Aan bijna al de verdere kruistogten, vooral aan die van de jaren 1119,

1147 en 1189, namen vervolgens vele Friezen deel, en hielden zij den

eens verworven roem van beleid en dapperheid staande. Doch op geenen

togt behaalden zij grooter lof en eer, dan op een der laatste, in 1217

ondernomen. De Priester OLIVIER van _Keulen_ was naar _Friesland_

gezonden, om daar het kruis te prediken. Het gelukte hem, de menigte met

zulk eene geestdrift voor dezen togt te bezielen, dat, volgens zijn

eigen berigt, 50,000 Friezen de wapenen opnamen en zich te _Dokkum_ en

elders op meer dan 80 schepen ter zee begaven. Onderweg vereenigde deze

vloot zich met die van Graaf WILLEM I van _Holland_. Na zich lang in

_Portugal_ te hebben opgehouden, overwinterden zij in de haven der

Italiaansche stad _Corneto_, waar zij van Paus HONORIUS III vele

gunstbewijzen ontvingen.

In het volgende voorjaar zetten zij de reis voort naar de sterke

Egyptische stad _Damiate_, aan een der monden van den Nijl en de

Middellandsche zee gelegen. Reeds dadelijk bij de landing bewonderde het

leger den moed van een Friesch boogschutter. Toen de Saracenen zich naar

het strand begaven, om de landing te beletten, schoot deze onversaagde

krijgsman de eene pijl na de andere op hen af, zoodat velen getroffen

ter aarde zonken. Vlugtende ontwijken nu de anderen den vijand, en het

was door deze koenheid, dat de Christenen hunne legerplaatsen

ongehinderd konden opslaan.

Vóór dat men de rivier kon opzeilen, om bij _Damiate_ te komen, moest er

een sterke toren, op een eiland, veroverd worden, terwijl er eene

ketting over de rivier was gespannen. De ongeduldige Friezen zwommen

echter den Nijl over, en raakten slaags met de Saracenen. Men riep hen

van daar terug, en nu hielpen zij met mannenmoed den sterken toren

belegeren. Dappere tegenweer deed herhaalde aanvallen mislukken. Daarom

bouwden de Friezen en Duitschers een vreemd krijgswerktuig, om hiermede

den toren te bestormen. Op twee hunner schepen, koggen genaamd, legden

zij zware balken, zetten vier masten daarop, en bouwden daar boven een

toren, van planken en vlechtwerk, met huiden gedekt, om tegen de pijlen

en het grieksch vuur der belegerden beschut te zijn. Een lange ladder en

valbrug waren er aan verbonden, om den toren te kunnen beklimmen. Onder

de gebeden der Christenen en den hevigsten tegenstand der Turken, werd

met dit gevaarte de sterkte aangevallen. Van weerszijden werd woedend

gestreden. Een jong ridder uit _Luik_ beklom het eerst den toren. Hem

volgde een zeer jonge Fries, HAIJO, van _Wolvega_, die, met een

dorschvlegel gewapend, allen versloeg, die hem tegenstonden, en ook het

vaandel van den Sultan veroverde. Weldra werd nu, als blijk van de

overwinning, onder het gejuich der Christenen, den standaard des kruises

op den toren geplant. Later gelukte het de Friezen en Duitschers met

bewonderenswaardige dapperheid de schipbrug over den Nijl te vernielen

en de vrije vaart op deze rivier te openen. Geene mindere hulp boden zij

bij de belegering van _Damiate_, dat in het laatst van 1219 overging. De

Patriarch van _Jeruzalem_ en OLIVIER gaven de Friezen bij hunnen aftogt

loffelijke getuigschriften mede van hunne betoonde stoutmoedigheid en

braaf gedrag. Men wil, dat de inwoners van _Dokkum_, in welke zeeplaats

vele schepen werden uitgerust, groot aandeel hadden aan dezen togt, en

dat het koggeschip, dat lang tot windwijzer van hun toren diende,

alsmede de drie sterren en eene kwartier maan, welke zij later in het

stadswapen voerden, afkomstig zijn »ter gedachtenisse van de

overwinningen, in de heilige oorlogen op de Saracenen behaald."

