HOOFDSTUK XVI.

Al was Martje edel en moedig geweest, in het aansporen van David om aan

het verzoek van Kommandant Uys te voldoen, zoo was het haar toch wee om

het harte bij de gedachte dat zij zoo spoedig van hem moest scheiden,

en wanneer zij stil en alleenig in haar tent zat, weende zij menigen

traan. Wat haar troostte was dat Davids vader, de oude Jacobus Malan,

alsmede zijn jongere broeder Johannes ook zouden samengaan.

Intusschen was er heel wat werk in het lager voor beide mannen en

vrouwen. De laatsten moesten zorgen voor biltong, beschuit en verdere

mondprovisie; de eerste hadden naar geweren te zien, paarden uit te

zoeken, en alle andere noodige maatregelen te treffen. De beide

Kommandanten hadden een zware taak om hunne manschappen uit te zoeken.

Allen waren gewillig om meê te gaan, doch men begreep dat het lager

niet te veel verzwakt kon worden, want het was zeer mogelijk dat

gedurende het afwezig zijn van het commando, een Zulu-impi een aanval

op het lager kon doen, en men moest er dus een genoegzaam aantal

verdedigers achterlaten. Uys nam een honderdenvijftig man en Potgieter

een honderd zevenennegentig, te zamen dus driehonderd zevenenveertig

man, buiten en behalve zoo wat een honderd „achterrijders.” Men was

eerst van plan geweest om een tiental wagens mede te nemen om de

mondprovisie en de ammunitie te vervoeren, maar er bestond gevaar dat

de weg op een aantal plaatsen onpassabel zou wezen voor de logge

gevaarten en ook dat zij het commando te veel ophouden zouden. Men gaf

dus dit plan op, en besloot liever een aantal extra pakpaarden mede te

nemen ter vervoer van provisie en ammunitie.

Als men de omstandigheden der zaak nagaat dan moet men zich waarlijk

verwonderen hoe de Emigranten met zulk een klein legertje het waagden

om den machtigen Dingaan in zijne sterkten te gaan beoorlogen. De

Zulu’s waren in staat een 70 of 80.000 man in het veld te brengen, en

konden door hunne overmacht het geheele commando in de pan hakken.

Wel is waar, hadden de Boeren het voordeel dat zij met vuurwapenen

vochten, maar de steekassegaai der Zulu’s was een vreeselijk wapen, als

het op een hand tot hand gevecht kwam, en de dapperheid en

doodsverachting der Zulu’s was ook niet buiten rekening te laten. Het

grootste voordeel dat de Boeren echter over de zwarte natie hadden, was

het feit, dat zij bereden waren, en dit begrepen de Emigranten dan ook

zoo goed, dat zij geen steen onaangeroerd lieten om de beste paarden in

het bezit der hunnen te nemen. Wie een eenigszins zwak paard had,

leende of ruilde een ander van een zijner vrienden, en ter eere van de

achterblijvenden was het dan ook, dat zij, zonder de minste weifeling,

de behulpzame hand op dit punt gaven.

David had Sieraad, die geheel uitgerust en spekvet was. Wel was het

paard een beetje baldadig, maar de jonge Boer meende dat een paar dagen

rijdens wel alle gekheid van het dier zou doen ophouden. Van zijn

schoonvader Frans Joubert, die in het lager zou blijven, kreeg hij een

tweede paard, een fluksch zwart dier, heel wat stemmiger dan Sieraad.

Daar hij dit dier in afwisseling met Sieraad wilde rijden, en Sieraad

veel te levendig was, om als pakpaard te worden gebruikt, nam hij een

makke, doch goede merrie mede voor het dragen zijner provisie en

ammunitie.

Op den avond van den 5den April 1838 was alles gereed voor het

commando, en den volgenden morgen vroeg zou men op weg gaan. Dien

middag hadden de beide Kommandanten hunne manschappen, bereden en

gewapend, met achterruiters en al wat er bij behoorde, bij elkander

doen komen, en hadden toen eene wapenschouwing gehouden, die naar hunne

tevredenheid afliep. De paarden werden toen daarna bij elkander

gejaagd, en dien nacht door een aantal kleurlingen opgepast, want vroeg

den volgenden morgen zou men op weg gaan.

Het was dien avond stil in het lager. Een ieder was in zijn eigen tent,

om nog den laatsten avond met de zijnen door te brengen. Slechts de

Kommandanten en Veldkornetten liepen hier en daar rond om de laatste

orders af te geven.

