Al was Martje edel en moedig geweest, in het aansporen van David om aan
het verzoek van Kommandant Uys te voldoen, zoo was het haar toch wee om
het harte bij de gedachte dat zij zoo spoedig van hem moest scheiden,
en wanneer zij stil en alleenig in haar tent zat, weende zij menigen
traan. Wat haar troostte was dat Davids vader, de oude Jacobus Malan,
alsmede zijn jongere broeder Johannes ook zouden samengaan.
Intusschen was er heel wat werk in het lager voor beide mannen en
vrouwen. De laatsten moesten zorgen voor biltong, beschuit en verdere
mondprovisie; de eerste hadden naar geweren te zien, paarden uit te
zoeken, en alle andere noodige maatregelen te treffen. De beide
Kommandanten hadden een zware taak om hunne manschappen uit te zoeken.
Allen waren gewillig om meê te gaan, doch men begreep dat het lager
niet te veel verzwakt kon worden, want het was zeer mogelijk dat
gedurende het afwezig zijn van het commando, een Zulu-impi een aanval
op het lager kon doen, en men moest er dus een genoegzaam aantal
verdedigers achterlaten. Uys nam een honderdenvijftig man en Potgieter
een honderd zevenennegentig, te zamen dus driehonderd zevenenveertig
man, buiten en behalve zoo wat een honderd „achterrijders.” Men was
eerst van plan geweest om een tiental wagens mede te nemen om de
mondprovisie en de ammunitie te vervoeren, maar er bestond gevaar dat
de weg op een aantal plaatsen onpassabel zou wezen voor de logge
gevaarten en ook dat zij het commando te veel ophouden zouden. Men gaf
dus dit plan op, en besloot liever een aantal extra pakpaarden mede te
nemen ter vervoer van provisie en ammunitie.
Als men de omstandigheden der zaak nagaat dan moet men zich waarlijk
verwonderen hoe de Emigranten met zulk een klein legertje het waagden
om den machtigen Dingaan in zijne sterkten te gaan beoorlogen. De
Zulu’s waren in staat een 70 of 80.000 man in het veld te brengen, en
konden door hunne overmacht het geheele commando in de pan hakken.
Wel is waar, hadden de Boeren het voordeel dat zij met vuurwapenen
vochten, maar de steekassegaai der Zulu’s was een vreeselijk wapen, als
het op een hand tot hand gevecht kwam, en de dapperheid en
doodsverachting der Zulu’s was ook niet buiten rekening te laten. Het
grootste voordeel dat de Boeren echter over de zwarte natie hadden, was
het feit, dat zij bereden waren, en dit begrepen de Emigranten dan ook
zoo goed, dat zij geen steen onaangeroerd lieten om de beste paarden in
het bezit der hunnen te nemen. Wie een eenigszins zwak paard had,
leende of ruilde een ander van een zijner vrienden, en ter eere van de
achterblijvenden was het dan ook, dat zij, zonder de minste weifeling,
de behulpzame hand op dit punt gaven.
David had Sieraad, die geheel uitgerust en spekvet was. Wel was het
paard een beetje baldadig, maar de jonge Boer meende dat een paar dagen
rijdens wel alle gekheid van het dier zou doen ophouden. Van zijn
schoonvader Frans Joubert, die in het lager zou blijven, kreeg hij een
tweede paard, een fluksch zwart dier, heel wat stemmiger dan Sieraad.
Daar hij dit dier in afwisseling met Sieraad wilde rijden, en Sieraad
veel te levendig was, om als pakpaard te worden gebruikt, nam hij een
makke, doch goede merrie mede voor het dragen zijner provisie en
ammunitie.
Op den avond van den 5den April 1838 was alles gereed voor het
commando, en den volgenden morgen vroeg zou men op weg gaan. Dien
middag hadden de beide Kommandanten hunne manschappen, bereden en
gewapend, met achterruiters en al wat er bij behoorde, bij elkander
doen komen, en hadden toen eene wapenschouwing gehouden, die naar hunne
tevredenheid afliep. De paarden werden toen daarna bij elkander
gejaagd, en dien nacht door een aantal kleurlingen opgepast, want vroeg
den volgenden morgen zou men op weg gaan.
Het was dien avond stil in het lager. Een ieder was in zijn eigen tent,
om nog den laatsten avond met de zijnen door te brengen. Slechts de
Kommandanten en Veldkornetten liepen hier en daar rond om de laatste
orders af te geven.
