October 1555 opleverde. _Keizer_ KAREL V, die bijna veertig jaren lang
_Duitschland_, _Spanje_, _Nederland_ en zijne overige Staten met roem
had bestuurd, haakte naar rust, welke hij door afzondering in een
Spaansch klooster meende te zullen vinden. In eene plegtige vergadering
van vorsten, grooten, geestelijken en afgevaardigden van al de
Nederlandsche provinciën, deed hij afstand van de regering dezer landen
ten behoeve van zijn zoon FILIPS. Hij deed dit met eene roerende
aanspraak, waarin hij terugzag op hetgeen hij gedaan, had, terwijl hij
hoopte, dat de jeugdiger krachten van zijn opvolger alles zouden
vermogen, wat hem de duurzame liefde der ingezetenen zou kunnen doen
verwerven. Hierna beloofde FILIPS onder eede, dat hij de regten der
landzaten zoude handhaven, en ontving van de afgevaardigden den eed van
trouw en hulde.
Bij het doen van dezen eed viel er eene bijzonderheid voor, welke weder
een blijk gaf van de fierheid en volkstrots der Friezen. Volgens eene
gewoonte der vorsten van het Oostenrijksche huis, vorderde de hoftoon,
dat de eed ~geknield~ werd afgelegd. Alle gezanten der zestien
Nederlandsche provinciën volgden dit gebruik en knielden neder. Doch de
acht afgevaardigden van _Friesland_ zagen hierin een vernederend
huldebetoon, hetwelk hun eerbied voor het heilige alleen Gode toekende.
Zij weigeren te knielen, en, terwijl zij te midden der nedergebogene
schare alleen ~staan~ blijven, verontschuldigen zij zich bij monde van
een hunner, GEMME VAN BURMANIA, door te zeggen:
_Wij Friezen knielen alléén voor God._
Van dit rustige en fiere antwoord bekwam deze edelman sedert den bijnaam
van _de Stand-Fries_, en is deze naam later dikwijls toegepast op ieder
zijner landgenooten, die blijken geeft van fierheid, standvastigheid van
karakter of van een krachtigen wil.
* * * * *
De Nederlanders hadden weinig reden, om over deze verandering van
landsheer tevreden te zijn. De trotsche geaardheid van FILIPS, die hier,
gelijk in _Spanje_, als Koning wilde heerschen, dewijl hij deze landen
als wingewesten der Spaansche kroon aanzag, en de dweepzucht, welke hem
onstaatkundig deed handelen, toen hij geenerlei verandering in de oude
en verbasterde kerkleer en wijze van godsdienst-oefening wilde gedoogen,
namen de ingezetenen tegen zijn bestuur in. Zij baarden eerlang onrust,
daarna verzet en eindelijk openbaren strijd tegen zijn gezag, dat hij
met geweldige oorlogsmiddelen en door moorden en bannen wilde handhaven.
Te vergeefs. Die schending van het regt des volks en van zijn pligt als
vorst, deze heerschzucht en wreedheid konden de Nederlanders niet
dulden. Lang verdrukt en getergd sloegen zij de handen ineen,
weêrstonden geweld met geweld, en vormden een kleinen, doch naauw
vereenigden staat. Zóó gaven de ondeugden en verkeerde handelingen van
den Koning en zijne dienaren aanleiding, om hem gehoorzaamheid te
weigeren en af te zweren. Zóó werd dit alles de oorzaak van de
herstelling der vrijheid en onafhankelijkheid van _Nederland_ in
godsdienst en burgerstaat. De voornaamste bijzonderheden van deze
roemrijke overwinning willen wij nu schetsen, daar de Friezen in dezen
strijd deelnamen op eene wijze, hunner aloude zucht voor vrijheid en
onafhankelijkheid waardig.
