P. Leendertz, Wzn. voor het Leesgezelschap te Woudsend.
Leesgezelschap te Bergum en Oostermeer.
Leesgezelschap te Arum.
Leesgezelschap: Miscens Utile Dulci, te Leijden.
Leesgezelschap: ter Beschaving, te Sneek.
Leesgezelschap te Folsgare.
Leesgezelschap (Het Geschied- en Letterkundig) te Zwolle.
A. van der Leeuw, te Delft.
T. Leistra, te Bergum.
Mr. D. J. van Lennep, voor de Bibliotheek van het Athenæum
Illustre te Amsterdam.
A. Rutgers van der Loeff, Predikant te Leiden.
W. Lomars, Bakker te Tjum.
J. D. Lont, Landbouwer te Hallum.
S. Lycklama à Nijeholt, Wethouder der stad Bolsward.
D. G. Mackay, Predikant te Stavoren.
W. Mebius, Predikant te St. Jacobi-Parochie.
Mr. G. A. de Meester, Lid der Staten van Gelderland, Advokaat en
Secretaris te Harderwijk.
Wed. I. Meesters-Tromp, te Steenwijk.
H. Meinesz, Ontvanger der Directe Belastingen te Amsterdam.
O. Meinsma, Rijks-Ontvanger te Meppel.
D. M. Mellema, Lid der Prov. Staten van Friesland en Landbouwer
te Oostrum.
F. H. Mertens, Stads-Bibliothekaris te Antwerpen.
H. Mestdagh, Boekhandelaar te Vlissingen.
Mr. L. Metman, Advokaat te 's Gravenhage.
J. C. Metzlar, Secretaris van West-stellingwerf te Wolvega.
A. H. v. d. Meulen, Koopman te Franeker.
Dr. P. A. van Meurs, Docent aan 't Gymnasium te Deventer.
J. F. Meijer, Ontvanger van 's Rijks belastingen te Witmarsum.
A. J. Mispelblom Beijer, Directeur der Posterijen te Leeuwarden.
H. Mohrman, voor het Leesgezelschap: Oefening volmaakt, te
Amsterdam.
Mr. J. Haitsma Mulier, Burgemeester der stad Bolsward.
Mr. T. Mulier, Burgemeester van Wonseradeel te Witmarsum.
Mr. C. F. F. Rinia van Nauta, Kantonregter van Bergum, te
Giekerk.
Mr. G. R. Nauta, President bij de Arrond.-Regtbank te Heerenveen.
Laurens Nauta, Kweekeling te Groningen.
A. R. Nicolai, Geneesheer te St. Anna-Parochie.
Johs. Nolledes, Olieslager te Leeuwarden.
G. Noordhof, Onderwijzer te Oosterwolde.
C. H. Nijdam, te Haskerdijken.
H. H. Okken, Min. Cand. en Hulpprediker te Bakkeveen.
U. P. Okken, Theol. Doct. en Predikant te Solwerd c. a.
J. S. Olivier, Secondant te Groningen.
A. van Otterloo, Instituteur te Amsterdam.
M. D. van Otterloo, Instituteur te Valburg.
S. van der Paauw, Stads-Architect te Leiden.
J. A. Palsma, voor het Leesgezelschap te Vrouwenbuurt.
P. K. Pel, Genees- en Heelkundige te Dragten.
de Petit, Kolonel van den Generalen Staf, te Arnhem.
R. Piekema, Commissaris van Policie der stad Leeuwarden.
Mr. G. L. Jansma van der Ploeg, Advokaat te Amsterdam.
T. van der Ploeg, Brandspuit- en Brandkast-fabrikant te Grouw.
G. Pol, V. D. M. te Baard, voor een Leesgezelschap.
Mr. J. Pols, Referendaris te 's Hage.
J. Posthuma, Med. Doctor te Dronrijp.
B. Prakken, Koopman en Wethouder der Gemeente Oost Stellingwerf
te Oosterwolde.
A. Winkler Prins, Doopsgezind Predikant te Veendam en Wildervank.
Mr. F. S. Reiding, Lid der Staten van Friesland en Secretaris van
Smallingerland.
A. C. Reneman, Wed. Persijn van Nauta, te Leeuwarden.
Mr. B. W. van Welderen Baron Rengers, te Leeuwarden.
