standen des volks in meest alle overheerde landen van _Europa_ met
lijdzaamheid de onderdrukking en willekeur van het geweld der magtigen
moesten verduren, was dit verbond eene even merkwaardige uitzondering
als deze vrije toestand der ingezetenen eene groote zeldzaamheid. Eeuwen
lang, zelfs tot in de 15e eeuw[26], heeft dat verbond bestaan, en eene
vrijheid en volkstrouw beschermd, waarvan bij weinige andere volken het
voorbeeld is. Dit feit is tevens een bewijs voor de geldigheid van den
oorsprong van der Friezen volksvoorregten, door velen meermalen
betwijfeld. Deze zijn echter door den Roomsch-Koning Graaf WILLEM II in
1248 en door Keizer RUDOLF in 1276 erkend, bevestigd en vermeerderd,
zoodat zij een wettig gezag bezaten[27]. Zuivere vrijheidsmin en hechte
volkstrouw hielden onze Friesche vaderen verbonden. Met zelfgevoel en
liefde waren zij aan hunne wetten en staatsinstellingen gehecht.
»Dáárdoor wisten zij zich staande te houden te midden der groote
Europesche beroeringen, en ruilden zij hunne plaatsen voor geene andere
in. Ja, te midden dier volksbewegingen en overstroomingen stonden zij
daar, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den
stroom der wateren niet ontworteld wordt"[28].
[26] Het verbond van 1430, in het _Vriesch Charterboek_, I 494,
schijnt een der laatste sporen dezer vereeniging te zijn. Zie _Aant.
9_.
[27] Zie _Vriesch Charterb._ I 94; FOEKE SJOERDS, _Jaarb._ III 120.
[28] Zie ROYAARDS, _Geschiedenis der invoering en vestiging van het
Christend._ 41, uitvoeriger in het motto tegenover den titel
aangehaald.
De volksstammen, welke tot dit verbond behoorden, hadden in den beginne
eene volkomene volksregering. Doch in latere eeuwen, toen sommige edelen
zich boven anderen in aanzien en magt begonnen te verheffen; toen het
eene Zeeland zich regten en vrijheden boven het andere aanmatigde; toen
de eerbied voor de wetten verminderde en de vrijheidszucht ontaarde in
bandeloosheid:--toen werd het eigenbelang boven het algemeen belang
voorgetrokken en deze schoone band vaneen gereten. In 1323 werd bij de
Willekeuren van den Opstalsboom het verbond bekrachtigd, het regt der
Overheden hernieuwd, de boosheid met straffen bedreigd en den landvrede
bevestigd. Van latere vergaderingen is echter geen spoor. In 1361 werden
er pogingen gedaan tot vernieuwing van het verbond, waarbij de
vergaderingen van den _Opstalsboom_ werden verlegd naar het in magt
sterk toenemende _Groningen_. Doch te vergeefs. Het had zijne
verbindende kracht voor allen verloren. Binnenlandsche oorlogen en
persoonlijke veeten, zucht naar gezag en heerschappij verteerden de
krachten des volks. Geestelijke en wereldlijke Heeren maakten daarvan
gebruik ter uitbreiding van hun gebied. Zóó ging het eene Zeeland voor
en het andere na verloren, en werd de eenmaal zoo uitgestrekte Friesche
vrijstaat gesloopt. Het eerste Zeeland, _West-Friesland_, bezweek, na
zich langer dan drie eeuwen moedig verdedigd te hebben, voor de overmagt
der Graven van _Holland_. _Oost-Friesland_ werd een buit van trotsche
Hoofdlingen en Graven, die elkander lang de oppermagt betwistten, en aan
de Bisschoppen van _Bremen_ en _Munster_ nog sommige gedeelten van dat
land moesten afstaan. In _Overijssel_ (het _Over-sticht_) en _Drenthe_
vestigde de magtig gewordene Utrechtsche Bisschop zijn wereldlijk gezag,
gelijk hij reeds lang deed in de stad _Groningen_ en het _Gooregt_,
welke hij door Stedevoogden liet besturen[29]. Alléén het tegenwoordige
_Friesland_, de kern van den ouden volksstam, bleef ongedeerd en vrij,
dewijl het zich steeds moedig tegen de aanvallen van vreemde Heeren mogt
verdedigen. Dankbaar bleef het dit voorregt erkennen, zoo als ook blijkt
uit een oud-friesch geschrift, vermoedelijk uit het begin der 15e eeuw,
waarin omtrent dit gedeelte gezegd wordt: »Deze twee Zeelanden, als het
tweede en derde (_Oostergoo_ en _Westergoo_), zijn tot nog toe vrij en
anders geen Heer onderworpen, behalve den Keizer des Roomschen Rijks.
