Ofschoon _Stavoren_ in 1299 Graaf JAN II op gelijke wijze huldigde en de

bevestiging harer privilegiën van hem verkreeg, schijnt zij die

Hollandsche regering spoedig moede geweest- en haar afgevallen te zijn.

Immers, naauwelijks was Graaf WILLEM III, die eerlang den bijnaam van de

goede verwierf, in 1305 aan de regering gekomen, of hij ondernam met

1500 man een togt naar _Friesland_, en landde in _Gaasterland_, met

oogmerk om _Stavoren_ van de landzijde te bemagtigen. Doch de Friezen

boden, onder hunnen Potestaat HESSEL MARTENA, hem zoo dapperen

tegenstand, dat hij met de zijnen zich spoedig weder aan boord begaf en

aftrok. Uithoofde er zich bij zijne benden West-Friezen bevonden, die

vroeger door hunne stamgenooten tegen de overheersching der Hollandsche

Graven geholpen waren, zoo namen de Friezen dezen aanval zeer euvel op.

Daarom deden velen hunner een togt naar _Noord-Holland_, en bragten de

ingezetenen van _Enkhuizen_ en omstreken met rooven en branden groote

schade toe. Uit wraak zonden deze omgekochte brandstichters in

_Friesland_, die eenige stinzen der edelen, welke bij dien togt

tegenwoordig waren geweest, in koolen leidden. Uit weêrwraak stak men

van hier nogmaals naar _Enkhuizen_ over, verbrandde wel vijf-en-twintig

huizen dier stad en keerde met buit beladen terug, welk verlies de

Enkhuizers weêr betaald zetten, door in 1310 het St. Odulphus-klooster

te _Stavoren_ bij nacht uit te plunderen en in brand te steken[74].--Met

zulk een barbaarschen haat en wraak vervolgden christen-landgenooten

elkander in die dagen! En tot welk doel?

[74] WINSEMIUS, 187; SCHOTANUS, 165; WAGENAAR, III 225; _Tegenwoordige

Staat_, I 443, 446. In 1318 hadden er op nieuw zulke strooptogten

plaats.

* * * * *

Graaf WILLEM had de overtuiging bekomen, dat het aanwenden van geweld

het regte middel niet was om de Friezen te winnen. Hij nam dus zachtere

middelen, eene behendige staatkunde te baat, om zijn doel te bereiken.

In 1310 sloeg hij eene verzoening met _Stavoren_ voor, welke werd

aangenomen; terwijl de roem zijner zachtmoedigheid en regtvaardigheid

zelfs _Westergoo_ bewoog, hem, bij een verdrag, nabij _Alkmaar_

gesloten, tot Heer aan te nemen; welligt, omdat het in de hooggerezen

binnenlandsche twisten te vaak zijne zwakheid gevoelde tegenover het

magtiger _Oostergoo_, dat zich tegen de aanneming van den Graaf

bestendig bleef verzetten. Deze zag intusschen zijn gezag bevestigd door

den Roomsch Koning LODEWIJK, die zelfs _Oostergoo_ en _Westergoo_ beide

beval hem als Heer te erkennen (1314). In weerwil hij der Friezen

verschillen met _Harderwijk_ en _Kampen_ zeer in hun belang regelde, en

door vriendelijkheid en billijkheid ieder zocht te believen, verzetten

die van _Stavoren_ in 1328 zich weder tegen zijn gezag, door het

verjagen van zijne Schouten en het afbreken van hunne huizen. Hiertegen

wapende de Graaf zich wel met eene vloot en leger, nam de Friesche

schepen op de Zuiderzee en liet strooptogten doen in _Gaasterland_, doch

ondervond tevens eene hevige wraak daarover van de Friezen, die zijne

schepen moedig aanvielen en de vrijheid namen in _West-Friesland_

wederkeerig te plunderen.

Hoewel aan dit geschil, door bemiddeling der Geestelijkheid, een einde

werd gemaakt door een zoen, welke te _Haarlem_ door den Graaf met

_Stavoren_ en _Westergoo_ werd gemaakt, schijnt hij in _Friesland_

weinig gezag te hebben uitgeoefend. Nooit is hij althans door

_Oostergoo_ erkend geworden, en welligt ook nooit in persoon in

_Friesland_ geweest om regten uit te oefenen. Een jaar na zijn

overlijden, dat in 1337 voorviel, erkende _Stavoren_ zijn zoon en

opvolger Graaf WILLEM IV wel als Heer, en bevestigde deze de voorregten

dier stad, welke hij twee jaren later vermeerderde; doch _Westergoo_

volgde dit voorbeeld evenmin als _Oostergoo_[75].

