Potgieter en Uys deden niet lang naar zich wachten. Nauwelijks hadden
zij de brieven van hunne stamgenooten ontvangen, of zij maakten zich
voor den tocht gereed, en het viel hun geenszins moeielijk om de
noodige manschappen bij elkander te krijgen. Tweehonderd fluksche
kerels waren in een oogwenk gereed om hen te vergezellen en
contributies in kruid en lood als ook geweren werden in menigte
aangeboden. Daar er onder de Boeren aan de Natalzijde gebrek aan meel
was, nam men ook een goede hoeveelheid er van samen, en zoo gebeurde
het dat zeven wagens met de expeditie samen gingen.
Op den 7den Maart trokken de twee Kommandanten met hunne manschappen
het lager bij Blauwkrantzrivier binnen, en eenige dagen later kwamen
ook de wagens, die men achtergelaten had aan. Potgieter en Uys waren
diep getroffen toen zij al de bijzonderheden van den moord van Retief
en van het kamp der Botha’s hoorden, en Uys zwoer een duren eed dat hij
het bloed van zijn trouwen vriend en strijdmakker zou wreken. Men begon
dadelijk plannen te maken om tegen Dingaan op te trekken, maar nu kwam,
ongelukkig, de oude jaloerschheid onder de leiders weer voor den dag.
Maritz als Kommandant der Emigranten in Natal, beschouwde zich
gerechtigd om aan het hoofd der expeditie tegen Dingaan te staan, doch
hiervan wilde noch Potgieter noch Uys iets weten, en toen de koppige
Maritz op zijn recht bleef staan, dreigden de andere twee om met de
hunnen naar Winburg terug te gaan. Te vergeefs trachtte Charel Cilliers
en anderen om vrede te bewaren; Maritz voelde zich in zijn eer
gekrenkt, en daar een sterke partij der Emigranten op zijn hand was,
weigerde hij volstrekt toe te geven. Eenige zeer ergerlijke tooneelen
vonden plaats, en ten laatste werd de zaak aan het volk verwezen. Op de
vergadering voor dit doel gehouden, werden er eenige warme discussies
over de zaak gevoerd, maar ten laatste kwam men tot eene schikking.
Gert Maritz zou in het lager blijven als Kommandant. Potgieter en Uys
zouden gezamenlijk tegen Dingaan optrekken, doch ieder zou het bevel
over zijn eigen afdeeling voeren. Zij zouden zooveel mogelijk
samenwerken, maar de een zou onder den ander niet staan.
Terwijl deze onaangename twisten aan den gang waren, was er eene groote
eenigheid tusschen de twee hoofdpersonen in dit verhaal, David Malan en
Martje Joubert, en die eenigheid was zoo groot, dat zij besloten om
door de Eerw. Lindley bij zijn eerstkomend bezoek één te worden
gemaakt. Jacobus Malan en diens vrouw gaven graag hunne toestemming tot
hun huwelijk en ook oom Frans en zijne vrouw hadden er niets op tegen.
Het is onnoodig om hier te zeggen, dat er geen groote preparaties voor
het huwelijk werden gemaakt; en dat van bruids-tabbertjes en
strooimeisjes, die thans zoo gewoon, zelfs bij de Boeren-huwelijken
zijn, geen sprake was. Eerstens had men in dien goeden ouden tijd niet
zulke gekheden in het hoofd, en bovendien waren de omstandigheden er
niet naar. Doch het zwart zijden tabbertje, waarin Martje’s moeder
gehuwd was, werd voor den dag gehaald, van den bodem uit Tante’s kist,
en werd een beetje veranderd, om het Martje van pas te maken. En oom
Jacobus zwarte kistkleeren werden door Davids moeder insgelijks wat
veranderd om als trouwpak voor den zoon te dienen. Men was
overeengekomen, dat hoewel David en Martje in hun eigen tent zouden
slapen, zij bij Martje’s ouders zouden inwonen, en aldaar zouden eten,
want Martje kon nog moeilijk door hare moeder gemist worden.
Op den 17den Maart kwam de Eerw. Lindley inderdaad naar het lager
terug, en nog dienzelfden avond hield hij kerk. Voor hij echter de
godsdienstoefening begon gaf hij kennis, dat de volgende paren zich in
het huwelijk wilden begeven (hier las hij de namen van zes paartjes
voor), en dat zoo iemand eenige objecties had tegen zulke huwelijken
hij of zij daar en dan moest opstaan, en de objecties opgeven. Doch
niemand was er, die objecties had en daarop stond Gert Maritz op en
verklaarde, dat namens het volk der Emigranten hij toestemming tot de
huwelijken gaf. Deze eenvoudige wijze volgde men, daar de toestanden
niet geschikt waren voor het loopen van drie geboden, zooals de oude
wet eigenlijk vereischte.
Den volgenden morgen om tien ure was er een heel leven in het lager, om
de inzegeningen der huwelijken te zien, en wij, die thans zoo hoog op
onze beschaafdheid en (ik wou bijna zeggen Engelsche) manieren roemen,
zouden zeker heel wat gelachen hebben om de kleedij van bruidegoms en
bruids. Doch dat kwam er niet op aan; de liefde was er toen even goed
(en misschien in zuiverder mate) als zij er thans is.
De Eerw. Lindley zegende de zes huwelijken in volgens het formulier der
Hollandsche Kerk, en alvorens den zegen uit te spreken, sprak hij een
paar zeer ernstige woorden tot de jonggetrouwden. Hij wees er op hoe
vooral in de tegenwoordige omstandigheden, man en vrouw elkander ter
zijde moesten staan; en hoe zij toch nooit moesten vergeten om
gezamenlijk God te bidden hen en de hunnen te zegenen. Meer dan ooit
had men thans den zegen des Allerhoogsten noodig.
