Groot waren gewis de gevolgen van de algemeene aanneming der

evangelieleer. De redelijke geest der landzaten, zoo lang gedrukt door

de duisternis des heidendoms, werd door een nieuw en weldadig licht

beschenen, waardoor het leven eene hoogere beteekenis verkreeg. Niet

slechts kennis en bekwaamheid, maar vooral ~menschelijkheid~ werd door

het Christendom bevorderd, al bleven de uiterlijke vormen van den

krachtigen mensch nog lang de blijken der vroegere woestheid en ruwheid

dragen. Wel was dat Christendom toen reeds verbasterd en werd de

eeredienst naar heidensche gewoonten geschoeid,--toch was het de eerste

schrede ter bevordering van kennis, verlichting en beschaving, welke

vooral later op de denkbeelden en zeden een weldadigen invloed

verkregen.

Bovendien werkte het Christendom gunstig op de vestiging en verbetering

van den burgerlijken toestand des volks. Want waar, op geschikt gelegene

plaatsen, kerken en leerscholen gebouwd werden, daar verzamelden de

inwoners zich meer tot buurten en dorpen, waaruit eerlang de steden

ontstonden. Gezellige verkeering, onderling dienstbetoon, bijstand in

gevaar, zorg voor armen en ongelukkigen, hulp ter voorziening in

elkanders behoeften, handwerken en handel,--dat alles droeg bij ter

vorming van eene geregelde burgermaatschappij. Hun verkeer met

Frankische geestelijken, ambtenaren en krijgslieden, afkomstig uit een

land, waarin de meerdere beschaving van het zuidelijk _Europa_ reeds was

doorgedrongen, moest op hunne kennis, zeden, levenswijze en

huishoudelijke behoeften van grooten invloed zijn. Deze leerden den

Friezen verschillende bedrijven en handwerken kennen; hunne huizen,

dijken en gereedschappen verbeteren, en sluizen en bruggen aanleggen;

alles tot meerdere beveiliging en onderlinge gemeenschap. De

verpligtingen, welke hieruit voortvloeiden jegens het algemeen, haalden

den maatschappelijken band naauwer toe, en werden er in de wetten zelfs

bepalingen deswege opgenomen. De verlichte en edele KAREL _de groote_

toch begreep zijne roeping, en, afkeerig om de door hem overwonnene

volken met despotischen trots te onderdrukken, waren al zijne pogingen

dáár henen gerigt, om door wijze maatregelen de stoffelijke,

verstandelijke en godsdienstige belangen dier volken te bevorderen.

Groot en edel was deze bedoeling in eene eeuw, waarin de onkunde nog zóó

algemeen was, dat het voornaamste hulpmiddel tot beschaving, de lees- en

schrijfkunst, bij de meeste volken nog onbekend en alleen in het bezit

van weinige geestelijken was. Maar ook in deze behoefte voorzag eerlang

het Christendom, hetwelk de zorg voor de opvoeding der jeugd aan de

beoefening van kunsten en wetenschappen paarde. Met regt vereerden

daarom ook de Friezen KAREL steeds als een weldoener, als een zegenrijk

middel in Gods hand tot verbetering van hunnen toestand. Nog eeuwen lang

na zijnen dood, die in 814 voorviel, erkenden zij, van hem de

bevestiging van hunne vrijheid, de bescherming van hunne onafhankelijke

instellingen en wetten ontvangen te hebben[20]. Daarom bleef hij in hun

volksgezang en herinneringen leven. Zeker hadden zij de van hem

ontvangene gunstbewijzen van weinige veroveringszuchtige vorsten kunnen

verwachten: want gewigtig was het voorregt, »dat _Friesland_ onder der

Franken heerschappij zijne zelfstandigheid behield, zijne nationaliteit

bewaarde, en dat het einde van dien langen strijd wel eene nieuwe

inrigting aan _Friesland_ gaf en de zegepraal aan het Christendom

verzekerde, maar met behoud der vrijheid, der eigenaardigheid des

volks."

