Westersche keizerrijk waren de in _Gallië_ gevestigde _Franken_ magtig
geworden. Eerlang bleek het, dat de veroveringszucht der Romeinen nu op
hen was overgegaan. Zij konden niet dulden, dat de Friezen en Saksers
zich over hunne vroegere landstreken hadden uitgebreid. Hunne
heerschzucht had nieuw voedsel bekomen sedert hun Koning KLOVIS de
Christelijke godsdienst had aangenomen (496): want de zucht, om deze
leer te verspreiden en onder de heidensche volken voort te planten, werd
nu voor hem en zijne opvolgers een voorwendsel bij hunne krijgstogten
ter uitbreiding van hun gebied. Zij werden daartoe aangespoord door eene
magtige Geestelijkheid, die hen ondersteunde, in de hoop dat zij het
Westersche keizerrijk in nieuwe kracht zouden herstellen, en de eenheid
en luister der Kerk bevorderen. Eerst dwongen zij de Friezen, zich tot
den Rijn terug te trekken; daarna wilden zij hen noodzaken de
Christelijke godsdienst aan te nemen, en eindelijk, wraak nemende wegens
de door hen geledene nederlagen, trachtten zij Friezen en Saksers beide
geheel te overwinnen en aan het Frankische gezag te onderwerpen.
Die twee strijdbare volken sloegen nu met eene edele vrijheidszucht
somtijds de handen in-een, tot onderlinge hulp en tegenstand. Met
afwisselende kans werd die bloedige strijd gestreden. En met welk eene
dapperheid zij hunne vrijheid en godsdienst verdedigden en dikwijls
geduchte legers wederstonden--dit blijkt uit de langdurigheid van dien
krijg, daar beide volken eerst na verloop van ruim drie eeuwen voor de
overmagt bezweken. Vandaar, dat zij door hun gedrag in dien oorlog
grooten roem bij andere volken verwierven.
»Die strijd gedurende zoo vele eeuwen gestreden tusschen Franken en
Friezen, tusschen Christendom en Heidendom, gevoerd door het zwaard der
vorsten en het woord der geestelijken, geëindigd door de zegepraal des
Christendoms en de kracht van KAREL _den groote_, maar niet tot oneer
der overwonnenen,--die strijd verdient wel onze belangstelling, om zijne
belangrijkheid en zijn invloed op de volgende geschiedenis des
vaderlands. Het is een schoon schouwspel, te zien hoe een edel en dapper
volk kampte en streed voor zijne zelfstandigheid en, hoe het, ook na die
worsteling, haar wist te bewaren en te handhaven."[16]
[16] _De strijd der Friezen en Franken. Eene voorlezing door_ Jhr. Mr.
B. J. L. DE GEER, Utrecht 1850, bl. 6.
De voornaamste bijzonderheden van dien strijd willen wij mededeelen bij
de vermelding van
10. _De pogingen der Franken ter invoering van de Christelijke
Godsdienst in Friesland. (630-800)_
In een geheel ander licht doet zich de strijd der Friezen tegen de
Franken voor, als wij dien meer uit een godsdienstig dan staatkundig
oogpunt beschouwen; als wij in de veroveringszucht der Franken een
middel zien, hetwelk Gods wijsheid bezigde, om de Friezen aan de
duisternis des heidendoms te onttrekken en hen in den zegen des
Christendoms te doen deelen. Schijnbaar zouden zij die leer des
evangelies, welke liefde en vrede verkondigt en de beschaving aller
volken bedoelt, spoediger hebben aangenomen, als zij hun niet was
opgedrongen door trotsche vijanden, die, met het zwaard in de vuist, hen
van hunne dierbaarste panden, van vrijheid en godsdienst te gelijk
wilden berooven. Groot waren deze beletselen bij de ruwheid en onkunde,
welke nog algemeen heerschten. Neen, het verwondert ons niet, dat het
toen reeds verbasterde Christendom zoo weinig ingang kon vinden bij een
fier en krachtig volk, nog bezield door het Germaansch beginsel van
liefde voor godsdienst en vrijheid, van haat tegen vreemde
overheersching, en dat het zoo lang het uiterste beproefde, om zijne
zelfstandigheid te bewaren.
