als Heer gehuldigd, bij uitvoerige zoen-en huldebrieven. Op verscheidene
plaatsen liet hij kasteelen bouwen tot bedwang van het land; naar
Hollandsche wijze stelde hij hier Schouten, Baljuwen en Schepenen aan,
begiftigde vele aanzienlijke edelen met goederen, en deed hij ook
daardoor werkelijk pogingen, om hier het Leenstelsel in te voeren.
Hierin en in meerdere bepalingen van zijnen zoenbrief week hij af van
het eerste verdrag van aanneming, en ziet daar al dadelijk den grond
gelegd van een tegenstand en verzet van het volk, welke zich reeds in
het begin des volgenden jaars openbaarden[90]. Die schending van het
verdrag was den vrijheidminnenden Friezen even onduldbaar als al de
blijken van overheersching; en inderdaad werden eerlang alle kasteelen
door het volk gesloopt, de ambtenaren verjaagd en de bezettingen,
behalve uit _Stavoren_, verdreven. Te vergeefs zond de Hertog nieuwe
benden uit de Hollandsche steden naar _Stavoren_, dat door de Friezen
krachtig, doch zonder vrucht, werd aangevallen. Te vergeefs trachtte hij
bij een naderen zoenbrief door gunstiger bepalingen, omtrent het vrij en
onbezwaard bezit der eigendommen, de schattingen en regten, de bezwaren
der Friezen weg te nemen. Reeds was het gansche land tegen het
Hollandsche gezag ingenomen en gewapend. Voor de derdemaal schreef hij
in Julij 1400 eene algemeene heirvaart tegen de Friezen uit, en werden
al zijne ridderen en leenmannen, steden en dorpen in _Holland_ en
_Zeeland_, ja zelfs in _Utrecht_, aangeschreven, hem ten spoedigste met
550 galeijen en een bepaald getal manschappen te hulp te komen.
_Dordrecht_ was daarbij weder gesteld op 600 gewapende mannen en 40
arbeiders, »of Smeden, Tymmerluden, Maetselairs ende andere luden met
breecbilen, hantbomen, ghetouwen ende ander gherieschap, om te woesten
ende te vellen alle Sloten, Stenhuzen ende Vestenissen, dye onze
meynedighe luden van Oistvrieslant jeghens ons houden." De overige
steden en plaatsen moesten hulp leveren naar evenredigheid[91].
[90] Dit blijkt uit de stukken _Charterb._ 289, 290, 298.
[91] Zie al die oproepingen in het _Charterb._ 309-314.
Ook deze togt liep weder vruchteloos af, daar het leger, onder
aanvoering van Graaf WILLEM _van Oostervant_ te _Stavoren_ geland, wel
de zeekust langs trok, met de Friezen schermutselingen hield en _Dokkum_
innam; doch te magteloos was, het Hollandsche gezag hier te herstellen,
waarom het eerlang terugtrok, nadat al de pogingen, om 's Graven gezag
ook in _Groningen_ te vestigen, mede verijdeld waren.
In weerwil van zoo herhaalde teleurstellingen en aanzienlijke
opofferingen, was de oude Hertog den strijd nog niet moede. In Junij des
volgenden jaars 1401 schreef hij in _Holland_ en _Zeeland_ eene dubbele
en driedubbele heirvaart uit, om hem te hulp te komen met gewapende
mannen en sterke gravers met schup en spade en piek of boog, ten einde
daarmede een togt te doen naar _Stavoren_, om de twee kasteelen te
voltooijen, welke hij begonnen was, daar tot versterking van deze stad
te doen bouwen[92]. Doch dit was ook zijne laatste poging ter bedwinging
van een land, dat getoond had, zich niet te willen onderwerpen. De
uitputting zijner geldmiddelen en de mindere gewilligheid der
Hollandsche edelen en steden, om zijner veroveringszucht langer ten
dienste te staan, deden hem zelfs naar vrede verlangen. Den 1 October
1401 werd die te _Bolsward_ voor zes jaren gesloten, bij een verdrag,
waarbij de Friezen tusschen den Wezer en _de Lemmer_ voor zich gunstige
bepalingen van vrijheid en rust bedongen, en den Hertog alleen het
gebied over _Stavoren_ lieten behouden[93].
