Bij gebrek aan stellige narigten zullen wij ons, uit velerlei

omstandigheden, zeker met de meeste waarschijnlijkheid mogen

voorstellen, dat er op zulk eene wijze in de 12e en 13e eeuw in

_Friesland_, tusschen het Flie en de Lauwers, _elf_ Steden zijn

ontstaan. Reeds vroeger (bl. 63) hebben wij gesproken over de oudste

dier steden, over _Stavoren_, en evenzeer gewaagd van hare gunstige

ligging aan den Fliestroom, waardoor hare scheepvaart en handel zich

reeds vroeg ontwikkelden, als van de oorzaken, waardoor zij in verval is

geraakt. _Dokkum_, aan de tegenovergestelde zijde van dit gewest op eene

zeer hooge terp aan de Ee en de Donger, in de nabijheid der Lauwerszee

voor scheepvaart en handel niet minder voordeelig gelegen en reeds vroeg

door den marteldood van BONIFACIUS algemeen bekend, wordt naar den

ouderdom voor de tweede in rang dezer steden gehouden. Aan de westzijde

der Ee, waar zij met andere stroomen in de Middelzee viel, was

_Leeuwarden_ aan een landhoek op twee breede terpen of werden ontstaan;

eene ligging, aan dien breeden zeeboezem, welke visscherij, scheepvaart

en handels-verkeer zeer begunstigde, en de spoedige uitbreiding dezer

zeeplaats bevorderde. Zoolang zij een dorp was, droeg ze den naam van

_Nijehove_, in tegenstelling van het daarbij gelegene en om zijne

leerschool beroemde dorp _Oldehove_, waarmede zij aan de westzijde,

gelijk met het dorp _Hoek_ aan de oostzijde in 1435 tot ééne grootere

stad verbonden en uitgebreid werd, nadat zij, door het opslijken of

verlanden van de Middelzee van eene Zee- in eene Landstad was

herschapen. Dit zelfde was het geval met _Bolsward_, _Sneek_ en _Ylst_,

oorspronkelijk aan de zuidzijde van dien zeeboezem gelegen, doch wier

zeehandel en scheepvaart zich nu, na het gelijktijdig ontstaan van de

Zuiderzee, verplaatsten naar _Harlingen_, _Workum_ en _Hindeloopen_, die

zich eerlang uitbreidden en in bloei toenamen, ook ten gevolge van het

verval van _Stavoren_. De opkomst en uitbreiding van _Franeker_, waar

reeds vroeg de Grafelijke regtstoel en der Vijf deelen regtspleging werd

gehouden, werd vooral bevorderd, doordien een aantal vermogende edelen

van _Westergoo_ zich daar vestigde, en te midden der woningen van de

nijvere burgers sterke huizen liet bouwen. Gelijktijdig vervielen de

zeeplaatsen _Ezonstad_ aan de Lauwerszee, _Uitgong_ aan den mond der

Middelzee, waaruit het latere aanzienlijke dorp _Berlikum_ ontsproot, en

_Grind_, thans eene zandplaat N. W. van _Harlingen_. Het is echter zeer

twijfelachtig of deze plaatsen, gelijk ook het, in eene lage veenachtige

streek, afgelegene _Wartena_, eertijds stedelijke regten hebben bezeten:

want dat wallen en poorten toen nog geene kenmerken waren van eene stad,

hebben al de elf Friesche steden bewezen, dewijl de meeste daarvan eerst

in de 14e en 15e eeuw, bij het toenemen van de binnenlandsche oorlogen,

zijn versterkt geworden; terwijl _Ylst_, _Workum_ en _Hindeloopen_ zelfs

geene wallen en poorten hebben bekomen en onbevestigd zijn gebleven.

