HOOFDSTUK XI.

Den geheelen dag, na het vertrek van Pieter Retief lag David Malan nog

in hevige pijnen in den wagen. Eerst tegen den avond begon hij zich

beter te gevoelen, en dien nacht had hij een goede nachtrust, en,

hoewel zwak, was hij den volgenden morgen in staat om op te staan, want

zooals alle Afrikaansche Boeren, was David een vijand van het in bed

liggen. Hij was echter vreeselijk uit zijn humeur en deed niets anders

dan spreken over de teleurstelling, die hij ondervonden had, dat hij

niet met den Kommandant-Generaal had kunnen samenrijden. Martje

troostte hem zoo goed als zij kon en zeide hem, dat het misschien de

hand des Heeren was, die hem op het ziekbed geworpen had, om hem van

den dood te redden, en zij deelde hem hare vrees mede, dat Retief en de

zijnen nooit weder zouden terugkomen. David lachte haar uit, en zeide

dat dit „net vrouwenpraatjes waren,” waar geen man zich aan stoorde.

Het duurde bijna een week voor David zich weder geheel sterk gevoelde,

en kon uitgaan om wild te schieten. Hoe het kwam wist hij niet, doch

hij bevond op eens, dat zijn oud rijpaard niet meer zoo goed was als

vroeger, en hij begon dus om te zien naar een ander. Bij toeval vernam

hij dat zekere Joshua Joubert, die in het verst afgelegen kamp woonde,

een goed rijpaard had om te verkoopen of te verruilen, en hij vatte dus

het plan op naar dezen toe te rijden, en zoo mogelijk een ruil aan te

gaan, al moest hij dan ook iets toegeven.

Op den morgen van den 16den Februari was hij dan ook reeds vroeg in den

zadel, en sloeg den weg in naar het kamp van de Botha’s, waar Joshua

Joubert woonde. Het werd het kamp van de Botha’s genaamd omdat de oude

Johannes Botha de Kommandant er van was. David moest langs verscheidene

andere lagers rijden. Eerst kwam hij bij dat van de Krugers, waar de

oude en dappere Gert Kruger het bevel voerde. Dit lager was in goede

orde. De wagens waren wel niet in een kring getrokken, doch stonden zoo

na bij elkaar, dat zulks in zeer korten tijd kon gedaan worden, als de

nood het vereischte. Na een kommetje koffie gedronken te hebben, en een

weinig te hebben „gezels” reed David naar het volgende kamp, dat der De

Klerks. Ook dit lager was in goede orde en kon spoedig weerbaar gemaakt

worden. Van hier naar het lager der Jouberts was het een stijve uur en

een half, doch tot zijn groot genoegen kreeg David hier een maat,

Willem Van Rensburg, die ook om bezigheid naar het kamp der Jouberts

reed. Ten minste zoo gaf hij voor; de waarheid was echter, dat hij een

beetje naar zijn nooi Johanna Van der Merwe wilde gaan kijken, die ook

in het kamp woonde. Met al dit vertoeven was het reeds bijna middag

toen David en Willem bij de Jouberts kwamen. Het trof David, dat dit

lager zoo ongeregeld was. Het was eigenlijk volstrekt geen lager. De

wagens stonden ver van elkander af, meestal dicht bij de

Bushmansrivier, en hier en daar stond een tent.

Nadat beiden bij oom Joshua Joubert (die een broer van Martje’s vader

was) hadden afgezadeld, en de bewoners hadden gegroet, maakte David dan

ook de aanmerking tegen Joshua, dat dit maar gevaarlijk was om het kamp

zoo uiteen te hebben.

Oom Joshua lachte en zeide: „Kerel, ons is hier immers in ons eigen

land, en die Kaffers zal ons immers geen kwaad doen. Die naaste Kaffers

is die Zulu’s en met hullie is ons goede vrienden. Nog gisteren was

hier twee van hullie, en hullie het ons gevraag om werk, maar op het

oogenblik het ons nog volk genoeg.”

„Het hullie niks gezegd van oom Pieter?” vroeg David.

„Neen, hullie zeg dat hullie van die baai afkom, en niet van Dingaans

kraal. Maar oom Pieter zal wel een van die dagen terugkomen.”

„Hij is al 18 dagen weg,” hervatte David, „en hij kon al terug zijn.”

„Misschien is hij gaan kijken naar die stuk grond wat Dingaan ons zal

geef,” was het antwoord van oom Joshua, die dood gerust scheen.

Juist op dit oogenblik kwam de jonge Joshua Joubert de tent binnen, en

begon de handel tusschen de twee Boeren. De jonge Joshua liet zijn

paard uit het veld halen, terwijl David het middagmaal genoot, want het

was nu reeds twaalf uur. Toen het paard kwam, zag David dadelijk dat

het een uitmuntend dier was, sterk en krachtig gebouwd, nog maar vier

jaar oud, en met goede pooten. Joshua gaf niet om te ruilen; hij zou

Davids paard nemen, maar dan moest deze drie ossen toegeven. Dit was

den jongen Malan te veel, en er vond heel wat geknibbel plaats, waarna

David eerst het paard moest probeeren, en er een kwartier mede

rondreed, iets, dat hem de uitstekende kwaliteit van het fiere dier

dadelijk deed kennen. Eindelijk werd men het eens. David zou zijn paard

achterlaten, en den volgenden dag aan Joubert twee groote ossen en een

eenjarige os zenden. De achtermiddag en de avond werd toen genoeglijk

doorgebracht. Toen het slapenstijd was ging David, daar zoowel de tent

als de wagen der Jouberts vol was, op een kombaars slapen onder een

grooten boom, niet ver van de tent, iets waar hij niets tegen had, want

het was zeer warm weer en hoewel donkere maan, was de lucht helder en

blonken de sterretjes aan den hemel. Ook Willem Van Rensburg kwam daar

eenigen tijd later slapen. Daar beiden zeer vroeg wilden rijden, en van

hunne vrienden afscheid hadden genomen, hadden zij hunne paarden op

eenige treden aan een anderen boom vastgebonden, en sliepen zij op

hunne zadels, die als hoofdkussens dienden.