David zat in de tent van zijn schoonvader met zijne vrouw, en men had
een algemeen gesprek over het commando, en oom Frans die in de
Kafferoorlogen in de Kolonie veel ondervinding had opgedaan, gaf zijn
schoonzoon menigen nuttigen wenk. Martje, die David misschien beter
kende, dan zijne eigen ouders, waarschuwde haren man herhaalde malen om
toch voorzichtig te wezen en niet te veel te wagen, want zij kende
zijnen onverschrokken moed. Het was laat in den nacht toen men
eindelijk ging slapen, om nog eenige uren zoete rust te genieten.
Bij het eerste krieken van den dag was het lager als in oproer, en
nauwelijks had men een kop koffie en een stuk beschuit gebruikt of het
bevel „opzaâl, opzaâl” klonk van alle kanten. De paarden werden
gehaald; een ieder pakte zijn mondprovisie en ammunitie op de
pakpaarden en daarna gingen de achterruiters met de paarden naar het
lager, waar de Veldkornetten, de twee afdeelingen van Potgieter en Uys
uit elkander scheiden.
In het lager namen de vertrekkenden afscheid van de hunnen, doch niet
alvorens Charel Cilliers allen bij elkander had geroepen, en een korte
godsdienstoefening had gehouden. Oom Charel zou in het lager blijven,
gedeeltelijk zeer tegen zijn wensch, want de oude man was nog begeerig
om zich ook nog met de Zulu’s te meten. Doch men had het beter
beschouwd om hem in het lager te laten, om Gert Maritz, in geval van
nood, ter zijde te staan, want geen beter Lager-Commandant was er in
Zuid-Afrika te vinden dan de oude Charel.
Martje, arm meisje, deed haar best om hare droefheid en ontroering te
verbergen, doch het gevoel van weê overkwam haar en zij weende
bitterlijk, toen David haar in zijne armen vatte en haar den
afscheidskus gaf.
„Wees voorzichtig, David, en begeef je niet roekeloos in gevaar. Kijk
naar je vader en blijf bij hem.”
Dit waren hare laatste woorden aan haren geliefden man.
Vijf minuten later zat een ieder op zijn paard, en stonden de twee
afdeelingen tegenover elkander in twee lange rijen.
„Rij maar voor! neef Hendrik;” riep Uys uit, en daarop gaf Potgieter
het bevel „Trek,” en op langzamen stap begon men den weg af te leggen
naar Umkungunhlovu. David reed naast Piet Uys aan het hoofd van de
tweede afdeeling, en hij had geen gemakkelijk werk om Sieraad in orde
te houden, want het vinnige dier was er geenszins mede gediend, dat men
zoo langzaam reed, en sprong en steigerde dat het een lust was, doch
onze held zat zooals een boom in den zadel, en scheen als uit een stuk
met zijn paard gesmeed. Eindelijk ging het op een galop, toen men een
eindje van het lager af was, en nu was het meer naar Sieraads zin.
Het is onnoodig om u hier den dagelijkschen tocht van het commando te
beschrijven, want de eerste vijf dagen gingen zonder eenige bijzondere
gebeurtenis voorbij. Men reed gewoonlijk twee uur achter elkander en
zadelde dan voor een tijdje af om de paarden een kans te geven, een
paar bijten van het hooge soppige gras te krijgen. Elken avond werden
de paarden gekniehalterd, en door sterke wachten opgepast, en de
anderen sliepen in het veld met het geweer naast zich en het zadel als
kopkussen. Gedurende die vijf dagen zag men geen levend wezen, en de
enkele Kafferkralen die men passeerde waren verlaten.
„Wat drommel, David,” zeide Uys tot zijn adjudant op den morgen van den
11den April, toen men een eindje had afgereden, en weder een verlaten
Kafferkraal was voorbijgegaan: „dit lijkt alsof Dingaan voor ons wacht
bij Umkungunhlovu, en dit zal maar hard gaan, als ons die heele
Zululeger daar ontmoet.”
David wilde juist hierop antwoorden, toen plotseling het paard van Uys
in een gat trapte en viel, zijn ruiter eenige treden ver voor hem in
het gras werpende. Uys was echter in een oogenblikje op zijn voeten, en
liep naar zijn paard, dat niet scheen te kunnen opstaan. Hij hielp het
dier den poot uit het tamelijk diepe gat te krijgen, doch toen hij het
een eindje weg trok, zag hij dat het dier zoo kreupel was, dat het voor
het oogenblik niet berijdbaar was.