[20] Zie dit in _Aanteekening 9_ nog in een stuk van 1430 vermeld.

»En die bleef ook later behouden en vertoonde zich steeds krachtig en

scherp tegenover alles, wat van Frankischen oorsprong of Frankischen zin

was. Vandaar dien strijd tegen de graven van _Holland_, zoo hardnekkig

gevoerd; die afgunstige bewaring hunner regten tegenover den Bisschop

van _Utrecht_. Maar ook vandaar dien afkeer tegen de Friezen bij de

Frankisch gezinde Hollandsche Kronykschrijvers, die eenen MELIS STOKE b.

v. in zijn klooster te _Egmond_ bezielde; vandaar die eigenaardige

ontwikkeling des Frieschen regts, des Frieschen volks in de volgende

tijden, tegenover de overige gedeelten onzes vaderlands."

»Wij zien het, niet waren het de Franken, die _Friesland_ overwonnen,

maar het Christendom baande er den weg aan KAREL _den groote_, en aan

hem onderworpen, werden de Friezen zelfstandig en vrij opgenomen in het

westersch Christelijk keizerrijk, waarvan hij het hoofd was. Zoo kon het

Friesche volkslied van KAREL zingen, dat hij geliefd en goed was, en

trouw en waarheid stichtte en der Koningen wet en aller lieden keur en

landregt en aller landen regten zette. Zoo eindigde die strijd, maar

niet tot oneer der overwonnenen"[21].

[21] Prof. DE GEER, _de strijd der Friezen en Franken_, Utrecht 1850,

43. Deze laatste denkbeelden en schoone voorstelling van den jongsten

schrijver over dit onderwerp heb ik zeer gaarne hier overgenomen, mede

als bewijs, hoe gunstig ook zij, die geene Friezen zijn, thans na rijp

onderzoek over den oorsprong der veel betwiste Friesche vrijheid

denken.

* * * * *

Nog een blik op de gevolgen van deze hoogst belangrijke gebeurtenis, het

keerpunt in het volksbestaan der Friezen. Zij hadden daardoor twee

gewigtige betrekkingen aangeknoopt, welke, vereenigd, ongeveer acht

eeuwen onder bijna gelijke vormen zouden stand houden: zij waren

Christenen en, in zekeren zin, deelgenooten van het Duitsche Rijk

geworden. Door de eerste werden zij leden van een groot en schoon

verbond, dat reeds zoo vele volken van wijd uiteenloopenden aanleg en

belangen omvatte, doch die allen door gevoelens van algemeene

welwillendheid en onderlinge toegenegenheid het bestaan van een band van

broederschap erkenden, en door gelijke beginselen van zedelijkheid en

volkenregt zich verbonden gevoelden. De onderlinge gemeenschap dier

volken werd hierdoor bevorderd. Men had regt op elkander; men leerde en

onderrigtte elkander; men nam de vruchten der kennis en ondervinding,

ook in handel, bedrijven en kunsten, van elkander over; en de wijsten of

meest geoefende leeraren konden meer algemeen de schatten van kennis,

godsdienstleer en zedelijkheid verkondigen, als vruchten van den

weldadigen boom door Christus ten behoeve der menschen geplant. Zelfs de

geestelijke oppermagt, welke zich in de middeleeuwen over het westelijk

_Europa_ uitbreidde, bragt meer goeds dan kwaads te weeg, en was vaak

een tegenwigt van heilzame strekking tegen de al te vaak misbruikte magt

der wereldlijke regering.

