[103] Bij gebrek van een ordelijken maatstaf was de grondbelasting tot

dusverre zeer onevenredig geheven. Daarom liet de Hertog over geheel

_Friesland_ Cohieren aanleggen, bevattende lijsten van al de

vastigheden, met bijvoeging van de jaarlijksche huursom (destijds

rente genaamd) in Goudguldens of Floreenen van 28 stuivers. Op ieder

dezer Floreenen werd toen eene "Jaartax" of schatting van 3 stuivers

gelegd, welke later, naar de behoeften des lands, verhoogd werd, en in

de vorige eeuw reeds de hoogte van 2 dukatons ([f]6,30) bereikte. Naar

dezen maatstaf werden bovendien vele omslagen ten behoeve van het

onderhoud van zeedijken en andere openbare werken geheven. Zie

_Charterb._ II 13; SCHOTANUS, _Kronyk_, 497; FOEKE SJOERDS,

_Beschrijving_, I 881; _Tegenw. Staat_, IV 338; GRATAMA, _Gelukkige

toestand van Friesland_, Harl. 1795, 32.

Door de invoering van al deze en meerdere verbeteringen mogt Hertog

GEORG met regt een weldoener van _Friesland_ genoemd worden. Bovendien

trof het hoogst gelukkig, dat de uitvoering daarvan werd voorbereid

door-en voor een groot deel opgedragen was aan een Stadhouder, als

HENDRIK, _Graaf van Stolberg_, die reeds in 1501 herwaarts kwam en van

1505 tot 1508 's Hertogen plaatsbekleeder was. Een man, wiens naam wij

met liefde en hoogachting noemen; van wien wel geene roemruchte

heldendaden bekend zijn, maar die de lofspraak zijner tijdgenooten

verdiende, dat hij alles deed wat de rust des lands, de welvaart der

ingezetenen en de eer van zijnen Vorst kon bevorderen. Als »een goed,

regtvaardig en onpartijdig regent en als een braaf Christen, die God

boven alle menschen ontzag en zijnen pligt en het land lief had," werd

hij door de Friezen bemind en vereerd. En toen hij, die reeds in 1509 te

_Keulen_ overleed, in de Groote Kerk te _Leeuwarden_ met groote

plegtigheid begraven werd, was de algemeene droefheid over zijnen dood

eene waardige hulde aan zijne deugden en verdiensten.

Hoe vele redenen hadden de Friezen dus niet, om het verlies van hunne

onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden vorst te zegenen! Zij

waren billijk genoeg, dit dan ook werkelijk te doen. Zij haalden adem na

zoo langdurige vermoeijenissen van den krijg. Zij dankten God, zegt een

tijdgenoot, onder zulk eene rustige regering te mogen leven, daar zij

vergaten wat er vroeger al droevigs gebeurd was[104]. Want toen eerst

werden er in _Friesland_ rust en maatschappelijke orde, regt en

veiligheid, zoo groote voorregten eens burgers! verkregen. Landbouw en

handel konden zich ongestoord ontwikkelen; godsdienst en zedelijkheid

werden aangekweekt, en de welvaart der ingezetenen nam toe onder

begunstiging van vrede en van een regtvaardig en zorgvol landsbestuur,

dat zijne plannen tot verbetering met klem en kracht doorzette. Hoe

jammer, dat die gelukkige toestand slechts weinige jaren duurde, en dat

de menschelijke driften, uit verschil van meeningen en belangen ontstaan

en door heillooze partijschappen gevoed, weldra op nieuw al de ellenden

van den oorlog deden gevoelen.

[104] MARTENA, _Landboek_, _Chart._ II 67; DOUWAMA, _Geschriften_,

135.

