Ik moet der Friezen aard vooraf u kennen leeren:

De zonen van dit land, kuisch, werkzaam, stout, en rond,

Verkleefd aan d' eigen haard en d' ouderlijken grond,

Eenvoudig, nooit door zucht naar nieuwigheên bewogen,

Betrachten, als het wit van al hun doen en pogen,

De vrijheid voor zich-zelve en 't oord door hen bewoond.

God, en de Keizer door het Hoofd der Kerk gekroond,

Ziedaar alleen 't gezag, de Heeren die ze erkennen,

En nimmer zal een Fries aan andren zich gewennen;

Hij lijdt geen schijn van dwang, aan lichaam noch aan ziel;

Geen keten waar' zoo licht, die hem verdraaglijk viel.

Geen vreemde inzonderheid beproeve 't hem te dwingen,

Die walgt van al het vreemde en alle vreemdelingen,

Er geen ten burger wil, hun omgang schuwt en vliedt,

En op zijn wettig erf hen noô vertoeven ziet.--

Zoo denkt een echte Fries, zoo denkt hij al zijn leven;

Dien inborst kunt ge niet hervormen of weêrstreven[63].

[63] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga, Treurspel_, Leeuw. 1830, 2. Ten

aanzien mijner behandeling in het algemeen, doch van dit onderwerp in

het bijzonder, meen ik niet onopgemerkt te moeten laten, dat, daar ik

de Friesche Geschiedenis in Hoofdtrekken tracht voor te stellen, ik

zeker velen lezers en nog minder der wetenschap dienst zou doen,

wanneer ik hierin alle of zelfs de voornaamste feiten en

gebeurtenissen opnam, welke onze kronyken in bijzonderheden vermelden.

Bij mijne meer algemeene beschouwingen mag men die kronyken, ter

kennismaking met de bijzondere voorvallen, blijven lezen, waartoe ik,

behalve SCHARLENSIS, WINSEMIUS en SCHOTANUS, voor algemeen gebruik

bijzonder aanbeveel: _It aade Friesche Terp of Kronyk der

Geschiedenissen van de Vrije Friesen; met Bijvoegsels en

Aanteekeningen van_ J. VAN LEEUWEN, Leeuwarden 1834, 480 bladz., thans

voor slechts [f]1,30 algemeen te bekomen.

Hoe gelukkig zoude een volk met zulke eigenschappen geweest zijn,

wanneer het al zijne maatschappelijke voorregten, bij het genot van

vrijheid, orde en welvaart, ~in vrede~ en ~eensgezindheid~ had mogen

smaken! Doch het nog onbeschaafde en veelal ruwe volk was hiervoor nog

evenmin vatbaar als de veelal krijgszuchtige adel, bij wien de volkstrek

van eerzucht en ligtgeraaktheid zich het meest vertoonde. In die zelfde

gunstige omstandigheden lagen ook de zaden van onrust en strijd. Want de

vrijheid is een onwaardeerbaar voorregt, als zij goed aangewend wordt,

en als ieder burger van zijn ~persoonlijk~ belang iets wil afstaan, om

het ~algemeen~ belang te bevorderen. De welvaart is een zegen, zoolang

zij niet misbruikt wordt: want goed geeft moed, en vermogen magt,

hoezeer die dikwijls in overmoed en trots ontaarden. In volksregeringen

zijn er bovendien altijd aanzienlijken, die zich de meeste magt

aanmatigen, welke ligt tot heerschzucht overslaat; terwijl geen krachtig

volk ooit misbruik van magt kon dulden, en de minderen altijd de

vermogenden benijdden en hen gaarne zouden vernederen. In vroegere

tijden, toen de oude eenvoudigheid nog zoo weinig behoeften kende, was

het onderscheid in vermogen niet zoo groot en het verschil in standen

minder merkbaar. Maar hoe zeer was alles veranderd! De kruistogten

hadden eene strijdhaftigheid opgewekt en, vooral bij den adel, een

hooghartigen ridderlijken geest nagelaten, welke bij een strijdbaar

volk, dat gaarne gelegenheid zocht om zijn moed te koelen, gevaarlijk

waren voor de inwendige rust. Hoe heilig en verheven de Christelijke

godsdienst ook ware, waarvoor men zoo vele honderden kerken en kloosters

stichtte, te zwak bleef haar zedelijke invloed op verstand en gemoed,

vooral ter beteugeling van één hartstogt, welke immer en overal zulke

schrikkelijke verwoestingen aanrigtte, en die toen vooral, als ware hij

eene deugd, gevierd en geëerd werd. Het was de onchristelijke

~wraakzucht~, de onverzoenlijke haat, de erfelijke veeten, welke voedsel

vonden in den woesten, onbetemden volksaard en ras beleedigde eerzucht,

die, onder al de vermelde omstandigheden, tusschen heerschzuchtige

edelen en het volk, en vooral tusschen de adellijke geslachten

onderling, eene verbittering deden ontstaan, welke in het laatst der

12e eeuw uitbrak in de grootste aller rampen, in den--_Burgeroorlog_.