[92] Zie deze stukken in het _Charterb._ 321-325, ook 298. Het
kasteel, in 1398 gesticht, schijnt dus toen verwoest te zijn geweest.
[93] Zie dit Verdrag in het _Charterb._ 327 en SJOERDS, _Jaarb._ IV
225.
* * * * *
De gevolgen van deze herhaalde togten en ongemeene kracht-inspanning
waren voor Hertog ALBRECHT zeer bedroevend: want die verbazende
krijgstoerustingen en de daarop gevolgde Arkelsche oorlog hadden hem zoo
zeer verarmd en met schulden bezwaard, dat, bij zijn dood in 1404, zijn
boedel door zijne weduwe met den voet werd gestooten. De Friezen
herstelden zich vervolgens van hunne nederlaag, door het verjagen van de
vijandelijke bezetting, maar het verlies van den Overwinnaar was
onherstelbaar, dewijl hij overal, waar hem het gebieden voegde, verpligt
was te gehoorzamen[94]. Zijne veroveringszucht gedijdde hem alzoo
evenzeer tot schade en schande, als den Friezen tot eere, dewijl zij
daardoor gelegenheid hadden, nieuwe blijken te geven van heldenmoed ter
handhaving van vrijheid en regt, bij de bestrijding van overmagtige
legers, die hun volksbestaan met den ondergang bedreigden. (Zie
_Aanteekening 13_.)
[94] STIJL, _Opkomst en bloei der Nederlanden_, 2e dr. 59.
* * * * *
Al de latere Graven van _Holland_ in de 15e eeuw hebben echter
bestendig hunne vermeende aanspraak op _Friesland_ doen gelden, door
bijna jaarlijks het geslotene vrede-verdrag te vernieuwen. Niet minder
deden zij dit door het aanwenden van rustelooze pogingen, bij wijze van
onderhandeling, om zich door de Friezen als Heer of Graaf erkend te
zien, hoewel deze, wanneer de drang hun te sterk voorkwam, zich telkens
tijdig genoeg verzekerden van nieuwe keizerlijke bullen, waarbij hun
regt, om zich zelve te regeren en buiten het rijk, dat hun bescherming
verleende, geenen heer onderdanig te zijn, werd bevestigd[95]. Geen dier
Graven deed echter zijne aanspraken meer met geweld of magt van wapenen
gelden. Dit was hun afgeleerd. Het lot hunner voorzaten bleef hen
deswege eene heilzame waarschuwing. Onnatuurlijk was echter die klove
tusschen zoo nabij elkander gelegen gewesten. Zeker zou eene gewenschte
toenadering eerder hebben plaats gehad, indien de Hollanders niet immer
getoond hadden, den meester te willen spelen over de Friezen, die echter
niet gezind waren het hoofd zoo spoedig in den schoot te leggen, maar
die stonden, waar zij meenden te moeten staan, zonder lafheid of vrees
voor een heerschzuchtigen nabuur, wiens aanvallen zij zoo dikwijls
gedrongen waren, op eene bloedige wijze betaald te zetten. Veel moest er
nog gebeuren, geheel andere tijden en omstandigheden moesten er komen,
vóór die verwijdering kon ophouden, om vervangen te worden door eene
toenadering, vereeniging en zamenwerking, welke beider belangen en het
heil des geheelen vaderlands in één staatkundigen band zou omvatten en
bevorderen. Terwijl wij het dus bij deze togten betreuren, dat zoo vele
Vorsten uit veroveringszucht zoo veel bloed hunner nijvere ingezetenen
hebben verspild, heeft de geschiedenis der Friezen ons weder een
luisterrijk voorbeeld gegeven, hoe zelfs geringe volken, door liefde tot
de vrijheid bezield en aangedreven, met onverschrokken moed magtige
overheerschers kunnen wederstaan, en hoe zij met de gebrekkigste
hulpmiddelen uitkomsten te weeg brengen, welke de bewondering van
tijdgenoot en nageslacht verdienen.
[95] Zie WORP VAN THABOR, IV 38, 97; _Charterb._ 399, 593.