„Hier Kommandant, vat mijn paard,” riep David, snel van Sieraad
afklimmende, „ik zal gauw mijn ander paard bij mijn achterruiter halen.
Op die eerste afzadelplek kan jij dan een van je andere paarden
krijgen.”
Uys nam dit aanbod aan, en besteeg Sieraad, die werkelijk thans heel
wat bedaarder was en David nam het kreupele paard, en leidde het naar
de achterhoede, waar hij het aan zijn achterruiter afgaf, en daarna
Welkom, het zwarte paard dat hij van zijn schoonvader gekregen had,
besteeg. Binnen weinige oogenblikken was hij weder op zijn plek ter
zijde van Uys.
De Boeren reden thans op eene twee of drie mijlen breede vlakte, aan
beide zijden begrensd door een rij randjes en kopjes. De grond was zelf
een beetje op- en afdans en het gras was erg ruig.
De afdeeling van Uys reed voor op dezen morgen, en Potgieters afdeeling
was zoowat een vijftienhonderd treden achter.
„Daar is de Zulu’s Oom Piet,” riep David opeens, toen men juist op het
bovenste van een randje uitkwam.
Werkelijk stond er ook op een duizend treden afstand een klein
Zulu-leger, zoowat drie- of vierduizend in getal.
„Hoera!” riep Uys, „hier is die Kaffers, kerels. Kom, ons zal hullie
gauw schrik maak.”
De Boeren vormden nu een langen rij, en daarop ging het in vollen galop
op de Zulu’s af. Op een afstand van omtrent tachtig treden van den
vijand genaderd, sprongen de Boeren van hunne paarden, en vuurden een
salvo op hunne vijanden. Dit scheen genoeg voor de Zulu’s en zij
sloegen op de vlucht. De Boeren begonnen hen nu te volgen, en een soort
van „wilde jacht” vond plaats, die aan menigen Zulu het leven kostte.
Doch ongelukkig waren de Emigranten te onstuimig en gedurende de
vervolging letten zij er niet op, dat de natuur van den grond geheel
veranderd was. De twee rijen randjes of kopjes hadden elkaar genaderd
en vormden nu een soort van kloof, met glooiende heuvels aan beide
zijden. De Zulu’s waren die kloof ingegaan, en de Boeren hadden hen
gevolgd. Op eens scheen het alsof het Zulu-impi vertiendubbeld was. Uit
elk boschje, achter elke klip scheen een Zulu te verrijzen en in plaats
van een klein Zulu-regiment stonden de Boeren tegenover of liever
tusschen een ontzaglijk Zulu-leger, meer dan tienduizend man sterk.
Zooals wij gezegd hebben was de afdeeling van Hendrik Potgieter omtrent
vijftienhonderd treden achter, maar toen de afdeeling van Uys aan het
vechten geraakte, spoorden zij hunne paarden aan om de eerste afdeeling
te assisteeren, indien noodig. Doch deze was reeds in de kloof toen
Potgieter en de zijnen aankwamen, en juist toen deze de kloof
binnenreden, rezen de, in hunne hinderlaag verstoken Zulu’s op. Met
hunne assegaaien en hunne schilden maakten zij zulk een ontzettend
lawaai, waarbij zij hunne oorlogskreten voegden, dat de paarden van
Potgieters menschen geheel en al onregeerbaar waren, en weigerden om de
kloof in te gaan. Een aantal paarden sprongen om en holden met hunne
berijders de vlakte in, anderen wierpen hunne ruiters af en liepen weg.
In kort, Potgieters afdeeling was buiten staat om hunne broeders te
helpen; zij hadden hunne handen vol om naar hunne eigen zaken te zien.
Intusschen was de positie van Uys en de zijnen een zeer hachelijke. De
Zulu’s waren als tusschen hen, en de kloof was zoo nauw en zoo
klipperig dat de Boeren hunne gewone tactiek van „storm-loopen” niet
konden uitvoeren. Een scherp gevecht volgde. De Boeren schoten hunne
naastbijzijnde tegenstanders neder, en Zulu na Zulu viel. Doch voor
elke gevallen vijand stonden er drie in de plaats.
