HOOFDSTUK XII.

Het laat zich begrijpen, dat de Boeren vermoeid waren na de inspanning

hunner krachten, en toch was er nog werk volop. Het was reeds twee uren

en men had nog niets genoten. Eerst moest men dus den inwendigen mensch

versterken, en dit werd dan ook spoedig gedaan.

Daarna moest men de gevallen vijanden begraven. Bijna dertienhonderd

Zulu’s telde men dood, behalve een vijftig- of zestigtal gewonden. Deze

werden doodeenvoudig afgemaakt, en hoewel er personen mogen zijn, die

dit wreed mogen noemen, zoo moet men niet vergeten, dat het bloed der

Boeren natuurlijk kookte, en ook dat er geen gelegenheid bestond voor

hospitalen. De gewonden kregen dus een kogel voor den kop, en daarmeê

was de zaak uit.

Een aantal diepe slooten werden toen spoedig gegraven, en daarin wierp

men de dooden, die toen met aarde en steenen bedekt werden. Hierop werd

het volk gezonden om het vee in den berg bij elkander te maken, en het

terug te brengen.

Toen de nacht viel deed Charel Cilliers sterke wachten op eenigen

afstand van het lager plaatsen, want men kon niet weten of de Zulu’s

misschien geen nachtelijken aanval zouden wagen. In het lager sliep ook

elk man met het geweer naast zich, en werden groote vuren den geheelen

nacht aangehouden. Doch de nacht ging rustig voorbij en geen vijand

vertoonde zich.

Den volgenden morgen vroeg liet Cilliers een dertigtal mannen opzadelen

om hem te begeleiden naar de andere kampen, want men was angstig

omtrent het lot der andere Emigranten. Toen men bij het kamp der

Krugers kwam, bevond men dat ook de bewoners daarvan den vorigen dag

een harden strijd hadden gehad, doch dat ook daar de Zulu’s waren

afgeslagen, en dit met verlies van slechts een doode en twee gewonden

aan de zijde der Boeren. Een aantal mannen uit dit kamp sloot zich bij

Cilliers aan, en men trok naar het volgende lager, dat der De Klerks.

Hier hadden de Boeren zwaar geleden; een zestal hunner was gedood en

achttien waren gewond, en ware het niet dat het slechts een

betrekkelijk gering aantal Zulu’s waren, die dit kamp hadden

aangevallen, dan was de uitslag, waarschijnlijk anders geweest, want de

ammunitie in dit kamp was juist aan het opraken, toen de Zulu’s de

vlucht namen.

Nadat ook hier een twintigtal mannen zich bij den trein aangesloten

hadden, vervolgde men in treurigheid, den weg naar het kamp der

Botha’s; want hier wist men was er geen kans geweest voor de Emigranten

om zich te verdedigen.

Het tooneel, dat zich dan ook hier voor de oogen van Cilliers en zijne

metgezellen vertoonde, was dan ook een uiterst treurige. Het kamp was

eene verwoesting. Gebroken en verbrande wagens lagen overal rond; de

tenten waren tegen den grond geslagen; het huisraad lag kort en fijn op

den grond en daartusschen lagen de lijken van mannen, vrouwen en

kinderen allen gedood door de vreeselijke steek-assegaai der Zulu’s.

Eenenveertig mannen, zesenvijftig vrouwen en eenhonderd vijfentachtig

kinderen, allen blanken, waren daar ternedergestrekt, en behalve hen

nog tweehonderd drieenvijftig kleurling-dienstboden. Een twintigtal

Zulu’s hadden ook het leven bij den aanval ingeschoten. George Biggar,

de jonge Engelschman van de Baai, die gekomen was om bezigheid met de

Boeren te doen, lag dood op een hoop lijken. Het vreeselijkste van dit

treurig schouwspel was dat een aantal dezer lijken vreeselijk verminkt

waren.

Een tijd lang stonden Cilliers en de zijnen in zwijgen dit alles aan te

kijken. Tranen rolden langs de wangen van de meest geharde Boeren;

sommigen weenden overluid. Maar spoedig begreep men dat het thans tijd

van handelen was. Een aantal graven werden tusschen de puinhoopen

uitgehaald, ten einde de laatste eer aan de verslagenen te bewijzen. De

zeilen der tenten werden stuk gesneden om als lijkdoeken te dienen, en

daarop begon men de lijken uit te zoeken, en ze zoo goed mogelijk in

het zeil te wikkelen.

David Malan was onder degenen, die met Cilliers waren gekomen, en hij

werkte hard samen. Hij was juist bezig om met een half dozijn anderen

een hoop lijken weg te dragen, toen hij op eens een zucht hoorde. Hij

keek nauwkeurig en luisterde. De zucht werd zacht herhaald, en scheen

te komen van een jong meisje dat onder de lijken lag.

„Hier is een vrouw, die nog leeft,” riep de jongeling verbaasd uit, en

op dit geroep kwamen er een tiental Boeren aangeloopen.