Na afloop van deze plechtigheid ging elk paar naar de tent van de
bruids vader en daar werd rijkelijk koffie en koek genoten. Charel
Cilliers kwam David en Martje gelukwenschen en hield een kleine
aanspraak, waarin hij den jongen bruidegom grooten lof toezwaaide. Toen
het ergste gedrang van gelukwenschen voorbij was, kwam ook de oude Anna
het jonge paartje gelukwenschen, en de tranen stonden de goede oude
meid in de oogen, toen Martje in den aandrang van haar hart, haar oude
ayah om den hals vatte en zoende. En waarlijk wel mocht zij dit doen,
want niemand wist beter dan zij, dat het door de oude Anna was, dat
David thans aan hare zijde zat als haren geliefden man. Had de oude
ayah niet zoo’n slim plan gehad, dan had David dien dag te verbleeken
gelegen op den heuvel nabij Umkungunhlovu. Eerst dien dag hoorde David
uit Martje’s mond, waarom hij zoo ziek was geweest, en op welke
wonderdadige wijze hij zijn dood was ontkomen. Dat David daarop zijne
vrouw een hartelijken zoen gaf en beloofde om niets meer te zeggen
tegen „vrouwenpraatjes,” dat behoef ik bijna niet te vertellen.
Intusschen begonnen de Emigranten alles gereed te maken voor den tocht
tegen Dingaan. Men zond met den heer Lindley een boodschap aan den heer
Cane, deze bericht gevende, dat men omtrent den 10den April uit het
lager zou trekken, maar dat aangezien men slechts langzaam zou
voorttrekken, de heer Cane eenige dagen later kon beginnen.
David en Martje waren eenige weken getrouwd, toen op zekeren avond
Pieter Lavras Uys de tent van Oom Frans Joubert binnentrad. Het jonge
paartje zat er ook, en David wilde juist opstaan en naar buiten gaan,
toen Uys zeide: „Neen David, zit een beetje, man; ik kom juist om jou
te zien.”
„Ja, Oom Pieter, wat is dit,” vroeg onze held.
„Kerel, jij moet mij uit een moeielijkheid helpen. Ik zoek naar een
flukschen adjudant voor die tocht tegen Dingaan, en ik moet een kerel
hebben, waar ik op kan rekenen in tijd van gevaar. Mijn zoon Dirk dwing
om saâm te gaan, en ik heb gezegd dat hij kan gaan, maar hij is nog
maar vijftien, en te jong en onervaren om adjudant te wezen. Die vraag
is nou net dit: Zal jij mijn adjudant wezen. Ik ken jou goed, en ik
weet ik zal in het geheele lager geen flukscher man krijgen.”
David zweeg. Hij keek Martje aan, doch deze zat met voorovergebogen
hoofd, en kon of wilde hem geen wenk geven. De jonge man was met
zichzelven in tweestrijd. Gaan, dat zou hij zeker willen, maar hij
dacht aan Martje.
Oom Frans Joubert, scheen zijne gedachten te raden.
„Oom Pieter, David moet zelf weten wat hij wil en ik wil hem niet hier
houden, maar kan oom Piet niet een ander voor adjudant krijgen. ’t is
net jammer voor Martje, dat is net al.”
Hier hief Martje het hoofd op, en hare zwarte oogen fonkelden van
fierheid.
„Neen, Pa,” zeide zij, en hare stem trilde zoo effentjes, „David moet
gaan; ons volk en onze zaak heeft hem noodig; zijn Kommandant roept
hem; hij moet zijn plicht doen even goed als eenig ander. Hullie zal
nooit zeg, dat ik mijn man teruggehouden heb om zijn plicht te doen,
waar zijn dienst vereischt wordt. Ja oom Pieter, David zal gaan. Ik
weet hij denkt om mij, maar hij moet nu eerst denken om Pieter Retief
en diens bloed.”
Het meisje sidderde van ontroering toen zij dit gesproken had. Het
Fransche heldenbloed had bewezen dat het nog in de aderen der Jouberts
vloeide maar de taak was een zware voor het vrouwenhart geweest, en
snikkend zeeg de jonge vrouw aan de borst van haren man, met een „Ga
David, Ga!”
Een diep stilzwijgen volgde, en zelfs den dapperen Pieter Lavras Uys
voelde zich aangedaan.
David hief zijne vrouw op en zeide: „Ja Oom Pieter, ik zal saam gaan.
Martje heeft gelijk; waar mijnen plicht mij roept, daar moet ik
luisteren.”
Uys stak David zijn hand toe, en drukte de zijne ferm. Daarop stond hij
op, wenschte „Goeden nacht” en ging de tent uit. Het gebeurde was hem
te veel en hij wilde niet aan anderen de tranen wijzen, die hem
onwillekeurig in de oogen sprongen.
Er mogen misschien van mijne lezers zijn die dit tooneel wat overdreven
vinden, en niet gelooven dat er zulke edele Afrikaansche vrouwen zijn
of waren als Martje. Doen zij dit, dan hebben zij het ver mis. Onze
geschiedenis is vol van heldinnen; in Bezuidenhouts vrouw, ten tijde
van Slachtersnek, vindt gij er eene, de stervende vrouw van Andries
Wessel Pretorius, die haar man aanspoorde zijn plicht voor zijn land te
doen, en haar te verlaten, is eene anderen; en in den Transvaalschen
Vrijheidsoorlog van 1880 waren er vrouwen wier gedrag niet minder
heldhaftig was. Zoolang het jonge geslacht zulke moeders heeft, is er
geen vrees dat de Afrikaner natie geheel zal ontaarden.