Rustig en vrij toch leefden de Friezen tusschen Schelde en Wezer in de
6e eeuw, door hunne vorsten naar eigene instellingen en gewoonten
bestuurd, door hunne dapperheid geacht en door toenemend handelsverkeer
verbonden met hunne naburen,--totdat de aanvallen der Franken hen
opriepen ter verdediging van den vaderlandschen grond. De minst bevolkte
en afgelegene zuidelijke streken konden dezer overmagt op den duur niet
weêrstaan. Na langen strijd werden zij ingenomen, en der Friezen gebied
tot den Rijn bepaald. Van toen af stelden de Franken pogingen in het
werk, om het Christendom bij de Friezen in te voeren. Het was hun Koning
DAGOBERT I, die ten jare 630 te _Wiltenburg_ of _Utrecht_ eene eerste
Christenkerk liet bouwen. Deze voormalige Romeinsche legerplaats, aan
Rijn en Vecht zoo gunstig voor den handel gelegen, werd nu het
middelpunt, zoowel van den strijd als van de verspreiding der nieuwe
leer.
De Geestelijkheid, die ten doel had, om in het westen van _Europa_ door
de Franken een Christelijken Staat te stichten, zond nu weldra den
ijverigen prediker ELIGIUS herwaarts, om onder de heidensche Friezen het
evangelie te verkondigen. Hij werd daarin niet verhinderd door den
vreedzamen Koning der Friezen ADGILD I, die zelfs den bisschop WILFRIED,
op deze kusten gestrand, in bescherming nam tegen den Frankischen vorst
EBROIN, en hem toeliet hier te onderwijzen en te doopen. Aan hem bleek
het, dat vele Friezen minder afkeerig waren van het Christendom dan van
de Franken.
Een geheel andere geest bezielde zijn zoon en opvolger RADBOUD I. Den
Franken vijandig, maakte hij van de zwakheid der opvolgers van DAGOBERT
gebruik, om de verlorene landstreken te herwinnen en _Utrecht_ weder te
bemagtigen. De daar gestichte St. Thomaskapel werd verwoest, en der
Friezen vrijheid, grondbezit en godsdienst in luister hersteld (680).
Eerst na verloop van twaalf jaren kwam echter PEPYN _van Herstal_ met
een magtig Frankisch leger herwaarts, om dat verlies te herstellen. Dit
gelukte hem, daar hij de landen bezuiden den Rijn weder veroverde, en,
na hardnekkigen tegenstand, RADBOUD eene nederlaag toebragt bij
_Dorestad_, het latere _Wijk bij Duurstede_, toenmaals de stapelplaats
van den Frieschen handel (692). Hij dwong RADBOUD, zich te onderwerpen
en de vrije prediking van het evangelie te gedoogen. Daartoe
ondersteunde en beschermde hij den geloofsverkondiger WILLEBRORD, in
_Engeland_ geboren, doch van afkomst aan de Friezen verwant en met hunne
taal bekend[17]. Deze toch scheen zeer geschikt, hier de nieuwe leer
voort te planten. Daarom werd hij in 696 te _Rome_ tot Aartsbisschop der
Friezen gewijd. Eerst nadat de tegenstand van RADBOUD andermaal door
PEPYN was overwonnen (697), gelukte het WILLEBRORD, te _Utrecht_ op
nieuw eene kerk te bouwen, die later de zetel van dit Bisdom werd.
IJverige pogingen werden er nu aangewend, om door onderwijs en prediking
en door het stichten van bedehuizen op sommige plaatsen, van
_Vlaardingen_ af tot _Heilo_ toe, het Christelijk geloof uit te breiden.
