De zamenstelling van de tegenwoordige oppervlakte van _Friesland_ levert

bij onderzoek nog vele kenmerken op van hare oorspronkelijke vorming. Op

een zandbodem rustende, bevat zij vele overblijfselen uit den

eeuwenlangen geweldigen strijd van aarde, water en wind, welke na tijden

van beroering in rust gekomen schijnen te zijn. Die bezinkingen en

laagsgewijze opeenstapelingen getuigen van een woesten water-arbeid en

door elkander werking van zand, veen, klei en gemengde stoffen,

waarnevens zoo vele sporen zijn van groote watergangen, kolken en meren.

Plaatselijke omstandigheden deden hier poelen en lagere streken, elders

hooge gronden met kleiruggen ontstaan, waarnaar de stroomen hunne

rigting verkregen. Zelfs is het waarschijnlijk, dat het water in

_Friesland_ binnen de duinen eertijds boven de eb der Noordzee stond,

doch van lieverlede is gedaald na het doorbreken van de duinen en het

ontstaan van de eilanden, waardoor de gelegenheid tot afvoer van het uit

het zuiden aanstroomende water gunstiger werd. Door die meerdere geulen

en uitstroomingen kwam de stand van het binnen- met het buiten-water

meer in evenwigt; een grooter gedeelte van den Frieschen grond kwam

boven en werd bewoonbaar. Beurtelings gaf en nam zoo de Noordzee,

waarmede dit kustland steeds in bestendigen strijd was. Door het dalen

van den waterspiegel op Frieslands bodem verkregen de eertijds breede

stroomen een grens en wallen, en kwamen de slijkruggen te stade, èn als

waterkeeringen tegen de voortdurende overstroomingen, èn als

woonplaatsen, welke door het ophoogen tot terpen eerlang de

bewoonbaarheid vermeerderden van een land, dat eeuwen later voor het

eerst door geregelde, hoewel nog zwakke, zeeweringen werd omgeven[8].

[8] Met genoegen heb ik bij deze globale voorstelling gebruik gemaakt

van denkbeelden over den oorspronkelijken toestand der omstreken van

_Sneek_, door den Heer J. F. BAKKER, Stedelijk Ontvanger te _Sneek_,

onlangs medegedeeld aan de Tweede Afdeeling van het Friesch

Genootschap.

3. _De Oude Friezen._

Omstreeks het begin onzer jaartelling werd dit land bewoond door _de

Friezen_, welke destijds reeds in twee stammen verdeeld waren, waarvan

de _Groote Friezen_ ten oosten en de _Kleine Friezen_ ten westen van den

Fliestroom woonden. De eerste hadden de Cauchen ten oosten, de laatste

de Frisiabonen, Caninefaten, Batavieren, Marsaten en andere stammen ten

zuiden, tot naburen[9]. De gezinnen, familiën en horden, welke dezen

Germaanschen volksstam uitmaakten, hadden welligt reeds lang een

zwervend herdersleven geleid, vóór zij zich vestigden op deze

kustlanden, waar de natuur toen anders nog weinig aanlokkelijks had. Zoo

ver het oog reikte, bestond toch de bodem meest uit waterige landen of

schorren, welke, allerwege doorsneden met killen, meren en poelen,

dagelijks bij elk getij onderliepen. Nog vertoonde het land eene woeste

natuur, eene onvruchtbare oppervlakte. Lang bleven de noordelijke, in

de nabijheid der zee gelegene, landen zoo laag en moerassig, dat de

Friezen met hun vee ze enkel des zomers konden bewonen. Zij waren alzoo

verpligt in het najaar de hooger gelegene, min vruchtbare, doch

veiliger zandstreken en wouden van _Gaasterland_, _Opsterland_, de

_Stellingwerven_ en _Drenthe_ op te zoeken, ten einde daar te

overwinteren.

[9] Omtrent de oorden, door die volksstammen bewoond, zie men de

vermelde _Schetskaart_.