Mr. S. J. van Rhijn, Griffier bij de Arrond. Regtbank te 's Hage.
J. K. van Riesen, Koopman te Grouw.
P. R. Römer, Geneesheer te Warrega.
E. S. Romkes, Assessor van Wijmbritseradeel te Scharnegoutum.
J. A. Schaaff, Notaris te Stiens.
J. Schaafsma, te Harlingen.
P. Scheltema, Archivarius der Hoofdstad en van de Provincie
Noord-Holland.
Mr. G. Schot, Notaris te Franeker.
J. M. Schrant, Professor in de Wijsbegeerte en Letteren te
Leiden.
J. C. Schultz Jacobi, Evang. Luth. Predikant te Rotterdam.
Mr. J. G. Schumacher, te Rotterdam.
J. Schuijten Hzn., te Dordrecht.
N. Sickler, Candidaat-Notaris te Leeuwarden.
G. D. Simon, Directeur der Belastingen in Friesland te
Leeuwarden.
J. D. Simon, Stedelijk Ontvanger te Leeuwarden.
M. C. Simon, Med. Doctor te Amsterdam.
N. J. Singels, Kostschoolhouder te Leeuwarden.
E. J. Sjoukes, te Lutkewierum.
J. W. Sluiter, Conrector aan het Gymnasium Erasmianum te
Rotterdam.
Jhr. Mr. C. J. Speelman, te Bolsward.
S. Spree, Ontvanger der Dir. Belastingen te Leeuwarden.
Dr. Th. Spree, te Veenwouden.
K. Stapensea, Geëmploijeerde ter Secretarie van Menaldumadeel te
Menaldum.
Jhr. N. J. Steengracht van Duivenvoorde, Hoogheemraad van
Rijnland te 's Hage.
A. W. Storm van 's Gravesande, te Enschedé.
Jhr. van der Straten van den Hill, Lid der Ridderschap van
Zeeland, op het huis te Hoorn, onder Rijswijk.
C. W. Stronck, Theol. Doctor en Predikant te Dordrecht.
Mr. Æ. M. de Swart, Procureur te Leeuwarden.
W. Swart, Med. Dr. te Leeuwarden.
A. H. Swerms, Beëedigd Klerk te Franeker.
J. H. Swildens, Instituteur te Amsterdam.
M. Sijbouts, Koopman te Leeuwarden.
H. Taconis, te Grouw.
J. Z. Tadema, Theol. Student te Amsterdam.
A. Tak, te Middelburg.
Mr. E. H. Tenckinck, Secretaris van Hennaarderadeel te Wommels.
Mr. Rein Terpstra, te Cleve.
H. N. van Teutem, Litt. en Theol. Doct. Predikant te Rotterdam.
H. A. Timmerman, Landbouwer te Munnekeburen.
P. J. Tolsma, Lid van den Raad van Barradeel te Almenum.
A. H. Tromp, te Woudsend.
A. M. Tromp, te Balk.
Mr. S. W. Tromp, Procureur en Wethouder der stad Leeuwarden.
D. Trompetter, Catechiseermeester te Harlingen.
E. van Tuinen, Apotheker te Leeuwarden.
B. B. van der Veen, Predikant te Eernewoude.
Mr. C. J. van der Veen, Lid der Gedeputeerde Staten van
Friesland, te Leeuwarden.
Mr. Jan van der Veen, Advokaat en Lid der Staten van Friesland,
te Leeuwarden. g. p.
Jhr. P. E. A. Vegilin van Claerbergen, oud Lid der Gedeputeerde
Staten van Friesland, te Blesse.
S. L. Vellinga, Deurwaarder te Bergum.
A. W. Vermeij, Predikant te Exmorra en Allingawier.
Dr. L. G. Visscher, Hoogleeraar te Utrecht.
W. W. Visser, Koopman te Gaastmeer.
Mr. C. L. Vitringa, Burgemeester en Notaris te Nunspeet.
J. J. van Vollenhoven, Predikant te Utrecht.
H. W. A. Voorhoeve, te Rotterdam, voor een Leesgezelschap.
Mr. R. IJ. Warmolts, Advokaat te Leeuwarden.
Is. Warnsinck, Architect, Secretaris der 4e kl. van het Kon. Ned.
Instituut te Amsterdam.