Maar ontzettende schade en menigvuldige aanvechtingen hebben deze landen
geleden, om hunne vrijheid te beschermen, welke hen geschonken is van
den grooten Koning KAREL, waartoe zij vele zware strijden hebben
geslagen tegen de Graven van _Holland_, om hunne landen te beschermen.
Ook _Stellingwerf_ en _Schoterland_ zijn nog vrij, doch hebben zware
aanvechtingen en oorlogen gehad met de Bisschoppen van _Utrecht_, die
het overig gedeelte van dit vierde Zeeland (_Kuinder_, _Giethoorn_,
_Vollenhove_, _Steenwijk_ en _Drenthe_) hebben bedwongen"[30].
[29] YPEIJ en FEITH, _Oudheden van het Gooregt en Groningen_, 1836, I,
37 env.; DIEST LORGION, _Geschiedkundige Beschrijving van Groningen_,
1849, 18 env.; DRIESSEN, _Monum. Gron._ 857.
[30] Zie het Klein Traktaat van de zeven Zeelanden in SCHOTANUS,
_Kronyk_, _tablinum_, 19, en, met de vertaling, in FOEKE SJOERDS,
_Beschrijving_, I 55. Vergelijk verder _Aanteekening 9_.
Lang zou dit gedeelte die zeldzame en eervolle onafhankelijkheid hebben
behouden, indien zijne burgers zich des waardig hadden gedragen. Maar
ook zij leverden het bewijs, hoe bezwaarlijk de vrijheid, zelfs onder
bescherming van goede wetten, wordt gehandhaafd, wanneer menschelijke
zwakheden en ondeugden een overwigt in den staat bekomen. Eer- en
heerschzucht begonnen den boventoon te voeren; de oude goede trouw werd
vervangen door bandelooze partijzucht en familie-veeten. Een opperhoofd
of Potestaat uit hun eigen midden had geen gezag meer; zoodat eindelijk
de Keizer het bestuur van dit land opdroeg aan een vreemden vorst, aan
Hertog ALBERT _van Saksen_, die hen tot eendragt en rust, tot orde en
regt dwong, en hun den verloren vrede hergaf, doch ten koste van een
groot deel der onafhankelijkheid.
15. _Veranderingen in den toestand des bodems van Friesland._
_Watervloeden, de Zuiderzee, de Middelzee enz._
Een niet minder gevaarlijken vijand dan de Noormannen hadden de Friezen
op hunne kust bestendig te bestrijden in de ~Noordzee~. Wel had de
natuur hun laag gelegen land tegen haar geweld zoeken te beschermen door
het met een zoom duinen te omgeven; wel had zucht tot zelfbeveiliging
hen op hooge plaatsen menigvuldige terpen doen opwerpen, om tot woon- en
schuilplaats voor personen en vee te strekken bij het opkomen der
vloeden, die dagelijks de riviermonden binnenstroomden; zelfs waren ze,
zoo men wil in de 7e eeuw, reeds begonnen, langs den oever zeedijken en
waterkeeringen aan te leggen:--in gewone gevallen bood dit alles
genoegzame bescherming aan, om hun het rustig bezit en genot van het
land te verzekeren. Maar ongenoegzaam, ja zelfs onbeduidend waren die
zwakke beveiligingsmiddelen, zoo dikwijls hevige stormen de hoog
gestegen vloeden met woedend geweld voortzweepten, en deze, met
verachting van allen wederstand, het land overstroomden, vele de
gewrochten van menschelijke vlijt en arbeid verwoestten en nood en dood
alom verspreidden. Ontzettende ellende en verbazende schade hebben de
bewoners dezer landen gedurende vele eeuwen van deze geduchte en zoo
dikwijls herhaalde watervloeden te lijden gehad.