In het algemeen beschouwd, is het ontstaan van de Steden in ons

vaderland een blijk, hoe een wakker gedeelte der toenmalige bevolking

zich den kinderlijken leeftijd ontwassen achtte, en als knaap naar

meerdere ontwikkeling en zelfstandigheid streefde; ofschoon het later

mede eene der oorzaken werd van die bloedige partijschappen en

burgeroorlogen, welke in ons vaderland zoo lang vooruitgang en

beschaving hebben tegengehouden.

* * * * *

Groot waren alzoo de veranderingen, welke _Friesland_, vooral

gedurende de 13e eeuw, onderging, ten gevolge van een zamenloop van

omstandigheden, die echter niet alle regtstreeksche gevolgen waren der

kruistogten. De toestand des volks was in vele opzigten verbeterd; de

bronnen van bestaan waren vermeerderd; kennis en bekwaamheden werden

ontwikkeld, zoodat er voor de algemeene beschaving des volks werkelijk

eene betere toekomst scheen aan te breken. Naar wijze wetten en

verordeningen, welke nog voorhanden zijn[47], werden, bij jaarlijksche

beurtwisseling, de Steden bestuurd door een Olderman, Burgemeesters en

Schepenen, gelijk de Grietenijen door een Grietman en zijne Bijzitters

of Regters. Aan allen was mede de uitoefening van het regt, zoowel in

burgerlijke als in strafzaken, opgedragen, welke vroeger door den Graaf,

den Schout of Schelte, den Asega of Aesga en den Frana met de door het

volk verkozene regters geschiedde[48]. Toen werden de regtdagen of

weerstallen en warven onder den open hemel, veelal op kerkhoven, later

in of aan de kerken, gehouden, waarvan de _Wonser-_, _Midlumer-_ en

_Donia-weerstallen_ of regtplaatsen nog bij name bekend zijn, even als

de _Warkeamers_ nog aan sommige kerken worden gevonden[49]. De straffen

voor de misdaden bestonden destijds in vee of in geld, als boete aan den

beleedigde en breuk aan den regter en het volk, wegens de overtreding

van de wet. Ieder Goo had bovendien een Landraad en Gooregters, die de

algemeene belangen behandelden en hoofdmisdaden beregtten. In

_Oostergoo_ hielden deze, althans in de 15e eeuw, de landsdagen op de

stins _Barrahuis_ onder _Wirdum_, in _Westergoo_ te _Hartwerd_ en later

te _Franeker_, en in de _Zevenwouden_ (eerst in het begin der 15e eeuw

tot een geheel verbonden) te Rottum[50].

[47] _Oude Friesche Wetten_, afgedrukt in SCHOTANUS, _Beschrijvinge

van Frieslandt_, 1664, 23, en later verbeterd, vertaald en met

belangrijke aanteekeningen uitgegeven door P. WIERDSMA, Kampen en

Leeuwarden, 1782; RICHTHOFEN, _Friesische Rechtsquellen_, enz.

[48] Zie over die wijze van regtspleging, behalve de _O. F. W._, ook

het voortreffelijke werk van HALSEMA, bl. 56, 76, 91 en vervolgens, in

_Aanteekening 9_ breeder vermeld.

[49] Aanteekeningen op de _Oude Friesche Wetten_, 40, 106, 179, 197.

[50] Zie WORP VAN THABOR, _Kronyk_, IV 2.

