Niet, slechts om lichaamskracht,--
Op wiens geboorte ons Kimswert roemt,
Zij zóó door ons herdacht.
Hij leed van Saksens dwinglandij,
En Hollands overmoed,
En vocht zich koen van beiden vrij,
Ten prijs van goed en bloed.
Hij zag zijn heerlijk Vaderland
Gefolterd, overheerd,
En 't slagzwaard blonk in 's landmans hand.
Hier blijf' zijn naam vereerd!_[113].
[113] _Friesche Volks-Almanak_, 1837, 98. Verder _Aanteekening 16_.
25. _Frieslands voorspoed onder de regering der Stadhouders van Keizer
Karel den vijfde. (1515-1555.)_
_Keizer_ KAREL V is een der belangrijkste personen in de geschiedenis.
In een gewigtig tijdvak, waarin de meeste volken van _Europa_, na
langdurige verdrukking van wereldlijk en geestelijk gezag, naar meerdere
vrijheid en verlichting streefden, en waarin de gevolgen der ontdekking
van _Amerika_ en van de uitvinding der Boekdrukkunst gunstig begonnen te
werken op handel, welvaart en kennis, was hij als Keizer van
_Duitschland_, Koning van _Spanje_, _Napels_, _Sicilië_, _Mexico_ en
_Peru_, Hertog van _Bourgondië_, Graaf van _Holland_ enz. een magtig
gebieder over vele volken. Als een man van groote bekwaamheden, zoowel
in de staatkunde als in de krijgskunst, wist hij deze landen, door zijne
stadhouders of plaatsbekleeders, met wijsheid te doen besturen en met
kracht tegen zijne vijanden te verdedigen. Het gelukte hem het eerst, in
1543, alle Nederlandsche gewesten (te voren door afzonderlijke Heeren
bezeten) onder één Hoofd te brengen, waardoor er meer eenheid in het
bestuur des lands kwam. Bij zijne afwezigheid werden de Nederlanders
eerst door zijne moei MARGARETHA _van Oostenrijk_, als Gouvernante, en
sedert 1530 door zijne zuster MARIA _van Hongarije_ als Landvoogdes
bestuurd.
* * * * *
Toen KAREL in 1515 _Heer van Friesland_ was geworden, zond hij Graaf
FLORIS _van Egmond_ als zijn Stadhouder herwaarts, om bezit van dit land
te nemen. Doch de Gelderschen hadden zich intusschen van zulk een groot
gedeelte meester gemaakt, dat alleen de steden _Leeuwarden_, _Harlingen_
en _Franeker_, benevens slechts acht der noordelijkste grietenijen de
zijde van KAREL kozen en hem huldigden. Er kwam alzoo eene groote
krijgsmagt uit _Holland_ over, zoowel om zijn gezag in deze streken te
beschermen als om het in andere uit te breiden, en de Gelderschen te
bestrijden en te verdrijven. Dit ging evenwel zeer moeijelijk: want de
Gelderschen hadden zich zóó vast genesteld, en wisten de ingezetenen
door allerlei schoone beloften zóódanig tegen het gezag van den
Hollandschen Graaf in te nemen, dat _Friesland_ gedurende de
eerstvolgende jaren op nieuw al de ellenden van een binnenlandschen
oorlog, van plundering, brand en moord had te verduren. Watervloeden en
hongersnood verzwaarden nog de rampen, die de Friezen moesten lijden,
omdat twee magtige Vorsten streden om het regt, wie hunner hen zou
besturen. Dat regt moest hunne heerschzucht echter koopen voor het goed
en bloed van duizenden stille burgers, die er weinig belang bij hadden,
wie dit kleine hoekje lands bestuurde, zoo het slechts een gematigd
bestuur ware. Gelukkig, dat de uitslag ten gunste van den verstandigsten
Vorst was.