EVERWIJN, _Graaf van Benthem_, in 1509 de opvolgende Stadhouder, was

niet zoo rustig en verstandig als zijn voorganger, en mogt de

genegenheid der Friezen niet verwerven. Integendeel, door het

uitschrijven van drukkende schattingen, ook ten behoeve van den

vruchteloozen oorlog ter bemagtiging van _Groningen_, en door andere

maatregelen verbitterde hij het volk. Het griefde hen evenzeer, dat hij

twee voorname edelen, GERBRAND MOCKEMA en JEMME HERJUWSMA, van

heimelijke verstandhouding met den Graaf van _Oost-Friesland_

beschuldigd en overtuigd, in 1512 te _Leeuwarden_ liet onthoofden. Het

zwaard, dat door hunne halzen ging, wondde ook de harten des volks en

sneed de genegenheid af, welke men den Saksischen Vorst tot dusver had

toegedragen. Men haakte naar verandering, en meende daartoe hulp te

zullen bekomen van den Hertog van _Gelder_, die ze gereedelijk beloofde,

en zelfs voorgaf de Friezen behulpzaam te willen zijn in het

terugbekomen hunner onafhankelijkheid. In dien drang van omstandigheden

vond Hertog GEORG _van Saksen_ het geraden, zich veilig terug te

trekken, en zijn regt op het bewind over _Friesland_ in 1515 voor

100,000 Goudgld. over te dragen aan KAREL _van Oostenrijk, Graaf van

Holland_[105].

[105] Zie over ALBERT en zijne zonen meer bijzondere berigten in VON

LANGENN, _Herzog Albrecht der Beherzte_, Leipzig 1838, 232 env. en

BÖTTIGER, _Geschichte des Kurstaates und Königreiches Sachsen_,

Hamburg 1830, I 468-480. Verder _Aanteekening 15_.

23. _De Gelderschen in Friesland. (1514-1523.)_

Te vergeefs hadden de Hertogen van _Saksen_ lang getracht, ook het

naburige _Groningen_ en de Ommelanden te bemagtigen. Graaf EDZARD _van

Oost-Friesland_ ondersteunde daartoe de Groningers, omdat hij vreesde,

dat de Saksers daarna ook de onderwerping van zijn land mogten eischen.

Tevens begeerde hij zelf het gebied over _Groningen_ te bekomen, en,

toen zijne krachten te kort schoten, zocht hij daartoe hulp bij den

listigen KAREL _van Egmond, Hertog van Gelder_. Doch tegen dezen

heerschzuchtigen en geslepen Vorst was hij niet opgewassen. Zij kwamen

heimelijk overeen, het wankelende Saksische gezag omver te stooten, door

Geldersche benden in _Groningen_ en _Friesland_ te zenden, waarover

EDZARD het bevel zou voeren in naam van KAREL, die, des verkiezende,

zijn gezag weder als leenman aan den Koning van _Frankrijk_ zou kunnen

opdragen. Doch, zoodra KAREL _van Egmond_ een gedeelte der voor zijne

hulp bedongene som had ontvangen, gebruikte hij juist dit, om zoowel den

Saks als EDZARD van het gezag te ontzetten en zich zelven in beider

plaats te vestigen. Met list gelukte het hem, den trouwelooze, de

Groningers in verlegenheid te brengen, en zich door hen als Opperheer te

doen huldigen. Weinig stoorde hij zich aan EDZARD, die over deze

misleiding in woede was ontstoken, en evenmin aan den Saks, die daarover

wraak nam door het bedrijven van velerlei wreedheden. Nu rigtte hij al

zijne krachten naar _Friesland_, om ook dáár het zelfde doel te

bereiken, waartoe hij aanleiding vond in het verzoek van eenige

aanzienlijke Friezen, om hen te hulp te komen ter verdrijving van de

Saksers.

Ten jare 1514 trok dan een groot getal Geldersche soldaten herwaarts.

Met weinig moeite namen zij de steden en grietenijen van het zuidelijk

gedeelte van _Friesland_ voor den Hertog van _Gelder_ in. Dit viel hun

te gemakkelijker, dewijl zij overal voorgaven de herstelling van der

Friezen vrijheid en ontheffing van de hooggestegene schattingen der

Saksers aan te brengen. En toen eerlang het gerucht werd verspreid, dat

de Saks _Friesland_ verraden- en aan den Hollandschen Graaf, den

erfvijand, zoowel van de Friezen als van den Hertog, verkocht had, toen

bleven er in het noordelijk gedeelte van dit gewest slechts drie steden

en acht grietenijen over, die zich vóór KAREL _van Oostenrijk_ en niet

vóór den Gelderschen Hertog verklaarden. _Sneek_ werd toen de zetel van

het Geldersche gezag, dat daar zijn luister ten toon spreidde, en van

daar talrijke benden uitzond ter bemagtiging van de overige deelen des

lands.

