Den dag na het verhaalde in het vorige hoofdstuk lieten Cilliers en
Maritz de andere lagers weten dat er op den daaropvolgenden dag eene
groote volksvergadering bij Retiefs lager zou worden gehouden, en dat
daarna de Eerwaarde Lindley godsdienstoefening zou houden.
Op den bepaalden dag, ’s morgens ten negen uren waren de Emigranten dan
ook allen bij elkander en vond de volksvergadering plaats. Charel
Cilliers werd weder eenstemmig tot Voorzitter gekozen, en na den heer
Lindley gevraagd te hebben om in het gebed voor te gaan, die dit dan
ook op zeer treffende wijze deed, sprak de oude held met diepe
ontroering de vergadering toe, als volgt:
„Vrienden, wij zijn heden bij elkander gekomen om over gewichtige zaken
te spreken. Het is nu zoowat een jaar geleden sinds wij de Kolonie
verlieten, om van de dwingelandij der Engelsche Regeering verlost te
worden. Maanden lang hebben wij rondgezworven en ten laatste scheen het
alsof wij in dit schoone land rust zouden vinden. Maar heden, hoe
treurig is het niet met ons gesteld. Onze geliefde Kommandant-Generaal
ligt met zesenzestig onzer broeders dood bij Dingaans kraal, en op een
paar uur afstand liggen een aantal onzer broeders en zusters die de
slachtoffers van den Zulu-koning zijn geworden. Gevaren omringen ons
aan alle kanten, en de Heer slechts weet of binnen een week een onzer
nog levend zal zijn, want elk oogenblik kan de geheele Zulu macht op
ons zijn. Onder zulke omstandigheden moeten wij thans beslissen wat ons
te doen staat, en om de opinie van het volk te hooren is deze
vergadering bijeengeroepen.”
Charel Cilliers ging zitten na deze weinige woorden gesproken te
hebben, en daarop sprong een zekere Jan Grobbelaar op en zeide:
„Vrienden, ons is hier in dit land gekomen om vermoord te worden, en
voor niets anders. Tegen de Zulu’s als zij ons aanvallen kunnen wij ons
niet verweren. Onze ammunitie is bijna gedaan, en ik geloof dat niets
anders voor ons overblijft als om zoo spoedig mogelijk onze wagens op
te pakken, en terug te gaan naar de Kolonie. Liever nog onder de
Engelschen dan om hier vermoord te worden.”
Een paar stemmen riepen uit: „Ons zeg ook zoo. Laat ons hier dit land
uitgaan.”
Er ontstond thans plotseling eene ontroering in het lager, en in een
oogenblik waren de vrouw van Pieter Retief en de vrouw van Hendrik De
Wet, wiens man te Umkungunhlovu, en wiens zoon te Bushmansrivier
gevallen waren, in het midden van de vergadering, bij de tafel waar
Charel Cilliers zat.
„Schaam jullie je niet?” riep Anna de Wet uit; „Is jullie mannen? Is
daar niet bloed gevallen, dat gewroken moet worden? Zal jullie nou
weggaan, en zal Pieter Retief en al onze mannen en kinderen daar bij
Dingaans kraal liggen en om wraak schreeuwen naar den Goeden God? En
zullen al die menschen bij Bushmansrivier vermoord zijn, en zal jullie
niets doen om hunne moordenaars te straffen? Foei, Jan Grobbelaar, jij
is een lafaard, en die wat saâm met jou schreeuw ook. Loopt! gaat
terug! jullie mans, naar de Kolonie; wij vrouwens zullen hier blijven,
en wij zullen zelf onze mans en bloedverwanten wreken.”
Een aantal vrouwen en meisjes schaarden zich nu bij de twee vrouwen en
bewezen dat zij geheel met deze saamstemden.
Charel Cilliers had eenige moeite om de vrouwen tot bedaren te brengen,
en toen hem dit gelukt was, en er weder stilte heerschte stond een
eerwaardige oude man, Petrus Greyling, een der meest geachte Emigranten
op, en vroeg of hij kon spreken, waarop hij zeide:
„Vrienden, ik ben een oude man, en ik heb veel in de wereld doorleefd,
maar steeds heb ik een ding bevonden, en dat is, dat wij allen in de
hand Gods zijn, en moeten buigen onder Zijnen wil. Wat de Heer doet is
welgedaan, en drukt Zijn hand zwaar op ons, en kastijdt Hij ons dan
doet Hij zulks om ons te straffen voor onze zonden, en ons tot
bekeering te brengen. God heeft ons en ons volk thans zwaar beproefd,
maar wie zal zeggen dat wij het niet verdiend hebben? Wie kan de
menigte onzer zonden tellen? Doch de Heer kent die allen. Maar laten
wij ons nederbuigen voor den Almachtigen, en laten wij Hem ootmoedig om
vergiffenis vragen voor onze vele zonden, en God, die de Israëlieten in
hunne diepste ellende niet verlaten heeft, zal ons ook niet verlaten,
en de heidenen niet over ons laten triomfeeren. Laat ons thans tot God
bidden, en Oom Charel zal ons in het gebed voorgaan.”