Men haalde het meisje van onder de lijken weg. Zij was vreeselijk

gewond en had negentien assegaai steken ontvangen. Naast haar lag een

tweede meisje en ook zij haalde nog adem, hoewel zij eenentwintig

wonden had. Men haalde water voor de twee gewonden, maar zij waren niet

in staat te drinken. Charel Cilliers was thans nader gekomen met Gert

Maritz, en zij lieten uit een stukkene katel spoedig een draagbaar

maken, en zonden de arme gewonden naar het naastbijzijnde kamp. Hier

werden zij verpleegd, en de verwondering mijner lezers zal groot wezen,

als ik hen hier vertel dat beiden het leven behielden. De namen dezer

meisjes waren Johanna van der Merwe en Catharina Prinsloo.

Niettegenstaande de uiterste zorg door de Emigranten gebruikt, werd

geen ander levend persoon gevonden, en men ging voort met de dooden te

begraven. Den geheelen dag was men daarmede bezig en de zon was juist

aan het ondergaan, toen de laatste schop aarde op de graven geworpen

werd.

Charel Cilliers wilde eenige woorden tot de verzamelden spreken, toen

iemand uitriep: „Daar kom vijf menschen te paard aan,” en allen wendden

toen hunne oogen naar de aangewezen richting, vanwaar men de ruiters

met snelheid zag aankomen.

Binnen weinige minuten waren zij bij de Boeren, en nu bleken het drie

blanken en twee kleurlingen te zijn. De blanken waren de Eerwaarde

Lindley, zendeling in Natal, en Richard Wood, en John Cane twee der

Engelschen die in de Baai woonden. De kleurlingen waren hunne

achterruiters. De Eerwaarde Lindley, die Hollandsch sprak, vroeg naar

den leider der Boeren, en beiden Cilliers en Maritz traden voor.

„Ik zie dat gij hier een treurig tooneel hebt gehad,” zeide de heer

Lindley, zijn oog over de verwoesting latende gaan.

Maritz deelde daarop het gebeurde mede, en de tranen biggelden langs de

wangen van den zendeling, toen hij de treurige tijding vernam.

Na eenig zwijgen gaf hij antwoord: „Vrienden, Gods hand drukt zwaar op

u, en het spijt mij dat ik uwe droefheid slechts vermeerderen moet. Ik

en mijne vrienden zijn naar u gekomen, om u mede te deelen dat uw

leider Pieter Retief met de zijnen op verraderlijke wijze door Dingaan

vermoord is.”

En daarop deelde de heer Lindley het verhaal van dien moord aan de

aanwezigen mede, zooals hij het vernomen had uit den mond van den heer

Owen de zendeling te Umkungunhlovu, die den dag na den moord gevlucht

was naar de zendelingsstatie bij de Baai.

De arme Emigranten waren sprakeloos van droefheid. Geen man was er

onder hen of hij had een familiebetrekking of een dierbaren vriend

verloren, door den moord aan Retief en de zijnen aangedaan. Cilliers

wenkte den zendeling en de twee Engelschen om met hen samen te gaan en

in diepe stilte reed men naar de lagers terug. Bij elk lager scheidde

het troepje mannen dat er behoorde, zich stil af, terwijl de overigen

hunnen weg vervolgden. Het was laat in den avond toen Cilliers met hen

die uit Retiefs lager waren gekomen, het hunne bereikte in gezelschap

van den heer Lindley en de Engelschen. Het was op langzamen stap dat

men het lager binnen reed, en de teruggeblevenen zagen dadelijk dat er

iets vreeselijks gebeurd was. Doch toen de moord aan de Bushmansrivier

en de dood van den Kommandant-Generaal en de zijnen in het lager bekend

werd, toen ging er een geween en weeklachten op die hartverscheurend

waren. De vrouwen en kinderen, vele waarvan thans weduwen en weezen

waren, huilden bitterlijk; de mannen stom, stil en verslagen. Slechts

een man scheen zijn tegenwoordigheid van geest te behouden, en dat was

de Eerwaarde Lindley. Als een waardige volger van Christus ging hij van

tent tot tent om troostwoorden te spreken tot de gebrokenen van harte,

en hen te wijzen op den grooten Redder uit ellende. Over het algemeen

hebben de Emigranten weinig op gehad met de zendelingen, maar eene

groote uitzondering was voorzeker de Eerwaarde Lindley, een man die

zich uitermate verdienstelijk heeft gemaakt aan de Boeren, en wiens

naam dan ook door alle Afrikaners in eere behoort gehouden te worden.

Het was een gevoel van dankbaarheid en eer voor de nagedachtenis van

dien braven man, die de Boeren bewogen een dorpje in den Vrijstaat den

naam van Lindley te geven. Moge zijn naam steeds in eere worde

gehouden!

David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek · 第 13 / 20 题