Zij bleven echter meest tot den omtrek van _Utrecht_ bepaald, dewijl de
ontoegankelijkheid der afgelegene noordelijke streken van _Friesland_ de
algemeene verbreiding moeijelijker maakte.
[17] De stam- en taalverwantschap der Engelschen en Friezen
begunstigde zeer de pogingen dier Evangelie-predikers uit _Engeland_,
waar het Christendom reeds vroeg ingang vond en de zucht algemeen was,
om het ook onder de Heidensche volken uit te breiden. Zie ook
_Aanteekening 5_.
* * * * *
Die algemeene invoering was ook vooreerst nog niet mogelijk, zoolang de
onverzettelijke RADBOUD het Christendom zoo vijandig bleef. Naauwelijks
was PEPYN in 714 gestorven, of hij vat de wapenen tegen der Franken
gezag weder op, verdrijft hunne zendelingen uit zijn gebied, en verwoest
de kerken, of geeft ze der voorouderlijke godsdienst terug (716). Hij
trekt voort tot _Utrecht_ en verjaagt daar WILLEBRORD en zijne
geestelijken, die de vlugt nemen naar _Trier_. Ook _Dorestad_ valt in
zijne handen, en, daardoor weder meester van den Rijn, waagt hij het
zelfs met zijn leger langs dien stroom naar _Keulen_ op te varen, waar
PLECTRUDE, PEPYN'S weduwe, zich bevond. Daar behaalt hij op het
Frankische leger onder KAREL MARTEL eene volkomene overwinning, verwoest
de omliggende streken en keert met grooten buit beladen naar zijn rijk
terug.
»Is het wonder (zegt een geacht geschiedschrijver), dat bij dergelijke
tooneelen, waarin de opkomende geslachten telkens eene oefenschool
vonden voor onversaagdheid, en vervuld werden met het gevoel van eigene
krachten, de geest van heldenmoed en van onafhankelijkheid, den
_Frieschen_ landaard zoo bijzonder eigen, bevestigd en versterkt werd?
Is het wonder, dat de deugden, aan woeste volken eigen, bij de Friezen
lang gepaard bleven met de sporen der aloude ruwheid?"[18] En zulks te
meer, omdat de Friezen, te gelijk met de Franken, in de Noormannen en
Denen nog woester en gevaarlijker vijanden hadden te bestrijden,
waartegen zij eeuwen lang een woedenden krijg voerden.
[18] J. BOSSCHA, _Neêrl. Heldendaden te land_, Leeuw. 1834, I 22.
Reeds in het volgende jaar (717) kwam KAREL herwaarts, om over de
geledene nederlaag eene geduchte wraak te nemen. In een hevigen strijd,
aan den Rijn bij _Utrecht_, gelukt het hem op zijne beurt de overwinning
te behalen op RADBOUD, die op nieuw genoodzaakt wordt het Frankische
gezag te erkennen en de verkondiging van het evangelie toe te staan. Hij
zelf zou toen beloofd hebben het Christendom aan te nemen. Doch toen de
Bisschop WULFRAM hem daartoe te _Medemblik_, zijn zetel, den doop
plegtig zou toedienen, en hij op zijne vraag, waar zijne Heidensche
voorouders zich bevonden, tot antwoord ontving, dat deze, als
ongeloovigen, verdoemd waren, trok hij zijn voet uit de doopvont terug,
verklarende, liever met zijn voorgeslacht in Wodans zalig Walhalla dan
met den geringen hoop Christenen in den hemel te willen zijn. Kort
daarna stierf hij, in 719, hoog bejaard. Met groote standvastigheid en
ijver had hij den strijd volgehouden tegen Franken en geestelijken.
Geene nederlagen hadden hem ontmoedigd, maar hij was getrouw gebleven
aan het doel zijns levens: de verdediging van der Friezen godsdienst en
onafhankelijkheid.