Ook de betrekking tot het Duitsche Rijk was voor het staatkundig bestaan

der Friezen eene zaak van groot belang. Dat zij daartoe niet als

overwonnenen en dienstpligtigen behoorden, was een voorregt, waarin geen

ander volk met hen deelde, en waarom zij den naam van _Vrije Friezen_

bij uitnemendheid droegen. Maar hunne wetten werden naar de bepalingen

van het algemeene regt des rijks gewijzigd. De gelijkheid in de vormen

van regtspleging en bestuur werd een band te meer met volken, van wie

zij te lang waren afgescheiden geweest, behoudens de eigenaardigheid van

hun stam en krachten. Door verkeer, omgang en betrekkingen met deze

moest ook hier toeneming in beschaving worden bevorderd. Belangrijk was

die betrekking inzonderheid voor de Friezen, omdat zij hen een waarborg

was voor hunne vrijheid; een voormuur tegen de aanranding van

geweldenaren, wier overmagt zij zeker niet waren ontkomen, zonder deze

bescherming des rijks. Maar bovenal, omdat zij hen vrijwaarde van den

last des Leenstelsels, dat onder heerschzuchtige heeren en magtige

veroveraars met looden zwaarte op de diep vernederde volken van _Europa_

drukte. Ja, deze betrekking bleek later daadwerkelijk eene beschutting

te zijn tegen de hebzucht van anderen en tegen de partijzucht van den

adel, bij het twisten over de onderlinge belangen.

Beide betrekkingen waren in de hand des Allerhoogsten middelen ter

verheffing van het volk, uit de duisternis tot het licht--door strijd en

lijden tot volmaking. Bij al de beroeringen en woelingen onder de volken

van het westelijk _Europa_, waarin de Friezen noodwendig moesten deelen

en waaruit zij zich onmogelijk konden houden, viel hun in de gevolgen

het beste deel te beurt. En mogt de strijd tegen vreemde vijanden hun

moed en vaderlandsliefde sterken--het verbond en het verkeer met die

vreemden bragt hen in aanraking, in gemeenschap, in stoffelijke en

geestelijke verbroedering met de bewoners van andere oorden, die weder

van hunne gemeenschap voordeel trokken.

Zoo wil het God, wiens wijze leiding wij, ook te midden der

heerschzuchtige woelingen zijner menschen-kinderen, ter bevordering van

zijne heilige bedoelingen kunnen herkennen.

13. _De invallen der Denen en Noormannen. (Van omstreeks 520-1010.)_

Dat de Friezen hun onafhankelijk volksbestaan bleven behouden, verdient

inderdaad onze verwondering in nog hoogere mate, als wij bedenken, dat

zij in de zelfde eeuwen, waarin zij aan de zuid- of landzijde door de

legers der magtige Franken werden aangevallen, en nog lang daarna, ook

aan de noord- of zeezijde te kampen hadden met niet minder geduchte

vijanden, die op den duur nog moeijelijker waren te weêrstaan. In die

onveilige tijden, toen de verschillende volksstammen van het

noordwestelijk _Europa_ zeldzaam eene vaste woonplaats hadden, zich

gemakkelijk van de eene naar andere en betere landstreken verplaatsten,

en nog geen volkenregt kenden of eerbiedigden, was de zucht om elkander

te berooven en buit te maken veelal het hoofdbeginsel van den oorlog.

Geen volk was als zoodanig meer gevreesd dan de _Noormannen_, dan die

woeste benden van Deensche, Zweedsche en Noorweegsche zeeschuimers, wier

schepen bij menigte den oceaan vervulden en onveilig maakten. Als stoute

zeeroovers van vervaarlijke kracht en onverbiddelijke wreedheid, waren

zij steeds de schrik der bewoners van de kusten der Noordzee en het

Kanaal. Want niet alleen _Friesland_, maar ook _Frankrijk_ en _Engeland_

verontrustten zij door hunne strooptogten. Onverhoeds landden zij, en

overvielen de ongewapende landbewoners, welke zij uit huis en erf

verdreven, om zich intusschen van derzelver goederen en vee meester te

maken en dit met hunne schepen weg te voeren. Die aanvallen waren soms

zóó stout, dat zij gansche streken overweldigden, het land aan hun gezag

onderwierpen, en er door overmagt een tijdlang eene dwinglandij

uitoefenden, welke voor den landzaat onduldbaar was. Vooral heeft de

Deensche Koning HERIOLD met zijne broeders RORUK en HEMMING het

zuidelijk deel van _Friesland_ jaren lang in bezit gehouden, waarbij ze

hun zetel veelal in de aanzienlijke handelplaats _Dorestad_ gevestigd

hadden. Zelfs wordt de laatste Friesche Koning RADBOUD II gehouden voor

een Deensch vorst, die zich van dit land met geweld had meester

gemaakt.

