oorlog, als in strijd met het
geestelijk leven, waartoe zij zich onder dulden en lijden verbonden
hadden;--hun weigeren van den _Eed_, dien zij voor den Christen
ongeoorloofd beschouwden bij hunne groote waarheidsliefde en
trouw;--hunne afkeerigheid van alle wereldsche praal en weelde bij hunne
zucht naar eenvoudigheid in kleeding, levenswijze en zelfs in hunne
bedehuizen, Vermaningen geheeten, en godsdienst-oefeningen. Zij hadden
dus geene behoefte aan bezoldigde leeraars, dewijl ze minder prijs
stelden op wetenschap en welsprekendheid dan op verlichte bijbelkennis
en vroomheid des gemoeds, zoodat zij in hun midden altijd genoeg
broeders hadden, die hen door een eenvoudig woord uit liefde konden en
wilden stichten[120]. De gemeente zuiver en heilig te bewaren en naar
het evangelie op te bouwen tot godzaligheid was hun hoogste streven, en
hun geloof uit de werken te toonen hun eerste pligt.--Zóó waren en
bleven de Doopsgezinden, zoolang zij zich buiten de wereld hielden.
Hierna zullen wij gelegenheid vinden hunne latere lotgevallen en
veranderingen, door het verkeer met en in de wereld, te vermelden[121].
[120] Nog bestaat er in Friesland zulk eene gemeente der _Oude
Friezen_ te _Balk_ in _Gaasterland_, waarin nagenoeg al het
bovenvermelde nog naauwkeurig wordt in acht genomen, en wier leden
(waaronder geene armen zijn) in de algemeene achting deelen, wegens
hun opregt en ongeveinsd geloof, deelnemende liefde en reine zeden.
Eene beschrijving van deze gemeente komt voor achter BLAUPOT TEN CATE,
_Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, Leeuwarden 1839, 370,
naar welk belangrijk werk wij, ook ten aanzien van dit gansche
onderwerp, verder verwijzen. Ook op _Ameland_ bestaat nog eene
dergelijke gemeente.
[121] Zie dit alles breeder voorgesteld in het uitmuntend geschrift:
_Onderzoek naar het kenmerkend beginsel der Doopsgezinden_, door D. S.
GORTER, Sneek 1850, 12 env. hetwelk ik hoofdzakelijk gevolgd ben met
nadere toelichting van den Schrijver, dien ik daarvoor bij deze mijnen
dank toebreng.
31. _De Hervorming een tijdlang ingevoerd, maar weder onderdrukt.
(1566.)_
Veertig jarenlang hadden de Friezen bewijzen gegeven, dat zij eene
verandering of hervorming van de oude en in zoo vele opzigten
verbasterde kerkleer verlangden. Zij deden dit op grond der Heilige
Schrift, die geene missen, boetedoeningen, biechten of aflaten, maar
geloof, liefde en hoop, blijkbaar in een heilig leven, vorderde. Noch de
Paus, noch de Keizer, noch de Koning wilde echter van eenige verandering
in leer of godsdienst-oefening iets weten. Integendeel, sedert FILIPS
_van Spanje_ Heer dezer gewesten was geworden, wilde zijne blinde
dweepzucht, dat allen, die hun christelijk geloof niet meer naar de
voorschriften der Roomsche kerk beleden, nog strenger dan vroeger
vervolgd, gepijnigd en op den brandstapel gebragt zouden worden. Alles
werd gedaan om het geestelijk en wereldlijk gezag der Kerk staande te
houden.
Daartoe diende ook in 1559 de oprigting van vier Aarts-Bisdommen en 13
nieuwe Bisdommen in _Nederland_. De stad _Leeuwarden_ werd daarbij tot
het hoofd eens Bisdoms en eener provincie verheven, waarop later de
aanwijzing van het regtsgebied, het gezag en de inkomsten des Bisschops
volgde. Maar tegen de invoering van deze opgedrongene weldaad des
Konings verzetten de Staten en zelfs ook de Geestelijkheid van
_Friesland_ zich zóó krachtig, dat de benoemde Bisschop niet overkwam,
maar hem een ander Bisdom aangewezen werd.