Want, ach! als hij loeide, die woedende orkaan,
En randde de kusten des Vaderlands aan,
Wat waarde had dan nog het leven?
Dan dekte het zeezout het zuchtende land,
Verwijderde staag het bedwingende strand,
Deed honderden, duizenden sneven.
En huizen, en hoven, en menschen, en vee
Verzwolg ze, die woeste, verslindende zee,
En naakt en berooid moest hij vlugten
De landman;--'t verlies van zijn have getroost,
Behield hij zijn vrouw maar, zijne ouders, zijn kroost,
Wier dood er zoo velen deed zuchten.
En groende zijn weide als de lente verscheen?
Ontlook dan zijn koren, zijn welvaart? Ach neen!
Die zee, ach die zee wou niet wijken!
En schoon ook de landwind verdroogde die plas,
De zee liet haar zout, en de grond bleef moeras,
Geen scheutje, geen aar kon er prijken[31].
[31] Mr. A. VAN HALMAEL JR., _Lied, Kaspar Robles door den Frieschen
Landman toegezongen_, geplaatst in de Aantt. op de _Hulde aan H. J.
Groen_, door Mr. ROBIDÉ VAN DER AA, Leeuw. 1825, 18.
Bij al die verliezen aan menschen, vee en bezittingen; bij al de schade,
welke de algemeene welvaart telkens leed, onderging bovendien het land
zelf ten gevolge dier veelvuldige overstroomingen een zeer groot
verlies, doordien de zee eene groote uitgestrektheid gronds verzwolg.
Elders werd daarentegen weêr land aangewonnen. Land werd in zee--zee
werd in land herschapen.--Deze merkwaardige vervorming van een gedeelte
des vaderlandschen bodems had op den toestand van het geheel en op de
ligging van de bijzondere deelen en plaatsen een grooten invloed. Ten
aanzien van het tegenwoordige _Friesland_ willen wij de voornaamste
bijzonderheden daarvan mededeelen.
De laaggelegene noordwesthoek van _Nederland_ stond natuurlijk het meest
bloot aan de woede van den oceaan. Bovendien vloeiden hier verscheidene
grootere en kleinere rivieren en stroomen zeewaarts, ter ontlasting
van het boezemwater des lands. De ~IJssel~, door het Marsdiep
uitstroomende, was van meer belang geworden sedert hij met een deel der
wateren van den Rijn werd belast. Het ~Flie~, dat door de Vecht, het
Zwarte water, de Kuinder of Tjonger en de Linde gevoed werd, was breeder
en dieper geworden, sinds het bezwaard was met den afvoer der wateren
uit het zuidelijk _Friesland_, waar langs het vroeger een deel zijner
krachten had afgezet naar de ~Middelzee~ of het ~Boorndiep~. De
aanvankelijke verlanding van dezen zeeboezem aan de zuidzijde gaf toch
een geheel anderen loop aan vele stroomen, en was van evenveel belang
als de nieuwe mond of uitstrooming, welke de Middelzee, reeds vóór de
7e eeuw, tusschen _Terschelling_ en _Ameland_ had bekomen, waardoor zij
de Boorn en vele wateren van _Oostergoo_ en _Westergoo_ gemakkelijker
afvoerde. Verder was het de ~Lauwers~, welke, vereenigd met de Ee, de
Hunse en de Aa, zich tusschen _Ameland_ en _Schiermonnikoog_ met een
breeden mond in de Noordzee stortte. De eertijds geheel met duinen
bezette kust was door deze riviermonden verbroken. De Noordzee had
daardoor gelegenheid bekomen, om bij hevige stormen met meer geweld op
deze landen in te breken, waarbij vele duinen weggeslagen en de zeegaten
verbreed en verdiept werden. Terwijl aldus de toegang der zee ruimer en
de afvoer van IJssel en Flie hooger en krachtiger was geworden, zoo
bragten deze en andere omstandigheden te zamen genomen te weeg, dat de
lage landen langs die zeegaten en stroomen van lieverlede afgeschuurd,
verbroken en verzwolgen werden; dat de duinenrij slechts eene smalle
strook lands kon beschermen, welke als zoovele eilanden bewaard bleven,
en dat de gansche uitgestrektheid lands tusschen _Friesland_ en
_Noord-Holland_ weggeslagen en met het oude meer Flevo vereenigd werd,
waardoor de ~Zuiderzee~ is ontstaan[32].