J. H. Warren, Rector van het Gymnasium te Dokkum.
B. K. Wassenaar, Landbouwer te St. Jacobi-Parochie.
Mej. L. P. Wentholt, te Franeker.
J. A. van Weperen, te Oosterwolde.
H. van der Werf, Koopman te Bolsward.
A. H. Wessels, Pred. bij de Christ. Afgescheidene Gemeente te
Rhijnsburg. g. p.
Dr. R. Westerhoff, Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal,
te Warffum.
C. S. Westra, Leerlooijer te Achlum.
Jan Westra, Opperwachtmeester bij het Regiment Rijdende
Artillerie te Amersfoort.
J. W. Weijerman, Hoofd-onderwijzer te Haarlem.
P. Wiarda, te Leeuwarden.
J. Wildeboer, Onderwijzer te Lekkum.
D. H. Wildschut, Theol. Doctor en Predikant te Amsterdam.
Mr. S. de Wind, Vice-President van het Prov. Geregtshof in
Zeeland, te Middelburg.
R. S. van de Wint, Ondermeester in de Stads-Burgerschool te
Harlingen.
Mr. J. M. de With, Plaatsverv. Kantonregter te Buitenpost.
J. B. Wolters, Boekhandelaar te Groningen.
H. Zaadstra, voor het Leesgezelschap te Oosterlittens.
Mr. Jac. Zeper, Koopman te Leeuwarden.
C. Zijlstra, Secondant te Barneveld.
[Illustratie: Schetskaart van den WAARSCHIJNLIJKEN TOESTAND van het LAND
DER FRIEZEN EN HUNNE NABUREN, _omstreeks den aanvang onzer
tijdrekening_.
_Volgens het ontwerp van Dr J. G. Ottema. Uitgegeven door W. Eekhoff,
1851. Steendr der Wed. C. Brantsma._]
VERDEELING EN ORDE VAN BEHANDELING.
EERSTE TIJDVAK. _Het Oude Friesland._ Van de vroegste tijden of de komst
der Romeinen in _Friesland_ tot op het einde van den strijd der Friezen
en Franken onder _Keizer_ KAREL _den groote_. Van 11 jaren vóór CHRISTUS
tot omstreeks den jare 800 van onze tijdrekening.
TWEEDE TIJDVAK. _Het Vrije Friesland._ Van KAREL _den groote_ of de
invoering van de Christelijke godsdienst tot op het einde der
partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers en het verlies der
onafhankelijkheid onder _Hertog_ ALBERT _van Saksen_. Van omstreeks het
jaar 800 tot 1498.
DERDE TIJDVAK. _Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten._ Van de
aanneming van _Hertog_ ALBERT _van Saksen_ tot Erfpotestaat van
_Friesland_ tot de Hervorming in Kerk en Staat of de afwerping van het
Spaansche juk. Van 1498 tot 1580.
VIERDE TIJDVAK. _Friesland onder de Staten en de Stadhouders uit het
Huis van Nassau._ Van de invoering der Hervorming tot de ontbinding der
Nederlandsche republiek of de Staats-omwenteling. Van 1580 tot 1795.
VIJFDE TIJDVAK. _Friesland tijdens de Fransche overheersching._ Van de
Staats-omwenteling en de opheffing van het Stadhouderschap tot de
herstelling van _Nederland_ en het vertrek der Franschen. Van 1795 tot
1813.
ZESDE TIJDVAK. _Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering._
Van 1813 tot 1850.
[Illustratie: BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND, IN HOOFDTREKKEN;
DOOR W. EEKHOFF.]
BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND, IN HOOFDTREKKEN.
_Inleiding._
Ons allen is zóó groot een lust tot kennis en wetenschap aangeboren, dat
niemand kan twijfelen of de menschelijk natuur wordt, zonder uitzigt op
eenig voordeel, van zelf daar heen getrokken. Algemeen is in het
bijzonder bij alle volken de neiging, om te willen weten ~wat~ de
oorsprong is van hun vaderland, ~welke~ merkwaardige gebeurtenissen
daarin zijn voorgevallen, en ~hoe~ het in den loop der eeuwen tot zijnen
tegenwoordigen toestand is gekomen.