Doch ten gevolge der veelvuldige overstroomingen van de zee werden de

noordelijke landen van tijd tot tijd met een vetten kleibodem overdekt

en verhoogd. Die meerdere vruchtbaarheid van den grond boven die der

zandstreken lokte hen uit, zich daar meer te vestigen. Aan groote

gevaren stelden zij zich echter daarbij bloot, dewijl zij immer met de

hooge vloeden der zee hadden te kampen. Daarom wierpen zij op hooge

plaatsen, meest in de nabijheid van de kust der Noordzee en der

Middelzee, met gemeenschappelijke krachten die talrijke heuvels of

terpen op, welke nog in _Friesland_, _Groningen_ en elders onze

bewondering verdienen. Op deze wijkplaatsen of vliedbergen, welke van

tijd tot tijd verhoogd werden en waarin ze ook de aarden lijkbussen

hunner afgestorvenen begroeven[10], sloegen zij hunne woningen op. Nog

waren dit slechts hutten van takken, rijswerk en leem zamengesteld.

Hunne kleeding bestond nog in eene beestenvacht, welke zij om hunne

forsch gebouwde leden heensloegen. Als in een natuurstaat leefden zij

hoogst eenvoudig. Eerst waren het vischvangst en jagt, vervolgens

veefokkerij en landbouw, welke in hunne weinige behoeften voorzagen, en

hun de noodzakelijkste huishoudelijke voorwerpen verschaften. Onder den

invloed van goede zeden, werden zij bestuurd door de oudsten der

gezinnen en des volks, die tevens voorgangers of priesters waren bij de

vereering van de heidensche Goden, aan welke zij op geheiligde plaatsen

en in bosschen godsdienstige eer bewezen en de offers hunner

dankbaarheid toebragten.

[10] Zie _Oude Friesche Wetten_ in de Aantt. van P. WIERDSMA, 95, en

verder bl. 277, 278 en 295 van het 1e dl. mijner _Geschiedkundige

Beschrijving van Leeuwarden_, waar meerdere bijzonderheden en bronnen

zijn vermeld, welke ik hier zeker niet behoef te herhalen.

Zeker was het een krachtig en moedig volk, dat zich, in weerwil van zoo

vele moeiten en gevaren, zulk een oord tot eene geschikte woonplaats

wist te bereiden. Doch niet zelden ziet men een volk, begaafd met

oorspronkelijke deugden, door aanhoudende inspanning zijner vermogens,

van de ongenade der natuur wenschelijker vruchten trekken dan van hare

liefelijkste weldaden. Reeds hadden zij in dit afgezonderd oord lang

gewoond, en waren ze talrijk en magtig geworden, toen eene belangrijke

gebeurtenis eene groote verandering in hunnen toestand te weeg bragt.

Zij kwamen voor het eerst in aanraking met een vreemd en beschaafd volk.

4. _Der Friezen verbond met- en opstand tegen de Romeinen. (11 jaren

voor- en 28 na Christus.)_

Het was den Romeinen niet genoeg, reeds vele volken van het oosten

overwonnen- en ook _Gallië_ (_Frankrijk_), _België_, de Batavieren en

andere Germaansche stammen aan zich onderworpen te hebben. Met

onbegrensde zucht tot uitbreiding van hun gebied, wilden zij, na den

Rijnstroom als eene versterkingslinie met legerplaatsen bezet te hebben,

ook de rustige volken van het noordelijk _Germanië_ ten onder brengen.

Het was hun veldheer DRUSUS, die (11 jaren voor den aanvang onzer

tijdrekening) met dat oogmerk den Rijn afzakte, en, met zijne schepen

langs het land der Friezen trekkende, dit volk voor het eerst leerde

kennen. Hij onderwierp het in zoo verre aan het Romeinsche gezag, dat

hij een verbond van vriendschap met hen sloot, waarbij zij beloofden,

jaarlijks een zeker getal ossenhuiden aan de Romeinen op te brengen.

Getrouw voldeden de Friezen aan deze belofte, en bleven daardoor in

goede verstandhouding met de Romeinen, die, om de zee te vermijden,

verscheidene kanalen in dit land groeven ter verbinding van de rivieren,

waarover hunne vlooten daarna vele malen door _Friesland_ stevenden.