Een onverjaarde twist, wiens oorsprong is verloren,

Maar wiens gedachtnis schor den landzaat klinkt in de ooren,

Scheurde in twee deelen eens den Adel, meldt de faam,

En schonk aan ieder deel zijn hatelijken naam;

Vetkoopers doopte hij, die Oostergo verheerden,

En Schieringers, die meest in Westergo regeerden.

Die namen zwemen niet voor de almacht van den tijd,

Maar zijn de leuzen nog, alom, in elken strijd,

Die straks een tweeden baart ter teling van een ander.

Zoo drijven op ons strand de golven ook elkander,

En elke, daar ze een spoor heurs aanzijns achterlaat,

Versterkt aldus de macht van die te volgen staat.

Verblinden![64]

[64] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga_, 4. Zie verder SCHARLENSIS, 33;

WINSEMIUS, 183; SCHOTANUS, 164; SJOERDS, _Jaarboeken_, III 129 enz.

Ja, _Vetkoopers_ en _Schieringers_ waren de namen en leuzen der

partijen, die, even als gelijktijdig de _Heeckerens_ en _Bronckhorsten_

in _Gelderland_ en de _Hoekschen_ en _Kabeljaauwschen_ in _Holland_,

hier de rust der burgers en den vrede des lands verstoorden door een

nutteloozen strijd--niet tegen een buitenlandschen vijand, maar tegen

zich zelve,--niet om eene eerlijke zaak, maar om gelijk te hebben, om

zich te wreken over vermeende beleedigingen en nederlagen, en om, met

vernedering van de eene, de zegepraal der andere partij te bevechten.

Die namen schijnen aan te duiden, dat de strijd tot oorsprong had:

verzet van het gemeene volk of de armen (nog wel het ~graauw~ genoemd,

welk woord met ~schier~ verwant is en aan de grijze kleur der kleeding

schijnt ontleend te zijn) tegen de rijken, die het ~vette~ der aarde

genoten. 't Was echter niet ééne enkele oorzaak, die de onrust baarde:

onderscheidene oorzaken en aanleidingen vloeiden zamen. Vele

brandstoffen ontvlamden na het ophouden van de kruistogten. De daardoor

opgewekte riddergeest en zucht om uit te blinken had tóen een doel

gehad--het Heilige land. Doch bij gemis daarvan, werden de

strijdkrachten van den adel nu onderling tegen elkander gerigt en

verspild. Hevige twisten ontstonden er, nu over den voorrang in het

offeren op de altaren der parochie-kerken, dan over de aanmatiging van

gezag en heerschappij, welke de adel en de aanzienlijken zich

veroorloofden ook over de minderen, waarvan velen zich intusschen tot

een krachtvollen middelstand hadden verheven. De burgerijen der

toenemende steden verzetten zich tegen die magt, en matigden zich regten

aan ten nadeele van het platteland, welks bewoners dáárom de steden vaak

zoo vijandig waren, dat zij alles deden om haar te vernederen en te

benadeelen. Het geweld was de grondslag van het regt geworden. Doch

welke ook de oorzaak ware, spoedig ging deze verloren of werd zij

gewijzigd in den algemeenen burgerkrijg, waarin zich veel persoonlijke

vijandschap en familie-twisten mengden, in welke iedereen partij moest

kiezen.