David zat in de tent van zijn schoonvader met zijne vrouw, en men had

een algemeen gesprek over het commando, en oom Frans die in de

Kafferoorlogen in de Kolonie veel ondervinding had opgedaan, gaf zijn

schoonzoon menigen nuttigen wenk. Martje, die David misschien beter

kende, dan zijne eigen ouders, waarschuwde haren man herhaalde malen om

toch voorzichtig te wezen en niet te veel te wagen, want zij kende

zijnen onverschrokken moed. Het was laat in den nacht toen men

eindelijk ging slapen, om nog eenige uren zoete rust te genieten.

Bij het eerste krieken van den dag was het lager als in oproer, en

nauwelijks had men een kop koffie en een stuk beschuit gebruikt of het

bevel „opzaâl, opzaâl” klonk van alle kanten. De paarden werden

gehaald; een ieder pakte zijn mondprovisie en ammunitie op de

pakpaarden en daarna gingen de achterruiters met de paarden naar het

lager, waar de Veldkornetten, de twee afdeelingen van Potgieter en Uys

uit elkander scheiden.

In het lager namen de vertrekkenden afscheid van de hunnen, doch niet

alvorens Charel Cilliers allen bij elkander had geroepen, en een korte

godsdienstoefening had gehouden. Oom Charel zou in het lager blijven,

gedeeltelijk zeer tegen zijn wensch, want de oude man was nog begeerig

om zich ook nog met de Zulu’s te meten. Doch men had het beter

beschouwd om hem in het lager te laten, om Gert Maritz, in geval van

nood, ter zijde te staan, want geen beter Lager-Commandant was er in

Zuid-Afrika te vinden dan de oude Charel.

Martje, arm meisje, deed haar best om hare droefheid en ontroering te

verbergen, doch het gevoel van weê overkwam haar en zij weende

bitterlijk, toen David haar in zijne armen vatte en haar den

afscheidskus gaf.

„Wees voorzichtig, David, en begeef je niet roekeloos in gevaar. Kijk

naar je vader en blijf bij hem.”

Dit waren hare laatste woorden aan haren geliefden man.

Vijf minuten later zat een ieder op zijn paard, en stonden de twee

afdeelingen tegenover elkander in twee lange rijen.

„Rij maar voor! neef Hendrik;” riep Uys uit, en daarop gaf Potgieter

het bevel „Trek,” en op langzamen stap begon men den weg af te leggen

naar Umkungunhlovu. David reed naast Piet Uys aan het hoofd van de

tweede afdeeling, en hij had geen gemakkelijk werk om Sieraad in orde

te houden, want het vinnige dier was er geenszins mede gediend, dat men

zoo langzaam reed, en sprong en steigerde dat het een lust was, doch

onze held zat zooals een boom in den zadel, en scheen als uit een stuk

met zijn paard gesmeed. Eindelijk ging het op een galop, toen men een

eindje van het lager af was, en nu was het meer naar Sieraads zin.

Het is onnoodig om u hier den dagelijkschen tocht van het commando te

beschrijven, want de eerste vijf dagen gingen zonder eenige bijzondere

gebeurtenis voorbij. Men reed gewoonlijk twee uur achter elkander en

zadelde dan voor een tijdje af om de paarden een kans te geven, een

paar bijten van het hooge soppige gras te krijgen. Elken avond werden

de paarden gekniehalterd, en door sterke wachten opgepast, en de

anderen sliepen in het veld met het geweer naast zich en het zadel als

kopkussen. Gedurende die vijf dagen zag men geen levend wezen, en de

enkele Kafferkralen die men passeerde waren verlaten.

„Wat drommel, David,” zeide Uys tot zijn adjudant op den morgen van den

11den April, toen men een eindje had afgereden, en weder een verlaten

Kafferkraal was voorbijgegaan: „dit lijkt alsof Dingaan voor ons wacht

bij Umkungunhlovu, en dit zal maar hard gaan, als ons die heele

Zululeger daar ontmoet.”

David wilde juist hierop antwoorden, toen plotseling het paard van Uys

in een gat trapte en viel, zijn ruiter eenige treden ver voor hem in

het gras werpende. Uys was echter in een oogenblikje op zijn voeten, en

liep naar zijn paard, dat niet scheen te kunnen opstaan. Hij hielp het

dier den poot uit het tamelijk diepe gat te krijgen, doch toen hij het

een eindje weg trok, zag hij dat het dier zoo kreupel was, dat het voor

het oogenblik niet berijdbaar was.