Die tegenstand had dus gebaat, en gaf moed tot meerder verzet tegen de
eischen van _Spanje_. De meerderheid der ingezetenen toch, waaronder de
adel en de aanzienlijksten des lands, gaven blijken, de zaak der
hervorming toegedaan te zijn. Zoodra het gerucht der algemeene
Beeldenstorm (den 14 Augustus 1566 in _West-Vlaanderen_ begonnen) zich
door _Nederland_ verspreidde, beraamde de Regering van _Leeuwarden_
middelen, om, zonder woest geweld, doch met bedaarde zorg, hier het
zelfde doel--de afschaffing van de Roomsche en de invoering van de
Hervormde eeredienst--te bereiken. Bij afwezigheid van den Stadhouder
werd de beveiliging der Stads poorten aan de burgers opgedragen, en den
6 September 1566 in eene groote vergadering van de Regering en de
Bevelhebbers der schutterij, op voorstel van den wakkeren Burgemeester
TJERK WALLES, besloten, om nu openlijk en met daden te toonen, wat men
reeds zoo lang heimelijk gewenscht had. Eendragtig werd goedgevonden,
het voorbeeld van vele Nederlandsche steden te volgen;--niet, om de
kerken met baldadige woestheid te schenden, en beelden en sieraden aan
de woede van het volk prijs te geven; maar door bedaarde standvastigheid
en voorzigtig overleg het voorgestelde doel te bereiken: om de oude
eeredienst af te schaffen en daarvoor dadelijk de Hervormde »preke" in
de plaats te stellen. Nog dien zelfden avond ontvingen de Geestelijkheid
en de Gilden bevel, om hunne eigendommen en sieraden onmiddelijk uit de
drie parochie-kerken weg te nemen. Gedurende den nacht hield vervolgens
een aantal burgers en werklieden zich bezig, om de kerken van de
beelden, schilderijen en altaren te ontledigen, en deze gebouwen in te
rigten naar de behoeften van de eeredienst der Hervormden. Reeds den
volgenden dag, waarop verboden werd eenig godshuis of klooster te
schenden, werden de predikanten door de Stads regering en de schutters
in de kerk van _Oldehove_ gebragt, en werd daar de eerste leerrede naar
de wijze der Hervormden gehouden, gelijk vervolgens dagelijks ook in de
andere kerken geschiedde. De uitoefening van de Roomsche eeredienst werd
verboden. Vele priesters traden uit eigene beweging tot de Hervorming
toe[122].
[122] Zie dit alles uitvoeriger verhaald op bl. 218 der _Geschiedk.
Beschrijving van Leeuwarden_ I en bij de daar aangehaalde schrijvers.
Met loffelijken ijver en stoutmoedigheid had de regering alzoo de groote
zaak der reformatie doorgezet. Met bedaardheid en kalme bezinning werd
hier door de overheid het zelfde doel bereikt, hetwelk elders met
zooveel woestheid en godsdiensthaat op eene onwaardige wijze werd
verkregen. Het is waar, in tijden van opgewonden geestdrift is het volk
niet altijd binnen de palen der redelijkheid te houden, vooral na zoo
lang geleden en zich ingehouden te hebben. Slechts korten tijd genoot
men echter de vrucht van deze moedige poging. Want spoedig kwamen er
bevelen van den Stadhouder en de Landvoogdes, om de oude kerkdienst te
herstellen en de Hervormde predikanten te doen vertrekken. Mannelijk
weigerde de eendragtige Regering en burgerij te gehoorzamen, en ~twintig
weken~ lang hielden zij vol, om, in weerwil van scherpe bedreigingen,
hun geloof naar hunne overtuiging te belijden. Ook _Sneek_ en _Franeker_
volgden dit goede voorbeeld.
Doch de tijd was nog niet rijp voor eene volkomene overwinning. Nog
hooger moest de nood stijgen, maar ook nog krachtiger tegenstand
ontwikkelen, ten einde eene grootere zegepraal en meer algemeene en
duurzame bereiking van het goede doel te bevorderen. Op een bijzonder
bevel des Konings kwam de Stadhouder AREMBERG in Januarij 1567 met eene
aanzienlijke krijgsmagt te _Leeuwarden_, en eischte het verdrijven van
de leeraren en de herstelling van de kerken. De Regering, tegen de
overmagt van het geweld niet bestand, deed wel ernstige pogingen, om
zijne toestemming te verwerven tot het voortdurend bestaan van de
Hervormde godsdienst-oefeningen, doch te vergeefs: zij moest bukken en
gehoorzamen. Uit vrees voor de volvoering van de bedreigde straffen,
ontweken vele edelen en burgers nu een vaderland, dat zoo schandelijk
verdrukt werd. Een zeventigtal vroegere priesters volgde hen, meest naar
het herbergzame _Oost-Friesland_, waar de hervorming reeds vroeg was
gevestigd, en waar men, onder bescherming der regering, lang veilig was
voor de vervolgingen. De kerken werden ten behoeve der Roomsche
eeredienst op den ouden voet hersteld. Hoe gematigd AREMBERG zijn last
ook uitvoerde, zonder dat er bloedstorting plaats had, verwekte deze
onderwerping groote smart en wrok jegens den Koning, tegen wien men zich
eerst nu begon te verzetten en den tachtigjarigen strijd een aanvang
deed nemen.