[75] Zie over het medegedeelde omtrent Graaf WILLEM _den goede_,

_Charterb._ 149-199; SCHOTANUS, 168; WINSEMIUS, 190 env.; WAGENAAR,

III 224; SJOERDS, _Jaarboeken_, III 228; _Teg. Staat_, I 454.

* * * * *

Deze versmading van zijn vermeend gezag en eenige gewelddadigheden te

_Stavoren_ voorgevallen, waarbij de zoon van een grafelijk ambtenaar

het leven verloor, en welligt ook andere redenen, bewogen den trotschen

en onbesuisden Graaf WILLEM IV ten jare 1345 krachtige maatregelen aan

te wenden, om gansch _Friesland_ aan zich te onderwerpen. Hij bragt eene

groote vloot bijeen, waarop hij een leger overvoerde, dat (zeker

overdreven) op 85,000 man werd geschat. Hiermede stak hij over de

Zuiderzee en landde in de nabijheid van _Stavoren_. Een krachtige

nationale tegenstand werd hem geboden: want hoe min talrijk de nu als

één man vereenigde en slecht gewapende Friezen ook waren, hun moed was

een muur. Hunne liefde voor de vrijheid telde de overmagt niet der

vijanden, maar klom met het gevaar, daar ze geene geweldige aanranding

van hun land konden dulden. De grievende vernedering, welke de Graaf

kort te voren het door hem belegerde en zich vrijwillig overgevende

_Utrecht_ had aangedaan, spelde hen, wat zij van zijn wraaklust hadden

te vreezen, als zij te kort schoten en hij mogt zegepralen. Zij trokken

hem vurig te gemoet, en, zoo ooit, was het toen, dat het volgende

_Strijdlied_ in hunnen mond voegde:

Wierne de alde Friesen fry,

Friesce soannen binne wy.

De alde moed is net forroen:

O, wy stjerre foar ues groun!

Stoarm in wetter haww' wy hôan

Oer ues ljeawe Friesce lôan;

't Folk, dat foar nin weagen swicht,

Fait it oarlochsswird eak licht.

Jane wy den eak nin keap

Foar ien wylde stropers heap!

Frydom, koft troch eigen moed,

Is ues meer as goed in bloed.

't Gleaune scerpe krigersswird

Loeke wy foar hoes in hird,

In wy binne eang of bang,

As foar frjemde keunings twang.

Broes' nou 't alde Friesce bloed!

Kom wer, frye Friesce moed!

Frydom, frydom is ues noft

As de foegels yn de loft.

De alde Friesen wierne fry,

Foar de frydom fjochte wy;

In ien echte frye Fries

Het fen frjemde twang ien grys[76].

[76] Dr. E. HALBERTSMA in _de Lapekoer fen Gabe Scroar_, 1834, 259.

De vloot, door ruw herfstweder verstrooid, landde niet gelijktijdig,

zoodat de Graaf geene gelegenheid had, zijn leger in behoorlijke orde te

scharen. Dit werd ook vóórgekomen door de Friezen, die zoo dapper op de

Hollandsche benden aanvielen, dat zij eerst een gedeelte, door JAN _van

Henegouwen_ aangevoerd, versloegen, en daarna het andere gedeelte, met

den Graaf aan het hoofd, zóó lang en zóó onversaagd, van den opgang der

zon tot den laten avond, bestreden, dat het leger geheel verslagen en

verstrooid werd, en dat de Graaf zelf in het heetst van het gevecht

sneuvelde met zeer vele edelen uit de voornaamste geslachten van

_Holland_, _Zeeland_ en _Henegouwen_, wier getal op 240, gelijk het

gansche getal gesneuvelden van den vijand op 18,000(?) man begroot werd.