30. _Beginselen der Kerkhervorming; Geloofsvervolgingen; de
Doopsgezinden. (1520-1560.)_
De geschiedenis der ~volken~ staat dáárin gelijk met de geschiedenis van
ieder ~persoon~, dat allen bestemd zijn, om uit den staat van onkunde en
onbeschaafdheid op te klimmen tot kennis, bekwaamheid en volmaking.
Naarmate de mensch ouder wordt, moet hij vaster gelooven, en meer
naderen tot God, dien hij allengs beter moet leeren kennen en vereeren.
Hij, de groote opvoeder van het menschdom, wiens wijze Voorzienigheid de
lotgevallen van volken zoowel als van personen bestuurt, verschaft
bovendien in elk tijdvak de middelen, om de maatschappij te doen
opklimmen tot die verhevene bestemming, waarvoor de mensch is geschapen.
Doch de dwaasheid van sommige magten, die hare bijzondere oogmerken meer
voorstonden dan de algemeene belangen, poogde dikwijls die heilige
bedoelingen te verijdelen. Waar toeneming in kennis en verlichting haar
belang kon schaden, daar verduisterden zij het licht, en hielden de
onderworpene volken in onkunde en domheid. Dit kon evenwel niet duurzaam
zijn. Vele volken deden hun regt gelden, en vandaar een strijd, tusschen
de voorstanders van duisternis en van licht, van behoud en van
vooruitgang, waarvan vooral de kerkelijke geschiedenis bloedige
tooneelen oplevert.
De Christelijke Godsdienst, eens in het oosten in zuiverheid verkondigd,
was bestemd om alle volken der aarde door haar licht te bestralen; om
door geloof en liefde alom vrede en deugd te verspreiden; om den mensch
te verheffen en het leven te heiligen door de hoop op eene betere
toekomst, welke hare stralen schiet tusschen de nevelen van het heden.
Spoedig echter werd die goddelijke leer door menschelijke dwalingen
verbasterd. Aan de bereiking van staatkundige bedoelingen werd zij
dienstbaar gemaakt. De heerschzucht vond in haar een middel om zich te
verheffen. En om haar bij heidensche volken te beter ingang te doen
vinden, werd hare eeredienst met prachtige versierselen en plegtigheden
overladen. In deze schitterende uiterlijke vormen, in feestdagen, in de
voorspraak der heiligen en in het brengen van offers aan de kerk en aan
de geestelijken, meende het onkundige volk nu het wezen der godsdienst
te zien.
Die Geestelijkheid was alom in getal, aanzien en vermogen verbazend
toegenomen. Doch wat deed zij ter opleiding en verlichting van het volk?
In plaats van door de kracht der godsdienst de maatschappelijke gebreken
te bestrijden, verstand en hart te vormen en het lijden des tijds te
verzachten door de kracht van het geloof aan een toekomstig leven, had
zij tegen de waarheid die beide verwonderlijke wapenen ontdekt:
onwetendheid en dwaling. Zij verbood der wetenschap en het vernuft
verder te gaan dan het getijboek, als om den geest op te sluiten binnen
de kloostermuren van de leer der Kerk. Zij kantte zich aan tegen alles,
wat den voortgang der menschelijke beschaving, de ontwikkeling van het
verstand kon bevorderen. Het menschelijk geweten kwam tegen haar in
opstand, en vroeg: wat wilt gij?
Er was een boek, dat van het begin tot het einde van zijne hoogere
afkomst getuigt; een boek, dat den geheelen schat van menschelijke
kennis bevat, verhelderd en geheiligd door de geheele goddelijke
wijsheid; een boek, door den eerbied der volken het Boek genoemd: de
Bijbel! Dat boek hadden de Pausen verboden. Zoodanig was het door de
leer der Kerk verdrongen, dat de Friezen reeds zeven eeuwen Christenen
waren geweest, vóór dat welligt een hunner de Heilige Schrift had
gezien, veelmin gelezen. Immers, men achtte dit verbod noodzakelijk,
omdat zij een wapen kon worden tegen de Kerk, die voorgaf op haar
gegrond te zijn. En in plaats van dat boek gaf hunne willekeur, welke
zelfs het licht der rede trachtte uit te blusschen, aan de volken--de
Inquisitie.--Onbegrijpelijke dwaling! Ongelukkige volken!