Later hielden de voornaamste edelen en geestelijken, met de hoofden der

steden en grietenijen Gaarleggers of bijeenkomsten op verschillende

plaatsen, om, onafhankelijk van den Landraad, de algemeene of bijzondere

belangen te regelen. Tevens vinden wij in de geschiedenis dikwijls

Potestaten vermeld, als hoofdbestuurders, opperbevelhebbers of

aanvoerders, in de plaats van de vroegere Hertogen of Goograven. Welligt

werden zij enkel in tijden van nood of gevaar gekozen en aan het hoofd

van den Landraad geplaatst, om de hoogste magt voor een bepaalden tijd

uit te oefenen. Omtrent deze personen heerscht er echter veel duisters

in onze geschiedenis[51]. Het gansche Staatsbestuur droeg blijken, hoe

zeer men de aanleiding tot misbruik van magt vreesde, en de regten des

volks trachtte te bewaren tegen de aanmatigingen zoowel van vreemden

als van sommige edelen[52]. »De Friesche natie leverde te dezen aanzien

een treffend contrast op, met den staat van andere natiën vergeleken. In

alle andere landen berustte toen de oppermagt óf in handen van eenen

volstrekten Meester, óf zij was tusschen den Vorst en een klein getal

wreede en hoogmoedige Edellieden verdeeld. Deze laatsten, welverre van

de vrijheid der volken te beschermen, waren als zoo vele dwingelanden,

die haar uitdelgden. De inwoners van _Friesland_, niet tevreden dat

zij door eene afhankelijkheid, welke inderdaad slechts in naam bestond,

aan het Duitsche rijk verbonden waren, en óf door zich zelven óf door

hunne vertegenwoordigers invloed op de volksvergaderingen hadden,

namen dikwijls het bestier der zaken op zich, en stelden zich

staatsligchaamswijze aan het hoofd der openbare verrigtingen. Schoon de

algemeene landsdag-vergaderingen voornamelijk uit de afgezondenen der

onderscheidene regtsgebieden en plaatsen waren zamengesteld, hadden

echter alle inwoners het regt haar bij te wonen. Ook ziet men, tot in de

16e eeuw toe, openbare acten uitgegeven in den naam niet alleen van de

Overheden, maar ook van de Gemeente en het gansche ligchaam des

Volks"[53].

[51] Aanteekening op de _Oude Friesche Wetten_, 118.

[52] Zie over het vermelde VAN LOON, _Aloude Regeringswijs van

Holland_, IV 175; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 423; _Tegenw. Staat_,

I 128; VAN HALMAEL, in het _Friesch Jierboeckjen foar 1834_, VII.

[53] _Grondwettige Herstelling van Nederlands Staatswezen_, Amsterdam

1784, I 80, met aanhaling van het _Charterboek_, I 124, 131, en VAN

IDSINGA, _Staats-recht der Nederlanden_, 363.

Gelijktijdig was er nog eene andere magt in den Staat en eene niet

minder gevreesde regtbank, die der _Geestelijkheid_, wier invloed

destijds van veel belang was, als naauw met het wereldlijk gezag

verbonden. Wij achten het nuttig, ook daarvan een algemeen overzigt te

geven.

18. _De Friesche Geestelijkheid, Kerken en Kloosters in de

middeleeuwen._

In der Friezen aard en karakter is het dikwijls opgemerkt, dat zij tegen

vreemde personen en nieuwe zaken vaak zeer ingenomen zijn, zoolang zij

die niet kennen, doch dat zij later, als derzelver waarde de proef des

onderzoeks heeft doorgestaan, daarvan even ijverige voorstanders worden,

als zij vroeger tegenstanders waren. Het gezond verstand en de

billijkheid (waardoor de Friezen zich steeds hebben onderscheiden)

behalen dan de overwinning op een aangeboren afkeer van vreemden, op de

gehechtheid aan het oude en op de vrees voor schade bij eene

verandering, welke de voorzigtigheid nog niet als eene verbetering heeft

leeren kennen.

Omtrent geene zaak is dit krachtiger gebleken, dan ten aanzien van het

Christendom. Eeuwen lang streden de Friezen daar tegen, ook om

staatkundige redenen, en bleven zij afkeerig van de aanneming der

Christelijke leer, zoolang zij haar niet kenden. Maar toen zij haar

eenmaal hadden aangenomen en van hare waarde overtuigd waren, werden zij

daarvan eerlang even groote voorstanders als weleer tegenstanders.