* * * * *

Er was toen geen besturend opperhoofd of Vorst in _Friesland_, aan wiens

bevelen alle ingezeten moesten gehoorzamen. Ieder hunner had, volgens de

wetten, gelijke regten. Maar juist daarom kon geene vrije Fries dulden,

dat een ander zich boven hem in vermogen en aanzien verhief. Vanhier,

dat de adel, die overal sterke kasteelen of stinzen stichtte en zich van

het gezag meester trachtte te maken, in den haat viel der burgers en

onderling strijd voerde. Zoo vestigen zich als Hoofdlingen in de

voornaamste steden de geslachten: CAMMINGHA, UNIA en AUCKAMA te

_Leeuwarden_, JONGAMA te _Bolsward_, SJAERDAMA te _Franeker_, HEEMSTRA

en RIEMERSMA te _Dokkum_, GERBRANDA en GRATINGA te _Harlingen_, HARINXMA

te _Sneek_ en _Slooten_ enz. Twistgierige edelen, die onder het volk hun

aanhang hadden, belegerden elkander nu op hunne sloten of verwoestten

elkanders bezittingen. Dan verzetten de burgers zich tegen het gezag van

den adel, of de landbewoners zich tegen de aanmatigingen der steden, die

op hare beurt de edelen bestookten of de dorpelingen uitplunderden. Met

aangeworven hoopen bestreed men elkander, en kon men al zijn doel niet

bereiken, dan vertrok men naar een ander, den omtrek in puin of in

vlammen achterlatende. Men behoefde slechts kerken en kloosters

rijkelijk te begiftigen, om kwijtschelding voor bedreven, ja

aanmoediging en een eervollen naam te verwerven bij geestelijken en

kloosterlingen, die vaak zelve oorlog tegen elkander voerden. Dikwijls

trok die geestelijkheid partij; en, in plaats van door de kracht des

evangelies, dat zachtmoedigheid, vergevingsgezindheid en liefde predikt,

vrede te stichten, blies zij het vuur der tweedragt aan. Overal en tot

alle standen drong de verdeeldheid door. Verschrikkelijk was, tusschen

de jaren 1300 en 1500, soms de onrust, de haat, de vervolging en de

onveiligheid van leven en bezittingen. Het regt, dat weinigen meer

eerbiedigden, was van kracht beroofd, om al deze misdrijven te straffen:

want geweld, willekeur en het regt van den sterkste gold overal. Roof,

moord en brandstichting heerschten op vele plaatsen. Persoonlijke

vrijheid, rust en welvaart, die groote voorregten van een burger, waren

geweken. En wanneer bij dat alles soms ook de pest in deze oorden

woedde, of watervloeden nood en dood verspreidden en hongersnood ten

gevolge hadden--dan stegen jammer en ellende ten top, en werden die

plagen gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheid van het

ongelukkige volk. (Zie _Aanteek. 12_.)

* * * * *

Intusschen waren er somtijds ook tijdperken van rust en verademing voor

_Friesland_, even als er steden en grietenijen waren, die zich buiten

den twist hielden en lang vrede genoten. Na hevige schokken, sloegen

vaak de verbitterde vijanden, vermoeid van krijg, ook de bloedige handen

ineen, om voor een tijdlang de vervolgingen te staken. Vooral geschiedde

dit, wanneer een gevaar hen van buiten bedreigde, en de volksvrijheid

door veroveraars belaagd werd[65]. En hoe dikwijls was dit niet het

geval! Ook daarvan willen wij een tafereel ophangen, vermits het altijd

een belangwekkend schouwspel oplevert, een mensch met den tegenspoed en

een volk om de vrijheid te zien kampen.

[65] "Waer omme den Friesen schaedelicker was vrede, dan aenvechtinge

van vreemde heeren: want zij in tyde des vredes meer bloedt storten

onder malcanderen, dan als sy eendrachtelick die wtlandtsche vianden

teghen stonden," zegt WORP VAN THABOR, _Kronyk_, IV 5.

20. _Der Friezen verdediging van hunne Vrijheid tegen de aanvallen van

de Bisschoppen van Utrecht en de Graven van Holland._

In het weleer door de Friezen ingenomene, doch later door de Franken

weder veroverde westelijk gedeelte van het oude Friesche rijk (bezuiden

de Kinhem of Reker in _Noord-Holland_) hadden de Duitsche keizers een

groot deel lands als leengoed opgedragen of geschonken aan den Bisschop

van _Utrecht_ en de Graven van _Holland_ en _Zeeland_. De eersten, die

het geestelijk gezag over het bijna geheel _Friesland_ uitoefenden,

trachtten ook hunne wereldlijke of staatkundige magt uit te breiden, en

slaagden er in, om, met keizerlijke giftbrieven en geweld, van

lieverlede een gedeelte van het vierde en vijfde der Friesche Zeelanden

(de stad _Groningen_ met _Drenthe_ en het noorden van _Overijssel_) van

het vrijheidsverbond af te trekken en onder hun wereldlijk gebied te

brengen. Dit geschiedde echter niet zonder hevigen strijd. Zelfs leed de

Bisschop OTTO II in 1226 daarbij eene zóó geduchte nederlaag, dat hij de

krijgszuchtige poging, om zijn gebied te vergrooten, zelf met den dood

moest boeten. Zijne opvolgers trachtten hun gebied ook in de

_Stellingwerven_ te vestigen, doch hadden zeer veel moeite zich daar

staande te houden. Te vergeefs liet Bisschop GUY _van Henegouwen_ er

daarom in 1309 eene sterkte bouwen--eer deze voltooid was, wierpen de

Friezen haar af, vervolgden hunne onderdrukkers tot _Vollenhove_, dat

zij plunderden, en waar zij zelfs het Bisschoppelijke slot belegerden.