De oude geschiedverhalen gewagen daarom telkens van hunne invallen en

strooptogten, die omstreeks den jare 520 begonnen en eerst in de elfde

eeuw opgehouden moeten zijn. Met het woeste en nog weinig bebouwde land

hunner geboorte niet tevreden, zochten deze schrikbarende geweldenaars

vooral die kustplaatsen op, waar handel en nijverheid reeds welvaart

hadden verspreid, en waar zij dus de beste gelegenheid vonden, om buit

te behalen. Waar ze kwamen, voerden ze plundering, moord en brand in hun

gevolg, of legden de overrompelde bewoners zware schattingen op.

Vandaar, dat het noemen van hun naam alom reeds siddering verwekte.

Niet zelden echter ondervonden zij van de dapperheid der Friezen een

tegenstand, welke hen met groot verlies naar hunne schepen deed

terugkeeren. Immer moesten deze op hunne aanvallen bedacht en daar tegen

gewapend zijn. Vreeselijke gevechten zijn er tegen hen gevoerd, waarbij

de Friezen en hunne legerhoofden of Potestaten met eere streden, en hen

afschrikten deze oorden vooreerst weder te bezoeken. Ja, »de Friezen

zijn in de historie gekenmerkt als de moedigste bestrijders van de

mannen uit het noorden"[22]. Uit zucht naar wraak trokken ook zij zelfs

meermalen te scheep naar de Oostzee, om den Noorman de geledene

verliezen in zijn eigen land betaald te zetten.

[22] Zie VAN LEEUWEN'S schets dezer togten voor de _Herinnering aan

het geslacht Sirtema van Grovestins_, in _de Vrije Fries_, V 232, en

vooral de noot op bl. 237, omtrent den tijd van het eindigen dezer

invallen.

Er bestond echter, buiten de plunderzucht der Noormannen, nog eene

reden, waarom zij _Friesland_ aan de Franken zoo lang en zoo hevig

betwistten. Zij hadden het Christendom een gloeijenden haat gezworen. En

indien de Franken voorgaven, de Friezen tegen hun geweld te willen

beschermen, waren zij de eersten nog te meer vijandig, omdat deze de

laatsten te gelijk aan het Heidendom zochten te onttrekken. Dat

Heidendom toch vuurde hen aan tot den strijd en deed hen den heldendood

met verrukking te gemoet zien, omdat deze hen zou overvoeren in een

hemel, waar zij zich, bij al de genietingen van den wellust, dronken

zouden drinken aan lekker bier uit de bloedige bekkeneelen hunner

vijanden. Vreeselijk was daarom hunne verbittering tegen de

Christen-Franken, die ze vervolgens ook in hun eigen land bestookten, en

wier magt zelfs niet kon verhinderen, dat de Noormannen zich op hunne

kust vestigden (_Normandië_).