Want eerst nadat de opvolgende Stadhouder WILLEM _van Roggendorf_ (1517)
in 1521 vervangen was door GEORG SCHENCK, Vrijheer van _Toutenburg_,
werden er krachtiger middelen ondernomen ter verdrijving van de
Gelderschen. De stad _Sneek_, welke zoo lang hun zetel was geweest, werd
in 1522 door hen verlaten; _Dokkum_ en _Bolsward_ gingen in het volgende
jaar over, en in 1524 kwam geheel _Friesland_ onder het gezag van Keizer
KAREL, die nu bij traktaat zich verbond, der Friezen land, vrijheden en
regten te beschermen, en als Erfheer hen te doen besturen, tegen het
genot van geene hoogere belastingen, dan die vroeger onder de Saksische
regering waren toegestaan[114].
[114] Zie _Charterb._ II 143, 436-478; WINSEMIUS 463; SCHOT. 613.
Met den jare 1524 werd dus de vrede in _Friesland_ hersteld en het
bestuur des lands op een eenparigen voet geregeld. Terwijl andere
provinciën van ons vaderland, als _Groningen_, _Utrecht_, _Overijssel_
en _Gelderland_, nog bijna twintig jaren lang de twistappels der
strijdende partijen bleven, hadden de Friezen het geluk, toen reeds het
genot te bekomen van de grootste der maatschappelijke voorregten: van
vrede en veiligheid en van orde in bestuur en regtspleging, die welvaart
en vooruitgang ten gevolge hadden. De gunst van den nieuwen landsheer
was der getrouw geblevene steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ en _Franeker_
al spoedig gebleken, door het ontvangen van belangrijke giften en
voorregten, die haren bloei konden bevorderen, en waardoor zij mede in
staat gesteld werden hare vestingwerken te versterken. Ook andere steden
werden vervolgens met zulke privilegiën begiftigd. Klemmende bepalingen
werden er gemaakt tot beter onderhoud van zeedijken, sluizen en vaarten.
Nieuwe wegen werden er aangelegd en bestaande verbeterd, vooral om den
toegang naar de Hoofdstad gemakkelijker te maken. Eene nieuwe Munt en
Leerschool werden dáár opgerigt. Nuttige verordeningen ten aanzien van
zeevaart en handel bevorderden den uitvoer van boter, kaas, granen,
vleesch, visch en andere voortbrengselen des lands naar _Bremen_, de
Oostzee en elders, zoodat er leven en verkeer, voorspoed en weelde
ontstond, welke in alle rangen en standen van gunstigen invloed waren.
Zoowel op het land als in de steden werd er een aantal aanzienlijke
gebouwen, gestichten, kerken en torens gebouwd of vernieuwd, welke
blijken droegen van moed, kracht en overvloed, waardoor men ook opgewekt
werd kunsten en wetenschappen te beoefenen. Rustig en gelukkig waren dus
de jaren, waarin de genoemde Stadhouder SCHENCK dit gewest vervolgens
bestuurde. Ook zijne opvolgers, MAXIMILIAAN _van egmond_, Graaf van
_Buren_ (1540) en JOHAN _van ligne_, Graaf van _Aremberg_ (1548), wisten
zoowel de belangen van hunnen Heer als die der ingezetenen met ijver te
bevorderen. Want in dit tijdperk van vrede en voorspoed, waarin de
Nederlandsche gewesten, eindelijk onder één Heer vereenigd, één,
elkander niet meer vijandig, geheel vormden, werden velerlei burgerlijke
betrekkingen geregeld, de bronnen van bestaan ontwikkeld, kennis en
beschaving gekweekt en onderling verkeer en vriendschappelijke
toenadering bevorderd. De moed tot groote ondernemingen werd opgewekt.
Zoo werden ook vele dorre hooge veengronden in het zuidoosten van
_Friesland_ in dezen tijd in vruchtgevende akkers herschapen, door ze af
te graven, den turf te vervoeren, groote vaarten aan te leggen en de
afgegravene landen te ontginnen. Deze verveeningen, reeds vroeger
begonnen, doch daar eerst toen op eene groote schaal voortgezet door den
Raadsheer PIETER VAN DEKAMA en andere Heeren, hebben den oorsprong
gegeven aan het vlek _Heerenveen_, de vruchtbaarheid van dat oord
bevorderd, en daar leven en werkzaamheid bij groote voordeelen
aangebragt.--Aldus werden de krachten en de geest der ingezetenen
ontwikkeld en bereid, om in een volgend tijdperk vatbaar te zijn voor
het genot van nog grootere voorregten, als burgers en als christenen.