Zij beschoten het van een houten stormgevaarte met steenen en pijlen

zoodanig, dat de overgaaf nabij was, toen de Bisschop, met hulp van den

Hollandschen Graaf en vele zijner edelen, over de Zuiderzee eene groote

heirmagt overzond, die het slot ontzette en de Friezen met groot verlies

deed wijken. Het voornemen, om hen in hun eigen land te vervolgen en te

straffen, werd echter niet volbragt, maar verhinderd door hevige stormen

en regens, zoodat het leger terug trok, en den Bisschop niets anders

overbleef dan de Stellingwervers in den ban te doen, en eerlang een

verdrag met hen te sluiten (1313)[66].--Ook later deden de Bisschoppen

herhaalde vergeefsche pogingen, om deze streken tot onderwerping te

brengen. Doch geen hunner vatte de zaak zoo ernstig ter hand als

FREDERIK VAN BLANKENHEIM, in 1413. Met eene aanzienlijke krijgsmagt trok

hij naar de Stellingwerven, verbrandde _Peperga_, _Blesdijk_ en andere

dorpen en huizen, zonder zijn oogmerk te bereiken. In het zelfde jaar

zond hij zijn Maarschalk ADOLF VAN SWIETEN met volk naar _Lemsterland_,

waar deze door rooven en branden het gezag des Bisschops zocht te

vestigen, doch spoedig eene geduchte wraak moest ondervinden, daar de

bijeengetrokken Friezen hem aantastten en hem met bijna al zijn volk

doodsloegen. Vanhier, dat de Bisschop zich haastte met hen een

vredeverdrag te sluiten, en deze Woudlieden verder ongemoeid liet[67].

[66] Zie WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, III 194; SJOERDS,

_Jaarboeken_, III 236; VAN KAMPEN, _Geschiedenis der Nederlanden_, I

126; _Charterboek_ I 138, 151.

[67] _Charterboek_, 379; SCHOTANUS, _Beschrijv. end Chron._ 175; WORP

VAN THABOR, _Kron._ IV 10, 21; _Tegenwoordige Staat_, I 590.

De _Hollandsche Graven_ hadden van de slappe regering van Keizer KAREL

_den kale_ en zijne opvolgers gebruik gemaakt, om hun gezag uit te

breiden, en om de voor hun persoon ontvangene groote Leenen

stilzwijgend op hunne zonen en opvolgers te doen overgaan. Deze

erfelijke overgang van de groote Leenen was eene zaak van veel gewigt.

Nu magtige heerschers geworden zijnde, was hun gebied hen spoedig te

klein; weldra zagen zij rond naar middelen om dat uit te breiden. Geene

poging daartoe scheen gunstiger te zullen slagen dan een aanval op de

ten noorden van hun Graafschap wonende West-Friezen; en eerlang was het

besluit genomen, hen aan te vallen en te veroveren, opdat hun land van

het Friesche verbond afgetrokken- en het Graafschap toegevoegd mogt

worden.

Dit ging echter niet zoo gemakkelijk als zij zich voorgesteld hadden:

want verbazend was de dapperheid van dezen kleinen volksstam in dat lage

en toen nog zoo waterrijke _Noord-Holland_ tegenover de in den krijg

geharde Hollandsche benden. Al mogten ze vreezen, eens voor de overmagt

te zullen moeten bezwijken,--toch wilden ze hunne vrijheid beschermen of

duur verkoopen, vóór zij een Heer aannamen en zich bukten onder het juk

der leenregering. Hun vrije toestand, nog een overblijfsel van het

Germaansch beginsel, dat bij hen was bewaard gebleven, was een doorn in

het oog dier Graven; en nadat hunne veroveringszucht den eersten aanval

gewaagd had, zonder gunstigen uitslag, verklaarden zij als oproerigen en

wederspannigen

_Die Friezen, tuk op krijg en achter hun moerassen

Geen leenplicht kennend en weerbarstig aan den dwang._[68]

[68] Mr. J. VAN LENNEP, _Verontschuldiging_, 1850, 22. Zie ook

EIKELENBERG, _West Friesland_, 24, 44, aangeh. in HOFDIJK, _Jonker van

Brederode_, 1849, Aanteekening 198.