Somtijds werden zij evenwel met kracht wederstaan en geslagen. Toen in

885 gansche drommen van dezen schrik der wateren _Engeland_,

_Frankrijk_, _Vlaanderen_ en de _Nederlanden_ overstroomden, en aan de

oevers van Theems en Seine, Schelde, Rijn en Maas de bloedige sporen

hunner verwoestingen achterlieten, tastte eene vloot dezer zeeroovers

ook de Oude of Neder-Saksers aan. Deze, toen aan de Vlaamsche kust

gevestigd, konden bijstand bekomen van de Friezen, met wier hulp het hun

gelukte, in één jaar tweemaal de overwinning op hen te behalen. Doch,

hoe dikwijls ook verslagen, telkens groeide hun getal aan. Ongeloofelijk

schijnt het bijna, dat er in 889 eene vloot met 100,000 Noormannen voor

de Maas verscheen, waarvan het grootste gedeelte aan land kwam en de

toegesnelde verdedigers dezer gewesten versloeg; maar ook, dat Keizer

ARNOLD, in het volgende jaar 890, (zoo men meent ter plaatse, waar nu

_Leuven_ ligt) met een groot leger hen tegentrekkende, hun eene

allerbloedigste en beslissende nederlaag toebragt, »waarbij het vooral

de Friezen waren, die zich het meest onderscheidden."

Met de Franken als bondgenooten vereenigd, weêrstonden alzoo de Friezen

de Noordsche heirmagten, waartegen beide volken steun vonden in

elkander, en waarbij _Friesland_ aan _Frankrijk_ ten voormuur

verstrekte. Ook hierdoor laat zich verklaren, welk belang de Franken

hadden bij het bezit van _Friesland_, en evenzeer welk belang onze

vaderen hadden bij de bescherming der Franken; wáárom zij KAREL _den

groote_ als Beschermheer aannamen, en om welke reden deze hen meer als

bondgenooten dan als overwonnenen behandelde. De vereenigde magt van

Franken en Friezen beschermde, na 775, de gansche noordwestkust van

_Europa_, van de Elve tot de Pyreneën, tegen het geweld der Noormannen.

Meer algemeene en krachtdadige tegenstand verzwakte eerlang echter de

krachten van dezen; en toen eindelijk, in de elfde eeuw, de weldadige

stralen des Christendoms ook doordrongen tot die Noordsche rijken, er de

ruwheid van zeden verzachtten en er volkenregt deden eerbiedigen,--toen

verminderden van lieverlede die togten, welke eindelijk geheel

ophielden.

De Friesche geschiedboeken verhalen evenwel, dat nog in 1306 een hoop

Noormannen de Lauwerszee inviel en hier verwoestingen aanrigtte; doch

ook, dat zij door de Friezen dapper aangevallen- en, met achterlating

van 900 dooden en grooten buit, naar hunne schepen gedreven werden,

terwijl deze het verlies van 400 man, en daaronder hun wakkeren

aanvoerder, den Potestaat REINDER CAMMINGHA, te betreuren hadden[23].

[23] De hoofdbron van de geschiedenis dezer invallen is thans het

belangrijke werk van Dr. J. H. VAN BOLHUIS, _de Noormannen in

Nederland_, Utrecht 1834, 2 st. Zie mede omtrent het vermelde, behalve

onze Kronyken op vele plaatsen, MOLHUIJSEN, in NIJHOFF'S _Bijdragen_,

VII 182; BOSSCHA, _Neêrlands Heldendaden_, I 22; FOEKE SJOERDS,

_Jaarboeken_, III 224 enz.

Wij besluiten het algemeen overzigt van deze togten der Noormannen met

de volgende lofspraak op de dapperheid der Friezen in dien strijd, van

den dichter Mr. J. VAN LENNEP[24]:

[24] _De Roem van twintig eeuwen_, 1831.

_Nooren, Finnen, fiere Deenen,

Die hun overmacht vereenen,

Landen op de Friesche kust.

Meer nog dan de woeste dieren,

Dan de wolven, raven, gieren,

Die hun krijgsstandaarden cieren,

Zijn ze op roof en buit belust._

* * * * *

_Maar geen vloot, geen krijgsgevaren,

Maar geen plonderzieke scharen,

Zullen immer sidd'ring baren

In der Friezen fier gemoed.