* * * * *
Het midden der 16e eeuw biedt alzoo een geschikt tijdpunt aan, om een
overzigt te geven van den toenmaligen toestand des lands en de zeden der
inwoners. Wij zullen daarbij niet het oordeel van latere schrijvers,
maar de eenvoudige beschrijving van een tijdgenoot volgen. Daar die
schrijver, WORP VAN THABOR, in 1538 overleed, zal deze schets welligt op
omstreeks 1530 moeten worden toegepast. Des te meer zullen wij ons
moeten verwonderen over de sporen van rijkdom en levensgenot, welke hij
vermeldt. Deze toch zijn zoo vele blijken hoe spoedig een klein, doch
nijver volk zich weet te herstellen van de rampen, welke de
verwoestingen des oorlogs zoo vele jaren lang hadden te weeg gebragt.
Opmerkelijk is het tevens, dat de Friezen, ondanks den invloed van de
Saksische en Bourgondische Vorsten, hunne zelfstandigheid en
nationaliteit bleven handhaven. Hun volksleven en eigendommelijkheid
verhief zich steeds krachtig boven allen vreemden invloed, hoezeer de
uiterlijke vormen van lieverlede verzacht en de zeden iets meer
beschaafd werden. Hunne zedelijke eenheid en kracht wisten ook den
volksaard en de voorvaderlijke instellingen zóó vast te bewaren en te
beschermen tegen alle staatkundige overheersching, dat de pogingen der
Stadhouders, om hunne vrijheden in te krimpen en de magt des Keizers te
vergrooten, bij hen immer schipbreuk leden.
26. _Schets van den Toestand van Friesland, omstreeks den jare 1530._
»_Friesland_ (schrijft WORP VAN THABOR) is een vlak land, zonder bergen,
maar rijk in groot en klein vee. In dat gedeelte, hetwelk aan den
noordelijken oceaan grenst, bestaat de grond uit zware klei, vruchtbaar
in granen, overvloedig in gras, overdekt met weidevelden en voor de
veeteelt uitnemend geschikt. Vanhier, dat die streken ontzaggelijke
groote en vette ossen opleveren, die door inheemsche en vreemde
kooplieden naar elders worden uitgevoerd. Bovendien levert dit gedeelte
van _Friesland_ overvloed van melk, boter en honig op, waarvan het vele
streken van _Nederland_ voorziet. Het zuidelijk gedeelte des lands heeft
een meer zandigen grond, en is meer geschikt voor graanbouw dan voor
veeteelt. Ook heeft het meer overvloed van hout. Op vele andere
plaatsen is de grond moerassig. Aldaar worden kluiten aarde (veen)
uitgestoken, die, in de zon gedroogd, het gebrek aan hout, tot
haardbrand, rijkelijk vergoeden; anderen evenwel voeden het vuur met
gedroogden koemest. Overigens telt _Friesland_ slechts weinige steden,
maar daarentegen des te talrijker dorpen en buurtschappen, die, bijna
door het gansche land, zoodanig aan elkander gerijd zijn, dat men de
eene van de andere naauwelijks onderscheiden kan. In sommige deelen
vindt men uitgestrekte en nuttige meren, die overvloed van visch
opleveren. Bovendien telt dit land, door Gods voorzienige zorg, zoo
velerlei land- en watergevogelte, welks eijeren en vleesch een even
voortreffelijk voedsel opleveren, dat zelfs aan rijke lekkerbekken niets
ontbreekt, om hunnen smaak te streelen. Want, om van eenden, ganzen en
andere soorten van vogels niet te spreken, die in _Friesland_ ontelbaar
zijn, doch die men ook elders vindt, is er hier eene zóó groote
hoeveelheid zwanen, dat niet slechts edelen en vermogenden, tot wier
spijs zij meer bijzonder behooren, maar zelfs de geringere klassen en de
boeren, daarvan tot verzadiging toe kunnen eten. _Friesland_ brengt
derhalve alles wat tot levensonderhoud noodig is in den ruimsten
overvloed voort; wijn en olie alleen uitgezonderd."