32. _Aandeel van den Frieschen Adel in het Verbond der Nederlandsche
Edelen. (1565.)_
De bovenvermelde mislukte poging, ter bekoming van godsdienst-vrijheid
naar de behoeften des volks, was voorafgegaan door eene belangrijke
gebeurtenis, welke vervolgens van grooten invloed was;--eene
gebeurtenis, zóó merkwaardig, dat zij in de rij onzer vaderlandsche
herinneringen en roemdagen eene eervolle plaats bekleedt.
De talrijke en meestal zeer vermogende Nederlandsche Adel trok zich de
belangen der ingezetenen aan. Hij zag het, hoe alom de geest des volks
zich tegen de willekeurige handelingen des Konings omtrent den
veranderden vorm van godsdienst-oefening aankantte, zoodat algemeene
tegenstand, zoo geen opstand, eerlang onvermijdelijk scheen. De Edelen
voedden dus de hoop, dat de poging van een aanzienlijk ligchaam des
lands den Koning tot zachtere maatregelen zou bewegen, opdat daardoor de
rust hersteld wierde. Want nog was men toen vreemd van het denkbeeld, om
_Spanje_ tegenstand te bieden, den Koning af te zweren en dit land tot
een onafhankelijken Staat te verheffen. Eerst later werd men daartoe
gedrongen. Toen wilde men nog het bestaande gezag handhaven en
beschermen, met getrouwheid aan den Koning en zijne gezagvoerders.
Twintig Edelen, te _Brussel_ bijeengekomen, ontwierpen in 1565 een
Verbond, aan hetwelk spoedig nog 400 edelen uit alle Nederlandsche
provinciën toetraden, met het doel, om 's lands vrijheid te verdedigen
en de inquisitie te keer te gaan. Tot dat einde boden zij den 5 April
1566 der Landvoogdes, op eene plegtige wijze, een smeekschrift aan,
waarbij zij haar eerbiedig en ernstig verzochten, den Koning tot
verzachting van de plakkaten tegen de godsdienst en tot opheffing van de
geloofs-vervolging te bewegen, dewijl deze blijkbaar dienden, om onrust
en oproer te verwekken en ellende over het land te brengen. Wel
beloofde de Landvoogdes aan dit verzoek te zullen voldoen en moderatie
of matiging van de uitvoering der plakkaten te zullen verzoeken; doch de
wijze, waarop dit geschiedde, en de voortduring van de vervolgingen,
welke aan die zoogenaamde _moderatie_ den bijnaam van _moorderatie_ gaf,
overtuigden de edelen, hoe halsstarrig de Koning weigerde aan de
billijke wenschen zijner onderzaten te voldoen. Zelfs werd hunne
ernstige en welgemeende poging om 's Konings eigen belang te bevorderen
in dier voege opgevat, als ware het eene beleedigende aanmatiging; ja
bij het aanbieden van hun verzoek werden zij door den Raadsheer VAN
BARLAYMONT, een der voornaamste raadsmannen der Landvoogdes, schimpender
wijze eene troep bedelaars of _geuzen_ genoemd, welken schimpnaam zij
echter tot een eernaam en onderscheidingsleus aannamen. Vandaar, dat, na
de mislukking van hunne edele vaderlandsche poging, welke zij miskend
zagen, de meeste dezer adellijke personen eerlang openlijk de hoofden
werden van den strijd voor vrijheid en regt, tegen den Koning en zijn
misbruikt gezag (1568).