Op nieuw begon toen het vuur van partijschap en burgeroorlog te branden.

De Bourgondische partij, die den Saks had vervangen, stond nu tegen de

Geldersche over. Van beide zijden werden gruwelen bedreven, om elkander

te vernietigen en om meester te worden. Verslagenheid en onveiligheid

heerschten alom, daar de partijen elkander met woede bestreden, vele

dorpen uitplunderden, kerken en kloosters verbrandden en de ingezetenen

beroofden. Behalve de Geldersche en de Bourgondische knechten, deed dit

bovendien inzonderheid eene talrijke bende, de _Zwarte hoop_ geheeten,

op 5000 man begroot, die de Saks onbetaald had achtergelaten, en die

dáárom zich zelve vergoeding zocht te bezorgen. Ook in andere provinciën

bedreef zij schrikkelijken moedwil. Talrijke dorpen werden plat gebrand

en de landzaten met onmenschelijke wreedheid behandeld. Zelfs waagden de

Gelderschen het in 1516 de stad _Leeuwarden_ met eene groote magt aan te

vallen en haar acht weken lang belegerd te houden. Zij braken echter

eerlang op, toen Prins KAREL een aanzienlijk leger van 4000 knechten en

300 ruiters uit _Holland_ herwaarts zond, dat te _Harlingen_ landde en

_Leeuwarden_, den zetel van zijn gezag, ontzette. Deze Bourgondische

benden deden nu herhaalde uitvallen, en bestreden bestendig de

Gelderschen, die hulp uit _Groningen_ en zelfs uit _Frankrijk_ hadden

ontvangen. Jaren lang bleef _Friesland_ alzoo een twistappel tusschen

twee magtige vorsten, van wier woeste benden de lijdelijke ingezetenen

alles kwaads hadden te verduren, zonder dat zij iets konden doen, om

zich van dezen last te ontslaan. Eerst met den jare 1522 verkeerde de

kans. De Hertog van _Gelder_, hoe moedig ook, en gewoon zich met

geringe middelen tegen den magtigsten te meten en voor geene gevaren

terug te deinzen, liet toen eindelijk zijne aanspraken op dit gewest

varen, dewijl hij inzag, zich op den duur niet te kunnen staande houden

tegen den magtigen Graaf van _Holland_, die intusschen ook _Koning van

Spanje_ en _Keizer van Duitschland_ was geworden, en die als KAREL _de

vijfde_ spoedig door wapenfeiten schitterde en door aanzien en vermogen

algemeen ontzien en geëerd was.

24. _Krijgsbedrijven van Groote Pier. (1515-1520.)_

Bij al het plunderen en brandschatten van het platte land was ook de

kerk en de buurt van het dorp _Kimswerd_ bij _Harlingen_ in 1515 door de

uit _Holland_ overgekomene Bourgondische benden in asch gelegd. Daar

woonde destijds een bemiddeld man, die zijn verlies en geleden hoon op

eene geduchte wijze wilde wreken. Wegens zijne lange gestalte, sterkte

en forsch voorkomen was hij onder den naam van LANGE of GROOTE PIER

bekend, hoewel hij waarschijnlijk een edelman was uit het geslacht VAN

HEEMSTRA[106]. Hij wordt beschreven als een rijzig zwart man, met groote

oogen, breede schouders en langen baard, gruwelijk van aanzien,

bijzonder als hij toornig was. Met velen uit den omtrek, die, even als

hij, hunne have hadden verloren en van wraakzucht gloeiden, spande hij

zaâm, en bragt weldra een legertje van omstreeks 600 man bijeen, dat

eerlang, wegens koene bedrijven, den naam van de _Arumer Zwarte_ _hoop_

verkreeg. Met zulk een wakker man als PIER en zijn niet minder kloeken

neef GROOTE WIERD (JELCKAMA) aan het hoofd, maakten zij er hun eerste

werk van, de Saksische benden na te zetten en uit _Friesland_ te

verdrijven. Vervolgens bestreden zij vol moed de door den Graaf van

_Holland_ herwaarts gezondene knechten, en verder allen, die zij

meenden, dat de rust en de vrijheid des lands belaagden. Het was hun

eenigste begeerte en ernstig streven, om alle vreemde vorsten en magten

te doen wijken en de vroegere onafhankelijkheid des lands op nieuw te

vestigen.