27. _Schets van de Zeden der Friezen, omstreeks den jare 1530._
»Terwijl ik den lof der Friezen te vermelden en hunne zeden te schetsen
wensch (dus vervolgt WORP VAN THABOR), verdient te worden opgemerkt, dat
de Friezen, hoewel zij tot de Germanen gerekend worden, thans door
voorkomen, taal en zeden ten sterkste van de overige Duitsche volken
verschillen. Dat verschil bestond reeds bij onze vaderen, zoodat een
Fries, ver van zijn vaderland verwijderd, alleen daaraan gemakkelijk kon
gekend worden. De oorzaak hiervan meen ik daaruit te moeten verklaren,
dat de Friezen eertijds weinig omgang met hunne naburen hadden. Doch
thans zijn zij, ten gevolge van het veelvuldig onderling verkeer, naar
het uitwendige, meer aan de Duitschers gelijk geworden; ofschoon de
vrouwen, nog tot op den huidigen dag, in kleeding, en vooral in kapsels,
aanmerkelijk van de vrouwen der naburige volken verschillen.
De Friesche landlieden overtreffen echter die van alle andere
Germaansche gewesten door de beschaafdheid en ingetogenheid van hunne
gesprekken en manieren; door de pracht hunner huizen, de netheid en
fraaiheid van hun huisraad, de kostbaarheid en sierlijkheid hunner
kleeding en hun overvloed van zilver en goud. Vandaar, dat de vrouwen op
feestdagen zoodanig van goud en zilver schitteren, dat het moeijelijk
zou zijn, elders in de christenwereld daarvan een dergelijk voorbeeld te
vinden. Zelden ziet men alsdan eene boerenvrouw, die niet met een zuiver
zilveren of vergulden gordel van groot gewigt is versierd. Hierbij
voegen de rijken, naar voorvaderlijk gebruik, armbanden, en als
borstsieraad gouden en zilveren haken en platen, van niet geringe
waarde. En dit alles betreft nog slechts de vrouwen uit het volk. De
adellijke vrouwen zijn met nog zoovele andere gouden en zilveren
kleinodiën van allerlei aard opgepronkt, dat zij er meer mede beladen
dan versierd schijnen, hetgeen voor de Duitschers, die soms _Friesland_
bezoeken, een ongewoon en vermakelijk schouwspel oplevert.
Ofschoon men gewoon is, aan de Friezen eene woeste en onmeêdoogende
geaardheid toe te kennen, openbaren zij die echter, zoo men juist wil
spreken, alleen ten opzigte van hunne vijanden, en geenszins van allen
zonder onderscheid. Door buitengewone mildheid, wellevendheid en
gastvrijheid overtreffen zij veeleer andere volken. Vreemdelingen,
onbekenden en behoeftigen worden vaak vriendelijk ontvangen en rijkelijk
onthaald. Ook vieren zij talrijke, ja bijna dagelijksche gastmalen,
waarbij zij echter, naar de wijze der Germanen, gewoon zijn, zich meer
dan betamelijk is aan de dronkenschap over te geven. Zij bezitten eene
soort van horens, van wilde dieren afkomstig en van ontzettenden omvang,
met goud of zilver beslagen, van welke zij zich bij hunne maaltijden
bedienen. Als zij aan tafel een ander den beker toebrengen, zijn zij
gewoon elkander de regterhand te drukken, waarbij de vrouwen gewoonlijk
nog een kus voegen. Dit wordt in geen geval onvoegzaam geoordeeld.
