HOOFDSTUK XV.

Thans moeten wij een weinigje naar de baai van Natal gaan, en de

lotgevallen der Engelschen aldaar verhalen. Om die van het begin af na

te gaan, daarvoor is in dit verhaal geen plaats, hoewel hunne

geschiedenis belangwekkend genoeg is. Het zij slechts gezegd dat reeds

van af 1830 er Engelschen gevestigd waren bij Port Natal, waar thans de

stad Durban ligt. Na een aantal troebels met Dingaan, slaagden zij er

echter in om in 1835 een soort van vriendschapsverbond met hem aan te

gaan, en konden zij een tamelijk rustig leven voeren. Er waren bij de

baai een aantal vluchtelingen uit Zululand en deze erkenden eenige der

blanken als hunne opperhoofden of kapteins. Zoo was de heer Alexander

Biggar het hoofd van een deel hunner en de heer John Cane het hoofd van

een ander deel.

Toen de Engelschen bij Port Natal de tijding kregen van den moord van

Retief, en ook dat Thomas Holstead een der slachtoffers was, begonnen

zij bevreesd te worden en Dingaan te wantrouwen, en het was om die

reden dat zij den heer John Cane met den Eerw. Lindley zonden, om aan

de Boeren hunne hulp aan te bieden. Toen zij nu door den heer Lindley,

na zijn tweede reis naar de Emigranten, vernamen dat de Boeren op den

11den April tegen Dingaan zouden optrekken, maakten ook zij zich

gereed, en reeds vroeg in April trokken zij op weg. Hun commando

bestond uit zoowat twintig blanken en omtrent twaalfhonderd

kleurlingen, allen goed gewapend, de meesten zelfs met geweren. De

jonge Robert Biggar, de broer van den bij Bushmansrivier vermoorde

George Biggar, werd veronderstelt de leider der expeditie te zijn, maar

in werkelijkheid had elke blanke kapitein alleen iets over zijne

volgelingen te zeggen en het waren John Cane en zekere Henry Ogle die

de meeste volgelingen hadden.

Na een marsch van vier dagen bereikte het Engelsche commando een

Zulukraal. De mannen hiervan waren naar Umkungunhlovu gegaan op order

van Dingaan, en men vond er slechts een aantal vrouwen en kinderen, en

behalve die, ook een paar duizend stuks grootvee. Deze vangst maakte de

hoofden der kleurlingen van het commando op hol, en het was onmogelijk

voor de blanken om eenige order onder hen te houden, zoodat spoedig er

een hevige ruzie plaats vond tusschen de volgelingen van Cane en die

van Ogle en later klom die ruzie zoo hoog, dat de partijen met elkander

aan het vechten raakten. Te vergeefs trachtten de blanken de

kleurlingen binnen de palen der krijgstucht te houden, en men zag

eindelijk in, dat het onmogelijk was om verder te trekken voor dat de

genomen buit verdeeld was. Het commando ging dus naar Port Natal terug.

Het duurde eenige dagen voordat alle geschillen tusschen de partijen

geslecht waren, en toen zelfs waren Henry Ogle en de zijnen ontevreden,

en weigerden om weder met het commando op te trekken. Men liet hen dus

achter en trok op. Ditmaal bestond de expeditie uit zeventien

Engelschen, dertig Hottentotten en zoowat een vijftienhonderd

kleurlingen, meest vluchtelingen uit den Zulustam die men dus wel kon

vertrouwen, want zij wisten dat zij van Dingaan geen genade konden

verwachten. Ook deze keer stond de heer Robert Biggar aan het hoofd.

Men trok stadig voort en op den derden dag stiet men een korten afstand

ten zuiden van de Tugela op een Zulu-regiment. Dit was juist bezig het

middagmaal te gebruiken en schrok blijkbaar zoo hevig op het gezicht

van den vijand, dat het hals over kop de vlucht nam, en kost en

kookgoed achterliet. De Natalsche kleurlingen vervolgden het, en joeg

hen over de Tugela, en toen ging het Natal-commando zelf de rivier over

en namen bezit van een kraal die dicht bij de wallen der rivier stond.

Plotseling vonden zij zich hier omringd door een Zululeger meer dan

7000 man sterk. Toen op den 17den April 1837 werd hier een slag

gevochten, die zeker de bloedigste is ooit op Zuid-Afrikaansche bodem

gevochten.

Het Zululeger rukte met de gewone vinnigheid op de kraal aan,

verwachtende om hun gering aantal vijanden in een oogenblik te

vernielen. Doch zij werden met groot verlies afgeslagen. Een tweede

aanval gelukte niet beter, en zelfs in den derden aanval leden de

Zulu’s de nederlaag, waarop zij moedeloos zich op eenigen afstand

terugtrokken.