* * * * *
Lang hadden de Friezen gezwegen en het slaafsche juk der overheersching
gedragen. Welkom was hun dus de gelegenheid, om blijken te geven van
hunne zucht, om het belang des vaderlands krachtig te bevorderen. Toen
drie afgevaardigden dier Edelen te _Leeuwarden_ kwamen, om den Frieschen
Adel tot deelneming op te wekken, vonden zij, onder bescherming der
Staten, hier zóó veel bijval, dat 108 Edelen, waaronder vele leden der
regeringen van de steden en grietenijen, het Verbond teekenden en zich
bereid verklaarden, de willekeur des Konings te helpen tegenstaan. Een
getal, hetwelk, in vergelijking der 420 leden van het verbond uit al de
17 Nederlandsche provinciën te zamen, zeker zeer aanzienlijk was, en
blijk gaf, welk eene vrijheidszucht en moed de Friezen bezielde.
Vruchteloos waren echter hunne eerste pogingen ter bekoming van
verzachtende maatregelen. Evenzeer mislukte de poging, om vrijheid van
godsdienst te bekomen: want nadat de hervorming te _Leeuwarden_ weder
onderdrukt was, drong de Stadhouder AREMBERG bij de Staten aan, dat zij
het Verbond der edelen zouden ontbinden, en dat deze zelfs den Koning om
vergiffenis moesten smeken, dewijl zij anders het ergste hadden te
vreezen. Doch de Staten waren evenzeer als de edelen voor geene
bedreigingen meer vervaard. Dit blijkt uit het fiere en krachtige
antwoord, hetwelk zij den Stadhouder deden toekomen in deze, voor die
dagen, hoogst opmerkelijke woorden: »_dat zij, voor zich en de
bondgenooten, alles goedkeurden, wat gedaan of gezegd was, en dat zij,
noch uit gunstbejag, noch uit vrees, van hunne regten afstand zouden
doen, maar liever een opmerkelijk voorbeeld van standvastigheid in het
handhaven van 's lands vrijheden wilden geven, al moesten zij het ook
met den dood bekoopen._"
Zulk eene taal van de vertegenwoordigers des volks tegen den uitvoerder
der bevelen eens dwingelands getuigde van een verheven moed en
heldengeest, welke de aanzienlijksten des lands en velen dier verbondene
edelen doordrong. Want al moest ook een aantal hunner met vele
geestelijken en burgers in 1567, na het terugkeeren van AREMBERG en de
komst van den wreeden Hertog van ALVA, vlugten, om de vervolgingen te
ontgaan,--met den volgenden jare 1568 zien wij hen den strijd aanvangen
tegen het misbruikte oppergezag en roemrijke daden verrigten. Toen
toonden zij weder der Friezen oude moed en trouw, en hunne
voorvaderlijke zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid. Toen dachten
zij vol moed en hoop:
_Geen bloed kan glorierijker vloeijen,
Dan 't geen het Vaderland bevrijd._
En hiervoor hadden ze alles over, in de heilige overtuiging:
_Want, waar de Vrijheid is verloren,
Is 't Vaderland een ijdle naam_[123].
[123] ONNO ZWIER VAN HAREN, _de Geuzen_. Zie daarover _Aant. 20_.
* * * * *
Al de personen te noemen, die deelnamen in dezen strijd, die goed en
bloed waagden, om de vrijheid des vaderlands te herstellen, is hier niet
mogelijk. Maar wij mogen de namen niet verzwijgen van hén, die door
ijver en bekwaamheid de goede zaak het meest bevorderden, of die in de
gelegenheid waren door grootsche bedrijven uit te munten. WYBRAND VAN
AYLVA, Olderman van _Sneek_, en HESSEL VAN AYSMA, Raadsheer in het Hof,
wisten, in vereeniging met JULIUS en SYDS VAN BOTNIA en GEMMA en UPCO
VAN BURMANIA, door raad en daad met onwrikbare trouw de verdrukking
tegen te staan. Aan JAN BONGA, JELLE EELSMA en WYBE VAN GROVESTINS
gelukte het, zoowel te land als ter zee, den vijand afbreuk te doen.