Deze loffelijke neiging en die vaderlandsliefde worden zeer versterkt,
als de geschiedenis van dat volk eene eervolle afkomst kan aanwijzen;
als zij voorstelt uit welke geringe beginselen vaak groote gevolgen zijn
voortgekomen; maar vooral, wanneer zij aantoont, welke nooden en gevaren
de voorvaderen al hebben doorgestaan, om dit erf te behouden en te
verbeteren, en als zij uit den strijd tegen de vijanden des vaderlands
edele bedrijven en heldendaden kan vermelden, waarin het nageslacht
zijne eer en zijnen roem stelt.
Dat alles is echter nog niet genoeg: want hoogere waarde voor verstand
en hart heeft de geschiedenis, als wij daarin nasporen, welke de opkomst
en ontwikkeling was van het volk en zijne belangen;--als zij ons
aanwijst, door welke oorzaken, krachten en vermogens de vrijheid, de
welvaart en andere maatschappelijke voorregten der ingezetenen zijn
verkregen en vermeerderd, en onder welke omstandigheden zij in kennis en
verlichting zijn toegenomen; maar bovenal, hoe zij door de Goddelijke
Voorzienigheid zijn geleid, beschermd en gezegend, om gevormd te worden
tot een beschaafden burgerstaat, waarvan de leden eene verhevener
bestemming hebben dan het gedierte des velds.
Weinige volken van _Europa_ kunnen op hoogere oudheid, eervoller afkomst
en roemrijker geschiedenis bogen dan _de Friezen_. Zeldzaam en
merkwaardig toch is het voorbeeld van een volk, dat gedurende achttien
eeuwen zijn naam onveranderd bleef dragen, zijn eigen land bleef
behouden, en dat zijne vrijheid, volksbestaan, taal, karakter en zeden
zoo lang mogt bewaard zien. Vele naburige volken zijn gedurende dien
tijd ontstaan en verdwenen of van naam veranderd--_de Friezen_ handhaven
hun bestaan, van vóór onze jaartelling af, onafgebroken. Dikwijls
zijn zij door vreemde legers aangevallen; veelmalen werd hunne
onafhankelijkheid belaagd en scheen hun ondergang nabij, en
immer bestookt door den oceaan, welke hen aan bijna alle zijden
omringt,--moesten zij zich bestendig verdedigen tegen deze magtige
vijanden, op wie zij, na vele verliezen, fier de overwinning mogten
behalen. Op lage en moerassige landen en dorre heiden gevestigd, mogt
het bovendien hunner noeste vlijt gelukken, dit land door dijk- en
waterwerken te herscheppen in dát vruchtbaar en bloeijend oord, met
talrijke steden, dorpen en gehuchten als bezaaid, hetwelk thans een der
sieraden is van _Nederland_.
Hoe pligtmatig is het dus niet voor ons, die, nog den ouden volksnaam
dragende, de vruchten van dien strijd, inspanning en zorg genieten, en
de voorregten en genoegens eener geregelde burgermaatschappij hier thans
mogen smaken, om belang te stellen in de geschiedenis van dit land en
dat volk. Daardoor toch zullen wij het voorgeslacht vereeren, waaraan
wij zoo groote verpligting hebben, en kunnen opmerken hoeveel dank wij
Gode verschuldigd zijn voor de hulp en bescherming, waarmede hij ons
voorgeslacht boven vele andere volken begunstigde. Die belangstelling
zal der Friezen nationaliteit en vaderlandsliefde, waardoor zij zich
steeds blijven onderscheiden, waardig zijn. Zelfs zullen deze nieuw
voedsel ontvangen door de vermelding van den roem huns lands en de eer
huns volks. Nimmer echter moge dit in ijdelen volkstrots ontaarden, die
tot beleediging of minachting van naburen strekt. Neen, de beoefening
van die geschiedenis worde veeleer een middel tot beschaving, tot eene
billijke opprijsstelling van de waarde der dingen, tot regtschapenheid
en grootmoedigheid. Door haar verstandig te lezen en door acht te geven
zoowel op de oorzaken en omstandigheden als op de gevolgen der daden en
gebeurtenissen, zal deze bode der verloopene eeuwen de leermeesteres
worden van onzen leeftijd, en licht verspreiden over onzen toestand. Zij
zal vooral de eeuwige waarheid luide verkondigen, dat de hoogste
Wijsheid in edele daden zelve hare belooning, gelijk in slechte daden de
onvermijdelijke straf der boosheid zelve gelegd heeft. Zij zal ons met
bemoedigende gevoelens vervullen voor de hoop der toekomst, daar zij
aanwijst hoe met elk geslacht de toestand, de zeden en de beschaving des
volks zijn verbeterd. Want waarheid bevat het kort en eenvoudig gezegde
des dichters:
_In 't verleden ligt het heden,
In het =nu= wat worden zal._
Op die wijze beoefend, zal de geschiedenis voor ons een tafereel zijn
van Gods leiding met het voorgeslacht; dan zal zij geen bloot
geheugenwerk, maar een waardig voorwerp van nasporing zijn, omdat zij
leert uit hetgeen geschied is, en omdat zij den oorsprong verklaart van
den maatschappelijken toestand, waarin wij ons thans bevinden.