Na de uitvinding van de boekdrukkunst en de herleving van de beoefening
der oude letterkunde en wetenschappen, kwam echter de Bijbel in veler
handen. Nu gingen de oogen open. Men zag het in, hoe diep de kerk was
vervallen, en hoe vele misbruiken er heerschten. MAARTEN LUTHER had, in
1517, in _Duitschland_ den moed, zich tegen den Paus en de gebreken der
kerk te verzetten, om bijna al hare leerstukken te verwerpen, en om, op
grond van een vrij onderzoek van de Heilige Schrift, terug te keeren tot
een meer eenvoudig oorspronkelijk Christendom en minder zinnelijke
eeredienst.
De mare van zulk eene gewigtige hervorming in de godsdienst werd in alle
streken van _Europa_ en ook hier met blijdschap vernomen en vond grooten
bijval. Het staatkundig belang van Keizer KAREL bragt echter mede, dat
hij den Paus tot vriend hield en beschermde. Dáárom weêrstond hij, ook
met kracht van wapenen, in zijne landen de verspreiding van die nieuwe
leer. Bestendig werden er nu sedert 1521 in _Friesland_ strenge
plakkaten uitgevaardigd, waarbij de leeringen van LUTHER veroordeeld-,
zijne boeken verboden- en zijne aanhangers met vervolging en straf
bedreigd werden[117]. Doch men bedroog zich: want de vrije ingezetenen
kenden den Keizer wel het regt toe, om hun land te laten besturen, maar
niet, om over hun verstand en godsdienstige gevoelens te heerschen.
Sedert 1522 kwam eene Nederduitsche vertaling van den Bijbel hier in
veler handen. Met verbazing bemerkte men het verschil tusschen die leer
en hare verkondiging door de Geestelijken. Te vergeefs zocht men daarin
den grond van vele leerstellingen en plegtigheden der Kerk. Doch het
gemoed vond daarin kracht en troost bij al de rampen van den oorlog, van
ziekten, van overstroomingen en hongersnood, welke _Friesland_ omstreeks
dien zelfden tijd had te verduren. In dezen tegenspoed had men behoefte
aan godsdienst, aan meerder licht, dan de zinnelijke eeredienst der Kerk
aanbood. Het leven verkreeg hooger waarde door het geloof, dat de harten
doordrong, en hen God en den Heer leerde kennen en liefhebben in het
uitzigt op eene betere wereld. En toen later de voorspoed blonk, vond
men daarin moed en kracht, om hetgeen men als een schat van groote
waarde op hoogen prijs had leeren stellen, te verdedigen en te behouden,
tegen al de wreede vervolgingen der wereldlijke magt, die de Roomsche
kerkleer met geweld trachtte te beschermen.
[117] _Charterb._ II 107, 415; WINS. 458; SCHOT. 621 env.
* * * * *
Als de eerste priesters, die de kerk verlieten, of wel door de
verkondiging van de zuivere leer des evangelies pogingen deden, om de
kerk te hervormen, worden met eere genoemd GELLIUS FABER DE BOUMA van
_Jelsum_ en MENNO SIMONS van _Witmarsum_. Dan, de eerste moest in 1536
en de andere later vlugten, daar de strengheid der vervolging zeer was
toegenomen, nadat in het vorige jaar ook hier eene oproerige beweging
der Munstersche Wederdoopers tot openbaren strijd en vervolging
aanleiding gaf. Allen, die blijken gaven van de Roomsche kerk af te
vallen of ongenegen te zijn, werden vervolgens beschuldigd of verdacht,
met die Wederdoopers overeen te stemmen; het allermeest de
Doopsgezinden, die hun christelijk geloof in eenvoudigheid en stille
afzondering wenschten te belijden. Sedert 1531 werd een aantal hunner
vervolgd, onthoofd of verdronken, en spaarde de regering geene middelen
om het gezag der Kerk te handhaven en de afvalligen te straffen.