In een land, allerwege met meren en stroomen doorsneden, waren zij niet

te genaken dan in zeer drooge zomers, of wanneer een strenge winter de

wateren en wegen tot een vasten vloer had gemaakt. Boden zij gelegenheid

tot een hoofdtreffen, dan was hun aanval hevig en onweêrstaanbaar. Dit

ondervond reeds in 1004 Graaf ARNOUD in den bloedigen slag bij het dorp

_Winkel_, waar hij met de bloem van den Hollandschen adel het leven

liet. Bij een lateren aanval, in 1169, werd Graaf FLORIS III met eene

menigte zijner edelen geheel-en-al door hen verslagen. Vruchteloos

werden Hollands krachten gedurig aan hunne bestrijding verspild. Graaf

WILLEM II meende eindelijk in het opwerpen van versterkte sloten het

middel tot hunne onderwerping te hebben gevonden; doch ook dit werd door

den hardnekkigen tegenstand der Friezen bijna onuitvoerlijk: want niet

dan met de uiterste inspanning konden deze kasteelen tot stand

gebragt-en tegen hunne woedende aanvallen verdedigd worden. En toen die

zelfde Graaf WILLEM II, op het punt om _Keizer van Duitschland_ te

worden, hen in persoon wilde bestrijden en daartoe den winter koos, om

overal te kunnen doordringen, moest ook hij, bij _Hoogwoud_ door het ijs

zakkende en door zijne vijanden overvallen, zijne vermetelheid met den

dood boeten (1256).

Zoo duurde de strijd immer voort. De Hollanders waren door buitenlandsch

wapenbedrijf meer geoefend in den krijg; de Friezen hadden alleen hunne

eigene dapperheid en listen daar tegenover te stellen. Huurbenden

begonnen het leger der Hollanders te vermeerderen; de gedurige inbreuken

van de zee en verwijding der stroomen verminderden gelijktijdig het erf

en het vermogen der West-Friezen met de gelegenheid, om hulp van hunne

oostelijke stamgenooten te bekomen. In weerwil dezer toegenomene

bezwaren, ondervond Graaf FLORIS V, brandende van verlangen, om den dood

zijns vaders te wreken, hoe moeijelijk het was, dit fiere volk van zijne

vrijheid te berooven. Eerst na vier veldtogten en het bouwen van vier

sterke kasteelen, en nadat een ontzettende watervloed het land

geteisterd- en het volk weerloos gemaakt had, zoodat het niet moeijelijk

viel met platboomde vaartuigen dorp voor dorp te bemagtigen, knakte hij

der Friezen krachten (1288). Na zijn dood hadden zij nog eenmaal kracht

genoeg den dwang te weêrstaan en drie der vier sloten te vernielen; doch

dit was hunne laatste worsteling. Want Graaf JAN _van Avennes_ bragt met

vreemde hulp een aanzienlijk heir bijeen, waarmede hij hen te land en

ter zee aanviel en overmeesterde (1297). Hem gelukte het eindelijk door

geweld een einde te maken aan hunne betrekking tot de overige Friesche

Zeelanden, en _West-Friesland_, tusschen de Kinhem en het Flie, aan de

Hollandsche Grafelijkheid toe te voegen. Ruim drie eeuwen lang (van 993

tot 1297) duurde alzoo een strijd, die de overwonnenen tot grooter roem

verstrekte dan de overwinnaars[69].

[69] Uithoofde dit onderwerp in onze vaderlandsche geschiedenissen

veelal verkeerd, of naar de opvatting van de Hollanders, wordt

voorgesteld, heb ik deze en de volgende togten dier Graven eenigzins

uitvoeriger bewerkt. Zie hierover breeder bij WAGENAAR, _Vaderlandsche

Historie_, II 115, 129, 235, 240, 260, 401; III 43, 102 enz.;

_Tegenwoordige Staat_, I 429; SJOERDS, _Jaarboeken_, II 169 env.;

BOSSCHA, _Heldendaden_, I 23 enz.