David was een eindje weg van Pieter Uys en stond tusschen dezen en zijn
eigen vader en broeder. Hij was zelf hard bedrukt, en kon nauwelijks
zijne aanvallers van het lijf houden. Daar zag hij dat een tiental
Zulu’s zijn vader en broeder omringden en hij sprong op zijn paard om
dezen te hulp te snellen. Nauwelijks zat hij in den zadel of een
assegaai trof hem in den rug. De jonge Boer voelde hoe het koude staal
hem in de longen drong, toen werd alles zwart voor zijn oogen en viel
hij van het paard. Piet Uys zag den dapperen jongeling vallen, en met
twee sprongen van Sieraad was hij bij hem en schoot de Zulu, die
nogmaals den assegaai in David wilde steken, terneder. Doch een
plotselinge aanval van een zestal Zulu’s deed hem terugdeinzen en
alvorens hij zijn geweer geladen had, trof één assegaai hem in de
linkerborst en een tweede hem in den nek. Met een diepe zucht zeeg de
dappere Kommandant neder. Het laatste wat hij hoorde was de stem van
zijn zoon, die uitriep: „Hier ben ik vader,” en een der Zulu’s viel
onder den kogel die de vijftienjarige Dirk Cornelis Uys op een der
moordenaars van zijn vader afschoot. Doch ook den jongeling trof de
doodelijke assegaai, en hij viel dood langs zijn vader neder. Een
aantal Boeren hadden den Kommandant zien vallen, en snelden hem te
hulp. Zij schoten de Zulu’s voor een oogenblik terug, en trachtten Uys
op te lichten ten einde hem uit het gevecht te brengen. De Kommandant
kreeg door de beweging zijn bewustzijn terug, maar hij voelde dat zijn
dood nabij was.
„Laat mij staan, vrienden; help jullie zelf; red jullie leven, want met
mij is dit klaar.” Met deze woorden blies de held den laatsten adem
uit.
Ook David Malan trachtte men te redden, want hij scheen nog te leven.
Doch toen men bij hem kwam hoorde men slechts een zucht „Martje”—en
David was dood.
De Boeren zochten nu Uys’ laatsten raad te volgen, en zich een uitweg
te banen want zij waren nu geheel en al omsingeld door de Zulu’s. Om nu
uit de kloof te komen, vuurden zij allen geweldig op het klompje Zulu’s
dat bij den ingang der kloof hun den terugweg wilden afsnijden, en toen
zij eenige honderden van hen hadden doodgeschoten, en de lijken hunner
vijanden als een muur opgestapeld lagen, joegen zij zoo hard zij konden
door de opening en reden de vlakte in. Potgieters manschappen, dit
ziende, en meenende dat de Zulu’s hen achtervolgden, werden verbijsterd
en sloegen ook op de vlucht. De handpaarden, met provisie en overige
ammunitie lieten zij achterblijven, en ieder scheen een goed heenkomen
te zoeken.
Eerst zes mijlen van de plaats des gevechts hielden de Boeren stil voor
een oogenblik, en kregen zij hunne bedaardheid terug. Het eerste wat
zij deden was om hun verlies te berekenen. Tien Boeren waren in het
gevecht gevallen viz. Kommandant Uys, diens zoon Dirk, Jacobus Malan,
David Malan, Johannes Malan, Frans Labuschagne, Joseph Kruger, Louis
Nel, Pieter Nel en Theunis Nel.
Een veertigtal der achterruiters werden vermist, en een honderdtal
handpaarden en al de provisie en ammunitie was in handen der Zulu’s
gevallen.
Daarop ontstond er een woordenstrijd. Een aantal van Uys’ mannen
beschuldigden Hendrik Potgieter en de zijnen als de schuld te zijn van
dit rampspoedig gevecht; waarom waren zij niet komen helpen? waarom
waren zij zoo ver achtergebleven? en zulke vragen meer werden gedaan.
Potgieter vermaande de menschen om stil te blijven.
„Laat ons nou niet ruzie maken,” zeide hij, „laat ons verder rijden zoo
hard ons kan; als die Kaffers ons nou inhaal en aanval, hêt ons niet
ammunitie genoeg om ons te verweêr, en hoe verder ons van avond kan
komen, hoe veiliger voor ons.”
Onder de bestaande omstandigheden was dit inderdaad de beste raad, en
de Emigranten zagen dit dan ook in, en men reed zwijgend verder. Na
verloop van nog een uur zadelde men een half-uur af, om de paarden een
weinig te laten rusten, en toen ging men weder voort. Zoo hield men aan
tot laat in den nacht, want het was bijna volle maan. Dien nacht rustte
men slechts een uur of vijf, en dat zou men niet eens gedaan hebben,
ware zulks niet hoog noodig geweest ter wille der vermoeide paarden.
Den volgenden dag ging het ijlings verder en op den morgen van den
vierden dag kreeg men het lager in het gezicht.