[106] Dit vermoeden van SCHOTANUS, op de kaart van _Wonseradeel_, is

bevestigd door de berigten in het _Stamboek van den Frieschen Adel_,

II, Nalez. 12.

Gereedelijk vereenigden zij zich dus met de magt van den Hertog van

_Gelder_, wiens vriendelijke woorden en beloften, dat hij de Friesche

vrijheid in eere herstellen zou, zij zoo gaarne geloofden, omdat zij

niets vuriger wenschten. Doch die Hertog van _Gelder_ vereenigde zich

ook gaarne met hen, zoowel tot versterking van zijne krachten, als omdat

hij deze onverschrokken Friezen zou hebben te vreezen, indien slechts

het vermoeden bij hen oprees, dat hij heimelijk niets vuriger wenschte,

dan om ook Heer van _Friesland_ te worden, gelijk hij reeds van

_Groningen_ was. Dáár had sluwheid zijner heerschzucht de hand geboden,

om een mededinger als Graaf EDZARD den voet te ligten. Hier kon PIER hem

even gevaarlijk worden en zijne plannen verijdelen; en daarom scherpte

hij zijn vernuft om nu ook dezen uit den weg te zetten, ten einde hem

onschadelijk te maken, doch tevens aan zich verbonden te houden tot

bereiking van zijne bedoelingen. En inderdaad, dit gelukte den geslepen

Gelderschman boven verwachting.

Drie middelen had hij daartoe in zijne magt. Het eerste was: den haat,

welken de Friezen, even als hij, de Hollanders toedroegen, zoowel van

ouds als wegens de verwoestingen, welke de uit _Holland_ overgezonden

benden nu allerwege hadden aangerigt. Het tweede was: hunne vrees, dat

zij, wier vaderen zoo vele eeuwen tegen de Hollandsche Graven met

leeuwenmoed hadden gestreden, nu eindelijk door hen overheerscht zouden

worden, dewijl de gehate Saks op eene, in hun oog, verraderlijke wijze

_Friesland_, ~voor geld!~ had verkocht aan Prins KAREL _van Oostenrijk_,

Gelders erfvijand en nu zijn mededinger om een land, dat hij hem

betwisten zou, zoolang zijne vuist het zwaard kon voeren. Het derde

middel was: eene vrij aanzienlijke vloot, welke hij op de Zuiderzee had

toegerust en bemand, met oogmerk, om dát _Holland_ te tuchtigen en

afbreuk te doen, waar hij kon. Jaren lang had hij dit reeds gedaan,

zoowel te land als te water, met eene woede, die alom vrees en verbazing

wekte. Sedert 1492 hadden KAREL'S grootvader en vader hem het regt op

_Gelder_ en _Zutphen_ betwist, hoewel hij zich daarin door kracht van

wapenen wist staande te houden. Immer vonden zij in hem een

onverschrokken en listig vijand te bestrijden, die zelfs Fransche

hulpbenden in dienst had, en die _Holland_ voor der Gelderschen invallen

bestendig »in de uiterste bekommering" hield. Sinds hij in 1504 te

_Harderwijk_ eene vloot uitrustte, had hij het vooral op de rijkgeladene

koopvaardijschepen der Hollanders gemunt[107]. Mogt zijn eerste

scheepstogt, in laatstgenoemd jaar, voor _Monnikendam_, mislukken, hij

stelde zich later daarvoor ruimschoots schadeloos door herhaalde

strooptogten en plunderingen. Zoowel op de Zuiderzee als op den Rijn,

zoowel in _Overijssel_ als in _Utrecht_ streefde de onvermoeide krijger

naar buit of gezag, en waagde het zelfs in 1507 en op nieuw in 1512

_Amsterdam_ aan te vallen, de voorstad in brand te steken en 22

koopvaardijschepen in vlammen te doen opgaan[108]. Dat zulk een man, die

lang de gave bezat, zich bij het volk bemind te maken; die te

_Groningen_ zich als Opperheer en in _Utrecht_ als Beschermheer erkend

zag; die zijne Staten uitbreidde en het magtige _Holland_ ~vijftig~

jaren lang trotseerde en groote schade berokkende,--dat zulk een man

_Friesland_ in dien toestand niet dadelijk bemagtigd heeft, en het zelfs

nimmer geheel heeft kunnen magtig worden, is altijd hoogst bevreemdend.