Spoedig echter ging deze overgang niet, en zijn er, om boven vermelde

redenen (zie bl. 75), uit de drie eerste eeuwen na de aanneming van die

leer geringe sporen van dien ijver bekend. Maar de geschiedenis getuigt

en de blijken zijn er nog van over, dat er weinige landen van gelijke

uitgestrektheid in _Europa_ bestaan, waarin de vrome zin der ingezetenen

uit eigene middelen zoo vele Kerken en Kloosters heeft gesticht en

rijkelijk begiftigd, als in deze provincie. Ja, het is geene

overdrijving als wij zeggen, dat er in _Friesland_ nagenoeg zoo vele

Steden gesticht werden als er maanden-, zoo vele Kloosters als er weken-

en zoo vele Dorpen als er dagen in het jaar zijn. Indien dan

vreemdelingen in dit noordelijk geweest te vergeefs zoeken naar zulke

grootsche en prachtige gewrochten der bouwkunst, als in andere landen

door vereenigde krachten werden tot stand gebragt, dan kan nog het

_aanzienlijk getal_ torenspitsen onzer steden en dorpen getuigen, dat de

vroomheid der vaderen hier zeer vele bewijzen heeft achtergelaten van

hunnen ijver voor Christendom en Kerk.

Vermits KAREL _de groote_ bepaald had, dat de ingezetenen van ieder

kerspel voor eene kerk en woning van den Pastoor moesten zorgen, zoo

werden er in dit gedeelte van _Friesland_ bij de invoering van de

Christelijke leer hier en daar reeds kerken gesticht. Het waren toen

echter nog slechts van hout opgetrokkene bedehuizen met riet gedekt.

Doch in de 11e, 12e en 13e eeuw, toen het bouwen met steen werd

ingevoerd, vermeerderde dit getal in groote mate[54]. Daarvoor waren

verscheidene redenen en aanleidingen. Toen toch werd de maatschappelijke

toestand der gemeenten meer en meer geregeld, bij de toeneming van

welvaart en vermogen. De zucht om verdienstelijke werken te doen,

waarvoor de Kerk vergeving van zonden had toegezegd, was voor sommigen

eene aansporing om zich naar het Heilige land te begeven, en voor

anderen een prikkel, om door hunne middelen den opbouw van Kerken en

Kloosters te bevorderen. Hier waren het nu vroomheid en godsdienstijver;

daar eerzucht en hoogmoed, om iets grooters en schooners te bouwen dan

anderen reeds hadden gedaan, en elders zucht naar onafhankelijkheid,

gepaard met nijd en onderlinge wedijvering van de edelen, die elkander

den voorrang in het offeren op de altaren betwistten, welke het getal

kerken en parochiën deden vermeerderen[55].

[54] Ook HALSEMA getuigt bl. 466 en 469, dat de menigvuldige kerken in

_Friesland_ door de landzaten of karspellieden, waaronder eenige

weinige edelen, en niet door milddadigheid van koningen en vorsten

zijn gesticht en met de noodige goederen begiftigd, waarop hun regt

gegrond is tot bestelling van die kerken of het benoemen van leeraren

en het beheer van die goederen. Zie mede WIERSMA'S Aanteekeningen op

de _Oude Friesche Wetten_, 257, en SCHARLENSIS, 33^o.

[55] De Heer EYCK TOT ZUYLICHEM te _Utrecht_ heeft in _de Vrije

Fries_, V 163, eene Beschouwing van den Bouwtrant van eenige oude

Kerken in _Friesland_ gegeven, waarin hij de gewone, nog onveranderde

bouworde onzer dorpskerken zeer merkwaardig noemt, als behoorende tot

den Romaanschen of Oud-Gothischen bouwtrant, met ronde koorsluiting,

van niet later dan de 11e of 12e eeuw. Opmerkelijk is het, dat de

gewone bouworde onzer Kerktorens, met gewoon huisdak tusschen twee

brandgevels, hier even algemeen is als in _Denemarken_, en slechts

zeldzaam in zuidelijker provinciën wordt gevonden. Vele dier torens

hebben den vorm en de zwaarte onzer oude Friesche Stinzen, en schijnen

mede gebouwd te zijn met het doel, om door de ingezetenen gebruikt te

worden als plaats van toevlugt en bescherming, in tijden van nood en

gevaar.