Maar, toen in het jaar 28 van onze jaartelling een wreede landvoogd,

OLENNIUS, met de invordering van die schatting belast was, eischte hij

eene grootere soort van ossenhuiden, dan zij konden leveren. Tegen zulk

eene baatzuchtige handelwijze verzette het volk zich eerst niet. Doch,

toen hij voortging hen te kwellen, en zich zelfs van hunne bezittingen,

vrouwen en kinderen meester maakte,--toen stonden de Friezen tegen de

Romeinen op en begonnen zij den regtvaardigsten strijd. Met al de woede

van een getergd volk vielen zij op hunne onderdrukkers aan, versloegen

de Romeinsche krijgsknechten, en belegerden hun bevelhebber, die in de

sterkte _Flevum_, gevlugt was. Te vergeefs werd dit kasteel door de

moedige, doch in de krijgskunst nog onbedrevene Friezen aangevallen.

Weldra kwam nu een ander Romeinsch krijgshoofd, APRONIUS, met eene

talrijke magt ruiters en keurbenden tot ontzet opdagen. Doch het volk

trok ook deze nieuwe vijanden te gemoet, met zulk een gelukkig gevolg,

dat zij op verschillende punten deels teruggedreven, deels verslagen

werden; terwijl op éénen dag bij een gewijd bosch, _Baduhenna_ geheeten,

900 en op eene andere plaats 400 Romeinen door de handen der getergde

Friezen den dood vonden.

Deze nederlaag kostte zoo vele Romeinen, en daaronder vele dappere

oversten, het leven, dat de tijding daarvan Keizer TIBERIUS ontzette,

hoewel hij de schade ontveinsde, omdat hij het niet durfde wagen de

schande zijner wapenen te wreken. De Romeinsche Geschiedschrijver, die

deze gebeurtenis verhaalt, voegt er bij: _Sinds dien tijd werd de

Friesche naam vermaard onder de Germanen._ (Zie _Aant. 2_.)

Sedert hebben de Romeinen de Friezen ongemoeid gelaten; ook later deden

zij geene poging, om zich over deze nederlaag te wreken. Wèl kwam

twintig jaren daarna hun veldheer CORBULO hier op nieuw, om eene

bezetting in _Friesland_ te leggen, doch spoedig ontving hij van Keizer

CLAUDIUS bevel, om over den Rijn, als de grens des rijks, terug te

trekken.

Roemrijk was alzoo deze overwinning van een klein en afgelegen volk op

de wereld-dwingende Romeinen, die gewoon waren altijd te zegepralen en

nooit eene nederlaag te lijden, en die der Friezen naburen, de Cauchen

en Batavieren, nog zoo lang al de zwaarte der Romeinsche overheersching

deden gevoelen. Het was destijds een even zeldzaam als merkwaardig blijk

van heldenmoed en vrijheidsmin, hetwelk den Friezen een eervollen rang

bezorgde in de geschiedenis der volken. Indien alle voorvallen uit de

vroegste geschiedenis van een volk, gelijk uit de kindsche jaren van een

groot man, belangrijk zijn, als middelen ter hunner ontwikkeling en

volgende grootheid, dan is dit hier vooral het geval. Vandaar het

schoone gezegde van onzen Frieschen dichter WILLEM VAN HAREN:

_O Dapperheid! o Deugd! Tot nog toe zag de zon

Geen volk, welks heerschappij zóó zegerijk begon.--

Ziedaar, hoe dat een volk, nog niet verwijfd van zeden,

Het onregtvaardig doel zeeghaftig kan weêrstaan

Van die de handen durft aan zijne Vrijheid slaan!_[11]

[11] Even als de volgende dichtregelen, uit het vermelde heldendicht

_Friso_.

5. _De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen._

Voorzeker is het altijd eene groote ramp voor een volk, zijne

onafhankelijkheid te verliezen, en veroverd of verdrukt te worden door

eene andere en vreemde natie. Evenwel kunnen zulke rampen in de uitkomst

dikwijls in zegeningen verkeeren, als ze in de hand van God middelen

zijn tot ontwikkeling en vordering in beschaving. In bestendigen vrede

rustig op zich zelf staande, blijft een volk veelal lang in den zelfden

toestand, zonder ongemeene inspanning van krachten, welke alleen

vooruitgang kan bevorderen. Doch verkeer en strijd met andere volken,

die reeds lang hooger stonden in kennis en beschaving, was dikwijls eene

leerschool tot verbetering van den maatschappelijken toestand. Daarom is

het zoo belangrijk de ~gevolgen~ na te gaan van elke groote gebeurtenis

en ook van deze.