De diensten door de Friezen op dien kruistogt bewezen, werden zelfs door

het opperhoofd der kerk, Paus HONORIUS III, dankbaar erkend, bij

gelegenheid dat hij in 1226 op nieuw hunne hulp inriep bij eenen

afzonderlijken brief, waarin hij zich in dezer voege uitlaat: »Voorwaer,

also ghy Vriesen voormaels met den Cruyce geteyckent, ons te scheepe in

den Over-lande getrouwelyck gedient hebt, in alsulcker voegen, dat u

loff ende eere van geslachte tot geslachte sal verbreydet worden, hebben

wy noodich ende raetsaem gevonden, u specialycken, als vermaerde

Camp-Vechters Christi, tot zynen dienste te roepen ende te verschryven;

vast vertrouwende, dat terwylen ghy in stoutmoedicheyt ende cracht

andere natien te boven gaet, dat ghy met manlycke couragie 't Heylige

oorloge sult aanveerden, opdat wy, strydende voor 't aertsche Jerusalem,

het eeuwige sullen bekomen."[38]

[38] Zie _Vriesch Charterboek_, I 93; VAN MIERIS, _Charterb._ 1 200;

WINSEMIUS, 161.

* * * * *

Uit dezen zelfden kruistogt is het verhaal van een kloekmoedig bedrijf

bewaard. Het gebeurde eens, dat de beide legers der Christenen en

Saracenen tegenover elkander lagen, en zich ten strijde toerustten. Daar

treedt een ongemeen groot Prins der Mooren voor het Saraceensche leger

uit, en daagt, vol verwaanden trots, een der dapperste ridders der

Christenen uit, om met hem een kampstrijd te wagen. Een moedig Friesch

edelman uit het geslacht van ROORDA, van _Genum_, kon niet dulden, dat

zulk eene uitdaging onbeantwoord bleef. Met verlof van zijn hoofdman en

in vertrouwen op de hulp van den God der Christenen, treedt hij den

gespierden moor, in het aanzien van beide legers, onversaagd tegen.

Deze ziet met overmoed en verachting op hem neder, en denkt met éénen

slag hem den schedel te klooven. Doch hij bedriegt zich. Ridderlijk valt

ROORDA hem aan, en, al zijne krachten inspannende, brengt hij,

dapperlijk vechtende, zijnen vijand verscheidene wonden toe, ja

overweldigt, hem ten laatste zoo volkomen, dat de van spijt en woede

brullende uitdager, doodelijk getroffen ter aarde valt. Gejuich vervult

het leger der Christenen. Des Prinsen afgehouwen hoofd brengt hij als

prijs der overwinning op de punt van zijn zwaard in het leger der

kruisvaarders, waarin hij met uitbundigen lof en eere wordt ontvangen.

Om deze kloeke daad werd hij tot Ridder geslagen, en hem toegestaan, een

moriaanshoofd in zijn wapen te voeren, gelijk zijne nakomelingen nog

eeuwen lang na hem hebben gedaan.

* * * * *

Terwijl dit alles in het oosten voorviel, mogten ook verscheidene oorden

van _Europa_ van der Friezen krijgsroem gewagen. Bij den grooten

kruistogt van 1147 in _Portugal_ geland, was het mede door hunne hulp,

dat de magtige stad _Lissabon_, na een lang en hevig beleg, aan de magt

der Saracenen ontrukt werd. Zelfs vindt men gemeld, dat bij die

gelegenheid 200 man Friezen, onder aanvoering van een vromen held,

POPTATUS, 30,000 Heidenen verslagen hebben, welk getal echter overdreven

zal zijn[39]. Bij een lateren togt (van 1217) hielpen zij, met 25

schepen, de Portugesche stad _Santa Maria_ op de Saracenen veroveren. In

1147 deelden zij, met de Westfalingers en Saksers verbonden, in een togt

tegen de Wenden, of de Heidensche Slavoniërs aan de Oostzee. Ook daar

gedroegen zij zich zoo dapper, dat als een (bijna ongeloofelijk) bewijs

daarvan vermeld wordt, dat 100 Friezen, die zich te _Suse_ gevestigd

hadden, aangemoedigd en voorgegaan door een edelen en onverschrokken

priester, GERLACUS, zich tegen een heir van 3,000 Wenden verzetten en

dit na een langdurig en hevig gevecht op de vlugt sloegen[40].