»Holland en Zeeland smolt in rouw op de tyding deezer nederlaage," zegt

een Hollandsch geschiedschrijver[77]. Wie billijkt niet die smart? en

niet minder die »der jonge Graavin over de dood haars Egtgenoots?" Maar

wie ontroert het niet, daarbij van eene vrouw te moeten lezen: »dat zij

daarover zoo gebeten was op de Friezen, dat zij niet alleen hunne

goederen in _Holland_ allen verbeurd verklaarde, maar dat zij ook het

klooster _Mariënhof_ op het eiland _Marken_, door de Hallumer Abtdij

_Mariëngaarde_ met Friesche Monniken bevolkt, aan hare wraakzucht

opofferde, door eene bende krijgsvolk derwaarts te zenden, die, buiten

oorlog en in koelen bloede, 't gebouw in brand stak en de ongelukkige

monniken in de Zuiderzee smeet"[78].

[77] WAGENAAR, III 261. Zie verder SCHOTANUS, 180; WINSEMIUS, 202;

FOEKE SJOERDS, III 384; _Tegenwoordige Staat_, I 492.

[78] WAGENAAR, III 261. Indien WILLEM'S weduwe, JOHANNA, dit wreed

bedrijf niet heeft gepleegd, maar wel zijne zuster en opvolgster,

MARGAREET, gemalin van _Keizer_ LODEWIJK _van Beijeren_ (zoo als

SCHOTANUS en WINSEMIUS willen), dan is het nog schandelijker, dewijl

het dan na verloop van eenigen tijd en met koud overleg, en niet uit

droefheid of in drift geschiedde.

Men is gewoon laag te vallen op de ruwheid der Friezen in hunne

oorlogen; maar van zulk een gruwel heeft de Friesche geschiedenis geen

voorbeeld. Rampzalig de eeuw en het land, waarin zelfs eene Vorstin zich

zóó kon verlagen, en zich straffeloos vergrijpen aan het leven en de

bezittingen van weerloozen! Wie onzer zou die tijden terugwenschen?

Maar nog geen wraak genoeg. Graaf WILLEM V trachtte den dood zijns

voorgangers te wreken door de Friezen--niet met eerlijke wapenen in

openbaren strijd, maar te straffen, door het uitgeven van last- of

kaperbrieven aan bijzondere personen, om op hen te panden, of hen te

lande en te water, aan lijf en goed, allerwege te beschadigen en te

berooven (1347). Van zulk een laag middel hadden de Friezen voor hunnen

handel en bezittingen de grootste nadeelen te vreezen. Gaarne sloten zij

dus in den volgenden jare een vredeverdrag of bestand voor twintig

jaren, niet enkel met den Graaf, maar ook met de Ridderschap, Steden en

Ingezetenen van _Holland_, _Zeeland_ en _West-Friesland_;--een verdrag,

waarbij de voorwaarden geheel in het belang van _Oostergoo_ en

_Westergoo_ gesteld waren, en waarbij de Graaf zelfs beloofde, dat zijne

onderzaten de grenzen van _Friesland_ niet zouden overschrijden, dan in

geval van nood en om koophandel te drijven, waartoe zij zich echter

enkel tot de drie marktplaatsen _Harich_, _Kornwerd_ en _Holwerd_

moesten bepalen[79]. Later gaf de Graaf ook den Friezen volle vrijheid,

om in _Noord-Holland_ handel te drijven en de markt te _Haarlem_ te

bezoeken[80].

[79] Dit belangrijk stuk, enkel vermeld in het _Charterboek_, I 208,

is eerst in 1817 uitgegeven door Jhr. J. C. DE JONGE, achter zijne

_Verhandeling over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten_. Jhr. W. VAN

SWINDEREN gaf de hoofdinhoud daarvan met toelichtingen in 't

Mengelwerk der _Leeuwarder Courant_ van 1832, N^o. 61. De eerste

deelde de Heer VAN LEEUWEN ook mede in zijne Aanteekeningen op _it

aade Friesche terp_, 418.

[80] _Charterboek_; I 208; _Tegenwoordige Staat_, I 501.