[107] Zie WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, IV 306, 322, 324, die

ook vermeldt, dat FILIPS in 1504, tot bescherming van de Zuiderzee

tegen de Gelderschen, te _Hoorn_, _Enkhuizen_ en _Edam_ eenige

oorlogschepen uitrustte, en het bevel daarvan opdroeg aan een, bij

onze schrijvers onbekend gebleven, zeeman PIETER VAN LEEUWARDEN. Gewis

een vreemd verschijnsel, dat de Hollandsche Graaf destijds een Fries

tot vlootvoogd op zijne schepen aanstelde.

[108] WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, IV 375; DEZ. _Amsterdam_, I

210-214; VAN KAMPEN, _Geschied. der Nederlanden_, I 215-238; BOSSCHA,

_Heldendaden_, I 120; NIJHOFF, _Bijdragen_, VIII 66. Ik heb dit alles

inzonderheid gemeld, om te doen zien, dat al de hierna vermelde

bedrijven van PIER tegen _Holland_ niets anders waren dan eene

voortzetting van hetgeen KAREL _van Gelder_ reeds langer dan tien

jaren had gedaan, zoodat niet de Friezen, maar de Gelderschen oorlog

voerden tegen de Hollanders, waarin de Friezen slechts als hulpbenden

deelnamen.

In zijnen toestand en voor zijn belang was het destijds weder eene

gelukkige greep, dat hij PIER wist over te halen, om zich met zijne

manschap te begeven op de Geldersche vloot, en om, onder den grootschen

titel van _Admiraal der Zuiderzee_, het opperbevel daarvan te

aanvaarden. Op die wijze schikte hij deze vrijheidlievende landzaten

niet enkel van de hand, ten einde hier des te beter zijne bedoelingen na

te jagen; maar zij konden hem met-een dienen, om het Bourgondische huis,

dat hij een erfhaat had gezworen, te vernederen, om _Holland_ te

beschadigen en om de hulp van krijgsbehoeften en levensmiddelen, welke

van daar naar _Harlingen_ werd gezonden, tot ondersteuning van KAREL'S

benden in _Friesland_, te onderscheppen en tot eigen voordeel aan te

wenden. Deze laatste oogmerken waren genoeg, om PIER en de zijnen te

bewegen, den voorslag aan te nemen en zich te scheep te begeven. Niets

meer te verliezen hebbende, kenden zij ook geene eervoller taak dan het

vernederen van de vijanden huns vaderlands, welks vrijheid toch in eere

hersteld zou worden door den Hertog van _Gelder_, die dit zoo dikwijls

beloofd had, en wiens vleijende woorden en toezeggingen zij niet durfden

wantrouwen.

En inderdaad PIER kweet zich zoo stout van zijn last; hij zette de taak

der Gelderschen zoo krachtig voort, en roofde met zoo vele

onversaagdheid alles, wat niet tot zijne partij behoorde, dat hij in

1517 zijne vloot door al de genomene schepen tot 150 kielen, bemand met

1200 man, zag aangegroeid, en als de geesel der Zuiderzee gevreesd werd.

Wij zouden te uitvoerig worden, indien wij al de bekende bijzonderheden

van zijne togten en scheepsstrijden hier wilden mededeelen. Zijne daden

bewezen maar al te zeer, tot welk eene hoogte wraakzucht en volkshaat

kunnen stijgen, en hoe vele onmenschelijkheden krijgers zich durven

veroorloven onder de leus van voor het vaderland te strijden.