HOMME VAN HETTINGA verkocht zijne eigene bezittingen, om krijgsvolk aan
te nemen, waarmede hij de Spaanschen bestreed, waarna hij _den Briel_
hielp innemen, en van zijne vrijheidsliefde even groote bewijzen gaf als
zijn broeder, TIETE, die, toen hij uit _Friesland_ moest wijken, in 1575
met 200 zijner landgenooten bij _Wormer_ in _Noord-Holland_ ruim 1300
Spanjaarden en Duitschers bestreed en overwon. Even als zij, trachtten
HARING en HARTMAN VAN HARINXMA, aan het hoofd van vele ingezetenen van
_Wymbritseradeel_, in 1572 de Friesche steden voor Prins WILLEM _van
Oranje_ te verzekeren. Reeds hadden zij _Slooten_ ingenomen, toen zij in
gevecht geraakten met de talrijker oude benden van ROBLES, waarbij
HARTMAN de regterarm aan stukken werd geschoten, hoewel hij moeds genoeg
had, om, zonder eenig blijk van pijn te geven, het vaandel met de
linkerhand aan te vatten en de zijnen kloekmoedig tot den strijd te
blijven aanvoeren[124]. Vier broeders uit het geslacht VAN EYSINGA
muntten door liefde voor vrijheid en godsdienst uit, en getroostten zich
daarvoor groote opofferingen en ballingschap. SJOERD VAN BEYMA en
HARTMAN GALAMA stelden zich door kloeke bedrijven aan eene vervolging
bloot, welke hen, op de Zuiderzee met hulp van verraad gevangen genomen,
te _Brussel_ op een schavot het leven deed verliezen. HARING VAN GLINS,
WILCO VAN HOLDINGA, DOUWE VAN HOTTINGA en zoo vele anderen trotseerden
moedig velerlei gevaren en worden als bevorderaars der vrijheid met eere
genoemd.
[124] Dit verhaalt zelfs de Spaanschgezinde Raadsheer CAROLUS, _de
rebus Casparis â Robles in Frisia gestis_, Leov. 1731, 56. "Hoe zou
iets van dien aard (zegt VAN KAMPEN, _Vaderl. Karakterkunde_, I 345)
de wereld doorklinken, wanneer het door een' _Spartaan_ was verrigt!
Doch zulke daden hadden bij ons plaats, zonder, gelijk te _Sparta_,
door de opoffering van alle menschelijk gevoel, beschaving en
handelverkeering met andere volken te worden gekocht."
Doch niemand dezer overtrof in grootmoedigheid en bekwaamheid hun aller
hoofd en sieraad, den edelen ~DUCO MARTENA~, die, zonder vrees voor
gevaar, de regten des volks bleef handhaven; die, als staatsman en held,
in raadzaal en strijd, zoowel te land als ter zee, te midden der
hevigste vervolging, met raad en daad zijn vaderland diende, en al zijne
bezittingen, ja zelfs die van twee zijner broederen, door hem geërfd,
voor de zaak der vrijheid opofferde. Als lid van Gedeputeerde Staten
handhaafde hij het uitsluitend regt der inboorlingen tot de regering,
stuitte de geweldige maatregelen van ALVA, en poogde door voorspraak de
gevangene bondgenooten te doen loslaten. Hoe hoog de nood ook klom, hij
bezweek niet, maar werd voor _Friesland_, wat Prins WILLEM _van Oranje_
voor het fel bestredene _Holland_ en andere provinciën was: de kracht,
de steun, de hulp van den onder ALVA zoo diep gezonken staat. Die Prins
werd zijn vriend en beschermer, welke hem, toen hij eindelijk
_Friesland_ moest verlaten, als Admiraal het opperbevel over eene vloot
op de Zuiderzee toevertrouwde. Blakende van liefde voor het land en de
goede zaak, evenaarden zijn beleid en dapperheid de trouw en
voorzigtigheid, waarmede hij ook later, in zijn vaderland teruggekeerd,
den jeugdigen staat hielp opbouwen, zoodat aan zijne daden en deugden de
verlossing des vaderlands voor een groot deel werd toegeschreven.
(_Aant. 20._)
Nooit mogen wij Friezen onze verpligting aan den edelen MARTENA en zijne
medeverbondene edelen vergeten! Met eere mogen de namen van deze helden
der vrijheid steeds genoemd worden: want onbegrijpelijk veel hebben zij
doorgestaan, verrigt en opgeofferd, toen de willekeur der Spaansche
overheersching zich de wreedste vervolging van personen en huisgezinnen,
de verbeurt-verklaring van goederen en allerlei kwellingen veroorloofde:
omdat, zij de vrijheid verlangden, om den zelfden God en Heer op eene
andere wijze te vereeren dan de Koning van _Spanje_ wilde toestaan. Doch
gelukkig, dat, na het doorstaan van al die rampen, eindelijk de
overwinning volgde, welke ook de Friezen weder deed deelen in het
voorregt van het bezit der vrijheid en onafhankelijkheid, welke men op
hoogeren prijs had leeren schatten, naarmate de verkrijging moeite en
opofferingen had gekost. Vooraf echter moest er nog veel geleden en
gestreden worden.