[32] Vergelijk hierbij en bij het volgende Dr. OTTEMA'S _Kaart van de
Zuiderzee_, bij zijne Redevoering over haar ontstaan, in _de Vrije
Fries_, IV 183, in _Aanteekening 10_ nader vermeld.
Dit alles geschiedde trapsgewijze door geduchte overstroomingen, wier
geheugenis in de geschiedboeken is bewaard. Na lange voorbereiding werd
het eerst in 1170 bij den vreeselijken Allerheiligen-vloed, die overal
schrikbarende verwoestingen aanrigtte, het land tusschen _Medemblik_ en
_Flieland_ weggescheurd, alsmede het meer Flevo aan de oostzijde
vergroot. Na latere overstroomingen van het begin der volgende eeuw,
bekwam die kom bezuiden _Flieland_, omstreeks 1237, nog grootere
uitbreiding. Met geweld bruischte de zee nu vervolgens door de verwijde
zeegaten op de lage landen in, zoodat, ten gevolge der watervloeden,
welke _Friesland_ drie jaren achtereen teisterden, in 1250 al de overige
landen bewesten de Friesche kust, van _Harlingen_ tot voorbij
_Hindeloopen_, weggerukt en in eene onafzienbare watervlakte herschapen
werden. Omstreeks dien zelfden tijd werd er bezuiden _de Lemmer_ nog
grooter veld weggeslagen en daardoor de oppervlakte van het meer Flevo
verdubbeld.
Nadat in 1277 beoosten _Groningen_ eene groote uitgestrektheid aan den
mond der Eems was weggerukt en in den Dollard herschapen, was de
watervloed van 1287 hier zóó geducht, dat elders het gerucht werd
verspreid, dat geheel _Friesland_ verzwolgen was. Het getal der daarbij
omgekomene personen in dit gewest werd op 30,000 begroot. Hierbij had de
~Westerzee~ weder eene uitbreiding verkregen door het wegslaan van de
landstreek tusschen _Harlingen_ en _Terschelling_; terwijl de overige
landen bezuiden dit eiland en _Ameland_, een groot gedeelte der
tegenwoordige Wadden, eerlang voor de woede der golven bezweken. Na
herhaalde watervloeden werd eindelijk in de volgende eeuw ook de
landstreek tusschen _Medemblik_, _Enkhuizen_ en _Stavoren_ verzwolgen,
waardoor de Westerzee met het vergroote meer Flevo vereenigd werd en de
~Zuiderzee~ nagenoeg hare tegenwoordige grootte en grenzen verkreeg[33].
(Zie _Aanteekening 10_.)
[33] Vermits de meeste toenmaals weggerukte gronden nog in zandplaten
en ondiepten bestaan, en aangezien de Noordzee sedert dien tijd door
het uitkolken van onze stranden en het afslaan van de eilanden voor
onze tegenwoordige zeeweringen hoe langer hoe gevaarlijker is
geworden, zijn er, die meenen, dat thans de tijd gekomen is, om
het vroeger verlorene te herwinnen, met al de middelen, welke de
kunst en het vermogen der 19e eeuw aanbieden. Wenschelijk wordt het
voorgesteld, dat de Noordzee tot hare oorspronkelijke grens (de
duinenrij op de eilanden) teruggedrongen en dat de Zuider- en
Lauwerszee met de daar tusschen gelegene Wadden bedijkt en tot land
gemaakt worden.
* * * * *
Na zoo vele aanzienlijke verliezen in grond, in bewoners, in vee en
eigendommen te hebben geleden, zou menigeen welligt dit gevaarvolle land
verlaten en een veiliger oord opgezocht hebben. Niet alzoo onze vaderen,
wier moed door al die gevaren opgewekt werd, om te strijden ter
bedwinging van het woeste element. Met ijver trok men aan het werk, om
langs de gespaarde kust zeedijken op te werpen, ten einde dit land te
beschermen tegen meerdere verliezen.
