HOOFDSTUK XIII.

Den dag na het verhaalde in het vorige hoofdstuk lieten Cilliers en

Maritz de andere lagers weten dat er op den daaropvolgenden dag eene

groote volksvergadering bij Retiefs lager zou worden gehouden, en dat

daarna de Eerwaarde Lindley godsdienstoefening zou houden.

Op den bepaalden dag, ’s morgens ten negen uren waren de Emigranten dan

ook allen bij elkander en vond de volksvergadering plaats. Charel

Cilliers werd weder eenstemmig tot Voorzitter gekozen, en na den heer

Lindley gevraagd te hebben om in het gebed voor te gaan, die dit dan

ook op zeer treffende wijze deed, sprak de oude held met diepe

ontroering de vergadering toe, als volgt:

„Vrienden, wij zijn heden bij elkander gekomen om over gewichtige zaken

te spreken. Het is nu zoowat een jaar geleden sinds wij de Kolonie

verlieten, om van de dwingelandij der Engelsche Regeering verlost te

worden. Maanden lang hebben wij rondgezworven en ten laatste scheen het

alsof wij in dit schoone land rust zouden vinden. Maar heden, hoe

treurig is het niet met ons gesteld. Onze geliefde Kommandant-Generaal

ligt met zesenzestig onzer broeders dood bij Dingaans kraal, en op een

paar uur afstand liggen een aantal onzer broeders en zusters die de

slachtoffers van den Zulu-koning zijn geworden. Gevaren omringen ons

aan alle kanten, en de Heer slechts weet of binnen een week een onzer

nog levend zal zijn, want elk oogenblik kan de geheele Zulu macht op

ons zijn. Onder zulke omstandigheden moeten wij thans beslissen wat ons

te doen staat, en om de opinie van het volk te hooren is deze

vergadering bijeengeroepen.”

Charel Cilliers ging zitten na deze weinige woorden gesproken te

hebben, en daarop sprong een zekere Jan Grobbelaar op en zeide:

„Vrienden, ons is hier in dit land gekomen om vermoord te worden, en

voor niets anders. Tegen de Zulu’s als zij ons aanvallen kunnen wij ons

niet verweren. Onze ammunitie is bijna gedaan, en ik geloof dat niets

anders voor ons overblijft als om zoo spoedig mogelijk onze wagens op

te pakken, en terug te gaan naar de Kolonie. Liever nog onder de

Engelschen dan om hier vermoord te worden.”

Een paar stemmen riepen uit: „Ons zeg ook zoo. Laat ons hier dit land

uitgaan.”

Er ontstond thans plotseling eene ontroering in het lager, en in een

oogenblik waren de vrouw van Pieter Retief en de vrouw van Hendrik De

Wet, wiens man te Umkungunhlovu, en wiens zoon te Bushmansrivier

gevallen waren, in het midden van de vergadering, bij de tafel waar

Charel Cilliers zat.

„Schaam jullie je niet?” riep Anna de Wet uit; „Is jullie mannen? Is

daar niet bloed gevallen, dat gewroken moet worden? Zal jullie nou

weggaan, en zal Pieter Retief en al onze mannen en kinderen daar bij

Dingaans kraal liggen en om wraak schreeuwen naar den Goeden God? En

zullen al die menschen bij Bushmansrivier vermoord zijn, en zal jullie

niets doen om hunne moordenaars te straffen? Foei, Jan Grobbelaar, jij

is een lafaard, en die wat saâm met jou schreeuw ook. Loopt! gaat

terug! jullie mans, naar de Kolonie; wij vrouwens zullen hier blijven,

en wij zullen zelf onze mans en bloedverwanten wreken.”

Een aantal vrouwen en meisjes schaarden zich nu bij de twee vrouwen en

bewezen dat zij geheel met deze saamstemden.

Charel Cilliers had eenige moeite om de vrouwen tot bedaren te brengen,

en toen hem dit gelukt was, en er weder stilte heerschte stond een

eerwaardige oude man, Petrus Greyling, een der meest geachte Emigranten

op, en vroeg of hij kon spreken, waarop hij zeide:

„Vrienden, ik ben een oude man, en ik heb veel in de wereld doorleefd,

maar steeds heb ik een ding bevonden, en dat is, dat wij allen in de

hand Gods zijn, en moeten buigen onder Zijnen wil. Wat de Heer doet is

welgedaan, en drukt Zijn hand zwaar op ons, en kastijdt Hij ons dan

doet Hij zulks om ons te straffen voor onze zonden, en ons tot

bekeering te brengen. God heeft ons en ons volk thans zwaar beproefd,

maar wie zal zeggen dat wij het niet verdiend hebben? Wie kan de

menigte onzer zonden tellen? Doch de Heer kent die allen. Maar laten

wij ons nederbuigen voor den Almachtigen, en laten wij Hem ootmoedig om

vergiffenis vragen voor onze vele zonden, en God, die de Israëlieten in

hunne diepste ellende niet verlaten heeft, zal ons ook niet verlaten,

en de heidenen niet over ons laten triomfeeren. Laat ons thans tot God

bidden, en Oom Charel zal ons in het gebed voorgaan.”