Met zulk eene magt waagde hij het stoute plannen te volbrengen. Te

vergeefs wapende _Holland_ zich tegen der Gelderschen euvelmoed door in

de West-Friesche zeesteden bestendig schepen tegen hen uit te rusten.

Het eerste elftal, dat PIER niet ver van _Hoorn_ ontmoette, nam hij

prijs. Eene tweede vloot, van 28 zeilen onder HIERONIMUS SNEES, met

betaling voor het krijgsvolk in _Friesland_ in zee gestoken, werd met 18

schepen door hem aangevallen, na een bloedig gevecht bemagtigd en met

400 gevangenen in triumf te _Workum_ opgebragt. Uit _Enkhuizen_ werd

eene vloot baarsen en 34 rijnschepen afgezonden, om hem te bestrijden,

doch ook deze werden genomen en deels vernield. Verstoord over de

trouweloosheid van sommige kooplieden van _Medemblik_, verzamelt hij

zijne magt bij _de Kuinder_, valt die stad aan, plundert en verbrandt

haar ten deele, en keert met buit beladen terug. Ook _Hindeloopen_, dat

door een hopman TENGNAGEL met 300 Bourgondische soldaten was bezet, viel

hij heftig aan, drong er binnen, en, zonder de inwoners leed te doen,

bemagtigde hij den vijand, waarvan er 170 in den strijd bleven en de

overigen vlugtten of gevangen genomen werden. In 1519 geraakte hij niet

ver van _Hoorn_ met overmagtige vijanden slaags. Reeds ziet hij een

zijner schepen nemen; den bevelhebber verdrinken. Nu kent zijne woede en

strijdlust geene palen. Krachtig spoort hij de zijnen aan. Een hevige

aanval gelukt, en elf schepen zijn in zijne magt. Vijfhonderd Hollanders

laat hij over boord werpen; zeilt naar _Hoorn_, dat ingenomen en

geplunderd wordt; trekt _Enkhuizen_ na het nemen van een schip voorbij;

begeeft zich weder naar _Medemblik_, waar hij een viertal huizen in

brand laat steken, en keert daarop naar _Friesland_ terug. Men wil, dat

hij ook andere Hollandsche plaatsen, als _Alkmaar_, _Beverwijk_ enz.,

zou bemagtigd hebben, en dat mede de eilanden _Texel_, _Flieland_ en

_Wieringen_ veel van zijn volk te lijden hadden. Alwat tusschen

_Holland_ en _Friesland_ voer, hulken, karveelen en boeijers, ja ook

Hamburger en andere koopvaardijschepen, nam hij prijs of stelde ze op

rantsoen. Zelfs overwon hij »een carueell van oerloeghe wuyt Schotlandt,

dat een Meester ende een Blockhuys op ter zee was." De buit (dien hij

onder zijn volk verdeelde) was groot, maar het ontzag, dat hij baarde,

was nog grooter[109].

[109] Dus spreekt MARTENA, _Landboek_, _Charterb._ II 92, 100.

Dat hij de manschap der overwonnene schepen over boord wierp en liet

verdrinken, is hem zeer euvel geduid. Doch zijne vijanden, die zijn

vriend OFFINGAHUIS mishandelden, die zijn neef GROOTE WIERD te

_Leeuwarden_ op een schavot eerlang deden onthoofden, en die een zijner

beste kapteins voor zijne oogen in zee wierpen, gaven hem daarvan het

voorbeeld, en vreeselijk verbitterd volgde hij dat na. Het was ook het

krijgsregt dier ruwe, immer naar wraak hijgende dagen, waarvan de

geschiedenis van Neêrlands Zeewezen, ook nog veel later, menigvuldige

voorbeelden heeft[110]. Doch eerlijk was zulk een dood, in vergelijking

van de schand- en moordtooneelen, welke de Hollandsche benden te

gelijker tijd in _Friesland_, in koelen bloede, aanrigtten, zoo als

onder anderen te _Irnsum_, waar der bezetting van _Douma-huis_

lijfsgenade beloofd was, doch die na de overgave op de wreedste wijze,

tot 27 personen toe, door beulshanden werd vermoord[111].

[110] DE JONGE, _Geschied. v. h. Ned. Zeewezen_, I 156, 189, 328, 351.