Natuur! van wie de stervelingen
Een eigen Vaderland ontfingen,
Wat heeft ons met uw haat belaân,
Dat wij alleen van alle volken
Voor 't brijzelend geweld der diepe waterkolken
Aan alle kant ten doelwit staan?
Doch dat we ons niet van haar beklagen!
In weervergelding dezer plagen
Schonk ze ons een onverschrokken moed,
Om stout ten golven uit te stijgen,
Die al wat ze ons onthield vrijmachtig deed verkrijgen,
Ten prijz' van eigen zweet en bloed[34].
[34] BILDERDIJK, _de ware Liefde tot het Vaderland_.
Reeds vroeger had men zulke breede zeeweringen langs de westkust van
_Oostergoo_ en den oostoever van _Westergoo_ opgeworpen ter breideling
van den breeden zeeboezem de ~Middelzee~ of het ~Boorndiep~. Ook had men
Binnendijken of waterkeeringen in het land aangelegd, tot bescherming
van sommige gedeelten, om de verspreiding van het vloedwater tegen te
gaan. Aangenaam was echter bij al die verliezen het verschijnsel, dat,
gelijktijdig met de wegscheuring van de westelijke landen, de
~Middelzee~ van tijd tot tijd smaller en ondieper werd, en in de 13e en
14e eeuw geheel in hoog en vruchtbaar land werd herschapen. In de
vroegste tijden had deze zeeboezem waarschijnlijk eene breedte van de
_Oudeschouw_ voorbij _Sneek_ en _Ylst_ tot _Bolsward_, en was de Hem- en
Groendijk daarvan de waterkeering aan de zuidzijde. Een gedeelte van den
tegenwoordigen Slagtedijk, van _Bolsward_, over _Bozum_, _Weidum_ en
_Berlikum_ naar _Dijkshoek_, omzoomde haar aan de noord- en westzijde;
terwijl de dijken, waarop thans meest straatwegen zijn aangelegd, van de
_Oudeschouw_ over _Leeuwarden_ en verder voorbij _Stiens_ tot onder
_Hallum_, haar ter oostzijde bedwongen.
Toen nu, ten gevolge der verwijding van den ~Fliestroom~, de toevoer
van water uit het zuiden naar de ~Middelzee~ verminderde, bewaarde deze
stilstaande kom gereedelijk de slibstoffen, welke noordweste stormen
elders wegrukten en herwaarts heenvoerden. Ten einde die ter zuidzijde
aangeslibde gronden te bewaren en voor den landbouw met meerdere
veiligheid te gebruiken, werd er een dijk gelegd, van _Rauwerd_ in
zuidwestelijke rigting langs _Scharnegoutum_, _Tirns_ en _Folsgare_ tot
nabij _Bolsward_. Doch het daardoor overgebleven meer verlandde ten
gevolge van voortdurende aanslibbingen zoo spoedig, dat op dien grond
reeds in 1277 de kerk van het dorp _Nieuwland_ gesticht werd. De
uitbreiding van de Zuiderzee en het wegslaan van de gronden der Wadden
bevorderde vervolgens de landwinning zoo snel, dat de Middelzee in de
13e en 14e eeuw van lieverlede inkromp en in vruchtbaar kleiland
herschapen werd, waarvan wij reeds in 1398 een gedeelte van _het Bildt_
vinden vermeld. Vanhier, dat deze groote uitgestrektheid _Nieuwland_,
welke in 1505 door de bedijking van _het Bildt_ werd afgesloten, eene
belangrijke vergoeding geacht werd voor al de verlorene gronden bewesten
de Friesche kust.