Tot lof des Frieschen volks is veel door de uitstekendste mannen
geschreven, waarvan ons het een en ander in handen is gekomen. Ik zal
mij vergenoegen hier aan te halen wat BARTHOLOMEUS _de Engelschman_ en
na hem AENEAS SYLVIUS (die, later (1458) tot Paus verheven, den naam van
PIUS II heeft aangenomen) in hunne schriften getuigd hebben. »Het
Friesche volk, zeggen zij, is krijgshaftig, in den wapenhandel geoefend,
van forschen en krachtigen ligchaamsbouw, van een kalm en onvertsaagd
gemoed. Het is een vrij volk, dat zijne eigenaardige zeden heeft, en,
ongeneigd om aan vreemden te gehoorzamen, ook over anderen niet begeert
te heerschen. Uit liefde tot de vrijheid aarzelt het niet, zich aan
levensgevaar bloot te stellen, en het verkiest den dood boven het juk
der slavernij. Daarom erkennen zij ook geen krijgsrang of waardigheden,
en dulden niet, dat iemand hunner, om den wille des oorlogs, zich boven
zijne medeburgers verheffe. Echter gehoorzamen zij aan regters, die zij
jaarlijks uit hun midden verkiezen, en die het gemeenebest naar
billijkheid besturen. Op kuischheid stellen zij hoogen prijs, en het
gebrek aan eerbaarheid wordt in de vrouwen gestrengelijk gestraft. »Zij
hebben in hun gewest een aantal magtige en vorstelijke kloosters
gesticht, waarin eene ontelbare menigte personen van beide seksen zich,
in reinheid van zeden en onderwerping aan de ordelijke kloostertucht,
aan de dienst van God hebben toegewijd." (Zie _Aanteekening 17_.)
Deze beschrijvingen van het land en de zeden der Friezen in den
toenmaligen tijd zijn voorzeker zeer gunstig. Zij dragen blijken van
hooge ingenomenheid, welke zich laat verklaren uit der Friezen sterke
liefde en gehechtheid aan hun land, hetwelk door de vaderen met veel
zorg en strijd tegen de zee en de vijanden verdedigd was, en dat boven
vele andere landen groote voorregten mogt genieten. Vandaar ook die
geestkracht, moed en fierheid van karakter, waarvan zoo vele Friezen
blijken gaven, en waarvan ons bij het verhaal van de latere
gebeurtenissen zoo vele treffende voorbeelden zullen voorkomen: want
naarmate die kenmerken van den volksaard toegepast werden op edele
voorwerpen, gaven zij aanleiding tot het verrigten van schitterende
daden, waar het de behartiging van de algemeene belangen gold.
28. _Merkwaardige Personen, uit het midden der 16e eeuw._
Waar het de behartiging van de algemeene belangen des vaderlands gold,
daar zien wij in deze eeuw vooral den talrijken, krachtigen en
vermogenden Frieschen Adel werkzaam; ofschoon ook de middelstand tijdens
den langdurigen vrede in aanzien en vermogen toenam, zoodat daaruit
reeds eenige personen voortkwamen, die zich door bekwaamheden
onderscheidden en tot waardigheden verheven werden[115]. Een aantal der
op het land verspreid wonende edelen, die vroeger met elkander oorlog
voerden, besteedde nu den tijd van rust en vrede, om zich op de
wetenschappen toe te leggen en zich in staatszaken te oefenen, ten einde
in de raadsvergaderingen aan de lands belangen te kunnen medewerken.
Sedert de oprigting van het _Hof van Friesland_ vielen vele edelen
bijzonder op de beoefening van de regtsgeleerdheid, ten einde zich te
bekwamen, om de eervolle betrekking van Raadsheer in dat Hof te
bekleeden. Bij gebrek aan leerscholen in ons eigen land, deden zij ter
verkrijging van kundigheden veelal groote reizen door _Duitschland_,
_Frankrijk_ en zelfs _Italië_, waar zij de hoogescholen bezochten en
veel kennis en ondervinding opdeden, zoodat sommigen na hunne terugkomst
sieraden van hun vaderland werden en als staatsmannen of regtsgeleerden
in hoog aanzien kwamen of tot belangrijke waardigheden geroepen werden.
_Wittemberg_ en _Pavia_, doch vooral _Keulen_, _Leuven_ en _Rostok_,
worden inzonderheid genoemd als plaatsen, werwaarts de jonge lieden uit
_Friesland_ zich ter studie begaven[116]. Opmerkelijk is het althans,
dat er, omstreeks het midden der 16e eeuw, toen de geleerdheid in ons
vaderland nog op een lagen trap stond, uit _Friesland_ zoo vele
uitstekende personen zijn voortgekomen, die door bekwaamheid en
eer-ambten zich binnen- en buitenlands beroemd hebben gemaakt. De
voornaamste der door ons bedoelde personen willen wij hier kortelijk
vermelden.