Eerbiediglijk namen allen de hoeden af: eerbiediglijk knielde men
neder. In krachtige taal smeekte Charel Cilliers, zooals de
Hoogepriester van Israël eens deed, den Almachtigen Schepper van Hemel
en Aarde, om de zonden van dit Zijn volk te vergeven, en Zijn toorn
niet op het te doen nederdalen. „Gij weet, O Heer onze ellende; Gij
kent onze omstandigheden; geen hulp is er voor ons dan Gij alleen, O
God! Wees ons dan genadig en verleen ons Uwe hulp, in den naam van
onzen Verlosser, Uwen Zoon, Jezus Christus Amen!” Zoo sloot de brave
leider zijn gebed, en daarop hief hij den 130sten psalm aan:
„Uit diepten van ellende.”
en men zong toen het eerste en het vierde vers van dat heilig gedicht.
Nadat eenige tijd zwijgend en stil was voorbijgegaan, gedurende welke
een ieder met zijn gedachten scheen bezig te zijn, nam Cilliers weder
het woord.
„Mannen, broeders,” zoo sprak hij: „ik wil u mijn gevoelens omtrent
deze zaak in het kort mededeelen. Ik zelf gevoel dat wij dit land thans
niet kunnen verlaten, zonder het bloed onzer geliefden gewroken te
hebben. Doch wij zijn thans te zwak om tegen Dingaan op te rukken.
Daarom zal ik voorstellen dat boden worden gezonden naar onze vrienden
en broeders te Winburg. Toen wij vertrokken van Winburg, zeiden beide
Kommandanten Potgieter en Uys, dat, als wij hen ooit noodig hadden zij
ons zouden komen helpen, en ik ben zeker, dat als zij hooren in welken
toestand wij zijn, zij dadelijk met alle beschikbare macht zullen
overkomen. Ondertusschen echter moeten wij nog iets doen, en dat is wij
moeten een Kommandant kiezen, want Retief is helaas! er niet meer om
ons aan te voeren en te leiden. Ik beschouw dat er niemand beter
geschikt is om Retiefs plaats in te nemen dan de heer Gert Maritz en
daarom zal ik hem als Kommandant voorstellen. Als er natuurlijk andere
voorstellen zijn, dan kunnen die thans gemaakt worden.”
De vergadering echter was blijkbaar van gevoelen dat de heer Cilliers
de rechte weg ingeslagen had. Maritz werd dan ook gekozen als
Kommandant, en het werd aan hem overgelaten om de boden naar Potgieter
en Uys te zenden. Deze vroeg toen om vrijwilligers om zulks te doen, en
een honderdtal mannen staken hunne handen op, waaruit de nieuwe
Kommandant er vier koos.
De heer John Cane, die gebroken Hollandsch sprak, vroeg toen verlof om
een paar woorden te zeggen en toen dit hem toegestaan werd, verklaarde
hij, dat indien de Emigranten tegen Dingaan wilden optrekken, hij en de
andere Engelschen in de Baai gereed waren om hen te helpen, en dat zij
met een sterke macht der hun onderhoorige kleurlingen naar
Umkungunhlovu zouden gaan van de eene zijde, terwijl de Boeren dit van
de andere zijde konden doen, op die wijze zou men Dingaans macht
verdeelen en zou hij gemakkelijker overwonnen worden.
Charel Cilliers bedankte den heer Cane voor zijn edelmoedig offer, en
men besloot om zoodra men gereed was, de Engelschen in de Baai te doen
weten wanneer men tegen Dingaan zou optrekken.
Na nog verdere discussie waarin onder anderen besloten werd, dat de
andere Emigranten naar het lager van Retief zouden komen, daar men zich
dan gezamenlijk beter kon verdedigen tegen eenigen aanval der Zulu’s
verdaagde de vergadering.
Dien middag hield de Eerw. Lindley eene godsdienstoefening, waarin hij
eene hartroerende toespraak tot de Boeren hield, en hen wees op het lot
der Israëlieten in de woestijn, dat hij met het hunne vergeleek,
voornamelijk daarop wijzende dat God Zijne getrouwen nooit verlaat maar
hen steeds op de meest wonderbare wijze redt. Ook doopte hij een aantal
kinderen. Ten slotte gaf hij te kennen dat hij verplicht was om den
volgenden dag naar de zendelingsstatie terug te gaan, doch dat hij
hoopte om na verloop van omtrent een maand terug te komen, en dat hij
dan weder eene godsdienstoefening zou houden.
Na afloop der godsdienstige plechtigheid, ging David Malan naar oom
Gert Maritz, en vroeg of de Eerw. Lindley ook huwelijken kon inzegenen.
„Ja David,” antwoordde Maritz, „ik zie niet in waarom hij dit niet zou
kunnen doen, als hij net die formulier van onze kerk volgt. Dit is goed
dat je daarover praat, want ik weet van een paar andere paren die ook
willen trouwen, en ik zal er met oom Charel en nog een paar broeders
over praten.”
„Dit is goed, oom,” zeide David, „maar oom moet toch als het u belieft
niet zeggen dat ik met oom er over gesproken heb.”
Gert Maritz beloofde dit dan ook.
Vroeg den volgenden morgen reden twee troepjes ruiters het lager uit in
verschillende richtingen. De heer Lindley en de zijnen reden
zuidwaarts, en vier jonge Boeren met vier achterruiters, en eenige
handpaarden, sloegen den noordelijken weg in over de Drakensbergen naar
Winburg.