Nagenoeg de zelfde oorzaken en drijfveren werkten gelijktijdig mede, om

de stichting en opbouw te bevorderen van een aantal _Kloosters_; van die

gestichten in en nabij steden en dorpen, waarin een aantal mannen of

vrouwen zich begaven, om zich van de woelige wereld af te zonderen en

zich geheel over te geven aan godsdienstige bespiegelingen, gebeden en

werken van liefdadigheid. Naarmate de onrust der tijden vermeerderde,

ten gevolge der binnenlandsche oorlogen en partijschappen, namen deze

kloosters in aantal en vermogen toe, dewijl weerlooze vrouwen en rustige

ingezetenen daarin veiligheid en bescherming vonden, en tevens

gelegenheid, om zich op wetenschappen en kunsten toe te leggen. Het _St.

Bonifaas-klooster_ te _Dokkum_ en dat van _St. Odulphus_ te _Stavoren_

worden hier voor de oudste gehouden. In _Oostergoo_ waren verder de

voornaamste: de Abtdijen van _Mariëngaard_ en _Klaarkamp_ onder

_Hallum_ en _Rinsumageest_, in 1163 en 1165 gesticht; benevens het

_Smallen-eester-_, _Gerkes-_ en _Foswerder-klooster_; terwijl er alleen

in en bij de stad _Leeuwarden_ vier zulke gestichten verrezen, waaronder

het _Dominikaner-Klooster der Predikheeren_ (1245) (waarvan de nog

bestaande Groote kerk de kapel was) tot de aanzienlijkste van dit gewest

gerekend werd. In _Westergoo_ bekwamen de Abtdijen van _Lidlum_ bij

_Tjummarum_ (1182), _Oldeklooster_ bij _Hartwerd_ (1191), _Ludingakerk_

onder _Achlum_ (1157), benevens de kloosters _Thabor_ onder _Tirns_

(1406) en _Groendijk_ bij _Sneek_, _Monnikebaaijum_ onder _Winsum_

(1188) en meer andere groot aanzien en vermogen; terwijl van de

kloosters der _Zevenwouden_ de _Aalsumer-_, _Nesser-_, _Hasker-_ en

_Schoter-konventen_ het meest vermaard waren[56].

[56] Waarschijnlijk zal ik onder de Bijlagen eene Lijst van al de

Kloosters opnemen. Het aantal verschillende gebouwen, waaruit die

gestichten veelal bestonden, is opgenoemd door den Heer VAN LEEUWEN in

de Aantt. op _it aade Friesche terp_, bl. 440.

* * * * *

Gedurende de drie à vier eeuwen, dat de meeste dezer kloosters in

_Friesland_ bestonden, zijn ze van groot nut, gezag en invloed geweest.