Zijn opvolger ADGILD II was even vredelievend als de eerste vorst van
dien naam. Terwijl WILLEBRORD de Utrechtsche kerk in luister herstelde
en zijne zendelingen overal uitzond, om de leer des kruises te
verkondigen, liet hij de vrije prediking toe. Hij kon echter niet
verhinderen, dat in het noorden of het hart van _Friesland_, waar het
heidendom nog zijne meeste aanhangers telde, eene nieuwe poging werd
gedaan tot verdrijving van de Franken en hunne zendelingen. Daarom kwam
KAREL MARTEL in 726 en op nieuw in 736 met een leger in dit vroeger
minder bezochte gedeelte van het Friesche rijk; in het laatstgenoemde
jaar zelfs met eene vloot, welke de Middelzee inviel, aan wier boorden
hij een bloedigen slag leverde, waarin ook der Friezen veldheer POPPO
sneuvelde, terwijl Koning ADGILD van hartzeer daarover stierf. Door het
vernietigen van tempels, godenbeelden en gewijde bosschen zocht men nu
in _Oostergoo_ en _Westergoo_ het heidendom te verdelgen, en door
prediking de nieuwe leer te planten. Doch te vergeefs: want zulke
geweldige middelen waren meer geschikt om den wrok tegen de Franken in
de harten des volks te voeden, dan het te winnen voor eene leer,
waarvoor het nog onvatbaar was, en van wier hooge waarde en heiligheid
het weinig blijken zag in de handelingen zijner vijanden. Dáárom werden
de heiligdommen weldra hersteld en de Christenen verdreven. Zij werden
daarin ondersteund door den laatsten hunner Koningen RADBOUD II, een
even groot voorvechter van het heidendom en tegenstander van de Franken
als zijn voorzaat van dien naam. Of deze RADBOUD een Fries was, dan wel
een Deensch vorst, die het land met geweld veroverd had, ook om de
Franken het voortdringen te beletten, is nog hoogst onzeker. De
toestand, waarin het volk nu weder verkeerde, bewoog den edelen Bisschop
BONIFACIUS, die reeds zoo lang in _Friesland_ en _Duitschland_ het
evangelie had verkondigd, in 755 op nieuw naar het noordelijk gedeelte
van het Friesche rijk te trekken. Krachtig door zijn vromen zin en
geholpen door vijftig togtgenooten, onderwijst en predikt hij alom, rigt
verwoeste kerken weder op en verzamelt en ondersteunt de verstrooide
Christenen. Bij _Dokkum_ gekomen, staat hij op nieuw gereed te prediken,
toen hij onverhoeds door eene bende heidensche Friezen wordt aangevallen
en met de zijnen vermoord. Met christelijke lijdzaamheid offerde hij
zich op aan de zaak, waaraan hij zijn leven had gewijd. Doch ook zijn
bloed zou het zaad worden, waaruit de bloei der kerk ontsproot.
* * * * *
Het Friesche rijk was destijds verdeeld in drie hoofdstammen. De
~eigenlijke Friezen~, de kern van den ouden volksstam, woonden in het
midden, tusschen de rivieren de ~Reker~ of ~Kinhem~ en de ~Eems~. Alle
landstreken bezuiden de ~Reker~ (den vroeger vermelden Rijnmond bij
_Petten_, benoorden _Alkmaar_), welke de Friezen van tijd tot tijd
veroverd hadden, stonden het meest aan de aanvallen der Franken ten
doel, en werden het eerst van het Friezen-verbond afgerukt, welligt
reeds ten gevolge der veroveringen van PEPYN ~van Herstal~ in 692 en
697, of van KAREL MARTEL in 715.
De meest afgelegene en later aangewonnen landstreken, beoosten de rivier
de ~Eems~ (_Oost-Friesland_, _Oldenburg_ enz.), weêrstonden het langst
de magt der Franken, doordien zij zich met hunne naburen de Saksers tot
tegenstand verbonden hadden, en in de ondernemingen en lotgevallen van
dezen deelden.