Eerbiediglijk namen allen de hoeden af: eerbiediglijk knielde men

neder. In krachtige taal smeekte Charel Cilliers, zooals de

Hoogepriester van Israël eens deed, den Almachtigen Schepper van Hemel

en Aarde, om de zonden van dit Zijn volk te vergeven, en Zijn toorn

niet op het te doen nederdalen. „Gij weet, O Heer onze ellende; Gij

kent onze omstandigheden; geen hulp is er voor ons dan Gij alleen, O

God! Wees ons dan genadig en verleen ons Uwe hulp, in den naam van

onzen Verlosser, Uwen Zoon, Jezus Christus Amen!” Zoo sloot de brave

leider zijn gebed, en daarop hief hij den 130sten psalm aan:

„Uit diepten van ellende.”

en men zong toen het eerste en het vierde vers van dat heilig gedicht.

Nadat eenige tijd zwijgend en stil was voorbijgegaan, gedurende welke

een ieder met zijn gedachten scheen bezig te zijn, nam Cilliers weder

het woord.

„Mannen, broeders,” zoo sprak hij: „ik wil u mijn gevoelens omtrent

deze zaak in het kort mededeelen. Ik zelf gevoel dat wij dit land thans

niet kunnen verlaten, zonder het bloed onzer geliefden gewroken te

hebben. Doch wij zijn thans te zwak om tegen Dingaan op te rukken.

Daarom zal ik voorstellen dat boden worden gezonden naar onze vrienden

en broeders te Winburg. Toen wij vertrokken van Winburg, zeiden beide

Kommandanten Potgieter en Uys, dat, als wij hen ooit noodig hadden zij

ons zouden komen helpen, en ik ben zeker, dat als zij hooren in welken

toestand wij zijn, zij dadelijk met alle beschikbare macht zullen

overkomen. Ondertusschen echter moeten wij nog iets doen, en dat is wij

moeten een Kommandant kiezen, want Retief is helaas! er niet meer om

ons aan te voeren en te leiden. Ik beschouw dat er niemand beter

geschikt is om Retiefs plaats in te nemen dan de heer Gert Maritz en

daarom zal ik hem als Kommandant voorstellen. Als er natuurlijk andere

voorstellen zijn, dan kunnen die thans gemaakt worden.”

De vergadering echter was blijkbaar van gevoelen dat de heer Cilliers

de rechte weg ingeslagen had. Maritz werd dan ook gekozen als

Kommandant, en het werd aan hem overgelaten om de boden naar Potgieter

en Uys te zenden. Deze vroeg toen om vrijwilligers om zulks te doen, en

een honderdtal mannen staken hunne handen op, waaruit de nieuwe

Kommandant er vier koos.

De heer John Cane, die gebroken Hollandsch sprak, vroeg toen verlof om

een paar woorden te zeggen en toen dit hem toegestaan werd, verklaarde

hij, dat indien de Emigranten tegen Dingaan wilden optrekken, hij en de

andere Engelschen in de Baai gereed waren om hen te helpen, en dat zij

met een sterke macht der hun onderhoorige kleurlingen naar

Umkungunhlovu zouden gaan van de eene zijde, terwijl de Boeren dit van

de andere zijde konden doen, op die wijze zou men Dingaans macht

verdeelen en zou hij gemakkelijker overwonnen worden.

Charel Cilliers bedankte den heer Cane voor zijn edelmoedig offer, en

men besloot om zoodra men gereed was, de Engelschen in de Baai te doen

weten wanneer men tegen Dingaan zou optrekken.

Na nog verdere discussie waarin onder anderen besloten werd, dat de

andere Emigranten naar het lager van Retief zouden komen, daar men zich

dan gezamenlijk beter kon verdedigen tegen eenigen aanval der Zulu’s

verdaagde de vergadering.

Dien middag hield de Eerw. Lindley eene godsdienstoefening, waarin hij

eene hartroerende toespraak tot de Boeren hield, en hen wees op het lot

der Israëlieten in de woestijn, dat hij met het hunne vergeleek,

voornamelijk daarop wijzende dat God Zijne getrouwen nooit verlaat maar

hen steeds op de meest wonderbare wijze redt. Ook doopte hij een aantal

kinderen. Ten slotte gaf hij te kennen dat hij verplicht was om den

volgenden dag naar de zendelingsstatie terug te gaan, doch dat hij

hoopte om na verloop van omtrent een maand terug te komen, en dat hij

dan weder eene godsdienstoefening zou houden.

Na afloop der godsdienstige plechtigheid, ging David Malan naar oom

Gert Maritz, en vroeg of de Eerw. Lindley ook huwelijken kon inzegenen.

„Ja David,” antwoordde Maritz, „ik zie niet in waarom hij dit niet zou

kunnen doen, als hij net die formulier van onze kerk volgt. Dit is goed

dat je daarover praat, want ik weet van een paar andere paren die ook

willen trouwen, en ik zal er met oom Charel en nog een paar broeders

over praten.”

„Dit is goed, oom,” zeide David, „maar oom moet toch als het u belieft

niet zeggen dat ik met oom er over gesproken heb.”

Gert Maritz beloofde dit dan ook.

Vroeg den volgenden morgen reden twee troepjes ruiters het lager uit in

verschillende richtingen. De heer Lindley en de zijnen reden

zuidwaarts, en vier jonge Boeren met vier achterruiters, en eenige

handpaarden, sloegen den noordelijken weg in over de Drakensbergen naar

Winburg.

David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek · 第 14 / 20 题