Want, vermits kloosters als _Lidlum_ in 1293, zoo men wil, 600 en

_Mariëngaard_ 400 inwoners telden, welke doorgaans zeer bekwame Abten of

Priors, die soms op buitenlandsche reizen geoefend waren, aan het hoofd

hadden, en meest allen door erfenissen en giften aanzienlijke goederen

bezaten, zoo waren deze gestichten eene veel vermogende magt in den

Staat geworden. Heilzaam werkte die magt, ook buiten het geestelijke,

ten behoeve van verschillende maatschappelijke belangen van dien tijd,

waaraan zij tevens haar eigen voordeel zocht te verbinden: want de

staatkundige en geestelijke betrekkingen, regten en verpligtingen der

ingezetenen waren destijds zeer naauw vereenigd en stonden minder op

zich zelve als later. Zoo verleenden de kloosters, wegens hunne

aanzienlijke grondeigendommen, dikwijls krachtige hulp tot het aanleggen

van zeedijken, het graven van vaarten, het verbeteren van wegen, het

leggen van sluizen enz.;--zaken, tot wier daarstelling de afzonderlijke

krachten der ingezetenen vaak te zwak of te verdeeld waren. Vele dorpen

ondersteunden zij tot het bouwen van parochie-kerken; en, terwijl zij

hier de verbetering van landerijen, daar de landwinning en elders de

afgraving van de hooge veenen bevorderden, zien wij hen voor het

algemeen belang vele openbare werken tot stand brengen. Behalve op de

wetenschappen en kunsten, welke bijna alleen in deze vreedzame

oefenplaatsen bescherming vonden, hadden de kloosterlingen ook veel

invloed op de ontwikkeling van de nijverheid, door verbetering van de

bouwkunst, van vele handwerken, van den landbouw en van het boter-en

kaasmaken, welke, als bronnen van bestaan voor het volk, later zoo

belangrijk werden.

Zulk een magtig geestelijk ligchaam in den Staat werd eerlang ook van

veel staatkundig belang in de regering des lands. De kloosters werden

daarin vertegenwoordigd door bekwame Prelaten, die de belangen van de

geestelijkheid en het volk op de landsdagen en gaarleggers deden gelden

tegen de aanmatigingen van den adel. Zij voerden de pen, stelden de

besluiten en verdragen, en werden dikwijls als afgezanten naar vreemde

vorsten gezonden. Sommige kloosters voerden zelfs hevigen strijd tegen

aanzienlijke geweldenaars, of namen deel in den binnenlandschen krijg

door het ondersteunen van hunne partij of vrienden.

Wanneer wij de bevolking van ieder dier vijftig Friesche kloosters

door-een op zestig personen schatten, en bedenken, dat de

parochie-kerken der elf steden en 360 dorpen een of meer Hoofdpriesters

en vele ook een Vicaris hadden (om van de Prebende-priesters, die

bijzondere altaren bedienden, te zwijgen), dan kunnen wij ons een gering

denkbeeld vormen van de talrijkheid der toenmalige Friesche

geestelijkheid. Wanneer wij bovendien opmerken, dat die kerken en

kloosters in het bezit waren van een groot deel der vaste goederen in

dit gewest of dat zij renten daarvan trokken[57]; alsmede, dat de meeste

dier geestelijke personen zich door meerdere kennis en bekwaamheid

onderscheidden, dan is het zeer natuurlijk, dat zij in een tijdvak,

waarin het volk meerendeels nog onwetend en onmondig was, groot gezag en

invloed konden en moesten uitoefenen. De gansche strekking van het

Roomsch Katholijk godsdienst-stelsel droeg mede veel bij, om het volk

aan de oppermagt der kerkelijke heerschappij onderworpen te houden. Lang

werkte die magt gunstig, doch onmogelijk kon zij duurzaam zijn: want zij

moest van zelf ontbonden worden, toen eerlang het volk, zijne

kindschheid ontwassen, naar meerder licht streefde, en toen misbruiken

het ligchaam der geestelijkheid zelve bevlekt hadden. In weerwil van al

de onvolkomenheden der geestelijken en de ongeregeldheden, welke aan het

kloosterleven eigen mogen geweest zijn, verdienen echter de geestelijke

instellingen dier dagen onzen eerbied en duurzame belangstelling.