Doch ook hier werd het bloed dier martelaren weder het zaad eener kerk,
welke in aantal van leden toenam, hoe meer zij door de vervolgingen
verdrukt werden. De schijnbare smaad, hun aangedaan, stortte eene
heilige geestdrift voor het goede en eerbied voor hunne gelatene
vroomheid in de harten van anderen, wier onverbasterd gevoel zich tegen
zulke onmenschelijke handelingen verzette. Doch dit alles was nog
slechts een begin. Want nog dringender werden de bedreigingen der
plakkaten des Keizers, toen hij het waagde, in 1550 de Inquisitie of het
geloofs-onderzoek in _Nederland_ openlijk in te voeren. Van toen af, en
vooral na 1557, wanneer WILLEM LINDANUS als Kettermeester herwaarts werd
gezonden, stonden allen, die van de Roomsche kerkleer afweken, en zelfs
zij, die verdacht waren van de nieuwe leer te begunstigen, aan wreede
vervolgingen bloot. En zeker zou het getal martelaren hier destijds zeer
talrijk zijn geweest, als de Stadhouder, het Hof en de Besturen al de
bevelen des Keizers uitgevoerd en niet gematigd hadden. De Staten des
lands verzetten zich zelfs tegen LINDANUS, en beschermden der
ingezetenen vrijheid tegen zulk eene onduldbare heerschappij over hun
geloof. De algemeene geest der landzaten toonde toch te duidelijk, dat
de stroom niet meer viel te stuiten. Zij bleven dus hopen, dat de
Regering haar eigen belang zou inzien, om door toegevendheid en
gematigdheid billijk te zijn jegens een volk, dat men door dwang en
bedreiging veel meer verbitterde dan terugbragt. (Zie _Aanteek. 19_.)
* * * * *
Het zij mij vergund, aan het einde van dit overzigt meer bijzonder stil
te staan bij de kerkgemeenschap der _Doopsgezinden_, welke zich te
midden dier beroeringen in deze landen vertoonde en uitbreidde. Zij
verdient hier eene afzonderlijke vermelding, eensdeels, omdat zij
eene plant was, vooral van den Frieschen bodem; anderdeels, omdat zij
zich hier zóó spoedig en aanzienlijk uitbreidde, dat bij de Hervorming
van 1580 een vierde gedeelte der bevolking van _Friesland_ dezer
gezindte toegedaan was[118], en, in 't algemeen, omdat zij, door de
geheel eigenaardige rigting en de gewigtige waarheden, welke zij
vertegenwoordigt en handhaaft, nog eene merkwaardige plaats onder de
afdeelingen der Christenheid bekleedt.
[118] Wij zouden geneigd zijn dit bijna ongeloofelijk berigt te
wantrouwen, indien het niet was medegedeeld door een tijdgenoot, den
geachten geschiedschrijver EVERHARD VAN REYD, die, toen hij in 1602
stierf, Raad en Geheimschrijver was van den eersten Frieschen
Stadhouder, Graaf WILLEM LODEWIJK VAN NASSAU. Zie zijne _Historie der
Nederlantscher Oorlogen_, Leeuwarden 1650, 70.