_Zóó is de Fries. Wanneer gevaren
Der Vrijheid zweven, om zijn kust,
Dan weet zijn moed van geen bedaren,
Noch zijne Leeuw van logge rust.
Wee hem! die dezen Leeuw verschrikken
Of wil betemmen of verblikken,
Hij schuimbekt, raast en kent geen reên!_[96]
[96] O. Z. VAN HAREN, _de Geuzen_, 15e zang.
21. _Oorzaken van het verlies der onafhankelijkheid._
Het is inderdaad een opmerkelijk en raadselachtig verschijnsel in onze
geschiedenis, dat hetzelfde volk, hetwelk zijne vrijheid zoo krachtig
wist te verdedigen tegen vreemden, onderling zoo zwak was, dat het
misbruik maakte van die vrijheid, door zich daden te veroorloven, welke
zoodanig streden tegen de maatschappelijke orde, dat deze haren
ondergang noodwendig moesten veroorzaken. Zoodra toch hadden de Friezen
geene aanvallen van buiten meer te duchten, of zij waren op nieuw hevig
onder elkander in krijg. Eensgezind jegens vreemden, was _Friesland_
sterk; verdeeld en verzwakt door partijwoede, bereidde het zelf zijnen
val. In algemeene trekken hebben wij hier vóór (bl. 93) over het
ontstaan en den aard der partijschap tusschen de Schieringers en
Vetkoopers gesproken; thans willen wij haar laatste tijdperk en de
vrucht, die ze droeg, kortelijk vermelden.
Na het sluiten van den vrede met Hertog ALBRECHT _van Beijeren_, staken
de oude verdeeldheden met geweld het hoofd weder op, en de bloedige
tooneelen van den burgerkrijg, tusschen de aanzienlijkste adellijke
geslachten, kloosters en steden, vertoonden zich op nieuw. Dit was
zoowel in _Friesland_, als in _Groningen_ en _Oost-Friesland_ het geval,
en deze gedienstige naburen hadden heimelijke redenen, om hier het vuur
der tweespalt bestendig aan te blazen. Gesteund door de Keizers, die
hunne volksvoorregten in de 15e eeuw tweemalen bevestigden, waren de
Friezen op hunne vrijheid zoo fier, dat deze in overmoed en
bandeloosheid ontaardde. Handhaving van orde en rust, en gehoorzaamheid
aan de wetten des lands zijn toch de eerste pligten van den burger,
zullen de algemeene vrijheid en welvaart worden bevorderd en blijven
bestaan; doch waar deze worden geschonden, waar ieder zijne persoonlijke
vrijheid en willekeur met geweld wil doen gelden, en waar alle middelen
geoorloofd geacht worden, om zijne partij te doen zegepralen,--daar moet
de staat te gronde gaan. Zoo ging het vervolgens in den loop der
onrustige 15e eeuw in _Friesland_.
Gedurende al deze onlusten werd de band tusschen de Zeven Vrije Friesche
Zeelanden ontbonden. Wel trachtten eenige leden daarvan in 1430 nog de
oude betrekking te vernieuwen, door de belofte van elkander en de
onderlinge voorregten te zullen beschermen; maar als zij deze
bescherming verleenden, maakten sommigen daarvan dikwijls zulk een
misbruik, dat het eene Zeeland over het andere begon te heerschen, en
dat die hulp alzoo duur te staan kwam. Dit deed althans de stad
_Groningen_, die in magt en gezag vooral was toegenomen, sedert de
Opstalboomsche vergaderingen in 1361 derwaarts verlegd waren. Terwijl de
Schieringers, die meest in _Westergoo_ woonden, soms hulp in _Holland_
zochten, riepen de Vetkoopers van _Oostergoo_ daarentegen de
ondersteuning van _Groningen_ in. Gereedelijk voldeed dit aan dat
verlangen, zoo het slechts in magt of geld daarvoor vergoeding ontving.