33. _Herstelling van de Friesche Zeeweringen onder Caspar de Robles.
(1574.)_
Te midden der verschrikkingen van den oorlog trof _Friesland_ bovendien
eene ramp, welke groote nood en schade veroorzaakte. Zij had evenwel
heilzame gevolgen voor de toekomst, en het is dáárom, dat wij ons
verpligt achten, hierbij in het bijzonder stil te staan.
Een hevige storm en daarop gevolgde watervloed, zoo ontzettend als ooit
eenige deze landen trof, teisterde, op den 1 November 1570, alle aan de
Noordzee gelegene landstreken. Met geweld op de Friesche dijken
inbrekende, rees het water 10 à 12 voeten hoog op de landen, zoodat
bijna het gansche gewest eene woeste zee gelijk scheen. Duizenden
menschen verloren het leven: alléén in _Oost-_ en _West-Dongeradeel_
kwamen er 2600 personen om. Een schat van vee, granen en andere
levensmiddelen werd met een aantal gebouwen eene prooi van den vloed,
die de zeedijken zoodanig had vernield, dat zij op sommige plaatsen
geheel weggeslagen waren. Het land stond dus open voor de zee, die dan
ook in de eerstvolgende jaren bij de minste verheffing van wind en vloed
op nieuw de velden overstroomde. Dit alles, gevoegd bij verarming,
duurte, hongersnood en oorlog, voerde de ellende der ingezetenen ten
top, en schenen de krachten te falen, om die verliezen te boven te
komen, en inzonderheid, om de zeedijken te herstellen, ten einde dit
land duurzaam voor dergelijke rampen te beveiligen[125].
[125] Zie het officieele verhaal in het _Charterb._ III 847, 865;
WINSEMIUS, 550; OUTHOFS, _Watervloeden_, Embden 1720, 508, 535; VAN
LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. XXXV.
Geen gedeelte had meer geleden dan de Vijfdeelendijk, van _Dijkshoek_
langs _Harlingen_ naar _Makkum_, en wel mede om deze reden, dat het
onderhoud daarvan sedert lang het meest verwaarloosd was geworden, ten
gevolge van langdurige en hevige geschillen, voornamelijk tusschen de
ingezetenen, die buiten en binnen den Slagtedijk woonden over het
aandeel, dat ieder hunner in het onderhoud zou hoeden. De eersten, de
aan zee gelegene Grietenijën, verlangden daartoe meerdere hulp van de
laatsten, ja zelfs ondersteuning ook van andere deelen van _Friesland_,
voor welke de zeedijken van even groot belang waren. Reeds in 1533
hadden de Stadhouder en het Hof in dit geschil eene beslissing gegeven,
door bij Arbitrament te bepalen, door wie en op welke wijze de zeedijken
zouden worden onderhouden[126]. In weerwil daarvan bleek het echter, dat
de Binnendijksters niet waren te bewegen, om den Buitendijksters de
meerder verlangde hulp te verleenen, en zoo bleef eene algemeene
herstelling onuitgevoerd en het land steeds in groot gevaar verkeeren.
[126] Zie deze stukken in het _Charterboek_, II 627, 628 env.
De herstelling of wel bijna geheele vernieuwing van dezen dijk was
echter nu een dringend vereischte. De Buitendijksters, die de kosten
daarvan op 300,000 Gld. begroot hadden, klaagden hunnen nood aan den
Koning. Namens dezen bepaalde de Landvoogd ALVA in Augustus 1571, dat,
tot vinding van die som, 40,000 Gld. zou worden omgeslagen over die
deelen van dit gewest, welke weinig of geene dijken hadden te
onderhouden, en dat de overige kosten door de Buiten- en Binnendijksters
gelijkelijk zouden worden gedragen. Daar de laatste hierover vooraf niet
waren gehoord, namen zij in deze beslissing geen genoegen, terwijl ook
_Oostergoo_ zich tegen dien omslag verzette. ALVA vond dus goed, den 27
October en 8 November 1571 deze uitspraak te schorsen, en, na een nader
onderzoek, de beslissing op te dragen aan den Stadhouder, _Graaf van
Megen_, met eenige Raden van _Overijssel_. Dan deze, reeds kort daarna,
den 7 Januarij 1572, overlijdende, werd den 15 Maart dit onderzoek en
die beslissing opgedragen aan CASPAR DE ROBLES, _Heer van Billy_, aan
het hoofd eener commissie van Raadsheeren en Dijkgraven uit andere
provinciën.