„Hier Kommandant, vat mijn paard,” riep David, snel van Sieraad

afklimmende, „ik zal gauw mijn ander paard bij mijn achterruiter halen.

Op die eerste afzadelplek kan jij dan een van je andere paarden

krijgen.”

Uys nam dit aanbod aan, en besteeg Sieraad, die werkelijk thans heel

wat bedaarder was en David nam het kreupele paard, en leidde het naar

de achterhoede, waar hij het aan zijn achterruiter afgaf, en daarna

Welkom, het zwarte paard dat hij van zijn schoonvader gekregen had,

besteeg. Binnen weinige oogenblikken was hij weder op zijn plek ter

zijde van Uys.

De Boeren reden thans op eene twee of drie mijlen breede vlakte, aan

beide zijden begrensd door een rij randjes en kopjes. De grond was zelf

een beetje op- en afdans en het gras was erg ruig.

De afdeeling van Uys reed voor op dezen morgen, en Potgieters afdeeling

was zoowat een vijftienhonderd treden achter.

„Daar is de Zulu’s Oom Piet,” riep David opeens, toen men juist op het

bovenste van een randje uitkwam.

Werkelijk stond er ook op een duizend treden afstand een klein

Zulu-leger, zoowat drie- of vierduizend in getal.

„Hoera!” riep Uys, „hier is die Kaffers, kerels. Kom, ons zal hullie

gauw schrik maak.”

De Boeren vormden nu een langen rij, en daarop ging het in vollen galop

op de Zulu’s af. Op een afstand van omtrent tachtig treden van den

vijand genaderd, sprongen de Boeren van hunne paarden, en vuurden een

salvo op hunne vijanden. Dit scheen genoeg voor de Zulu’s en zij

sloegen op de vlucht. De Boeren begonnen hen nu te volgen, en een soort

van „wilde jacht” vond plaats, die aan menigen Zulu het leven kostte.

Doch ongelukkig waren de Emigranten te onstuimig en gedurende de

vervolging letten zij er niet op, dat de natuur van den grond geheel

veranderd was. De twee rijen randjes of kopjes hadden elkaar genaderd

en vormden nu een soort van kloof, met glooiende heuvels aan beide

zijden. De Zulu’s waren die kloof ingegaan, en de Boeren hadden hen

gevolgd. Op eens scheen het alsof het Zulu-impi vertiendubbeld was. Uit

elk boschje, achter elke klip scheen een Zulu te verrijzen en in plaats

van een klein Zulu-regiment stonden de Boeren tegenover of liever

tusschen een ontzaglijk Zulu-leger, meer dan tienduizend man sterk.

Zooals wij gezegd hebben was de afdeeling van Hendrik Potgieter omtrent

vijftienhonderd treden achter, maar toen de afdeeling van Uys aan het

vechten geraakte, spoorden zij hunne paarden aan om de eerste afdeeling

te assisteeren, indien noodig. Doch deze was reeds in de kloof toen

Potgieter en de zijnen aankwamen, en juist toen deze de kloof

binnenreden, rezen de, in hunne hinderlaag verstoken Zulu’s op. Met

hunne assegaaien en hunne schilden maakten zij zulk een ontzettend

lawaai, waarbij zij hunne oorlogskreten voegden, dat de paarden van

Potgieters menschen geheel en al onregeerbaar waren, en weigerden om de

kloof in te gaan. Een aantal paarden sprongen om en holden met hunne

berijders de vlakte in, anderen wierpen hunne ruiters af en liepen weg.

In kort, Potgieters afdeeling was buiten staat om hunne broeders te

helpen; zij hadden hunne handen vol om naar hunne eigen zaken te zien.

Intusschen was de positie van Uys en de zijnen een zeer hachelijke. De

Zulu’s waren als tusschen hen, en de kloof was zoo nauw en zoo

klipperig dat de Boeren hunne gewone tactiek van „storm-loopen” niet

konden uitvoeren. Een scherp gevecht volgde. De Boeren schoten hunne

naastbijzijnde tegenstanders neder, en Zulu na Zulu viel. Doch voor

elke gevallen vijand stonden er drie in de plaats.