[39] Mr. SIMON VAN DER AA heeft dezen togt naar _Lissabon_ in

dichtmaat voorgesteld in den _Friesche Volks-Almanak_ voor 1845, 140.

[40] Zie bij SCHOTANUS, _Kronyk_, 92, het uitvoerig verhaal daarvan.

Gelijktijdig dienden er onderscheidene Friesche edelen in de legers der

voornaamste vorsten van _Europa_. Twee MARTENA'S stonden bij Keizer

FREDERIK BARBAROSSA (_Roodbaard_) om hunne kloekmoedigheid in hooge

gunst. De een sneuvelde in _Italië_; de andere was 's Keizers lotgenoot

in den dood op zijnen togt naar _Palestina_ (1199). In den noodlottigen

kruistogt van LODEWIJK IX, tegen _Tunis_, waren het de Friezen, die

althans nog eenig voordeel behaalden. Keizer RUDOLF bewees de Friesche

edelen bijzondere achting; vooral onderscheidde zich WATSE JOULSMA

als een manhaftig krijgsman. Een andere Fries, die door zijne

krijgsbedrijven zich buitenlands beroemd heeft gemaakt, was JUW DEKAMA,

die Koning EDUARD I, bij de verovering van _Schotland_ belangrijke

diensten bewees (1298). Een afstammeling van het zelfde geslacht vond,

met een der BEYMA'S, den dood in _Italië_, waar zij te _Pisa_ begraven

werden op last van Keizer HENDRIK VII, wien zij met hunne landgenooten

AYLVA, HETTINGA en anderen hunnen dapperen arm geleend hadden (1312).

Meerdere voorbeelden van Friesche krijgshelden uit dat tijdvak zouden

wij kunnen opnoemen; doch genoeg om den heldenaard der Friezen regt te

doen wedervaren[41].

[41] Dus spreekt de Hoogleeraar BOSSCHA, _Heldendaden_, I 34, 35, die

deze en andere krijgsbedrijven der Friezen met hoogen lof vermeldt.

* * * * *

Maar vooral behaalden de Friezen grooten roem wegens hun ~beleid~, bij

de belegering van de stad _Aken_, in 1248. De Hollandsche Graaf WILLEM

II, door den invloed van den Paus tot Keizer van _Duitschland_ verkozen,

moest dáár tot Roomsch-Koning gekroond worden; doch de vroeger verkoren

Koning KOENRAAD hield de stad bezet voor zijnen vader, den in den ban

gedanen Keizer FREDERIK II, en weigerde haar over te geven. Juist hadden

verscheidene volken zich reisvaardig gemaakt, om een nieuwen kruistogt

naar _Palestina_ te doen. De Paus ontsloeg hen echter van deze gelofte,

indien zij zich naar _Aken_ wilden begeven, om deze stad voor Koning

WILLEM in te nemen. Niet minder dan 200,000(?) krijgers trokken nu

derwaarts. Te vergeefs benaauwden deze, bijna een halfjaar lang, de

kloek verdedigde stad, die nog altijd langs eene vlakte aan de

noordzijde gelegenheid had, nieuwen toevoer te bekomen.

Tegen den herfst kwam echter, op verzoek des Konings, eene nieuwe bende

Friezen, aangevoerd door een moedig edelman, TJAARD DOTINGA, in het

leger aan. Deze begonnen met het bezetten van de vlakte benoorden de

stad. Drie malen trachtten de nu geheel ingeslotene stedelingen hen van

daar te verdrijven; doch de onverzettelijke Friezen weken geen voetbreed

terug, maar verschansten zich op het veld, en namen ook eene andere

sterkte in, die niemand te voren had durven aantasten. Doch dit was niet

genoeg: want hoe fel de honger en ellende in de stad ook drongen, zij

was tot geene overgave te bewegen. Daarom namen de Friezen list te baat,

door de stad te bestoken met het zelfde element, waartegen zij in hun

land met dijken en dammen hadden te strijden. Zij legden namelijk ten

oosten der stad een zwaren en hoogen dijk over het lage land en dóór de

beek, die het water afvoerde, hetwelk uit de talrijke bronnen der

omgelegene bergen ontsprong. De door de herfstregens opgezwollen beken

konden zich nu niet ontlasten, en zetten een groot deel der in een dal

gelegene stad onder water. Nu klom de nood zóó hoog, dat de stad zich

eindelijk overgaf, en Koning WILLEM zijne luisterrijke intrede in _Aken_

deed, waar hij 1 Nov. 1248 werd gekroond.