Zoolang de Friezen als in den natuurstaat verkeerden, waren hunne

behoeften gering en hunne kleeding, woningen en levenswijze zeer

eenvoudig. De Romeinen, die eene grootsche stad bewoonden, en ook in het

oosten de weelde van onderscheidene volken mogten leeren kennen, hadden

veel meerdere behoeften, welke zij ook hier zoo veel mogelijk wilden

bevredigd zien. Zij werden dus de leermeesters der Friezen in het

verbeteren van hunne woningen, huishoudelijke zaken, kleeding, spijzen

enz. Deze voorzagen de Romeinen van levensmiddelen, en ruilden daartegen

van hen allerlei voorwerpen in, ook tegen gemunt geld, zoodat er handel

ontstond, mede met naburige volksstammen. Want ook het aanleggen van

wegen en het verbeteren van de gemeenschap te water leerden zij van de

Romeinen, wier talrijke vlooten, herhaalde malen door hun land

trekkende, hun een denkbeeld gaven van scheepsbouw en scheepvaart. Vele

zaken leerden zij kennen, waarvan zij vroeger geen begrip hadden, vooral

ook het ijzer en andere metalen, die spoedig tot de noodzakelijkste

behoeften behoorden.

Nadat hun vee een voorwerp van handel was geworden, vond de veefokkerij

groote aanmoediging. Doch van uitstekende waarde was de dienst, welke de

Romeinen hun bewezen, in het verbeteren en uitbreiden van den akkerbouw,

en door hun werktuigen en gereedschappen te verschaffen, om hier koren

te bouwen, dat tot dusverre voor de legers veelal uit _Brittannië_ werd

gehaald. Dit was van gewigtigen invloed. Doch niet slechts als

levensmiddelen en voorwerpen van handel gaven de veldvruchten

voordeelen. De bearbeiding van den grond gaf aan meerdere handen werk.

Die grond verkreeg grootere waarde. De eigendom werd gevestigd. De

bezitter werd meer gebonden aan de hoeve, die hij bebouwde, dan vroeger,

toen hij dáár henen trok, waar hij de beste weiden voor zijn vee vond.

De gehechtheid aan dien grond en aan het vaderland werd versterkt,

zoodat de opofferingen ligter vielen, om dat land eerlang tegen de

herhaalde overstroomingen der zee door dijken te beveiligen, waarmede de

Romeinen elders reeds een aanvang maakten. In één woord: de eerste

aanleiding tot nijverheid en handel, tot welvaart en maatschappelijke

vereeniging, tot onderling leven en verkeer, en tot eenige meerdere

kennis en beschaving, werd verkregen of bevorderd ten gevolge van het

verkeer met de Romeinen. (_Aanteekening 3._)

De ramp, welke de Friezen door het verlies van hunne onafhankelijkheid

scheen te treffen, werd hun alzoo tot zegen, en tot eene oorzaak van

verbetering en uitbreiding van hunne middelen van bestaan en tot

ontwikkeling van hun verstand en bekwaamheden. Zoo leert de

geschiedenis dikwijls de waarheid van de woorden des dichters:

_Des Hemels God, schoon Hij der menschen dwaasheên duldt,

Laat door het Kwaad somtijds het Goede zijn vervuld,

En, spottend met den weg van zwakke stervelingen,

Doet uit hun dwaasheid zelf wel nut en heil ontspringen._

6. _Der Friezen Afgezanten te Rome. (59)_

Een opmerkelijk voorval strekt ons ten bewijze, dat de Friezen, ondanks

het voorgevallene, goede Bondgenooten van de Romeinen waren gebleven.