Onbillijk is het immers, de toenmalige wereld naar onzen maatstaf en

naar aanleiding van misbruiken, die zelfs de beste inrigtingen

aankleven, te beoordeelen. Wie toch zou het evangelie willen verwerpen,

om de vervolgingen, waartoe het aanleiding gaf? En wie ziet niet in de

geschiedenis zoowel als in het dagelijksch leven, dat bekrompenheid,

onkunde en gebrek aan godsdienst bij een groot deel der bevolking, 't

welk enkel voor de zinnen leeft, de oorzaken zijn van dwaling, zonde en

misbruik, ook van de heiligste zaken. Immer bestonden er evenwel vele

stille vromen, die God en den Heer van ganscher harte liefhadden en

dienden; die reinheid van gemoed en veredeling van den onsterfelijken

geest hooger waardeerden, dan alle uitwendige praalvertooning. Deze

vonden, onder de bestendige stormen van den krijg, in de kloosters een

toevlugt en bescherming; zij waren een scherp tegenbeeld van de

zinnelijk-dierlijke denkwijze der wereldlingen; zij toonden hen, die

slechts naar roof en rijkdom, naar magt en aanzien jaagden, dat er nog

iets beters te vinden was dan het vergankelijke. Door zulk een

verhevener zin werkten zij weldadig op de wereld, die echter eerlang,

uit partijzucht, de deugden en verdiensten der geestelijken vergat, om

enkel de ondeugden van sommigen hunner, uitzonderingen op den algemeenen

regel, voor de vergetelheid te bewaren. Hoe gebrekkig de kerkleer en hoe

weinig verheffend de plegtigheden dier dagen ook waren, toch hielden zij

de weldadige vlam der godsdienst levendig, en weerhielden zij het volk,

om geheel tot woestheid en onwetendheid te vervallen. »Ja, hadden de

middeleeuwen naast de hutten der landbewoners en de kasteelen van den

meestal krijgvoerenden adel geene kloosters, als zoo vele wijkplaatsen

en oefenperken voor denkende wezens, gekend, dan zou de maatschappij in

_Europa_ slechts uit last- en roofdieren hebben bestaan"[58].

[57] De _Beneficiaal-boeken van Friesl._ (Leeuw. 1850) bevatten eene

lijst der Inkomsten en Bezittingen van meest alle ~Parochiën~, zoo als

die in 1543, op bevel der regering, aangegeven zijn. Het gezamenlijk

bedrag van de goederen der ~Kloosters~ zal wel niet minder geweest

zijn. Bekend is het, dat Graaf WILLEM III reeds in 1328 allen

Kloosteren en Geestelijken in _Holland_, _Zeeland_ en _Friesland_

verbood, meerdere vaste goederen aan te koopen, _Charterb._ I 183. Wij

betwijfelen het echter, dat zij in _Friesland_ ooit, en veelminder

destijds reeds, tweederden der landerijen zouden hebben bezeten, zoo

als CERISIER, _Tafereel der Nederl. Geschiedenis_, Utrecht 1781, I 411

en _Tegenwoordige Staat_, I 477 melden.

[58] Zoo oordeelt MACAULAY, in zijne voortreffelijke _Geschiedenis van

Engeland_, 's Hage 1850, I 9.

* * * * *

Reeds bij de invoering van het Christendom was _Friesland_ tusschen het

Flie en de Lauwers onder het geestelijk gebied van den Bisschop van

_Utrecht_ gesteld, met uitzondering van de grietenij _Achtkarspelen_,

welke, met _Groningen_ en verdere oostelijke landstreken, onder den

Bisschop van _Munster_ kwam[59]. Het land was in de 13e eeuw verdeeld

in Dekenschappen, aan wier hoofd Dekens of Landdekens stonden, welke

aangesteld werden door den Bisschop en die Proosten der Utrechtsche

kerk, welke Aarts Diakens in _Friesland_ waren. De Dekens met hunne

Bijzitters hadden het bestuur en de regtspraak over de geestelijken en

leeken der parochiën, volgens het Friesche Kerkelijk regt, het Zeendregt

of _Syndriucht_ geheeten[60]. Alle drie of vier jaren kwam er een

Koor-Bisschop, als afgezant van den Bisschop, herwaarts, om Zeend of

Synode te houden en de hoogste geestelijke magt uit te oefenen. Later

waren er ook in ieder Goo Geestelijke Commissarissen, die het opzigt

hadden over het gedrag en de regtsoefening der Dekens, de levenswijze

der geestelijken enz. Van de Kloosters werden sommige, die den rang van

Abtdijen hadden, door Abten en andere door Priors bestuurd. Zij stonden

geheel op zich zelve, en waren alleen den Paus onderworpen[61].