Gaarne had hij hun heldenarm zich verder ten nutte gemaakt, maar

onverzettelijk verklaarden zij de opgenomene taak voor afgedaan. Zij

keerden echter niet huiswaarts, dan na het ontvangen van vele

betuigingen van dankbaarheid voor die hulp, en van een duurzaam

getuigenis hunner betoonde dapperheid en bewezene diensten. Want de

eerste verordening, welke Koning WILLEM, na zijne krooning, als

aanstaand opperhoofd van het Duitsche rijk uitvaardigde, bestond in een

Giftbrief, waarbij hij al de regten, vrijheden en privilegiën, welke de

Friezen bezaten, als door Keizer KAREL _den groote_ hun gegund,

bevestigde, goedkeurde en vernieuwde, »om te strekken tot een eeuwig

monument, opdat de geheele natie der Friezen en hare nakomelingen mogten

weten, in wat voege hare voorvaderen de Roomsche kerk en het keizerrijk

geholpen en hunne sterkte en deugden getoond hadden in de belegering van

_Aken_"[42]. Dit gunstbewijs werd door de vrijheidminnende Friezen

steeds op hoogen prijs geschat, als een adelbrief voor het gansche volk

en de grootste weldaad, waarmede de Koning hun ijver kon vergelden.

Grooten roem verwierf hun gedrag bovendien bij naburige volken, in een

ridderlijken tijd, toen moed, beleid en stoutmoedigheid in den strijd

inzonderheid als hoofddeugden werden vereerd.

[42] Zie dezen Giftbrief in het _Charterboek_, I 94; WINSEMIUS, 168;

SCHOTANUS, _Kronyk_, 130, _tabl._ 10; FOEKE SJOERDS, _Jaarboeken_, III

27; DIRKS, _de Friezen voor Aken_, in _de Vrije Fries_, V 53.

Twintig jaren later gaven de Friezen nogmaals gehoor aan de laatste

oproeping tot een kruistogt naar het Heilige land. Dit toch was toen op

nieuw door de Saracenen ingenomen, en de hoog gestegen nood der

Christenen aldaar bewoog den Franschen Koning LODEWIJK IX en den

Engelschen Prins EDUARD, nog eene poging te doen om het te herwinnen,

waartoe ook de Paus in de _Nederlanden_ het kruis deed prediken. In alle

deelen van _Friesland_ betoonden vele personen zich tot hulp bereid, en

weldra had men vijftig kogschepen bijeengebragt, waarop zij zich in 1269

inscheepten. Na eenigen tijd in _Vlaanderen_ vertoefd te hebben,

vertrokken zij naar _Marseille_, waar het kruisleger zich zou

verzamelen. De Koning was echter reeds vertrokken naar de Afrikaansche

kust, om _Tunis_ te belegeren; zij volgden hem derwaarts en hielpen met

veel onverschrokkenheid den Graaf van _Vlaanderen_ eene overwinning op

de Saracenen behalen. Vervolgens stevenden zij wel naar _Ptolemaïs_ en

_Tyrus_, doch vonden geene gelegenheid tot den strijd. Integendeel, zij

vonden het Christen-leger verdeeld; stormen hadden hunne schepen

ontredderd; ziekten dunden hunne rijen; zoodat zij in 1270, in veel

verminderd getal, den terugtogt naar het vaderland aannamen, en, na zoo

vele vergeefsche pogingen gedaan te hebben, het Heilige land in het

bezit der Saracenen moesten laten. (Zie _Aanteekening 11_.)

Die herhaalde togten en verbazende opofferingen hadden gewis een

gunstiger uitslag verdiend. Doch in belangrijke zaken is ook het willen

grootsch, het streven edel, en het bezwijken geene schande.