Het Natal-commando meende nu de aanvallende partij te moeten zijn. Het

verliet de kraal en trok tegen het Zulu-impi op. Ongetwijfeld zou het

Zululeger op de vlucht geslagen hebben, ware het niet dat plotseling

twee nieuwe Zulu-regimenten op den plaats des gevechts aankwamen. Dit

gaf den Zulu’s nieuwen moed, en in plaats van den aanval af te wachten,

stormden zij op het Engelsche commando los, en hun charge was zoo

geweldig dat zij dwars door het commando heen gingen, dat aldus thans

in tweeën gedeeld was. Het eene deel, dat welk het dichtst bij de

rivier was, zocht thans hun heil in de vlucht, maar om dit te doen

moesten zij de Tugela over en voor het dit gelukte sneed een

Zulu-regiment hen den pas af. Met groot verlies echter baanden zij zich

een weg, onder een hevig gevecht, en vier Engelschen en zoowat

vierhonderd kleurlingen bereikten veilig de zuidzijde der Tugela, en

sloegen toen den weg naar Port Natal in.

Het andere deel bestaande uit dertien Engelschen en zoowat duizend

kleurlingen, was nu geheel omringd door de Zulu’s, en voor hen was geen

hope meer. Doch manmoedig besloten zij zich tot het laatste toe te

verdedigen.

De Zulu’s meenden dat het geen moeielijke taak was om dit klein klompje

vijanden te vernielen, en de Ringkoppen gingen dus rustig op een nabij

staand kopje zitten, en gaven de jongeren de kans om hunne dapperheid

te toonen, en hunne ringkoppen te verdienen. De drie regimenten

„Witschilden” gingen dan ook dadelijk tot den aanval over. Doch zij

werden door zulk een hagelbui van kogels ontvangen dat zij, met verlies

van eenige honderden terugdeinsden. De Ringkoppen lieten een luid

gelach hooren, en daardoor in woede ontstoken waagden de jonge

regimenten een tweeden, en een derden, ja, zelfs een vierden aanval.

Doch het Natal-commando stond zoo vast als een rotssteen, en deed meer

dan een derde der aanvallers in het stof bijten. De Ringkoppen lachten

nu niet meer en hun Induna enkolu zag, dat het ernst was en zond een

regiment veteranen om de jongeren te helpen. Doch ook hunne dapperheid

was te vergeefs, en het gelukte hen niet het Natalsche commando te

verbreken.

De Zulu’s trokken zich voor een tijdlang terug, waardoor de Engelschen

en de hunnen eenige verademing bekwamen. Ook hun aantal was reeds

aanzienlijk gedund. Drie Engelschen, waaronder John Cane en Robert

Biggar lagen dood ter aarde, en bijna vierhonderd der kleurlingen waren

gevallen. Doch de overblijvenden stonden rug aan rug, en maakten zich

voor een nieuwen strijd gereed. De Zulu’s deden niet lang naar zich

wachten, doch thans liep het geheele Zululeger storm. Doch weder te

vergeefs. Hunne ontzettende dapperheid was niet bestand tegen het

verschrikkelijk vuur van het commando, dat hen bij honderden

nedermaaide.

Weder trokken de Zulu’s zich terug, en toen zij een nieuwen aanval

deden geschiedde zulks op eene andere wijze.

De twee regimenten veteranen (zwartschilden) liepen nu achter elkander,

en stormden op één plek los. De aanval was zoo hevig, dat het de Zulu’s

gelukte het commando te verbreken, en nu ontspon zich een hand tot hand

gevecht, waarvan geene beschrijving mogelijk is. Het Natalsche leger

verweerde zich dapper; elke man was een held en vocht als een leeuw.

Doch de overmacht was te groot, en na een uur strijdens was er geen

enkele man van dat dappere commando over.

De dertien Engelschen en hunne duizend volgelingen vielen allen in dien

vreeselijken strijd. Doch zij vielen met eere, want bijna vierduizend

der Zulu’s lagen dood en gewond om hen heen. Verdienen ook niet die

mannen een gedenkteeken? Zij waren uitgetrokken om de Afrikaners te

ondersteunen en allen lieten hun leven voor de zaak.

Brave Engelschen! dappere kleurlingen! Wit of zwart, gij behoort in de

onvergetelijke rijen van Zuid-Afrika’s helden te staan, en de

geschiedenis vergete u niet.

Na deze overwinning marcheerden de Zulu’s naar Port Natal, en gewis

zouden zij de weinige blanken die daar nog waren vermoord hebben, zoo

niet gelukkig er een schip in de baai lag, waarop deze konden vluchten.

Ook de Eerw. Lindley was een van hen, die op deze wijze zijn leven

redde.

De Zulu’s vernielden alles wat zij te Port Natal konden vinden. Zelfs

geen hond of kat werd door hen in het leven gelaten, en na negen dagen

lang aan hun vernielzucht den vollen teugel te hebben gegeven, trokken

zij af.

Zulks waren de lotgevallen van het Natalsche commando.

David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek · 第 16 / 20 题