Reeds hebben wij MENNO SIMONS genoemd. Hij was echter niet de stichter
dezer gezindte, gelijk velen ten onregte gemeend hebben, daartoe verleid
door den naam van _Mennoniten_ of _Mennisten_, welken eene partij onder
hen gaarne droeg en andersdenkenden hun over 't algemeen gaven. Zij
bestonden reeds lang vóór MENNO, ja hadden in _Friesland_ reeds hunne
martelaren vóór dat hij het punt van den doop begon te onderzoeken. Hun
oorsprong is met geene zekerheid aan te wijzen; maar, in gevoelens met
de Waldenzen verwant, vinden wij door geheel de middeleeuwen sporen van
het aanwezen eener gemeenschap, die, welgeordend en over een groot deel
van _Europa_, verspreid, als stillen in den lande het apostolisch
Christendom in beoefening zocht te brengen. Zorgvuldig onttrok zij zich
aan de opmerkzaamheid der wereld en der vervolgzieke geestelijkheid;
totdat zij, door de groote beweging der geesten in den hervormingstijd
opgewekt, bemoedigd werd, om openlijk mede te werken tot de vernieuwing
des Christendoms. Zij verliet de veilige onbekendheid. In een groot
gedeelte van _Europa_ zag men eene menigte gelijkgezinde menschen
optreden, zonder dat men wist van waar zij hunne gevoelens hadden
verkregen. Door geestelijke en wereldlijke magten vervolgd, trokken
velen hunner uit _Frankrijk_, _Zwitserland_ en _Duitschland_ naar het
noorden, ook naar _Friesland_, waar de regering minder streng was in de
uitvoering van de plakkaten. Daar vonden zij vele gelijkgezinde
Christenen, wier gemoed behoefte had aan eene betere godsdienst dan de
verbasterde kerk aanbood, en die bevrediging vonden in het lezen en
beleven van de Heilige Schrift. Tot dezen ging MENNO over; onder dezen
werkte hij.
Te _Witmarsum_ in 1496 geboren en tot den geestelijken stand opgeleid,
werd hij in 1524 Kapelaan in het niet ver van _Harlingen_ gelegene
_Pingjum_. Na verloop van twee jaren kwam hij, door eene twijfeling
aangaande het misoffer, voor het eerst tot onderzoek van den Bijbel, en
daardoor allengs tot meer evangelische inzigten. Niet voor 1531 vestigde
de dood van SICKE SNIJDER, als de eerste der Doopsgezinde martelaren te
_Leeuwarden_ onthoofd, zijne aandacht op den doop, en spoedig leerde hij
den kinderdoop als eene instelling, niet des evangelies, maar des
pausdoms kennen. Nadat hij intusschen in zijne geboorteplaats tot
Pastoor was verkozen, begon hij zijne gevoelens over den aard en de
eischen des Christendoms te verkondigen, en verkreeg hij grooten roem en
toeloop onder het volk als evangelisch prediker.
Nu eerst kwam hij in aanraking met de Doopsgezinden, die in zijne
omstreken hunne gevoelens begonnen te verspreiden en te doopen. Hunne
weldadige pogingen vonden bijval, doch werden spoedig afgebroken door
eene geweldige beweging. Een onrustige geest, welke doorgaans met iedere
hervorming gepaard gaat, had onder hunne geloofsgenooten eene partij van
Wederdoopers gevormd, welke het koningrijk Gods met geweld zocht op te
rigten. In _Munster_ belegerd, zond zij ook naar _Friesland_ hare
zendelingen, die de eenvoudigen hier opruiden. MENNO stelde zich met
alle kracht daar tegen, hield zelfs tot tweemalen met de hoofden der
Munstersche partij eene zamenkomst, doch al zijne vermaningen baatten
niet. De opgeruide menigte greep naar het zwaard. Op Paaschmaandag van
1535 waren er te _Tjum_ ongeveer 300 vergaderd, die 200 krijgsknechten
met verlies deden wijken. Door dit aanvankelijk voordeel bemoedigd,
veroverden zij het _Oldeklooster_ bij _Bolsward_, lieten de monniken
onverhinderd gaan en versterkten zich daar als in eene vesting. Hier
werden ze door de krijgsmagt van den Stadhouder SCHENCK _van Toutenburg_
belegerd. Moedig streden zij, doch, eindelijk voor de overmagt bezweken,
boetten de meesten, en daaronder een eigen broeder van MENNO, hunne
dwaasheid met het leven. Velen sneuvelden met het zwaard in de vuist,
sommigen werden te _Leeuwarden_ onthoofd, anderen in het Hempenzermeer
verdronken; doch ook velen ontkwamen, of werden om hunne eenvoudigheid
losgelaten.