[115] Eene lijst der Friesche Edelen, ten jare 1505, onder de
Saksische regering opgemaakt, komt voor bij WINSEMIUS, 402 en _Oudh.
en Gest._ II 502. Het was een vrije Adel, dat is, van geen Graaf of
Leenheer afhankelijk; doch ook dáárom bezat deze adel hier geene
heerlijke regten boven de overige ingezetenen, zoo als elders.
[116] Zie JANCKO DOUWAMA'S _Geschriften_, 508 en Inleid. 45. Hij raadt
zijne vrouw, hunne zonen liever naar _Parijs_ of _Orleans_ ter studie
te zenden, omdat het "aldaer niet also costumelijck is to drincken,
alst in dese Nederlanden wal is!"
Als ~Regtsgeleerden~ en ~Staatsmannen~ hebben bijzonder uitgeblonken:
VIGLIUS VAN AYTTA VAN ZWICHEM (geb. 1507 nabij _Wirdum_), die, wegens
uitstekende bekwaamheden, door Keizer KAREL en zijn zoon FILIPS tot
hooge waardigheden verheven, vooral als Voorzitter van den geheimen Raad
te _Brussel_, in een belangrijk tijdperk zijn vaderland groote diensten
bewees, even als zijn vriend JOACHIM HOPPERS (geb. 1522 te _Sneek_), die
mogt opklimmen tot Geheimraad en Groot-Zegelbewaarder van den Koning van
_Spanje_, te _Madrid_. AGGE ALBADA, van _Goënga_, was eerst Raadsheer in
het Friesche Hof en daarna in het Keizerlijk Kamergerigt te _Spiers_ en
bekleedde buitenlands ook andere aanzienlijke waardigheden. In dat
zelfde Kamergerigt te _Spiers_ had ook zitting CIPRIANUS STAPERT, van
_Wommels_, die door den Keurvorst van _Ments_ tot Hoogleeraar aldaar
werd aangesteld. Evenzoo werden BOËTIUS EPO (BOTE YPES, van
_Roordahuizum_) te _Douai_, WYBRANDUS VAN AYTTA te _Dôle_, JULIUS VAN
BEYMA (geb. 1539 te _Dokkum_) te _Wittemberg_, REGNERUS SIXTINUS (geb.
1543 te _Leeuwarden_) te _Marburg_, JOANNES VAN DOCKUM te _Keulen_ en
SUFFRIDUS PETRUS (geb. 1527 te _Leeuwarden_) te _Erfurt_, _Leuven_ en
_Keulen_, tot Hoogleeraren in de regten verheven. Verscheidene
buitenlandsche Akademiën droegen alzoo blijken van de geleerdheid der
Friezen. Bovendien waren in _Friesland_ KEMPO VAN MARTENA, HECTOR VAN
HOXWIER, UPCO VAN BURMANIA, SICKE en PIETER VAN DEKAMA, SYDS TJAERDA,
HAIJO HERMANNUS, WILCO VAN HOLDINGA en anderen om hunne geleerdheid en
bekwaamheid destijds in hoog aanzien.
Als beoefenaren van de ~Letterkunde~ der Grieken en Romeinen waren toen
en later, behalve genoemde SUFFRIDUS PETRUS, zeer geacht: GEORG RATALLER
(geb. 1528 te _Leeuwarden_), die Raadsheer werd te _Artois_, _Mechelen_
en _Utrecht_, Gezant naar _Denemarken_ enz.; STEPHANUS SYLVIUS, Pastoor
te _Leeuwarden_, te _Heidelberg_ tot Doctor in de Godgeleerdheid
bevorderd, en WILLEM CANTER (geb. 1542 te _Leeuwarden_), die, even als
VITUS WINSEMIUS en de vier geleerde broeders POPMA van _Ylst_,
onderscheidene letterkundige en regtsgeleerde werken hebben uitgegeven.