* * * * *

Zoo scheen dan eindelijk het tijdperk te zullen aanbreken van rust en

vrede tusschen de ingezetenen van zoo nà bij elkander gelegene landen,

die beide zoo veel belang hadden bij eene goede verstandhouding en bij

het rustig genot van de wederzijdsche regten en bezittingen. Ofschoon

_Stavoren_ kort daarna afviel (1352) en den Graaf als Heer aannam, uit

baatzucht welligt, ten einde van hem voor haren handel vrijdom van

tollen en gelijke voorregten te bekomen, als waarmede de Hollandsche

koopsteden begunstigd waren;--ofschoon Keizer KAREL IV _Oostergoo_ en

_Westergoo_ beval, den Graaf insgelijks als Heer te erkennen

(1362)[81],--werd het bestand telkens verlengd, en bleven de Friezen

eene halve eeuw lang van deze zijde ongestoord, hoewel zij gelijktijdig

onderling in partijschappen hevig verdeeld waren[82]. Herhaaldelijk gaf

echter de opvolgende Graaf van _Holland_, Hertog ALBRECHT _van

Beijeren_, blijken, dat hij zijne aanspraken op het bezit van

_Friesland_ geenszins liet varen. Doch hij waagde het niet, deze met

eene krijgsmagt te doen gelden, dewijl hij in zijn eigen land moeite

genoeg had, zich staande te houden bij de hooggestegen beroerten der

Hoekschen en Kabeljaauwschen en bij huiselijke twisten, ten gevolge

waarvan zijn oudste zoon, Graaf WILLEM _van Oostervant_, naar

_Frankrijk_ gevlugt was. Dáár werd deze echter aan 's Konings tafel

smadelijk verweten, dat hem die plaats der eere niet toekwam, vermits

het wapen van zijn geslacht was geschonden of verloren door de nederlaag

van zijn oudoom Graaf WILLEM IV, die in 's vijands land verslagen en nog

onbegraven was, zonder dat iemand van zijn geslacht dien dood had

gewroken[83].

[81] _Charterboek_, 208, 209, 210, 226, 227.

[82] _Charterboek_, 233-255.

[83] Tien dagen na den slag tusschen _Stavoren_ en _Warns_ in 1345 was

's Graven lijk gevonden geworden door MARTEN, kommandeur der St.

Jansheeren te _Haarlem_, die het liet begraven in het Klooster

_Bloemkamp_ bij _Bolsward_, van waar het later door ALBRECHT naar

_Valenciennes_ is overgebragt. Onbegraven beteekent hier: in geen

vorstelijk graf bijgezet.

* * * * *

Als een kloek ridder was hem die smaad onduldbaar. Die smet wilde hij

afwisschen. De eerste stap daartoe was, zich met zijn vader te verzoenen

en dezen te bewegen, om _Friesland_, het kostte wat het wilde, te

veroveren. Dit gelukte hem, en naauwelijks was het voornemen van Hertog

ALBRECHT, om de Friezen te bestrijden, bekend geworden, of er openbaarde

zich eene zóó algemeene geestdrift tot deelneming, dat het scheen alsof

er een kruistogt gepredikt ware. Vele aanzienlijke graven en ridders

kwamen ook uit andere landen over, om deel te nemen aan een strijd,

welke gelegenheid tot schitterende wapenfeiten scheen aan te bieden.

Meer dan een jaar lang werden er in allerlei oorden, in en buiten des

Graven gebied, manschappen aangenomen en schepen, door verbod om buiten

's land te varen, geprest tot den togt naar _Friesland_. Eene verbazende

magt werd er alzoo ontwikkeld, waarvan het toenmaals eerst opkomende

zeewezen van ons land nog geen voorbeeld had gegeven, en welke zelfs ook

later geene weêrgade vond. Want (hoe onwaarschijnlijk ook) op 180,000

man werd het leger begroot, dat uit Hollanders, Zeeuwen, Vlamingen en

Henegouwers, ja zelfs uit Fransche, Engelsche en Duitsche hulpbenden

bestond, welke werden overgevoerd op eene vloot, wier sterkte men op

3000 groote schepen en 400 kleinere vaartuigen schatte.--En zulk eene

vloot en leger achtte men noodig, om een land, zóó klein van omvang,

doch zóó geducht door den heldenmoed en de vrijheidsliefde zijner

bewoners, te veroveren! Een vervaarlijk onweder trok alzoo te zamen, dat

_Friesland_ met eene onvermijdelijke overweldiging bedreigde.

Hoe zouden de Friezen tegen zulk eene overmagt bestand zijn geweest?