De ~oorspronkelijke Friezen~, tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~ (een
gedeelte van _Noord-Holland_, _Friesland_, _Groningen_, _Drenthe_ enz.
bewonende), waarover RADBOUD II regeerde, stonden dus op zich zelve
tegenover de Franken. Bij de vorderingen, welke de verkondiging van het
Christendom van lieverlede gemaakt had, vooral tijdens de prediking van
den vromen Bisschop BONIFACIUS, zagen velen hunner in, dat alle
tegenstand op den duur vruchteloos zou zijn. Doch hun Koning bleef zich
met kracht tegen de evangelieleer verzetten. De moord van BONIFACIUS,
zoo men wil op aanstoken van RADBOUD geschied, bragt echter weldra eene
groote verandering te weeg: want vele aanzienlijke, reeds bekeerde,
Friezen vereenigden zich nu met de Franken, om dien moord te wreken. En
toen RADBOUD, om staande te blijven in zijn gezag, de hulp inriep van
WITIKIND, het opperhoofd der Saksers, wier woeste benden de Christenen
hier gruwelijk vervolgden,--toen werden de Friezen zóó afkeerig van
hunnen Koning, dat zij de ~bescherming~ inriepen van den Koning der
Franken, op wiens komst RADBOUD naar _Denemarken_ vlugtte en de Saksers
naar hun land terugtrokken (775).
Die Koning der Franken was KAREL, eerlang _de groote_ bijgenaamd, wegens
zijne voortreffelijke eigenschappen, grootsche ontwerpen en stoute
daden, doch vooral wegens zijn voortreffelijk rijksbestuur en zorg voor
de uitbreiding van het Christendom. Na den dood van zijn vader PEPYN _de
korte_ (768) en van zijn broeder KARLOMAN (771) was hij meester geworden
van geheel _Frankrijk_, dat hij vervolgens met het rijk der Longobarden,
een gedeelte van _Spanje_, _Beijeren_ enz. vergrootte. Gaarne verleende
hij zijne ~bescherming~ aan een volk, dat zijne achting had verworven
wegens de dapperheid, waarmede het de aanvallen zijner voorgangers zoo
láng had wederstaan, en dat nu eindelijk vrijwillig bereid was, aan een
hunner hoofdvoorwaarden, de aanneming van de Christelijke godsdienst, te
voldoen. Vanhier, dat hij, bij verdrag als ~Beschermheer~ van dit volk
aangenomen, tot hetzelve in eene geheel andere betrekking kwam en het
geheel anders behandelde dan volken, welke hij ~overwon~ of
~veroverde~, gelijk het geval was met de Oost-Friezen en Saksers, die
hij eerst in 804, na herhaalde en geweldige aanvallen, welke steeds den
hevigsten tegenstand ondervonden, aan zijn gezag onderwierp[19]. (Zie
ook bl. 47.)
[19] De algemeene bronnen van dit tijdvak zijn natuurlijk de Kronyken
van SCHARLENSIS, 1597, WINSEMIUS, 1622 en SCHOTANUS, 1658, alsmede
FOEKE SJOERDS, _Friesche Jaarboeken_, 1768, I; _Tegenw. Staat van
Friesland_, 1785, I; WAGENAAR, _Vad. Historie_, 1749, I; CERISIER,
_Gesch. der Ned._, 1781, I, 24, 29, 82-136; GAILLARD, _Geschied. van_
KAREL _den grooten_, 1785, I 225, II 32 enz.; WESTENDORP, _Jaarboek_,
Gron. 1829, 1-97; VAN LEEUWEN'S _Kronyk der vrije Friezen_, 1834,
1-59, benevens de belangrijke Aanteekeningen daarop, enz. Omtrent de
bijzondere bronnen van dit laatste gedeelte, zie men _Aanteekening 6_.