Eenige bouwlanden, aan de boorden van den Rijn gelegen, en aan de

Romeinsche soldaten ten gebruike afgestaan, waren een tijdlang onbebouwd

gebleven en daarom door de Friezen ingenomen en gebruikt geworden. De

bevelhebber van _Neder-Germanië_ beval hun echter deze oorden te

verlaten. Hieruit ontstond een geschil van zóó veel belang, dat de

Friezen het wel der moeite waardig achtten, twee hunner opperhoofden,

door de Romeinen VERRITUS en MALORIX genoemd, ten jare 59, tot hen te

zenden, ten einde hunne belangen aan Keizer NERO voor te dragen. Zij

reisden naar _Rome_; doch vóór zij gehoor bij den Keizer konden bekomen,

bragt men hen in den schouwburg van POMPEJUS. De eenvoudige Friezen

begrepen weinig of niets van de voor hen vreemde schouwspelen. Onder de

menigte toeschouwers bemerkten zij evenwel eenige personen in uitheemsch

gewaad, die op de hooge zetels van de Romeinsche Raadsheeren waren

gezeten. Op hunne vraag, wie dat waren, ontvingen zij tot antwoord, dat

het gezanten waren van volken, die bekend stonden, in dapperheid, trouw

en vriendschap jegens de Romeinen uit te munten, en aan wie dáárom deze

eer werd bewezen. »Geen volk onder de zon overtreft de Friezen in

dapperheid en trouw," antwoordden VERRITUS en MALORIX, en, hunne

plaatsen verlatende, zetten zij zich ongenoodigd naast de vermelde

gezanten neder. Zij gaven daardoor een blijk van fierheid en volkstrots,

zoowel als van zelfstandigheid en eergierigheid; eigenschappen, welke te

allen tijde kenmerken van der Friezen aard en karakter zijn gebleven. De

wellevende Romeinen merkten daarin opregtheid en loffelijken naijver op;

zelfs de wreede Keizer NERO duidde hun deze handelwijze niet ten kwade:

want, ofschoon hij hun verlangen, om de in bezit genomene gronden te

behouden, niet kon toestaan, schonk hij hun beide het Romeinsche

burgerregt, als een uitnemend eerbewijs[12].

[12] TACITUS, _Jaarboeken_, 13, 310. Dat hunne namen in het Friesch

GERRIT en MURK waren, zoo als YPEIJ, I 161, wil, is waarschijnlijker

dan de meening van WINSEMIUS, 24, dat ze van het geslacht HERMANA en

CAMMINGHA zouden geweest zijn. Familienamen en Wapens schijnen hier

toch eerst omstreeks den tijd der kruistogten in de 11e eeuw te zijn

aangenomen.

7. _Uitbreiding van Friesland. (240-455)_

Het verkeer met de Romeinen had niet enkel der Friezen behoeften

vermeerderd, maar ook hunne zucht opgewekt, om hun land te vergrooten.

Het vorige verhaal geeft reeds een blijk hoe grooten prijs zij op

landbezit stelden ten behoeve van hunnen akkerbouw, en hoeveel moeite

zij zich gaven, om hun gebied uit te breiden. Eene groote verandering in

den toestand veler volken van _Europa_ gaf eerlang aanleiding, om die

zucht voedsel te geven en te bevredigen. Want de Romeinen, nadat zij

eenmaal ten top van grootheid en magt waren gestegen, verzwakten onder

hunne laatste slechte en heerschzuchtige Keizers, en vielen in den haat

der volken, welke zij lang verdrukt hadden. Deze waren intusschen

magtiger geworden, en ondersteunden ook elkander, om _Rome_ tegenstand

te bieden. Zoo verleenden de Friezen omstreeks den jare 70 hulp aan

hunne zuidelijke naburen de Batavieren, hoewel deze niet zoo gelukkig

slaagden, als zij vroeger, in de afschudding van het Romeinsche juk.

Meer andere stammen trachtten zich allengs van _Rome_ los te scheuren;

bovendien vielen ook vele uit het oosten aanrukkende volken op het

Romeinsche rijk aan. Eerlang had dit eene algemeene volksverhuizing ten

gevolge.