Terwijl de vijand, door geene onderhandelingen te bewegen, om van zijn

voornemen af te zien, alle hulp van naburen bekomen- en hen alle wegen

tot verkrijging van ondersteuning afgesneden had, konden zij uit hun

eigen land niet meer dan 30,000 weerbare mannen bijeenbrengen. Om met

deze, ongeoefend en slecht gewapend als ze waren, zulk een leger te

wederstaan, scheen gevaarlijk, zoo niet roekeloos. Daarom gaf de door

hen op een landsdag verkozen Potestaat JUW JUWINGA of JONGAMA van

_Bolsward_, die als krijgsman op buitenlandsche togten vele proeven van

dapperheid gegeven- en rijke ervaring verworven had, hun den

verstandigen raad, om den vijand geen slag te leveren in het open veld,

maar zich in de steden en dorpen te verschansen, ten einde het leger af

te matten, en door gebrek aan leeftogt tot terugkeer te noodzaken. Doch

met onstuimige strijdzucht verachtten zij dien raad, omdat het ontwijken

van een slag den schijn zou geven alsof zij lafhartig een vijand

ontweken, dien zij, even als hunne vaderen vijftig jaren vroeger, nog

durfden staan. Afkeerig van allen dwang en met fierheid elke poging tot

hunne overheersching verfoeijende, trokken zij, onder de kreet: »Wij

sterven liever als vrije Friezen dan ons aan een vreemden heer te

onderwerpen!" den vijand tegen, ten einde »vrij en friesch, met lijf en

goed, de vrijheid te beschermen, en alle vreemde landsheeren

eendragtelijk tegen te staan."

Hertog ALBRECHT _van Beijeren_, die in het opperbevel door drie zijner

zonen ondersteund werd, had zijne legermagt te _Enkhuizen_ verzameld,

stak de Zuiderzee over en landde aan den zeedijk tusschen _de Lemmer_ en

_de Kuinder_. Nadat de Friezen vruchteloos getracht hadden de landing te

verhinderen, werd er, op den 29 Augustus 1396, op een daaraan gelegen

groot veld, het _Oostzingerland_ of _Oosterzee-ingerland_ geheeten, bij

_Schoterzijl_, slag geleverd. Verschrikkelijk was de woede van dit

gevecht. Met heldenmoed voor hunne vrijheid strijdende, verrigtten de

Friezen wonderen van dapperheid. Eenige uren lang bleef de zege

twijfelachtig; maar, toen zij eindelijk door nieuwe benden aan alle

zijden ingesloten waren, sloegen zij verwoed en verward op den vijand

in, en moesten voor het welgewapende en overmagtige leger bukken. Een

groot getal Friezen was gesneuveld en daaronder ook hun edele Potestaat,

die, schoon men zijn raad niet wilde opvolgen, zich toch aan het hoofd

des legers had gesteld, om allen door zijn voorbeeld aan te sporen[84].

[84] In alle tijden is het voorzeker een blijk van ongemeene

regtschapenheid, wanneer regenten, overstemd en verpligt zijnde een

besluit der meerderheid uit te voeren, van welks nadeelige strekking

zij zich voor hun persoon overtuigd houden, die uitvoering op eene

waardige wijze volbrengen, zelfs met gevaar van het leven of het

uitzigt op een wissen dood.

Nog had het volk kracht genoeg, drie dagen later een tweede gevecht te

wagen, hetwelk echter, even als latere herhaalde schermutselingen, niet

gelukkiger uitviel, hoewel ook daarbij vele vijanden omkwamen. De

Hollandsche benden trokken nu het land in, om de vrucht hunner

zegepraal te genieten, door overal te plunderen en te branden. Vijf

weken lang duurde dit woeden. Onstuimig herfstweder en gebrek aan

leeftogt en betaling noodzaakten ALBRECHT het overschot van zijn leger

nog vóór den winter terug te voeren naar _Enkhuizen_, waar het ontbonden

werd. In _Stavoren_, waar hij een sterk kasteel zou hebben laten bouwen,

en op andere plaatsen had hij eenige bezetting achtergelaten, doch deze

werd weldra door de Friezen verdreven; en toen de Hertog, in Februarij

1397, om die benden te hulp te komen, drie Hollandsche Edelen aan het

hoofd van eene legermagt herwaarts zond, en deze te _Hindeloopen_

meenden te landen, werden ze door de Friezen zoo krachtig ontvangen, dat

zij met groot verlies naar hunne schepen en naar _Holland_ terugkeerden.