De vrucht van dezen langen en bloedigen strijd was alzoo de invoering
van het Christendom, het licht der wereld, de bron van ware verlichting
en beschaving, hetwelk overal, waar het is doorgedrongen, door de kennis
van het Hoogste Wezen en van den Heiland der wereld, eene weldadige
verandering in de denkwijze, gezindheden en zeden der volken heeft te
weeg gebragt. Was die kennis in den beginne nog gebrekkig; was de
eeredienst reeds verbasterd en bleven er lang verkeerde voorstellingen
heerschen,--toch vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis, welke zoo
uitgestrekte gevolgen had, als de grondslag, waarop in volgende eeuwen
werd voortgebouwd tot verspreiding van kennis en licht, en tot heiliging
van ons geslacht door geloof, hoop en liefde.
TWEEDE TIJDVAK.
HET VRIJE FRIESLAND.
VAN KEIZER KAREL DEN GROOTE TOT HERTOG ALBERT VAN SAKSEN.
_Van omstreeks het jaar 800 tot 1498._
11. _De Friezen tijdens Karel den groote._
Na het eindigen van den strijd met de Franken en de vervanging van het
Heidendom door het Christendom, was er een nieuw tijdperk van volksleven
en ontwikkeling voor de Friezen aangebroken. Vrede en verzoening
tusschen beide volken was daarvan het eerste gevolg. De langdurigheid
van dien strijd levert reeds een bewijs op, dat de Friezen destijds
talrijk, strijdbaar en vermogend waren. Er zijn vele blijken over, dat
er toen onder de ingezetenen welvaart bestond, ten gevolge van landbouw,
veeteelt en visscherij, wier voortbrengselen door handel en scheepvaart
onder de naburen verspreid werden. _Utrecht_, _Duurstede_, _Tiel_,
_Stavoren_, _Dokkum_ en andere plaatsen, aan den uitloop van
onderscheidene rivieren op deze noordwestkust van _Europa_ gunstig
gelegen, worden als handelsplaatsen vermeld, Reeds vroeg waren de
Friezen als stoute zeevaarders vermaard. Ook langs den Rijn dreven zij
handel met _Keulen_, en hadden zich mede te _Ments_ gevestigd, Zelfs
waren er handwerken of fabrijken, die hier bloeiden, zoo als de
lakenweverijen, welke eene zware wollen stof of duffel vervaardigden,
nog _Fries_ genoemd, waarvan gekleurde en fraai bewerkte mantels werden
gemaakt, die groote vermaardheid hadden en naar onderscheidene landen
verzonden werden. Door Keizer KAREL werden op hooge feesten zulke
~Friesche Mantels~ als kostbare geschenken uitgedeeld. (_Aanteekening
7._)
* * * * *
Van de drie hoofdstammen des Frieschen volks mogten alzoo de eigenlijke
Friezen, wonende tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~, het voorregt smaken,
hunne vrijheid en onafhankelijkheid behouden te hebben, en, onder eigene
wetten en opperhoofden, hunne eigendommen gerust te bezitten. Dit
voorregt, waardoor zij zich _Vrije Friezen_ noemden, genoten zij boven
hunne vroegere stamgenooten en naburen bij uitnemendheid. Want deze
laatste waren door KAREL overwonnen, en stonden, naar het regt des
oorlogs dier dagen, onder de vrije beschikking des Keizers, die
onderscheidene gedeelten van dit eigendom opdroeg of wegschonk aan zijne
Leenmannen, welke van de diep onderworpene inwoners cijns, schot, lot en
heeren-diensten naar goedvinden vorderden. Zij behandelden deze als
lijfeigenen en slaven, aan den grond verbonden. De invoering van de
instellingen der ~Leenregering~ volgde toch overal, waar de Franken zich
vestigden. Zwaar heeft dat ~Leenstelsel~ gedurende vele eeuwen op de
meeste volken van _Europa_ gedrukt, en de ontwikkeling van welvaart en
kennis verhinderd. Dit lot hebben deze Friezen niet ondergaan; zij zijn
in het bezit hunner eigendommen, vrijheden en voorregten gebleven; en
deze hadden voor hen hoogere waarde, omdat hunne naburen daarvan
verstoken waren. Zij _eerbiedigden_ den Keizer van het Duitsche Rijk wel
als Beschermheer, doch zij _gehoorzaamden_ hem niet als gebieder, die
het regt had over hun land, personen en eigendommen te beschikken;
terwijl zij voor die bescherming jaarlijks gaarne eene geringe schatting
aan het Rijk opbragten. Die Vrijheid hebben zij te allen tijde als hun
oorspronkelijk volksregt, waarop zij bijzonder gezet waren, gehandhaafd.