Opmerkelijk was vooral in het midden van de derde eeuw het verbond van

een aantal volken, tusschen den ~Rijn~, de ~Noordzee~, de ~Elbe~ en de

~Main~ woonachtig. Onder den naam van _Franken_ of Vrijen was hun doel

het herwinnen van hunne onafhankelijkheid, door het verdrijven van de

Romeinen uit deze streken; alsmede om zich-zelven te vestigen in hun

gebied, vooral in het meer vruchtbare _Gallië_. Dit doel gelukte hun na

langen strijd, en de naam van het tegenwoordige _Frankrijk_, dat zij

veroverden, draagt daarvan nog getuigenis.

Eerst namen de Friezen deel in dit verbond; doch zij waren te gehecht

aan hun eigen land, om dit te verlaten, en zich aan de kansen van een

twijfelachtigen strijd te wagen. Liever maakten zij van deze algemeene

beweging gebruik tot het uitbreiden van hunne eigene grenzen, waartoe

hun zoo gunstige gelegenheid werd aangeboden. »Het vuur der vrijheidsmin

ontvlamde de Friezen niet minder dan de Franken. Door deze hun

aangeboren zucht voor vrijheid boden zij telkens, wanneer zij door

andere volken werden aangevallen, met weergâloozen moed, een

onverzettelijken tegenstand, en gebeurde het niet zelden, dat zij, hunne

vijanden overmannende, dezelve aan zich cijnsbaar maakten, in de meening

van door de aanvallen op hen gedaan, daartoe volkomen regt te hebben.

Werkelijk hebben zij in dit tijdperk veroveringen van dien aard op hunne

naburen gemaakt, waardoor hunne heerschappij zich allengs tot eene

groote uitgestrektheid heeft uitgezet"[13]. Zuidwaarts breidden zij zich

alzoo over den ~Rijn~ en de ~Maas~ tot aan het ~Zwin~ of het ~Sincfal~,

een zeeboezem in _West-Vlaanderen_, uit[14], en oostwaarts over de

~Eems~ tot den ~Wezer~ of zelfs verder, welke laatste streken door de

Cauchen en andere stammen waren verlaten[15]. Evenzoo deden de Saksers,

welke de landen ten oosten en zuiden daarvan in bezit namen, en soms in

verbond traden met de Friezen. Tusschen de jaren 240 en 455 bekwam het

Friesche rijk alzoo eene groote uitgestrektheid langs de kust der

~Noordzee~, bevattende alstoen een gedeelte van het tegenwoordige

_Vlaanderen_, _Zeeland_, _Holland_, _Utrecht_, _Gelderland_,

_Overijssel_, _Friesland_, _Groningen_, _Drenthe_, _Oost-Friesland_,

_Oldenburg_ enz., met de landen, later door de ~Zuiderzee~ ingenomen.

Ten gevolge van al die verhuizingen waren er dus in het midden der

vijfde eeuw in het noordwestelijk gedeelte van _Europa_ drie magtige

vrije volken gevestigd: de _Franken_, de _Friezen_ en de _Saksers_.

(_Aanteek. 4._)

[13] YPEIJ, _Geschiedenis der Nederl. Taal_, I 150.

[14] Het ~Zwin~, oudtijds het ~Sincfal~ en later het ~Hazegat~

geheeten, komt in vele oude wetten en geschriften als de toenmalige

grens van _Friesland_ voor. Het is de eertijds breedere inham en haven

der stad _Sluis_ benoorden _Brugge_, welke _nog_ de grensscheiding

tusschen _Nederland_ en _België_, of tusschen het vaste land van

_Zeeland_ en _West-Vlaanderen_ uitmaakt. BLOMMAERT in zijne _Aloude

Geschiedenis der Belgen_, Gent 1849, 20, en VAN DEN BERGH in NIJHOFF'S

_Bijdragen_, VII 282, spreken uitvoerig over dezen grensstroom, die

zich tot _Damme_ uitstrekte, en in de 13e eeuw eene der voornaamste

havens niet slechts dezer landen, maar van gansch _Midden-Europa_ was.

Zie ook ACKER STRATINGH, I 114 en de kaart; DRESSELHUIS, _de Provincie

Zeeland_, 76 enz.