Ja, deze stad wist het met allerlei middelen zóó verre te brengen, dat
zij, gebruik makende van de beroeringen, met een aantal edelen en
geestelijken van _Friesland_ een verbond van bescherming aanging,
waarbij haar een groot deel der oppermagt zou worden opgedragen. Dan de
Keizer, wiens toestemming daartoe zij eerst listig had verkregen, zond
eerst in 1485 en daarna weder in 1494 gezanten in _Friesland_ tot
herstel van de rust. Zijn afgezant OTTO VAN LANGEN, Domheer van _Ments_,
verklaarde dat verbond voor nietig, en verbood den Groningers, namens
den Keizer, zich hier eenig regt of gezag aan te matigen[97].
Vruchteloos wendde hij alle moeite aan om de verdeeldheden bij te
leggen, en den zoo lang verloren vrede te herstellen. Op een landsdag te
_Sneek_ gehouden en meest door de Schieringers bijgewoond, wist hij te
bewerken, dat JUW DEKAMA, van _Baard_, een wijs en vredelievend man, tot
Potestaat werd verkozen. Doch de Vetkoopers weigerden dezen te erkennen,
zoodat het vuur der verdeeldheid, hetwelk hij getracht had te blusschen,
nog meer ontvlamde. Al deze maatregelen, om den adel tot rust en
eendragt te bewegen, werden verijdeld door de verbittering dier
onbuigzame gemoederen. Met felle woede en vreemde hulp vochten de
partijen om de zegepraal.--Terwijl dus de Friezen blijken gaven, dat zij
zich zelve niet meer konden besturen, maar dat zij hunne krachten
verspilden in onderlingen strijd, zonder op wet, regt of orde acht te
geven,--toen behaagde het Keizer MAXIMILIAAN hieraan een einde te maken,
door _Friesland_ op te dragen, of wel voor ruim 250,000 Goudgld. te
verpanden, aan den moedigen ALBERT, _Hertog van Saksen_, dien hij,
onder den titel van _Erfpotestaat_, het bestuur over dit gewest
toevertrouwde[98].
[97] _Charterboek_, 754, 758, 760.
[98] Zie al de schrijvers aang. op bl. 136 der _Geschiedk. Beschrijv._
I.
Op deze wijze ging de aloude Friesche vrijheid voor een groot gedeelte
verloren, en was het volk genoodzaakt een vreemden bestuurder als Heer
te erkennen. Die vrijheid, eens als blijk van onafhankelijkheid en
zelfstandigheid zoo hoog geschat, was eene klank, was een denkbeeldig,
ja zelfs schadelijk voorregt geworden, nadat ze was verbasterd in eene
vrijheid om elkander schaamteloos te plunderen en te vermoorden. Het
gezag der wetten zweeg toch voor het geweld. Bij velen gold toen de
regel der losbandigheid:
_Mijn rechten zijn mijn wil, mijn wetboek is mijn zwaard.
Zoo denkt een vrije Fries, zijn eigen Heer en Koning,
Zoo wars van vleijerij als van ontzagbetooning_[99].
[99] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga_.
Die misbruikte vrijheid was een kanker, welke aan den Staat knaagde,
eene doodelijke wonde gelijk, die tot behoud van het gansche ligchaam
noodwendig moest worden uitgesneden. Door haar te verliezen, zijn nog
grootere rampen, dan reeds zijn geleden, vóórgekomen. Want wij hebben ze
niet kunnen vermelden al de bijzondere ellenden en gruwelen van roof,
moord en brandstichting, welke gedurende zoo vele jaren in het nagenoeg
regeringlooze _Friesland_ de inwoners nood en dood en schade
berokkenden. Wij hebben gezwegen van de ingewikkelde familie-geschillen,
waaruit de _Donia-oorlog_ en de _twist om Bolsward_ ontstonden[100]. Wij
hebben niet kunnen verhalen hoe dikwijls de in bloei en magt toenemende
steden _Leeuwarden_, _Bolsward_, _Sneek_, _Franeker_, _Slooten_ en
andere in hare rustelooze twisten met de woeligste edelen JELKAMA,
CAMSTRA, JUCKEMA, GROUSTINS, JONGAMA, HARINXMA, SJAERDAMA en anderen
belegerd, verbrand en geplunderd werden; hoe zij op hare beurt de
stinzen en dorpen verwoestten van die edelen, welke elkander gedurig
beoorloogden; of welk een rol de Raad van _Groningen_ onder dat alles
gespeeld heeft.