Deze oproerige beweging der Munsterschen was, even als later de
beeldenstorm, allen welgezinden zeer leed en de zaak der hervorming tot
groote schade. Bij MENNO echter bragt zij eene groote verandering te
weeg. Dat vergoten bloed viel hem heet op het harte, vervulde hem met
diepe droefheid en deed hem tot zich zelven inkeeren. Hij toch predikte
wel de evangelische leer, doch _deed_ niet alles wat hij predikte en
geloofde. Tegen zijne overtuiging was hij nog altijd priester. Zijn
geweten kon die strijdigheid niet langer dulden, daar hij behoefte had,
zijn geloof uit zijne werken te toonen. Na een moeijelijken strijd van
negen maanden, verkreeg hij eindelijk op zijne gebeden de noodige kracht
tot verzaking en lijden. In 1536 verliet hij het pausdom en zijne
pastorie met al de daaraan verbondene voordeelen, en voegde zich, in het
uitzigt op armoede en verdrukking, bij de overige, rustig geblevene,
doch toen strenger vervolgde Doopsgezinden. Van nu af aan predikte hij
alléén het evangelie, van alle menschelijke instellingen ontdaan, tot
ware boete op den smallen weg, dien hij zelf vrijwillig gekozen had.
Bijna een jaar lang vertoefde hij in eene kleine woning in de nabijheid
van _Witmarsum_, waar hij zijne vrienden stichtte en vermaande[119].
Toen kwamen er zes of acht afgevaardigden der Doopsgezinden bij hem met
het verzoek, om algemeen Leeraar of Opziener onder hen te willen zijn.
Na lang aarzelen, aanvaardde hij deze bediening, en werkte hij nu in
grooteren kring, te gelijk met zijn vriend DIRK PHILIPS, van
_Leeuwarden_, en later ook met LEENERT BOUWENS, met gunstig gevolg aan
de uitbreiding van het evangelisch geloof. Zóó bekwam de gemeenschap der
Doopsgezinden, vooral door MENNO'S geleerdheid voorgelicht en verdedigd,
door zijn ijver uitgebreid, maar bovenal door zijne gemoedelijke
vroomheid bevestigd, een geregeld bestaan.
[119] _Menne Siemmens oud preechuis_ noemt SCHOTANUS dit huis op zijne
kaart van _Wonseradeel_. Bekend is het, dat dit bedehuis der daar nog
bestaande gemeente in 1828 hersteld- en met een schoon afbeeldsel van
MENNO, door VAN DER KOOI geschilderd, versierd is; terwijl
gelijktijdig eene fraai gegraveerde afbeelding van dit Menno
Simons-Kerkje is uitgegeven.
De toenemende strengheid der plakkaten, welke velen zijner volgelingen
den dood kostte, noodzaakten hem eerlang zijn vaderland te verlaten.