Hoe gaarne zouden wij eene uitvoerig bewerkte Geschiedenis van
_Friesland_ bezitten, waarin dat alles in bijzonderheden ontwikkeld
ware! Tot bewerking daarvan schijnt echter de tijd nog niet gekomen te
zijn, en moeten er vooraf nog vele bijzondere bronnen opgespoord en
uitgegeven worden. Wij willen echter eene schrede doen op dit
uitgestrekte veld, door de ~hoofdtrekken~ dier geschiedenis of de
voornaamste gebeurtenissen kort en eenvoudig te verhalen. Daardoor moge
voorloopig worden voorzien in eene behoefte, welke velen onzer
landgenooten gaarne bevredigd zagen; velen, ook in andere provinciën des
vaderlands, welke vroeger deelen waren van het uitgestrekte Friesche
rijk, en wier geschiedenis dus zamenvloeit met die, welke wij in de
hoofdzaak tot de tegenwoordige provincie of het eigenlijk _Friesland_
moesten bepalen. Hartelijk wenschen wij, dat onze bewerking, die, wegens
gebrek aan bescheiden, niet in alles volledig kan zijn, eene heldere
voorstelling moge geven van de hoofdgebeurtenissen, die den schakel der
geschiedenis vormen.
EERSTE TIJDVAK.
HET OUDE FRIESLAND.
VAN DE VROEGSTE TIJDEN TOT KEIZER KAREL DEN GROOTE.
_Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Christus._
Ende ist zaecke dat u belieft hier meer af te weeten, zoe bidde
ik u, dat ghy neerstelicken wilt overleesen die oude historien
van Vrieslant, inden welcken ghy alle dinck breeder ende claerder
vertelt zult vinden.
CORNELIS VAN GREBBER, van _Egmond_.
(1198)[1]
[1] Vermeld in de Aantt. op HOFDIJK'S _Jonker van Brederode_, Amst.
1849, bl. 208.
1. _De Afkomst der Friezen._
De afkomst of oorsprong der Friezen schuilt zóó diep in den nacht der
eeuwen en gaat het historische tijdperk, of de met zekerheid bekende
geschiedenis van ons vaderland, zóó lang vooraf, dat niemand daaromtrent
bepaalde berigten kan mededeelen. Het ontbreekt echter niet aan
gissingen, vermoedens en volksverhalen deswege. Dat zij uit het noorden,
uit _Scandinavië_ of _Zweden_ en _Noorwegen_ afstammen, wordt evenzeer
beweerd, als dat zij uit _Azië_ of het oosten afkomstig en dóór
_Germanië_ getrokken zouden zijn, vóór zij zich hier op deze kustlanden
vestigden. Anderen houden hen voor een stam der Kimbren; doch volgens de
jongste onderzoekingen der geleerden, zouden zij afstammen van de Celten
of Kelten, wier voorgangers (door hen Vóór-Kelten of Vóór-Germanen
genoemd) in een gedeelte van _Friesland_, het hooggelegene _Drenthe_, de
stichters waren van de reusachtige ~Hunebedden~ of opeengestapelde
steenbrokken, welke gedurende zoo vele eeuwen voorwerpen van bewondering
zijn geweest[2]. Ook in _Gaasterland_ is in 1849 een dergelijk Hunebed,
steengraf of kelder beneden den hoogen boschgrond ontdekt, bestaande uit
eene massa zware steenbrokken, waar tusschen vuursteenen wiggen,
urnscherven, houtskool enz. werden gevonden; een gedenkstuk der oudheid
uit den vóór-historischen tijd, toen de bewoners dezer landen het
gebruik van de metalen nog niet kenden[3].