[59] Deze opmerkelijke uitzondering schrijft SCHOTANUS, _Beschrijv.

end Chronyck_, 301, daaraan toe, dat de evangelie-prediker LUDGER van

_Wierum_, later Bisschop van _Munster_, het Christelijk geloof in

_Achtkarspelen_ had gebragt, waardoor dit gedeelte bewesten de Lauwers

onder het geestelijk gebied van dat stift is gekomen.

[60] Behalve bij SCHOTANUS, t. a. p. 286, is dit Zeendregt, met

vertaling en belangrijke verklarende Aantt. van WIERDSMA, afgedrukt in

het 2e st. der _Oude Friesche Wetten_, 201, 207.

[61] Over de Friesche kerken en kloosters kan men uitvoeriger berigten

vinden in: SCHOTANUS, _Beschrijvinge end Chron._ 298; _Oudheden en

Gestichten_, I 24 en verv.; FOEKE SJOERDS, _Beschrijving_, I 64, 635;

_Tegenwoordige Staat_, I 32, 251, 434; VAN HALMAEL, in het _Friesch

Jierboeckjen foar 1834_, XV, en de _Lijst der Kloosters_ achter het

_Stamboek van den Frieschen Adel_; VAN LEEUWEN, Aantt. op _it aade

Friesche terp_, 395, 405, 440. Zeer wenschelijk is het, dat de

geschiedenis van de Friesche Kloosters eenmaal opzettelijk onderzocht

en behandeld mag worden.

Hoe veel gezag de geestelijke oppermagt in de middeleeuwen ook over de

volken van _Europa_ uitoefende, de geschiedenis heeft ook deze

opmerkelijke bijzonderheid bewaard, dat de Friezen de zelfde vrijheid,

welke zij in het staatkundige bezaten, ook ten aanzien van het

geestelijke vasthielden en zich niet lieten ontwringen. »Zij toonden,

wanneer zij het begrepen, van geen kerkbewind, hoe hoog ook, wetten te

willen ontvangen, zich storende noch aan Bisschop noch aan Paus. In den

boezem des volks bleef het regt en de magt berusten, om hunne eigene

pastoren aan te stellen, kerkelijke bedieningen te begeven en de

kerkegoederen te beheeren, waardoor zij ook zorgden, dat geene vreemden

hier tot waardigheden verheven werden. Verpligte tienden aan de

geestelijkheid hebben zij zich evenmin laten opleggen, als zij leenen

wilden erkennen. Geene pauselijke besluiten waren van eenige kracht bij

hunne geestelijkheid, indien ze niet door de burgerlijke regering

gewettigd waren. Hieruit moet ook verklaard worden, dat de

godsdienstleer der kerk hier veel zuiverder, dan wel in andere landen

voorgedragen en beleden werd. Zóó was het gesteld in de kerk van geheel

_Friesland_"[62].

[62] YPEIJ en DERMOUT, _Geschied. der Ned. Herv. Kerk_, Breda 1819, I

410, Aantt. 185; YPEIJ, _Geschied. der Syst. Godgeleerdh._, Haarlem

1793, I 180; BUMA, _Het regt der Friesche Floreenpligtigen_,

Leeuwarden 1849, 13, 30; doch vooral uitvoerige berigten deswege in

het belangrijke werk van V. IDSINGA, _Staats-recht der Nederl._ Leeuw.

1758, I 379, en de in die werken aangehaalde schrijvers, bijzonder

HALSEMA, 475, en niet minder WIERDSMA in de _O. F. W._ 257.

19. _De Partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers. (Van

omstreeks 1300-1498.)_

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 8 / 41 段