17. _Veranderingen in den toestand des volks en de vestiging van

Gemeenten en Steden, gedurende en na de Kruistogten._

De Kruistogten naar _Palestina_ zijn op zich zelve een merkwaardig

verschijnsel in de geschiedenis. Maar hoogst belangrijk werden zij door

hunne ~gevolgen~, dewijl deze geweldige beroering eene omkeering in den

toestand der meeste staten van dit werelddeel te weeg bragt. Ook op den

toestand der Friezen oefenden zij in verschillende betrekkingen en in

verband met gelijktijdige gebeurtenissen een invloed uit, welken wij in

eenige hoofdtrekken willen schetsen.

Bij den immer voortdurenden krijg tegen de Noormannen waren, in de drie

eerste eeuwen na de invoering van het Christendom, de omstandigheden

niet zeer gunstig geweest, om den toestand des volks zóódanig te

verbeteren en om dien vooruitgang te bevorderen, welken men van zoo

heilrijk eene gebeurtenis had mogen verwachten. De geest van KAREL _den

groote_, die zoo vaderlijk voor zijne landzaten had gezorgd, was uit

het staatsbestuur geweken, en zijne laffe opvolgers waren geenszins

gezind, als hij, om pogingen aan te wenden tot verbetering van de

maatschappelijke betrekkingen des volks. Veeleer werd dit onderdrukt en

der ellende prijs gegeven door magtige grooten, die veelal de Keizers

de wet stelden en allerlei gunsten van hen konden bekomen. Der

geestelijkheid scheen het genoeg te zijn, dat de volken Christenen waren

geworden in naam en de eeredienst en plegtigheden der kerk bijwoonden,

doch zij deden geene of geringe pogingen, om door onderwijs en leer het

verstand te verlichten en de ruwheid van zeden te verzachten. Onkunde en

bijgeloof heerschten alom en hielden de meeste volken in een staat van

bekrompenheid en domheid, welke de hoofden der kerk hadden moeten

verdrijven, zoo zij hunne Christelijke roeping eenigzins hadden

begrepen. Doch zucht naar geld en gezag beheerschte toen vooral zoowel

de geestelijkheid als den opkomenden adelstand, en het scheen alsof men

de lagere standen met opzet in vernedering hield; terwijl het deze aan

vermogen en gelegenheid ontbrak, om zich van die banden te ontslaan, en

de steun te worden van den staat.

De kruistogten gaven echter een schok, welke tot alle standen en

betrekkingen doordrong, waardoor ze, in het bijzonder voor ons

vaderland, van onberekenbare gevolgen zijn geweest. Even als van elke

groote gebeurtenis, waren die gevolgen zoowel na- als voordeelig. Doch

de nadeelen waren tijdelijk, golden meest bijzondere belangen en zijn

alzoo geleden en vergeten. Maar de voordeelen, voor zooverre ze de

algemeene belangen betroffen, zijn gebleven, en hebben hun invloed ook

tot volgende geslachten uitgestrekt.

Immers, die togten naar zoovele vreemde landen, en dat verkeer met

allerlei volken waren voor velen onzer landgenooten eene leerschool,

welke den kring der denkbeelden en behoeften uitbreidde. Het bezoeken

van groote steden, het zien van schoone gebouwen en kunstwerken, en de

kennis van zeevaart, wapenhandel, levenswijze, handwerken en

gereedschappen van andere volken,--dit alles schonk aan de terugkeerende

kruisvaarders bekwaamheden en hulpmiddelen tot vooruitgang, wier goede

aanwending weldra allerwege welvaart verspreidde. De havens werden

vervuld met schepen, die na volbragten kruistogt naar _Engeland_, de

Oostzee en elders werden gerigt. Vele voortbrengselen van het Oosten

werden naar deze Westersche streken overgebragt en door den handel

allerwege verspreid. Slaven, die deelnamen aan deze togten, bekwamen

daardoor hunne vrijheid. Vele vrije lieden werden nu gebezigd tot het

verrigten van diensten, welke voormaals tot den allerlaagsten staat

behoord hadden. Deze diensten vereischten nu een billijk loon, en, in

geval van verschil, uitspraak van goede wetten. Dus kreeg het

werkzaamste deel des volks schooner kans, om zich te beveiligen tegen de

armoede, en om door handel en landbouw of oefening van bedrijven en

kunsten tot het bezit van vaste goederen en welvaart te geraken. Heeft

dit alles niet veel uitgewerkt, om de burgerlijke vrijheid in ons land

te bevorderen?[43] Voorzeker, want algemeen waren de behoeften des volks

vermeerderd, doch te gelijk had het ook krachten en gelegenheden

bekomen, om daarin te voorzien. Zoo vele nieuwe kundigheden openden

nieuwe uitzigten en ondernemingen. Leven en werkzaamheid baarden

voorspoed, en vandaar, dat, naar aanleiding van dit alles, de

middelstand in vermogen en geestkracht dermate toenam, dat hierdoor de

stand der ~Burgers~ ontstond, en dat de door hen bewoonde dorpen tot

~Steden~ werden verheven.