Zoo waren al de voordeelen der behaalde overwinning verloren gegaan.

Doch de overwinnaar was laag genoeg, om nu zijn wrok te koelen, door het

uitgeven van een aantal magt- of pandbrieven aan vele personen, om zijne

vijanden, de Friezen, te water en te land te beoorlogen, te beschadigen

en afbreuk te doen. Zelfs stelde hij zijne twee Admiralen aan het hoofd

dezer kaperschepen[85].

[85] Zie deze Brieven in het _Vriesch Charterboek_, I 260-269.

* * * * *

De verpletterende ramp, welke _Friesland_ bedreigd en als ten ondergang

bestemd had, was alzoo gelukkig te boven gekomen, en had de vrijheid uit

den strijd het hoofd weder opgebeurd. 't Was echter, alsof het Hertog

ALBRECHT krenkte, dat hij van zijne overwinning zoo slecht gebruik had

gemaakt, en dat de vijand, dien hij wel overmeesterd, doch niet

bedwongen had, zijne ontzettende opofferingen door de verdrijving van

zijne benden met vernedering en bespotting vergold. Nogmaals wilde hij

dat weerbarstige _Friesland_ veroveren, bedwingen en aan zijn gebied

onderwerpen. Met nieuwen ijver hervatte hij de oorlogs-toebereidselen.

In Mei 1398 beval hij al zijne leenmannen en ridders, zelfs die

uitlandig waren, om hem, tegen het laatst der maand Junij, met een

bepaald getal gewapende mannen ter hulp te komen tot den nieuwen togt

naar _Friesland_. Evenzoo de steden van _Holland_, en _Zeeland_, waarvan

enkel _Dordrecht_ moest leveren: 600 gewapende mannen, 20 timmerlieden,

10 smeden, 10 metselaars en 25 schutters, benevens een aantal horden.

Deze laatste waren bestemd om den overtogt langs moerassen en slechte

wegen gemakkelijk te maken[86]; terwijl de getallen dier handwerkslieden

blijken geven, dat de Hertog zijn gezag hier nu wilde vestigen door het

bouwen van kasteelen, gelijk vroeger in _Noord-Holland_ was geschied,

waartoe hij eene groote hoeveelheid »calck, yser ende hout dede copen

totter timmeragie in ons reysen, die wy, off God wil(!), doen sullen op

onse vyanden die Oistvriesen." Bovendien moesten de elf voornaamste

Hollandsche steden 444 schepen (behalve de groote) leveren, en verzocht

hij de stad _Zierikzee_, om hem 25 groote geproviandeerde schepen te

leenen en daarmede de hulpbenden, welke hij in _Engeland_ had

aangeworven, te halen en naar _Vlissingen_ te brengen. Van elders leende

hij nog 300 schepen, ontbood hulp uit _Zeeland_, _Utrecht_, _Zalland_,

het land van _Altena_ enz.; terwijl de Heer van _Hensberg_ hem met 200

bemande galeijen en 4000 Gld., gelijk _Haarlem_ met 4 schepen en 5000

oude Schilden, bijstand deed. Zelfs verzocht hij ondersteuning van den

Koning van _Frankrijk_ en andere vreemde Vorsten, en besloten de

Zeeuwen hem 8000 man te leveren, behalve de manschappen, welke reeds van

hunne Steden waren gevorderd. Eindelijk waren de menigvuldige

toebereidselen tot den Frieschen oorlog gereed, en het groote leger met

de talrijke vloot te _Enkhuizen_ verzameld, alsof het de verovering van

het Heilige land zou gelden[87].

[86] Dit is waarschijnlijker dan IDSINGA'S meening van planken, tot

bedekking van de kuilen, welke men den Hertog gezegd had, dat de

Friezen gegraven hadden ter plaatse, waar hij zou landen.

[87] Omtrent de krijgstoerustingen van dezen tweeden togt zijn er veel

meer bescheiden in de Hollandsche, Friesche en andere Charterboeken

bewaard dan omtrent den eersten. Blijkens deze werd er bijzondere zorg

gedragen voor bouwmaterialen, doch nog meer voor den leeftogt.