[100] In de Narede van hier vóór genoemde treurspel en in de _Friesche
Volks-Almanakken_ van 1841 en 1845 komen omtrent beide deze
onderwerpen belangrijke berigten voor, indien men deswege nader
wenscht ingelicht te worden.
Voorzeker waren er nog altijd vele welgezinden, die de rust poogden te
herstellen, en het sluiten van die talrijke verbonden van vrede
bevorderden, welke er in deze eeuw zoo dikwijls tusschen de edelen,
grietenijen, steden en gooën werden gesloten, als zoo vele getuigen van
de goede voornemens en de behoefte aan eendragt en rust. Doch hoe
spoedig werden ze weer verbroken door het geweld, dat sterker was dan de
kracht der bezegelde zoenbrieven[101]. Het krijgvoeren was heviger
geworden, sedert hier omstreeks 1460 het buskruid en het gebruik van
kanonnen en geweren (destijds bussen en roeren genoemd) waren ingevoerd
geworden. Vreemde woeste soldaten, die de zwakkere partij soms tot hulp
liet overkomen, brandden en roofden op het onveilige land, waar niemand
het zijne meer rustig bezat. Openbare werken, vaarten en wegen, ja zelfs
de zeedijken werden ten gevolge der verdeeldheden veelal verwaarloosd,
zoodat alleen in deze 15e eeuw dertien overstroomingen de algemeene
ellende verzwaarden.
[101] Eene menigte dezer overeenkomsten tot onderlinge bescherming
bevat het _Charterboek_ en het Stedelijk Archief van _Leeuwarden_.
De zucht om de onrustige wereld te ontvlieden bewoog vele vromen zich te
begeven in de Kloosters, wier getal te gelijk met hunne bezittingen
toenamen; terwijl anderen vergeving voor gepleegde misdaden zochten te
bekomen, door het schenken van giften aan de geestelijkheid of tot den
opbouw van forsche Kerkgebouwen, van welke er in deze eeuw, vooral in de
steden, verscheidene vernieuwd en vergroot werden. Hoe zouden kennis en
wetenschap hebben kunnen toenemen bij een immer krijgvoerend volk, dat
integendeel door ruwheid en woestheid van zeden moest ontaarden. En de
heilige godsdienst der Christenen, bestemd om door geloof, liefde en
hoop het leven te veredelen en den geest voor eene betere toekomst te
vormen, droeg alzoo geene harer waardige vruchten voor het
maatschappelijk welzijn.
Zulk een toestand van een land kon niet duurzaam zijn. Alwat kwaad is
verwoest zich zelf. Alleen godsvrucht, zedelijkheid en pligtsbetrachting
kunnen heilrijke en duurzame vruchten dragen tot volksgeluk. Het land
had rust noodig, waarin het zich zou kunnen herstellen en zijne krachten
ontwikkelen tot vooruitgang, tot voortdurenden wasdom en beschaving.
Daartoe werd eene gansche verandering van den maatschappelijken toestand
vereischt. Het verlies der onafhankelijkheid en het bestuur van een
vreemden Vorst werd hiertoe het middel in de hand van Hem, die zelfs de
dwalingen zijner kinderen dienstbaar maakt aan de bereiking van zijne
vaderlijke bedoelingen tot hun heil.
_Zóó dekt de Almagtige zijn wegen;
Zóó is met wijsheid kracht vereend,
En 't allergrootste nut gelegen
In 't geen de mensch verwarring meent.
Maar onverwacht zal 't licht verschijnen,
Dat alle nevlen doet verdwijnen
En wijst der Godheid ware reên.
Leer, stervling! leer altijd te hopen,
Totdat de tijd uwe oogen open'
En toon', wáárom gij hebt geleên_[102].
[102] O. Z. VAN HAREN, in den aanhef van _de Geuzen_. Zie ook
_Aanteekening 14_.
DERDE TIJDVAK.
FRIESLAND BESTUURD NAMENS VREEMDE VORSTEN.