[15] Sommige schrijvers zeggen zelfs stellig: "tot over de Elve en dus

tot op de grenzen van _Denemarken_." Zie JOH. A LEIDIS _Chronicon_,

lib. II cap. 15; VAN LOON, _Aloude Regeeringwijs van Holland_, I 106,

enz.

8. _Der Friezen togt naar Brittannië. (449)_

Tegen het midden der vijfde eeuw werden de Britten, de oorspronkelijke

bewoners van _Brittannië_ of het tegenwoordige _Engeland_, zeer ontrust

door de Pikten en Schotten, die het noordelijk deel des lands in bezit

genomen hadden. Tegen hunne overmagt niet bestand, hadden zij van hen

reeds aanzienlijke verliezen in goed en bloed geleden. Van de Romeinen,

die voorheen hen dikwerf tegen die volken beschermd hadden, maar nu van

het eiland reeds vertrokken waren, konden zij geen bijstand meer

verwachten. Zij zagen dus rond naar andere hulp, en meenden die het best

te kunnen vinden bij hunne oostelijke naburen op het vaste land: de

_Neder-Saksers_, die toen de Vlaamsche en een gedeelte der Fransche kust

bewoonden en aan de scheepvaart en het zeeleven gewoon waren; de

_Anglen_ en _Warners_, die zich aan de monden van den Rijn, Maas en Waal

gevestigd hadden en de _Friezen_, die het verdere kustland bezaten.

Volken, die zich meermalen ter bereiking van hunne bedoelingen

verbonden; terwijl de Friezen, als de magtigste dezer stammen, zich

daarna over een groot deel van het gebied der eersten uitbreidden.

Als dappere en ondernemende volken bekend, namen zij, vol van strijdlust

en tuk op roem en buit, gaarne de gelegenheid waar, om een zwakken

nabuur, waarmede zij reeds lang in handelsbetrekking stonden, tegen

zijnen sterkeren vijand bijstand t bieden. Welhaast staken zij dan op

achttien schepen met hunne weerbare manschap over, onder bevel van twee

kloeke krijgshelden, HENGIST en HORS geheeten, en boden der Britten

Koning VORTIGERN hunne dienst aan. Spoedig zochten zij diens vijanden

op, en mogt het hen in een roemrijken veldslag gelukken, de Pikten en

Schotten te overwinnen, door ze deels te verslaan, deels te verdrijven.

Doch dit inroepen van vreemde hulp (altijd zoo hoogst gevaarlijk) kwam

den Koning duur te staan. Want die benden der Friezen, Anglen, Warners

en Neder-Saksers, belooning eischende voor hunnen bijstand, werden door

de vruchtbaarheid des lands zoodanig bekoord, dat zij in het beste

gedeelte des rijks zich met der woon vestigden en eerst hunne vrouwen en

kinderen en daarna nog velen hunner landgenooten tot zich lieten

overkomen. Jaren lang duurde deze verhuizing van het vaste land naar het

eiland voort. Eindelijk ontstond er tusschen hen en de Britten een

hevigen strijd, waarin zij de zege mogten behalen. Nu werd de Koning

gevangen genomen, vele aanzienlijken verloren het leven, de overigen

namen de vlugt, en HENGIST, weldra bezitter van geheel _Kent_, werd tot

Koning verheven, onder wien deze stammen zich hier verder vestigden en

uitbreidden. De oude Britsche volksstam vestigde zich deels diep in de

gebergten van _Wallis_, deels in het tegenwoordige _Brétagne_ in

_Frankrijk_, waar hunne oorspronkelijke taal en zeden nog het langst

bewaard bleven. Want de Angelsaksische en Friesche taal, zeden en

gebruiken werden, met den veranderden volksnaam, in _Engeland_

ingevoerd. Hoezeer ze in latere tijden veranderd en door vreemde woorden

en vormen verbasterd zijn, is derzelver overeenstemming met de taal, de

zeden en gebruiken der Friezen nog in onze dagen een bewijs van de

vroegere onderlinge vermenging dezer volken, ten gevolge van dezen togt

in het midden der vijfde eeuw. (Zie _Aanteekening 5_.)

9. _De strijd der Friezen tegen de Franken._

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken · 第 3 / 41 段