[111] Zie het roerend verhaal dier wreedheden, zoodat zelfs den beul

"dat arbeit verdroet," bij PETER VAN THABOR, _Archief_, II 201;

SCHOTANUS, _Kron._ 587; JACOBY, _Kort en Beknopt Chron._ Leeuw. 1755,

121.

Nadat PIER in 1517 de Gelderschen tot verdediging van het belegerde

_Sneek_ ondersteund- en in het laatst van 1519 den Hertog van _Gelder_

op een togt naar _Emmerik_ vergezeld had, zien wij hem op eens dat

woelig krijgstooneel verlaten en zich als stil burger te _Sneek_

nederzetten, waar hij reeds in het volgende jaar, 1520, overleed. Hij

had geen ander doel gehad dan door de vernedering van zijne vijanden de

vrijheid zijns vaderlands te herstellen. Maar toen hij eindelijk de

listige handelwijze van Hertog KAREL bemerkte en diens bedoeling, om

zelf Heer van _Friesland_ te worden, doorgrondde,--toen trok hij in

teleurgestelde verwachting zich terug, om den uitslag van den strijd der

partijen af te wachten. Ruwe moed en wreede dapperheid moge men hem te

laste leggen, zonder op de wijze van oorlogvoeren in die dagen, ook bij

zijne vijanden, acht te geven; de haat der door hem zoo fel bestredene

Hollanders moge invloed gehad hebben op hunne geschiedschrijvers, die

hem als een onmenschelijk geweldenaar en verachtelijk zeeschuimer

voorstellen,--gansch anders is het oordeel over hem van land- en

tijdgenooten, die met zijn persoon, gedrag en omstandigheden bijzonder

bekend waren. De kloosterbroeder PETER VAN THABOR[112] noemt hem een

man: »forsch van bouw en vervaarlijk van kracht en daardoor dapper en

fel op zijne vijanden, maar rond en eerlijk van inborst en redelijk van

hart als een Christen: want hij had eene goede meening, om vrij en

friesch te wezen en het land in goeden staat te brengen en te houden.

Hij toch was liever bij zijn ploeg gebleven, dan dat hij geoorloogd had.

Maar dat men hem zijn land niet met vrede had laten bebouwen, en zijn

huis, dorp en kerk verbrand had, dát wilde hij wreken zoo veel hij kon

en mogt." Zijne edelmoedigheid betoonde hij ook dáárin, dat, toen zijn

volk op de Zuiderzee een schip prijs genomen had, waarin zich de vrouwen

en dochters bevonden van zijne vijanden, de vrienden der Saksers, HESSEL

MARTENA en JUW BOTNIA, benevens eenige burgers van _Franeker_, hij de

stem der wraak smoorde en hen enkel gevankelijk naar _Sneek_ liet

voeren. Hoe hard hij de Hollanders ook viel, omdat zij zijn land

bevochten, nogtans kon hij niet dulden, dat hun in _Friesland_ door

de Gelderschen leed werd gedaan gedurende het bestand. Zoo kloekmoedig

hij jegens den vijand was geweest, zoo rondborstig verweet hij

de Gelderschen, dat zij de Friezen misleidden, en dat zij niet

volbragten, wat ze beloofd hadden. Dáárom vreesden zij hem, die, als

een onverbasterde zoon der vrijheid, de kenmerken van den echten

Fries vertoonde, in zucht naar onafhankelijkheid, dapperheid en

vaderlandsliefde. Daarom verdient zijn naam eene eervolle nagedachtenis,

en zeggen wij gaarne den dichter VAN HALMAEL na:

[112] _Archief_, II 259, waar meerdere bijzonderheden, die hem

kenschetsen, worden gevonden.

_Die 't Vaderland in nood beschermt,

Voor recht en vrijheid strijdt,

Zich over weeûw en wees ontfermt,

Geweld noch onrecht lijdt;

Dien, zij hij boer, of edelman,

Of burger, of soldaat,

Dien prijs, wat prijzen mag en kan

Als steunsel van den Staat.

Dien reik m' alom, in ieder oord,

Dat knielt voor God-alleen,

Den laauwer, die den held behoort,

En d' eikenkrans metéén!_

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 12 / 41 段