Omstreeks half Junij werden de personen benoemd, die de volgende

ambten op de vloot zouden bekleeden, als: 2 Admiralen, 2 Bos- en

Graafmeesters, 3 Timmermeesters, 2 Tentmeesters, 2 Tarwe- en

Bierkoopers, 2 Ossekoopers, 2 Wijnkoopers, 2 "Malvezie, craemcruyt

ende cokenkruyt besorgers," 2 Schape-, 2 Visch- en 2 Boter- en

Kaaskoopers, 4 Meester Ridderen, 5 Meester Knapen, mede belast "te

coopen schottelen, azyn, eyer, mostert, turff, ende zout." Voorts

"Pentiers, Bottelgiers, Cocks en Warderobben, die sullen besorgen XII

knechten meer dan sy nu hebben, die tortyssen dragen sullen voir mynen

Heere, ende die vierpannen voor myns Heren tenten te vieren, te

waecken ende die tenten helpen op te breken."--"Item, sal men hebben

vier groote schepen van Amsterdam, ende in elck schip vyff ovens; by

elcken schepe een schip met meel, ende in den grooten schepen sal men

leggen die barninge mede te backen. Binnen Medenblick sal men een deel

ovens stellen, om daer brood voor 't gemeen volck te backen, drie

bruyn ende 't vierde witt." Doch wij zouden te uitvoerig worden, als

wy meerdere bijzonderheden tot kenschetsing van dezen togt

mededeelden. Van wapentuigen of vuurwapenen vindt men hierbij echter

nog geen spoor vermeld.

Op een der eerste dagen van Julij 1398 stak deze krijgsmagt, onder bevel

van Graaf WILLEM _van Oostervant_, over de Zuiderzee, en landde tusschen

_de Lemmer_ en _Takozijl_. Zij vond vooreerst geen tegenstand, gelijk

vroeger: want de Friezen waren nu geheel anders gezind dan toen. Sedert

dien tijd hadden de partijschappen het hoofd zóó verwoed opgestoken, dat

het in den vorigen jare 1397 bij _Dronrijp_ tot een veldslag was

gekomen, waarin de Vetkoopers de nederlaag hadden geleden. Uit zucht

naar wraak en om zich te herstellen, helden deze nu naar de zijde van

_Holland_ over en boden geen tegenstand, ook op hoop van door den Graaf

in aanzienlijke betrekkingen gesteld te zullen worden. De Schieringers

vreesden de gevolgen van dezen aanval minder; terwijl de ondervinding

ook had geleerd, dat het vruchteloos was, zoo vele vreemde benden in het

open veld te bestrijden. Naar den vroegeren raad van den Potestaat

JUWINGA, hield men zich nu meer in de steden op en trachtte deze te

versterken[88]. Het leger trok alzoo onverhinderd door _Gaasterland_,

doch vond niet ver van _Hindeloopen_ vele Friezen verzameld, die eene

poging wilden doen om _Stavoren_ te beschermen. Zij werden echter na een

hevig gevecht verdreven, en nu trok men naar _Stavoren_, waarin zich

eene groote menigte volks had verzameld. Langer dan drie weken werd deze

stad vruchteloos belegerd, en zij gaf zich niet over, vóór de

aanzienlijkste edelen van _Oostergoo_ en _Westergoo_ met WILLEM _van

Oostervant_ in het leger een verdrag hadden gesloten, waarbij ze zijnen

vader wel tot Heer aannamen, en hem toestonden sloten en burgten in het

land te bouwen en overheden aan te stellen; doch waarbij ze tevens

uitdrukkelijk bedongen, dat de Friezen hunne goederen vrij zouden

blijven bezitten, dat zij tot geene heervaart buiten 's lands zouden

verpligt zijn, dat hun veiligheid van personen en goederen verzekerd

werd, dat ze hun eigen Friesch regt zouden behouden enz.[89]

[88] Zie dit omtrent _Leeuwarden_ in de _Geschiedk. Beschrijv._ I 55,

372.

[89] Zie dit Verdrag in het _Charterb._ 281; SJOERDS, _Jaarb._ IV 127.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 10 / 41 段