_Emden_, »de herberg van Gods verdrukte gemeente" genoemd, nam hem op,
doch weldra van daar verdreven, trok hij naar _Keulen_ en na verloop van
twee jaren naar _Lubek_, en bleef, ondanks vele moeiten en gevaren, dáár
en op andere plaatsen in _Nederland_ en het noordelijk _Duitschland_,
met heiligen ijver een eenvoudig apostolisch Christendom prediken. Op
eene plaats _Woesteveld_, tusschen _Hamburg_ en _Lubek_, mogt hij in de
laatste jaren zijns levens eene veilige woonplaats bekomen, en door het
drukken van zijne eigene godsdienstige geschriften een bestaan-, en als
Oudste en Leeraar der gemeente gelegenheid vinden, om nuttig te zijn
voor de belangen des evangelies. Dankbaar mogt hij zich verheugen, in
verschillende landen meer dan 50 gemeenten gesticht- en velen voor het
rijk zijns Heeren gewonnen te hebben. In _Friesland_ waren zijne
medearbeiders intusschen in zijnen geest ijverig werkzaam, en mogt
alleen LEENERT BOUWENS sedert 1551 op 74 plaatsen een getal van 6500
personen, die aan hun christelijk geloof een zuiver leven wenschten te
verbinden, den doop toedienen. Ook na MENNO'S overlijden (1561) nam deze
gezindte, in weerwil der vervolgingen, hier en elders sterk toe, en
zetten mede vele uit _Braband_ en _Vlaanderen_ gevlugte Doopsgezinden
zich in dit gewest neder.
* * * * *
Al de Protestanten hadden tijdens de hervorming dit met elkander gemeen,
dat zij door onderzoek van de Heilige Schrift tot geloofsovertuiging
kwamen, ijverden tegen de leer en de misbruiken der Kerk en nieuwe
gemeenten stichtten. De grondslagen dier gemeenten werden gewijzigd door
de omstandigheden en naar ieders ~opvatting~ van het evangelie. Vandaar
zooveel verschil bij zooveel overeenkomst van geest en bedoeling. Zoo
streed LUTHER vooral tegen de _werkheiligheid_ der Roomsche kerk, en
kwam hij door tegenstelling: _tot de regtvaardigmaking uit het geloof,
zonder de werken_, welke hij als kenmerkende leer aan zijne gezindte
naliet. Zoo bestreden ZWINGLI en CALVIJN _het verheffen van het schepsel
boven den Schepper_, en werd alzoo een der grondtrekken van de Hervormde
kerk gerigt tot vernedering van het eerste, tot 's menschen
ellendigheid, om den laatsten te verhoogen. In beide kerkgenootschappen
stond alzoo de _leer_ op den voorgrond. Geheel anders was dit evenwel
bij de Doopsgezinden. Waren de Hervormers geleerden, die _in_ de Kerk
bleven, om haar in zich zelve te louteren, zij moesten daartoe strijd
voeren tegen leerstellingen, in eene vroegere ontwikkeling des
Christendoms ontstaan en op kerkvergaderingen vastgesteld;--de
Doopsgezinden echter _verlieten_ die Kerk, voerden geen strijd tegen
haar en bepaalden hun onderzoek enkel en in alle eenvoudigheid tot den
Bijbel. Verkreeg de leer der Hervormers een wetenschappelijken vorm en
hadden zij met gezag bekleede geloofsbelijdenissen noodig;--de
Doopsgezinden hadden genoeg aan het evangelie, waarin zij het
oorspronkelijk Christendom vonden met zijne verheffende leer, heiligen
wandel en slechts twee instellingen: doop en avondmaal. In de poging om
dat Christendom te herstellen, gingen zij dus eene schrede verder dan de
Hervormers, die de bestaande Kerk zochten te verbeteren, te hervormen;
die wel veel daarvan verwierpen, maar ook veel behielden; die ook den
doop der Roomsche kerk behielden met de kerkgebouwen en de daaraan
verbondene bezittingen en inkomsten. Doch de Doopsgezinden behielden
dien doop niet, en daardoor verviel mede hunne betrekking tot de oude
Kerk, welke zij verlieten met opoffering van alle aanspraken op
gebouwen en goederen. Bepaalden de geleerde Hervormers zich bijzonder
tot de _leer_,--de Doopsgezinden stelden zich het _leven_ ten hoofddoel.
Den christelijken doop waardig te ondergaan en getrouw te beleven werd
het middelpunt van hun gemoedelijk streven: aan de eene zijde, om de
wereldsche begeerlijkheden te verzaken en aan de andere zijde, om een
geestelijk leven, een vromen wandel te leiden.