David was een eindje weg van Pieter Uys en stond tusschen dezen en zijn

eigen vader en broeder. Hij was zelf hard bedrukt, en kon nauwelijks

zijne aanvallers van het lijf houden. Daar zag hij dat een tiental

Zulu’s zijn vader en broeder omringden en hij sprong op zijn paard om

dezen te hulp te snellen. Nauwelijks zat hij in den zadel of een

assegaai trof hem in den rug. De jonge Boer voelde hoe het koude staal

hem in de longen drong, toen werd alles zwart voor zijn oogen en viel

hij van het paard. Piet Uys zag den dapperen jongeling vallen, en met

twee sprongen van Sieraad was hij bij hem en schoot de Zulu, die

nogmaals den assegaai in David wilde steken, terneder. Doch een

plotselinge aanval van een zestal Zulu’s deed hem terugdeinzen en

alvorens hij zijn geweer geladen had, trof één assegaai hem in de

linkerborst en een tweede hem in den nek. Met een diepe zucht zeeg de

dappere Kommandant neder. Het laatste wat hij hoorde was de stem van

zijn zoon, die uitriep: „Hier ben ik vader,” en een der Zulu’s viel

onder den kogel die de vijftienjarige Dirk Cornelis Uys op een der

moordenaars van zijn vader afschoot. Doch ook den jongeling trof de

doodelijke assegaai, en hij viel dood langs zijn vader neder. Een

aantal Boeren hadden den Kommandant zien vallen, en snelden hem te

hulp. Zij schoten de Zulu’s voor een oogenblik terug, en trachtten Uys

op te lichten ten einde hem uit het gevecht te brengen. De Kommandant

kreeg door de beweging zijn bewustzijn terug, maar hij voelde dat zijn

dood nabij was.

„Laat mij staan, vrienden; help jullie zelf; red jullie leven, want met

mij is dit klaar.” Met deze woorden blies de held den laatsten adem

uit.

Ook David Malan trachtte men te redden, want hij scheen nog te leven.

Doch toen men bij hem kwam hoorde men slechts een zucht „Martje”—en

David was dood.

De Boeren zochten nu Uys’ laatsten raad te volgen, en zich een uitweg

te banen want zij waren nu geheel en al omsingeld door de Zulu’s. Om nu

uit de kloof te komen, vuurden zij allen geweldig op het klompje Zulu’s

dat bij den ingang der kloof hun den terugweg wilden afsnijden, en toen

zij eenige honderden van hen hadden doodgeschoten, en de lijken hunner

vijanden als een muur opgestapeld lagen, joegen zij zoo hard zij konden

door de opening en reden de vlakte in. Potgieters manschappen, dit

ziende, en meenende dat de Zulu’s hen achtervolgden, werden verbijsterd

en sloegen ook op de vlucht. De handpaarden, met provisie en overige

ammunitie lieten zij achterblijven, en ieder scheen een goed heenkomen

te zoeken.

Eerst zes mijlen van de plaats des gevechts hielden de Boeren stil voor

een oogenblik, en kregen zij hunne bedaardheid terug. Het eerste wat

zij deden was om hun verlies te berekenen. Tien Boeren waren in het

gevecht gevallen viz. Kommandant Uys, diens zoon Dirk, Jacobus Malan,

David Malan, Johannes Malan, Frans Labuschagne, Joseph Kruger, Louis

Nel, Pieter Nel en Theunis Nel.

Een veertigtal der achterruiters werden vermist, en een honderdtal

handpaarden en al de provisie en ammunitie was in handen der Zulu’s

gevallen.

Daarop ontstond er een woordenstrijd. Een aantal van Uys’ mannen

beschuldigden Hendrik Potgieter en de zijnen als de schuld te zijn van

dit rampspoedig gevecht; waarom waren zij niet komen helpen? waarom

waren zij zoo ver achtergebleven? en zulke vragen meer werden gedaan.

Potgieter vermaande de menschen om stil te blijven.

„Laat ons nou niet ruzie maken,” zeide hij, „laat ons verder rijden zoo

hard ons kan; als die Kaffers ons nou inhaal en aanval, hêt ons niet

ammunitie genoeg om ons te verweêr, en hoe verder ons van avond kan

komen, hoe veiliger voor ons.”

Onder de bestaande omstandigheden was dit inderdaad de beste raad, en

de Emigranten zagen dit dan ook in, en men reed zwijgend verder. Na

verloop van nog een uur zadelde men een half-uur af, om de paarden een

weinig te laten rusten, en toen ging men weder voort. Zoo hield men aan

tot laat in den nacht, want het was bijna volle maan. Dien nacht rustte

men slechts een uur of vijf, en dat zou men niet eens gedaan hebben,

ware zulks niet hoog noodig geweest ter wille der vermoeide paarden.

Den volgenden dag ging het ijlings verder en op den morgen van den

vierden dag kreeg men het lager in het gezicht.

David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek · 第 17 / 20 题