De ijz'ren knods blinkt in hun handen:

Wie hen driftig aan durft randen,

Heeft zijn stoutheid ras geboet._

* * * * *

_Alle volkren op deze aard

Zien wij eens hun naam verliezen;

Maar de grootsche naam van Friezen

Blijft in eeuwigheid vermaard._

14. _Het Verbond der Zeven Vrije Friesche Zeelanden._

De opvolgers van KAREL _den groote_ en van zijn zoon LODEWIJK _den

vrome_, die van 814 tot 840 regeerde, waren meestal zwakke Vorsten, die

zich weinig met het bestuur van hunne eigene en veel minder met dat van

deze afgelegene landen bemoeiden. Gedurige rijksverdeelingen en

beroeringen van allerlei aard verzwakten bovendien hun gezag. Zelfs

bleven de Graven of gezanten, welke in de eerste tijden jaarlijks of om

de drie jaren in _Friesland_ kwamen, om in buitengewone zaken regt te

spreken en de schatting te innen, eerlang geheel weg. Van deze

nalatigheid maakten alzoo de vrijheidminnende bewoners dezer landen

gretig gebruik, om zich nader aan elkander te verbinden en eene

onafhankelijke volksregering te vestigen, vooral tot onderling

hulpbetoon: aan de eene zijde tegen de invallen van de Noormannen en aan

de andere zijde tegen de magtig gewordene Graven en Leenmannen.

Deze toch maakten van die zelfde omstandigheden gebruik ter vergrooting

van hunne magt en tot verdrukking van het volk. Dit was bijzonder het

geval in dat eerst veroverde westelijk gedeelte van het Friesche rijk,

tusschen het ~Sincfal~ en de ~Reker~, dat eerlang door de _Graven van

Holland en Zeeland_, de _Bisschoppen van Utrecht_ en andere Heeren als

eene eigene en erfelijke bezitting werd beschouwd. Het tweede gedeelte

of het eigenlijk _Friesland_, tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~, genoot

eene gewenschte onafhankelijkheid, doch had veel te lijden van de woeste

strooptogten der Denen. Het derde gedeelte, _Oost-Friesland_, tusschen

de ~Eems~ en den ~Wezer~, dat ten gevolge van zijne gemeenschap met de

Saksers later veroverd was, had reeds van KAREL'S zoon, LODEWIJK _den

vrome_, het regt op het vaderlijk erfgoed, bij de verovering hun

onthouden, terug bekomen. Het stond nu bloot aan de overheersching der

Saksische Vorsten en andere Heeren en Bisschoppen, en verlangde zeer in

het genot te deelen van gelijke regten en vrijheden, als de Friezen

bewesten de Eems bezaten. Met deze oude stamgenooten sloot het dus een

verbond tot onderlinge bescherming. Ook andere oostelijke stammen, onder

gelijke omstandigheden verkeerende, en wonende tusschen den ~Wezer~ en

de ~Elbe~, en van daar tot den ~Eider~ (de Noord- of Strand-Friezen),

sloten zich een tijdlang daarbij aan, doch werden later daarvan

afgetrokken.

Hierdoor ontstond de staat der _Zeven Vrije Friesche Zeelanden_ of aan

zee gelegene landstreken, welke door zoo vele stroomen of rivieren van

elkander waren afgescheiden. Het _eerste Zeeland_ lag tusschen de

~Reker~ en het ~Flie~ en was het latere _West-Friesland_ of een groot

deel van _Noord-Holland_.

Het _tweede Zeeland_, tusschen het ~Flie~ en de ~Middelzee~ of het

~Boorndiep~, bevatte _Westergoo_, _Stavoren_, _Gaasterland_ en

_Doniawerstal_, of ongeveer de westelijke helft van het tegenwoordig

_Friesland_.

Het _derde Zeeland_, tusschen de ~Middelzee~ en de ~Lauwers~, maakte een

groot deel der oostelijke helft dezer provincie, of het landschap

_Oostergoo_ met _Opsterland_, _Utingeradeel_, _Haskerland_ en

_Ængwirden_ uit.