Ten gevolge van dat alles had het land eene gansch andere gedaante
verkregen. _Leeuwarden_, _Sneek_, _Ylst_ en _Bolsward_, welke als
Zeeplaatsen in het opkomen waren, werden van toen af Landsteden en
daardoor geheel andere belangen toegedaan. _Harlingen_, _Workum_ en
_Hindeloopen_ daarentegen begonnen als zeeplaatsen te bloeijen;
_Stavoren_ echter, die oude en aanzienlijke stad, welke aan eene
gunstige ligging ter wederzijden van den Fliestroom hare scheepvaart
en handel, welvaart en uitbreiding had te danken, zoodat zij
onder de steden van het Hanseverbond als de derde in rang werd
opgenomen,--_Stavoren_ had, ten gevolge van al die zeeveroveringen en
de verbreeding van het Flie, een groot verlies te lijden. Wel bleef de
ligging van het overgebleven gedeelte op dien landhoek aan de Zuiderzee
zeer gunstig; wel verkreeg zij van de Hollandsche Graven, die van 1292
tot 1414 daar hun gezag trachtten staande te houden, groote voorregten,
en zag zij hare handelsprivilegiën op de Oostzee nog in 1363 en 1368
door verbonden met de Koningen van _Denemarken_ en _Zweden_ bevestigd en
uitgebreid: toch neigde zij eerlang ten val. De overlevering wil, dat
hare welvaart verminderde ten gevolge van verregaande weelde en
euvelmoed, waarvoor de verzanding van hare haven zelfs eene straf geacht
werd. Nadat de zee eerst een gedeelte der stad met de in 1132 gestichte
kerk en het oude St. Odulphus-klooster had weggeslagen, was een
noodlottige brand, die ongeveer 500 huizen zou verteerd hebben, in 1420
de oorzaak van meerdere afneming en verval, welke later aanmerkelijk
zijn toegenomen[35].
[35] Zie _Charterboek_ I 72, 124, 227, 232 enz. WESTERMAN,
_Beschrijving van Stavoren_, van 1613, achter zijne _Zeepostille_.
Onder vele bijzonderheden omtrent de vroegere uitgebreidheid en handel
der stad vermeldt deze, dat de zeevaarders van _Stavoren_ de eerste
geweest zijn, die de Noordsche landen en de Zond bezochten, waarom de
Koning van _Denemarken_ hun het voorregt verleende van bij het
doorvaren van de Zond vóór alle andere schippers vertold te worden;
ter bewaring van welk privilegie zij vervolgens jaarlijks met het
eerste schip den Koning een Leidsch laken vereerden.
* * * * *
Ofschoon later nog een aantal watervloeden _Friesland_ overstroomden en
vele schade veroorzaakten, mogt het den Friezen toch gelukken, sedert
dien tijd hun land te behouden en tegen meerdere verliezen te
beschermen. Zeker kostte het verbazende moeite, volharding en
opoffering, om dit land, dat lager ligt dan den dagelijkschen vloed der
zee, met zulk eene uitgestrektheid zware zeedijken te omringen, om zoo
vele kostbare zeesluizen aan te leggen, om zoo vele binnendijken en
waterkeeringen met sluizen tot stand te brengen, en om zoo vele lage
landen met kunstmiddelen vruchtgevend te maken en te houden. Gewis,
indien moed en standvastige fierheid tot het overwinnen van moeiten en
gevaren geene kenmerken van het karakter der Friezen waren
geweest;--indien het vaderland, waaraan zij zoo zeer gehecht waren, hen
niet dierbaarder was geworden, naar gelang de pogingen om het te
behouden zorg en inspanning kostten,--zij zouden geene zoo grootsche
overwinning behaald hebben in den strijd tegen een vijand, als de
woedende Noordzee.
Vrij moge men dan elders in trotsche gewrochten der bouwkunst
of in reusachtige Hunebedden de krachten van het voorgeslacht
bewonderen--hier, in dit gedeelte van het oude _Friesland_, zijn de
talrijke terpen en zware zeeweringen eervolle blijken van volhardenden
moed en liefde tot het vaderland. En gaarne zeggen wij dus een onzer
volksdichters na:
_Sa faek troch stoarm yn djippe sé beditsen,
Oeralde ljeawe Friesce groun!
Waerd noait dy taie bôan foarbritsen,
Dy Friesen oen hjar lôan forboen._
_Trochloftich folk fen disse alde namme!
Weas jimmer op dy alders great.
Bljou iwich fen dy grise hege stamme
Ien grien, ien kreftich doerjend leat_[36].
[36] Dr. E. HALBERTSMA in _de Lapekoer fen Gabe Scroar_, 1834, 226.