VAN DE AANNEMING VAN HERTOG ALBERT VAN SAKSEN, TOT ERFPOTESTAAT VAN
FRIESLAND, TOT DE HERVORMING IN KERK EN STAAT.
_Van het jaar 1498 tot 1580._
22. _Friesland onder het bestuur der Hertogen van Saksen. (1498-1515.)_
ALBERT of ALBRECHT, _Hertog van Saksen-Meissen_, een der grootste
veldheeren van zijn tijd, zonder wien een tijdlang geen krijg in
_Duitschland_, _Hongarije_, _Italië_ en _Nederland_ werd gevoerd; de
man, die de regterhand des Keizers genoemd werd en wegens zijne
onversaagde krijgsbedrijven alom was ontzien, had gedurende de
minderjarigheid van FILIPS II, door het bedwingen van de oproerige
Vlamingen en door het dempen van den opstand van het Kaas- en Broodsvolk
in _Holland_, dezen Graaf groote diensten bewezen. Het bleek alras, dat
ALBERT niet gezind was met ledige handen te vertrekken, dewijl ook een
hevige brand, welke de stad _Dresden_ in 1491 voor een groot gedeelte
verteerde, zijne middelen had uitgeput. 300,000 Rijnsche guldens was de
schuldvordering, welke hij, wegens achterstallige soldij aan zijne
krijgsknechten, inbragt. Des Graven vader, Keizer MAXIMILIAAN, dien het
immer aan geld, doch zelden aan beraad ontbrak, wist geen beter middel
om zich uit deze verlegenheid te redden, dan door den Hertog, tegen
teruggave van de Hollandsche sloten, voor deze som verpand, met het
Erfstadhouderschap over _Friesland_ te beleenen, indien hij slechts kans
zag, van dat gewest meester te worden. Reeds had hij dit zes jaren lang
beproefd, door onderhandelingen en het heimelijk ondersteunen van de
zwakkere partij der Schieringers, toen deze eindelijk, in 1498, openlijk
zijne hulp inriepen tegen de Vetkoopers, die de Groningers tot steun
hadden. Zóó hoog waren toen de partijschappen gestegen, dat men tot zulk
een wanhopig middel overging, en (even als driehonderd jaren later) om
zijne partij te doen zegepralen, liever vrijheid en vaderland prijs gaf
aan vreemden, dan zich onderling te verstaan en vrede, eendragt en rust
na te jagen!
ALBERT zond nu spoedig zijn krijgsbevelhebber, Graaf WILLEBRORD VAN
SCHAUMBURG, als stedehouder, met een leger van 2 à 3000 man naar
_Friesland_. Weinig moeite kostte het dezen, de steden en grietenijen
van _Westergoo_ te bemagtigen, en zijn Vorst dáár te doen erkennen. Doch
het meer Vetkoopersgezinde _Oostergoo_ en vooral het afgelegene
_Zevenwouden_ moesten met kracht van wapenen daartoe gedrongen worden.
Zelfs werd _Leeuwarden_ tweemalen door hem belegerd, vóór het zich
overgaf en het gezag des Hertogs erkende. Tot versterking van deze
aanzienlijkste der toenmalige steden liet hij daar een groot kasteel,
blokhuis of legerplaats bouwen, ter vestiging en bescherming van het
opgedrongen gezag.
In Junij van het volgende jaar, 1499, kwam ALBERT zelf met zijn zoon
HENDRIK in _Friesland_, om het bestuur des lands te regelen. Hiertoe
stelde hij een Provincialen Raad van elf edelen in, met zijn kanselier
SIGMUNDT PHLUG aan het hoofd. Aan dezen Raad, te _Franeker_ op
_Sjaerdama-huis_ gezeteld, was zoowel het bestuur van het land als de
uitoefening van het regt opgedragen. Nadat hij in de kerk van _Oldehove_
te _Leeuwarden_ met veel luister tot Landsheer was gehuldigd, vertrok
hij naar _Groningen_, dewijl hij ook dat gewest, hem mede door den
Keizer geschonken, had te bemagtigen.