In de ~Wis-~, ~Natuur-~ en ~Geneeskundige Wetenschappen~ vinden wij
destijds mede reeds mannen van naam vermeld, als: GEMMA FRISIUS (1508
geb. te _Dokkum_) en zijn zoon CORNELIUS GEMMA, beide Hoogleeraren te
_Leuven_, waar zij een aantal wiskundige geschriften in het licht gaven.
Als Wis- en Bouwkundige en Schilder behaalde JAN VREDEMAN DE VRIES (geb.
1527 te _Leeuwarden_) in _Antwerpen_ en elders grooten roem. JOANNES
ACRONIUS (van _Akkrum_) was Hoogleeraar in de Genees- en Wiskunde te
_Bazel_, in welke stad, op de grenzen van _Zwitserland_, ook LAURENTIUS
DE FRIES in 1531 een geneeskundig werk in het licht gaf. ANDREAS MIRICA
(geb. te _Lemmer_) doorreisde bijna geheel _Europa_ en was daarna te
_Leeuwarden_ als Geneeskundige beroemd; SIXTUS HEMMEMA, Doctor in de
Wis- en Geneeskunde te _Leuven_, bestreed de Astrologen dier dagen;
terwijl PETRUS TIARA (in 1514 geb. te _Workum_), wegens zijne
geleerdheid zoowel in de oude letteren als in de Wis-, Natuur- en
Geneeskunde vermaard, na vele reizen Hoogleeraar werd te _Leuven_,
_Douai_, _Leiden_ en _Franeker_.
Ook de ~Geschiedenis~ van _Friesland_ vond in het eerste gedeelte dezer
eeuw ijverige beoefenaars in JANCKO DOUWAMA van _Oldeboorn_, in KEMPO
VAN MARTENA, in de kloosterbroeders PETER en WORP VAN THABOR, en later
in CORNELIUS KEMPIUS (van _Dokkum_) en genoemden SUFFRIDUS PETRUS, in
wier geschriften vele merkwaardige bijzonderheden uit sommige tijdvakken
onzer geschiedenis voor het nageslacht zijn bewaard gebleven.
(_Aanteekening 18._)
Als wij in aanmerking nemen, hoe weinige hulpmiddelen er destijds nog
maar bestonden ter bekoming van kennis en geleerdheid, dewijl het getal
gedrukte boeken toen nog zoo gering was, en er, zoo ver bekend is, vóór
1570 in _Friesland_ geene boekdrukkerij heeft bestaan;--en als wij
bedenken, hoe gebrekkig toenmaals de wegen en de middelen van vervoer
waren, zoodat het uiterst moeijelijk moet gevallen zijn, soms ook wegens
het woeden van den oorlog, naar buitenlandsche hoogescholen te reizen,
om kennis en wetenschap te vergâren:--dan mogen wij ons met regt
verwonderen over het groot getal geleerden, welke _Friesland_ omstreeks
het midden der 16e eeuw heeft opgeleverd. Dat velen hunner in naburige
landen wetenschappelijke betrekkingen aannamen, was zeer natuurlijk,
dewijl er vóór 1576 in _Noord-Nederland_ nog geene hoogescholen of
algemeene leerstoelen van wetenschap bestonden. Zelfs deed de regering
des lands lang moeite, om hier de beoefening van de wetenschappen te
onderdrukken, omdat zij ze als schadelijk beschouwde, bijzonder voor de
godsdienstige ontwikkeling des volks, welke men lang en met vele moeite
te keer ging, dewijl zij geenerlei verandering in de godsdienst wilde
gedoogen. In weerwil van velerlei bezwaren wisten echter de krachtige
volksgeest en het gezond verstand der Friezen zich zelve een weg te
banen, ter vermeerdering van kennis, ter ontwikkeling van het verstand
en tot beschaving van den geest, welke eerlang, hoewel na hevigen
strijd, rijke vruchten zouden dragen voor godsdienst en zedelijkheid, de
zuilen van iederen burgerstaat.
29. _De Regering van Koning Filips van Spanje. (1555-1580.)_