[43] STIJL, _Opkomst en bloei der Nederlanden_, 1778, 28.

* * * * *

In _Friesland_ was die overgang echter niet zoo groot als in andere

landstreken: want nevens de geestelijkheid en den in aanzien stijgenden

Adel, of de groote grondbezitters, had de algemeene volksvrijheid hier

een stand van vrije mannen gevestigd, die als huurders het land

bebouwden of handel dreven en handwerken uitoefenden, en wier

dienstbaren zelfs geene slaven of lijfeigenen waren, zoo als elders[44].

Hier kende men geen Leenstelsel en ook geene Graven of Heeren, die

elders, door het schenken van vrijheden en voorregten of privilegiën, de

aan hen onderworpene of lijfeigene ingezetenen vrij verklaarden en

daardoor de verheffing van de Steden bevorderden. De voordeelen van deze

verheffing en de zucht naar onafhankelijkheid wekten bij de Friezen den

geest van navolging op. Hier schijnen de bewoners van de aanzienlijkste

dorpen of handelplaatsen, waarin de koop- en handwerkslieden zich al

vroeg tot Gilden verbonden, zich onderling vereenigd te hebben ter

bekoming van het regt, om zich zelve, door een eigen Bestuur, te doen

regeren. Zij matigden zich het regt aan, om, met uitsluiting van de

overige omliggende dorpen, handel te drijven, markten te houden, maten

en gewigten vast te stellen en handwerken en bedrijven uit te oefenen,

waaraan zij plaatselijke voorregten verbonden. Omstreeks het midden der

13e eeuw en dus in den zelfden tijd, dat _Oostergoo_ en _Westergoo_,

tot dusverre verdeeld in landstreken, waarschijnlijk Marken, Ferden

en Hemrikken geheeten[45], eene nieuwe gemeente-regeling en verdeeling

in Grietenijen bekwam, onttrokken zich alzoo die voornaamste

handelplaatsen, vooral de hoofddorpen der Hemrikken, aan het Bestuur en

de Regtsmagt van de Landgemeente of der Grietenij, ten einde zich zelve

naar eigene, en voor hare bijzondere behoeften meer geschikte,

wettelijke bepalingen te besturen; waarbij ze veelal een der

vermogendste edelen, die daar stinzen gebouwd hadden, ter hunner

bescherming aan het hoofd der regering stelden[46].

[44] Dat er ook slaven en lijfeigenen in _Friesland_ zouden geweest

zijn, wordt op grond van enkele plaatsen der oude Friesche wetten door

sommigen beweerd, doch door anderen tegengesproken, op grond der

algemeene volksvrijheid en gelijkheid van alle ingezetenen voor de

wet; alsmede, omdat de slavernij haren grond had in het regt van

verovering. Aangezien nu de Friezen, althans na KAREL _den groote_,

van het zwerven en veroveren hadden afgezien, en zich door eene

bijzondere gehechtheid aan hun land kenmerkten, is hier kwalijk aan

slavernij te denken, ten zij gevangen genomen Noormannen daarin

vielen. Zoo denkt ook HALBERTSMA in zijne _Letterkundige Naoogst_,

1840, I 135, 138.

[45] Zie _Oude Friesche Wetten_ en de Aantt. van P. WIERDSMA, bl. 23,

42, 70, 294, 304.

[46] Ten aanzien van dit, altijd zeer twijfelachtig, onderwerp, en

aangaande den aard en oorsprong van het Stederegt, neem ik de vrijheid

te verwijzen naar de uitvoerige berigten, medegedeeld in mijne

_Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, I 8, 33, 274, 298 enz.

en de daarbij aangehaalde schrijvers.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 7 / 41 段