[2] Uitvoerig handelt daarover Dr. G. ACKER STRATINGH in zijne _Aloude
Staat en Geschiedenis des Vaderl._ Gron. 1849, II 44, 88, 108. Zie
verder over de afkomst der Friezen de Voorrede van het 1e dl. van het
_Vriesch Charterboek_; YPEIJ, _Geschiedenis van de Ned. Taal_, Gron.
1812, I 126, 150, II 106; FOEKE SJOERDS, _Beschrijving van Friesl._,
Leeuw. 1765, I 277; _Oudheden en Gestichten_, I 1, 38, II 337; Dr. L.
J. F. JANSSEN, _Drenthsche Oudheden_, 17, 167.
[3] Na een naauwkeurig onderzoek heeft de geleerde oudheidkenner Dr.
L. J. F. JANSSEN daarvan een uitvoerig verslag aan het Friesch
Genootschap medegedeeld, hetwelk geplaatst is in _de Vrije Fries_,
1850, V 338.
Meer geloof verwierf echter het volksverhaal, dat FRISO, eens Konings
zoon uit _Indië_, na den dood van ALEXANDER _den groote_ uit zijn
vaderland verdreven, zich met zijne broeders SAXO en BRUNO en vele
anderen te scheep begeven hebbende, 313 jaren vóór onze tijdrekening met
eene vloot in _Friesland_ zou aangeland zijn. Hij wordt gehouden voor
den stichter van _Stavoren_, voor den bevolker van dit land en alzoo
voor den stamvader der Friezen, die van hem hun naam ontleenden, gelijk
de Saksers en Brunswijkers den hunnen van zijne broeders zouden
ontvangen hebben.
Het valt zeer moeijelijk te beslissen, in hoe ver dit aloude
volksverhaal waarheid bevat. Toen het omstreeks veertien eeuwen later in
de landskronyken werd opgenomen, werd het blijkbaar in den vorm en naar
de denkwijze van dien tijd voorgesteld, versierd en uitgebreid, en
daaraan eene gansche rij van Vorsten verbonden, die Prins FRISO in het
bestuur van _Friesland_ zouden opgevolgd zijn[4]. Bestendig is dit
verhaal het voorwerp geweest van geschil tusschen vele geleerden, die
het bestreden en verdedigd hebben. De dichter WILLEM VAN HAREN heeft het
zelfs tot onderwerp gekozen van een voortreffelijk heldendicht[5].
[4] Zie het _Tijdrekenkundig Overzigt van de Friesche Vorsten,
Opperhoofden, Koningen, Stadhouders_ enz., en de daar vóór geplaatste
inleiding, achter de _Aanteekeningen_ als Tweede _Bijlage_
medegedeeld, ter bekoming van een algemeen overzigt van de opvolging,
duur van regering en voornaamste feiten dezer personen.
[5] _Gevallen van Friso, Koning der Gangariden en Prasiaten_, Amst.
1741, 8^o. De tweede omgewerkte druk verscheen in 1758 in 4^o. De
mindere waarde van dezen laatsten druk heeft Dr. J. H. HALBERTSMA
uitvoerig aangetoond in zijne _Fragmenten over het geslacht der van
Harens_, bl. 100, 137.
Er bestaan nog meerdere verhalen en meeningen omtrent den oorsprong der
Friezen, doch allen zijn even twijfelachtig, als de verklaringen van den
naams-oorsprong[6]. Waarom zouden wij niet liever bekennen, dat de
hooge oudheid ons verhindert deswege eenige zekerheid te bekomen, en dat
er ~weinige~ trekken bekend zijn uit de eerste kindschheid der
levensgeschiedenis onzer natie? Meer zeker is het echter, dat zij een
der talrijke volksstammen waren van het uitgestrekte _Duitschland_ of
_Germanië_. Doch volkomen zeker is het, dat zij hier reeds gevestigd
waren, deze lage landen zich reeds tot eene bewoonbare plek gemaakt- en
zich over eene groote landstreek uitgebreid hadden, toen de Romeinen, 11
jaren vóór onze tijdrekening, voor het eerst in deze landen kwamen. De
geschiedschrijvers van dat volk, wier werken wij bezitten als de eerste
bronnen der geschiedenis van _Nederland_, maken melding van hen. Hoe
lang zij toen reeds hier gewoond hadden, is onzeker, en, wegens gebrek
aan kennis van de tijdrekenkunde en schrijfkunst bij dit volk, ook
nimmer na te sporen.