De zuidoostelijke streken van dit gewest, als _Schoterland_,

_Lemsterland_ en de _Stellingwerven_, vormden met het noordelijk

gedeelte van _Overijssel_ en geheel _Drenthe_, die te zamen vermoedelijk

het Graafschap _Islegoo_ uitmaakten, het _vierde Zeeland_.

De landstreken, waaruit de tegenwoordige provincie _Groningen_ is

zamengesteld, als: het _Gooregt_, _Hunsego_, _Fivelgo_, het _Oldampt_,

_Westerwolde_ en het _Wester-kwartier_, benevens _Reiderland_, tusschen

de ~Lauwers~ en de ~Eems~, maakten het _vijfde Zeeland_ uit.

Het _zesde_ en _zevende Zeeland_ bevatte de landstreken, waaruit

_Oost-Friesland_ enz. bestaat, en strekte zich van de ~Eems~ tot den

~Wezer~ uit, terwijl de ~Jade~ de grens tusschen deze beide deelen was.

Het doel dezer vereeniging van stamgenooten was eigenlijk een

verdedigings-verbond. Ofschoon ieder dezer landschappen onafhankelijk op

zich zelf stond en zijne eigene overheden, regters en wetten had, hield

dit verbond allen als vrije Friezen aan elkander gestrengeld. Jaarlijks

hielden de afgevaardigden uit ieder Zeeland een algemeenen Landsdag, om,

in het belang van het geheele vrije land, de bestaande geschillen te

beslechten, den vrede en eendragt te bevorderen, de wederspannigen tot

gehoorzaamheid te brengen, zich tegen de aanvallen van vreemde Vorsten

of de aanmatigingen van Leenheeren met eendragtigen moed te verbinden,

en om nuttige wetten en verordeningen, te maken of de bestaande te

verbeteren. De plaats, waar men tot dit einde bijeenkwam, noemde men den

_Opstalsboom_, een beplante heuvel in de nabijheid der stad _Aurik_ in

_Oost-Friesland_, welke nog in wezen is. Daar vergaderden op den eersten

Dingsdag na het Pinksterfeest ieder jaar de geestelijken, edelen en

vrijgeboren mannen, welke ieder der Zeelanden ter behartiging der

algemeene belangen had afgezonden. In het midden zaten de voor elk jaar

benoemde regters, die de voorstellen deden; daar om heen waren de

plaatsen der afgevaardigden, terwijl het volk zich daar rondom schaarde.

Indien een voorstel beviel, strekte een luid gekletter der wapenen tot

een teeken van aanneming; doch een luid gemor verhief zich, zoodra het

niet welgevallig was of nader moest worden besproken. Alles geschiedde

overeenkomstig de zeden der oude Germanen, die hier het langst bewaard

bleven[25].

[25] Naar aanleiding van WIARDA'S werkje over de _Landdagen der

Friezen bij Upstalboom_, gaf de Heer Mr. A. TELTING daarvan in de

_Leeuw. Cour._ 1831, N^o. 79 eene Herinnering, welke voor een groot

gedeelte is overgenomen in VAN LEEUWEN'S Aantt. op _it aade Friesche

terp_, bl. 399. Zie ook SCHOTANUS, 170 en _tabl._ 16.

In elkander vonden deze Friesche landstreken alzoo een steun tot vorming

van een vasten grondslag voor hun maatschappelijk welzijn, namelijk, het

vermogen om te bestaan zonder hulp van buiten. Na het bezorgen hunner

eigene veiligheid, rekenden zij het onnoodig van zwakke bondgenooten af

te hangen. Alleen door het schild des Keizers achtten zij zich genoeg

beschermd tegen aanrandingen van vreemden, en weinig deerde het hen, dat

deze zelfde hoofden des rijks misbruik maakten van die bescherming, door

sommige deelen van hun land nu aan dezen dan aan genen, als ware het

leengoed, weg te schenken. Immer bleef die zucht, om onafhankelijk te

willen bestaan, zonder hulp van buiten, een kenmerk van der Friezen

aard.

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 5 / 41 段