16. _Der Friezen aandeel in de Kruistogten naar het Heilige land.
1096-1270._
In het laatst der elfde eeuw werden de Christenen van het westen en ook
de Friezen opgeroepen tot deelneming in een strijd, welke geheel
_Europa_ in beweging bragt. _Palestina_ of het _Heilige land_, waar de
stichter van het Christendom geleefd en geleden had, waaraan
godsdienstige eerbied zoo vele heilige herinneringen verbond, bevond
zich in de magt der Saracenen of Turken. De kwellingen, welke deze de
Christenen aandeden, wekten in _Europa_ den godsdienstijver van vorsten
en volken op tot het doen van een kruistogt, om _Palestina_ weder in de
magt der Christenen te brengen.
De eerste kruistogt werd ten jare 1096 ondernomen. Uit verschillende
landen werd een verbazend groot leger bijeengebragt. Met vele bezwaren
en rampen had het op den langen togt naar het oosten te strijden. Het
gelukte echter deze kruisvaarders de steden _Nicéa_, _Antiochië_,
_Cesaréa_ en _Jeruzalem_ te veroveren, en het koningrijk _Jeruzalem_ te
stichten, waarvan GODFRIED VAN BOUILLON, Hertog van _Neder-Lotharingen_,
tot Koning werd uitgeroepen, welken titel hij echter niet aannam, maar
zich vergenoegde met dien van Beschermer van het Heilige graf.
't Is zeer natuurlijk, dat eene zoo krijgshaftige natie als de Friezen
ijverig deel nam in dezen togt en aandeel had in deze overwinningen. Ook
na KAREL _den groote_ hadden zij buitenlandsche Vorsten vrijwillig
bijstand geboden, en bekend is het, dat de BURMANIA'S, CAMMINGHA'S,
ROORDA'S en anderen in de 11e eeuw met roem overladen terugkeerden uit
het leger van Keizer HENDRIK III, dien zij op zijne oorlogstogten in
_Boheme_, _Hongarije_ en elders gevolgd waren[37]. In bijna al de
kruisvaarten betoonden de Friezen zich roemruchtige kampvechters voor
het Christelijk geloof, die andere volken in koenheid overtroffen, maar
die onafhankelijk, onder eigene bevelhebbers staande, geen ander gezag
eerbiedigden dan dat van den Paus. Oude geschiedverhalen noemen zelfs de
namen der aanzienlijke edelen, onder welke zij in den eersten kruistogt
uittrokken, als de leden der geslachten: LIAUCKAMA, BOTNIA, HERMANA,
GALAMA, FORTEMAN en anderen. Bijzonder onderscheidden zich door
dapperheid EELKO LIAUCKAMA en FEIKO BOTNIA, waarom zij tot bevelhebbers
over 3000 man ruiters benoemd werden. Na in onderscheidene gevechten
zware wonden bekomen te hebben, werden zij, na de verovering van
_Jeruzalem_, ter belooning van hunnen moed, door den Koning tot Ridders
geslagen. Bij de belegering van _Nicéa_ sneuvelde de laatste
afstammeling der FORTEMANS met SICKO LIAUCKAMA en EPO HARTMAN op het bed
van eer (1097).
[37] Dit vermeldt BOSSCHA, _Neêrlands Heldendaden_, I 34.
Onderscheidene andere edelen, als HOMME HOMMINGA, GOFFE ROORDA, SICKO
CAMMINGHA en TJALLING OCKINGA voerden eerlang nieuwe benden Friezen aan.
In vele gevechten met de Saracenen behaalden zij grooten lof van
dapperheid, waarom BOUDEWIJN, de tweede Koning van _Jeruzalem_, en
andere hoofden des legers hen bijzondere achting toedroegen. Naar het
vaderland terug verlangende, ontsloeg de Koning hen noode uit zijne
dienst. Hij zelf geleidde hen met 100 ruiters naar _Jaffa_, vanwaar zij
zich inscheepten, en eerlang, na vele gevaren te hebben doorgestaan, in
_Friesland_ terugkwamen, waar zij met blijdschap in plegtigen optogt
werden ontvangen (1106).
* * * * *