[6] Zie de opsomming daarvan in VAN LEEUWEN'S Aantt. op _It aade
Friesche terp_, Leeuw. 1834, 291; VAN RIJN'S Aantt. en Nabericht op de
_Oudheden en Gestichten van Vriesland_, Leiden 1723, I 88, II 357;
YPEIJ, _Gesch. v. d. Ned. taal_, I 150; de Voorrede van het _Stamboek
van den Frieschen Adel_, Leeuw. 1846, bl. II; ACKER STRATINGH, II 108
en bij vele anderen.
2. _De omvang en toestand van het Oude Friesland._
Het gansche noordelijk gedeelte van _Nederland_, hetwelk thans de
provinciën _Friesland_, _Groningen_ en _Drenthe_, benevens een deel van
_Overijssel_, _Noord-Holland_ en de Zuiderzee uitmaakt, was, bij den
aanvang van onze tijdrekening, ~het land der Friezen~. De rivier de Eems
aan de oostzijde, en de Reker of Kinhem (bij _Alkmaar_), aan de
zuidwestzijde, waren de grenzen van dit land[7]. Daar tusschen bevond
zich het groote meer Flevo, met verscheidene grootere en kleinere
rivieren, welke uit de hoogere oostelijke en zuidelijke streken door dit
lagere land stroomden, om zich uit te storten in de Noordzee. Het waren
de IJssel, de Vecht en het Flie, de Middelzee of het Boorndiep, de
Lauwers, de Hunse, de Aa, de Fivel en andere stroomen, die alle, meest
in noordelijke rigting, den bodem kliefden, vele beken en meren in zich
opnamen, en zich een weg gebaand hadden door de duinen. De rij dezer
door de natuur tegen de woede des oceaans opgeworpene zeeweringen was
daardoor verbroken. De Noordzee had daardoor meer gelegenheid bekomen op
deze landen in te breken. Haar geweld sloeg nu eerlang het voorland en
daarna een groot deel der duinen zelve weg, waardoor de zeegaten
vermeerderd en verbreed werden en de eilanden ontstonden. Zoo had dit
land eeuwen lang te strijden met het geweld van stormen en vloeden, die
hier groote stukken gronds wegrukten, daar den bodem deden aanwinnen,
elders zandruggen en heuvels opwierpen, en de lagere landen met slib
overdekten, waardoor de kleigronden zijn ontstaan.
[7] Zie over den loop dier rivieren de hierbij gevoegde _Schets_ en
_Aanteekening 1_. Die thans weinig meer bekende en verdwenen rivier de
~Richara~, de ~Reker~ of ~Kinhem~, waarvan _Kennemerland_ zijn naam
draagt, welke voor den noordelijksten Rijnmond wordt gehouden, die
zich langs _Alkmaar_ bij _Petten_ in de Noordzee stortte, was destijds
van veel belang, en verdient hier vooral opgemerkt te worden, dewijl
zij als latere grensscheiding in de geschiedenis dikwijls voorkomt.
SCHOTANUS, _Beschrijv. end Chronijck_, opdr. en 301, Fran. 1655, noemt
haar: "de stroom Alckmaere of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt
dies tijdts scheydde." Zie daarover vooral HUYDECOPER op MELIS STOKE,
I 515; VAN DEN BERGH, _de Nederl. Wateren_, in NIJHOFF'S _Bijdragen_,
VII 208; ACKER STRATINGH, I 197 en OTTEMA, in _de Vrije Fries_, IV
110; W. J. HOFDIJK noemt in zijn _Kennemerland_, 1850, 33: "het
_Reeker-wed_, of wadde, (een doorwaadbare, ondiepe waterboezem) die
zich van beneden _Koedijk_ tot aan de _Syper_ golf uitstrekte: alzoo
eene natuurlijke grens vormende tusschen _West-Friesland_ en 't
noordelijkst einde van _Kennemerland_." Zie ook het Jaarboekje:
_Holland_, 1851, bl. 175.