Met regt kon dus HELMERS hen noemen:
_De Friezen, waardig 't bloed, waaruit zij zijn gesproten,
Aan wie de vrijheid met de melk is ingegoten._
* * * * *
KAREL _de groote_ verdeelde het Friesche rijk nu in een aantal
landschappen, waarover hij Graven en Schouten aanstelde; de andere
bestuurders, opperhoofden en regters werden door het volk gekozen. In
het tegenwoordige _Friesland_ ontstonden alzoo de Gouen of Graafschappen
_Oostergoo_, _Westergoo_, _Stavoren_ en een deel van _Islegoo_. Ook hier
voerde hij de rijkswetten of capitularia in, doch met behoud van de
Friesche wetten, volksregten en gewoonten, welke hij in schrift liet
brengen en naar de behoeften des volks en in verband met de rijkswetten
wijzigde. Ten aanzien der vrijheid, (in tegenoverstelling der
hofhoorigheid of leenroerigheid der andere volken) waren de voornaamste
bepalingen dier wetten: dat de vrije Fries persoonlijk vrij en aan geen
heer onderworpen was, zoodat hij kon gaan, werwaarts hij verkoos; dat
hij ter verdediging van zijn land wel tot de volkswapening verpligt was,
doch niet kon gedwongen worden, om buiten de grenzen zijns lands ten
strijde te trekken; dat hij zijne bezittingen en ouderlijk erf vrij en
onbelast bezat, en geene schatting behoefde te betalen, waarin hij zelf
niet had toegestemd; dat hij onder de oude voorvaderlijke wetten en
gebruiken leefde, waarvan de uitvoering was opgedragen aan overheden,
regters en ambtlieden, door de vrije keus des volks benoemd enz. De
volks-overleveringen voegen hier bij, dat de Keizer hun bij deze nog
meerdere voorregten schonk, uithoofde de Friesche krijgsbenden hem
vrijwillig bijstand verleenden op zijne krijgstogten in _Spanje_ (778),
tegen de Wilten aan de Oostzee (789), tegen de Avaren aan den Donau
(791), en vooral op den togt ter verovering van _Rome_ (809), tot
herstel van Paus LEO in zijn gezag, bij welke gelegenheid de Friezen hun
vaandel op Romes hoogsten burg zouden geplant hebben. (_Aanteek. 8._)
Bij zoovele blijken van achting en onderscheiding jegens de Friezen
voegde Keizer KAREL ter goeder ure de invoering, vestiging en
bescherming van de Christelijke Godsdienst, als eene weldaad van hooge
waarde. Onderscheidene predikers en zendelingen kwamen in _Friesland_
het evangelie verkondigen. Al de inrigtingen van het heidendom werden
zoo veel mogelijk verwijderd of vervangen, en op den grond der
heidensche tempels en offerplaatsen christen-kerken en scholen gebouwd.
De kerk van _Utrecht_ werd bij hare bezittingen bevestigd, en in gezag,
rijkdom en aanzien uitgebreid. Geen vreemdeling, maar THEODARD, een
Fries, werd daar als Bisschop aan het hoofd der Friesche geestelijkheid
gesteld; gelijk aan WIJHO, LUDGER en HILDEGRIM, uit Frieschen stam, ter
belooning van hunne ijverige evangelie-prediking, door KAREL bisdommen
in _Saksen_ werden opgedragen.
12. _Invloed der Franken en der vestiging van het Christendom._