Hij had hier zijn zoon HENDRIK ter uitoefening van het bewind
achtergelaten; doch deze was jong, onbedreven en heerschzuchtig. Hij
handelde voor 't minst zeer onvoorzigtig en verkeerd, toen hij de
Friezen met strengheid wilde besturen, en de uitschrijving van
belastingen met scherpe bedreigingen deed gepaard gaan. Hierdoor bedierf
hij de zaak zijns vaders in eens zóódanig, dat hij zich gehaat maakte
bij vele Friezen, die ook toen weder hun volksaard toonden, door
afkeerigheid van dwang en harde middelen, waardoor zij immer veel minder
werden gewonnen als door redelijke overtuiging en zachte behandeling.
Reeds in den volgenden jare, 1500, kwamen zij in verzet, weigerden de
gevorderde belasting te voldoen, schoolden bijeen en bragten weldra eene
groote magt onder de wapenen, waarmede zij den Hertog in _Franeker_ (van
half Mei tot half Julij) belegerden, met oogmerk, om zich spoedig van
dezen nieuwen Heer te ontslaan. Hoewel het getal dier misnoegden wel op
16,000 begroot werd, was er zoo weinig orde en bestuur onder, dat zij
het zwakke stadje niet eens konden bemagtigen, en zich eerlang
verstrooiden, toen ALBERT zelf met eene legermagt van 5 à 6000 man tot
ontzet kwam opdagen. Na over deze schending van zijn gezag wreede
strafoefening gehouden te hebben, vertrok hij weder naar het beleg van
_Groningen_, doch overleed kort daarna te _Emden_ (12 Sept. 1500).
Vervolgens werd _Friesland_ gedurende drie jaren op naam van Hertog
HENDRIK en zijnen broeder GEORG _van Saksen_ door den Stadhouder HUGO
_van Leijsenach_ bestuurd. Niet voor Mei van den jare 1504 kwam Hertog
GEORG zelf in _Friesland_ en alléén aan de regering. Eerst toen werd het
landsbestuur met kracht aangevat, en werden er nuttige maatregelen tot
stand gebragt. Als een verstandig man doorzag hij terstond de behoeften
des lands, en met een krachtigen wil beraamde hij dadelijk de middelen,
om daarin te voorzien, ten einde, door het invoeren van verbeteringen,
orde en regel in het bestuur te brengen en het wezenlijk belang der
ingezetenen te bevorderen. Zoo vaardigde hij in 1504 de bekende
_Ordonnantie van Saksen_ uit, welke uitvoerige bepalingen ter
uitoefening van het regterlijk en burgerlijk bestuur, zoowel door het
Hof als in de grietenijen en dorpen en in de steden, bevatte. De
uitvoering daarvan werd opgedragen aan een opperste Geregtshof, waarvoor
te _Leeuwarden_ naast het Blokhuis eene Kanselarij werd gebouwd. Ook
werd er eene Munt opgerigt in deze zelfde stad, welke dáárdoor het
aanzien van Hoofdstad van _Friesland_ bekwam. Vervolgens voerde hij
strenge bepalingen in tot herstel van de zoo deerlijk verwaarloosde
zeedijken. De belangrijke aanslijking van _het Bildt_, welke zijn vader
reeds in bezit had genomen, liet hij verpachten om bedijkt te worden.
Bijna toegegroeide of onbevaarbare kanalen, als de Ee tusschen
_Leeuwarden_ en _Dokkum_ en andere, welke mede gedurende de onlusten zoo
lang waren verwaarloosd, werden uitgediept. Tusschen _Leeuwarden_ en
_Franeker_, _Sneek_ en _Bolsward_, werden onder zijn bestuur breede
vaarten deels gegraven, deels verbeterd, waardoor zoowel de gemeenschap
te water tusschen de voornaamste steden als de afstrooming zeer werden
bevorderd. Hij drong aan op het eenparig gebruik van maten en gewigten,
en, terwijl de Friezen stellig weigerden aan zijne begeerte te voldoen
ter invoering van het Leenstelsel, regelde hij de belasting op de
vastigheden door de invoering van de Floreenrente, welke nog eeuwen lang
daarna de grondslag der heffingen bleef en zulks ten deele nog is[103].