* * * * *

Doch ook tot het bezit van _Friesland_ tusschen het Flie en de Lauwers

strekte de begeerte der Hollandsche Graven zich uit, en dit lag nu aan

de beurt, om met geweld van wapenen veroverd te worden, als het zich

niet vrijwillig mogt onderwerpen. Deze Graven wendden voor, regt of

aanspraak te hebben ook op dit land, op grond van Giftbrieven der

Duitsche Keizers[70]. Doch die hoofden des rijks hadden vergeten of

schenen onbekend te zijn met der Friezen volksregten en hunne

oorspronkelijke betrekking tot het rijk, ten gevolge waarvan hun land

geen leengoed- en dus voor geene verschenking of opdragt vatbaar was. En

evenwel schonken zij _Oostergoo_, _Westergoo_ of _Stavoren_ nu aan de

Bisschoppen van _Utrecht_, dan aan de Graven van _Holland_ of aan die

van _Gelder_ en later weder aan den Markgraaf van _Brunswijk_ en

anderen, hetzij als eene belooning voor genoten diensten, hetzij tot

kwijting van schuld of wel om andere redenen[71]. De Friezen lieten hun

regt daartegen somtijds wel gelden, doch bekreunden zich meesttijds

daarover weinig of niet, en erkenden evenmin de geldigheid dier

giftbrieven als zij gezind waren eenigen vreemden Landsheer, die zich

aan hen wilde opdringen, te ontvangen; te meer, omdat zeldzaam iemand

van die begunstigde personen zijne aanspraken deed of kon doen gelden,

zoodat zij daarvan geringe of geene gevolgen ondervonden.

[70] Ofschoon Graaf ARNOUD in de geslachtlijst der Graven van _Gent_,

bij VAN LOON, _Aloude Hollandsche Histori_, 1734, II 236, reeds Heer

over geheel _Friesland_ genoemd wordt, en ook Giftbrieven in de levens

der eerste Graven, bij SCHRIVERIUS, hiervan gewagen, zoo heeft reeds

UBBO EMMIUS, _Hist. Fris._ lib. V, te kennen gegeven: "datter van de

Hollandsche scribenten bygelapt is, dat Vriesland oock van de

Bataviers af tot de Riviere den Lauwers in de selve gifte van Karel

mede begreepen, ende aen den selven Diederick geschoncken is geweest:

dewijl sulcks noch uyt oude Historiën of brieven van donatie kan waer

ghemaeckt worden; maer ter contrarie dit landt door de bepalinge van

Kinhem klaer en uytdruckelijck genoech daer uyt wordt geslooten." Zie

SCHRIVERIUS, _Levens der Graven_, 's Hage 1667, 34.

[71] Zie die zoogenaamde Giftbrieven op vele plaatsen in de

Hollandsche en Friesche Charterboeken. SCHOTANUS heeft in zijne

_Beschrijv. end Chron._ 71, vele verzameld onder een hoofdstuk: _Vande

verschenckingen deses Landts_. Zie ook HALSEMA, _Verh._ 306, en Mr. J.

DIRKS, _Bijdragen tot de Penningkunde van Friesland_, in de _Vrije

Fries_, III 28, 37 enz.

Ons Friesland was een maagd, die, schoon wat stug van aard,

In veler Vorsten hart een gloed van lusten baart;

De lust wekt list, en, om de maagd tot vrouw te maken,

Ontzag zich geen van hen haar d' ouderen te ontschaken[72].

[72] VAN HALMAEL, _de Schieringers en de Vetkoopers_, 142.

Nog vóór het eindigen van den strijd tegen de West-Friezen verlangde

Graaf FLORIS V ook _Friesland_ te bemagtigen. In 1288 schijnt hij

daartoe eene vergeefsche poging gedaan te hebben; doch in 1292 gelukte

het hem, om, met eene vloot over de Zuiderzee gekomen, zijn gezag alléén

te vestigen in de koopstad _Stavoren_, welke zich daartoe zonder

tegenstand gemakkelijk liet overhalen, omdat zij voor haren handel

daarbij meer kon winnen dan verliezen. Want op den zelfden dag, den 1

April 1292, dat zij den Graaf huldigde, verkreeg zij van hem voorregten

en vrijheden, die voor haar van belang waren. Het is niet bekend, dat de

Graaf verder pogingen deed, om ook het overig gedeelte van _Friesland_

te bemagtigen[73].

[73] Zie _Charterb._ I 124, 126, 131 env.; SCHOTANUS, _tabl._ 13;

WINSEMIUS, 179; WAGENAAR, III 46; SJOERDS, III 142, 149, 181.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 9 / 41 段