David kon dien nacht niet goed slapen. Hij was, hij wist niet waarom,

onrustig over het lange wegblijven van Retief, en hoewel hij trachtte

om de gedachten uit zijn hoofd te zetten met een „alles gekheid” kon

hem dit toch niet gelukken. Hij sluimerde nu en dan in, doch schrok elk

oogenblik wakker. De ster, die de Boeren de voorlooper noemen, was

juist opgegaan, en David, die toen wakker lag, was juist van plan om

zijn maat te wekken, en den terugrit te beginnen, toen hij een vreemd

geluid vernam. Zich oprichtende, zag hij op eenigen afstand een aantal

zwarte gedaanten, bij de verst afgelegen wagens, en juist toen hij op

de plotselinge gedachte kwam, dat het Kaffers waren, viel er een

geweerschot.

„Willem, de Kaffers is op ons,” riep David luid, en op zijn voeten

springende, greep hij zijn zadel en toom, en liep naar zijn paard.

Willem was dadelijk wakker en volgde Davids voorbeeld. In een oogwenk

waren beide paarden opgezadeld, en beide jonge Boeren in den zadel. Een

oogenblik zwenkte David zijn paard naar de tent van de Jouberts, en

riep: „Oom Joshua, die Kaffers val ons aan,” en daarop schoot hem

plotseling de gedachte door het hoofd, dat hij naar de andere lagers

moest terugrijden, om hen te waarschuwen. Hij riep een haastig: „Kom

Willem!” aan zijn makker toe, en drukte toen de hielen in de ribben van

zijn paard. Het fiere dier, zulk een behandeling niet gewoon, deed een

geweldigen sprong, en dit juist in tijd, want een assegaai, door een

Zulu geworpen, siste langs David voorbij. Sieraad, zooals de naam van

het nieuwe paard van onzen held heette, was nu niet te keeren, en ging

op een dollen galop door, zoodat David zijn handen vol had om het de

rechte richting te doen houden. Toch zag hij even achter zich en kon in

den schemer bemerken, dat Van Rensburg in vollen galop achter hem

aankwam. Deze had ook een flink paard, en was spoedig ter zijde van

David, en nu ging het lijnrecht naar het kamp van de De Klerks, over

slooten, door bosschen, over klippen; niets stuitte de koene rijders.

Zoodra het kamp in het gezicht kwam (want het was nu reeds daglicht)

riep David zijn makker toe: „Willem, zeg hullie dat hullie lager moet

trek, en voor hullie klaar hoû,” en zonder verder een woord rende hij

het kamp voorbij, en bereikte spoedig het kamp der Krugers. Oom Gert

stond juist bij zijn wagen, zijn eerste kommetje koffie te drinken,

toen David zijn dampend en brieschend paard voor hem stil hield.

„Wat is dit, wat is dit?” vroeg Oom Gert verschrikt.

„Oom, die Zulu’s val ons aan. Hullie vermoor die menschen in Botha zijn

kamp. Oom moet dadelijk lager trek, en alles klaar maak om jullie te

verdedigen. Maak gauw, Oom, want hullie zal zeker net nou hier wezen.”

Oom Gert wierp koffie en kommetje neder en weldra werd zijn stem

gehoord, „Lager trek, lager trek, die Zulu’s kom aan.”

David gaf zich geen tijd om gade te slaan hoe het lager getrokken werd,

hij dacht nu slechts aan zijne ouders en aan Martje, en zijn paard de

hielen in de ribben zettende, vloog hij als een pijl verder. Hoe hij

den één uur langen afstand afreed, wist hij zelf niet. Hij gaf Sieraad

de volle teugels, en deze scheen van geen hinderpalen eenige notitie te

nemen. Als een bok sprong hij over een tien voet breede sloot, en als

een haas liep hij door de klippen. David begreep dat hij op zijn paard

moest vertrouwen, en hij zag dat hij dit dan ook kon doen. Hij kneep

zich dus in den zadel vast en zorgde slechts, dat het paard de rechte

richting hield.

De zon kwam juist op, toen David het lager inreed. Hier moet gezegd

worden dat het lager der Retiefs, zooals dit genoemd werd, het beste in

orde was. De wagens stonden in een kring op kleinen afstand van

elkander, en kon in een oogwenk verschanst worden. David reed dadelijk

naar de tent van Charel Cilliers, die de Kommandant was, in afwezigheid

van Pieter Retief. Oom Charel stond voor zijn tent, en rookte rustig

een pijp toen David aankwam. Hij was geheel uit adem, en half stokkend,

zeide hij:

„Oom Charel, die Zulu’s kom aan; hullie het al die menschen in Botha’s

kamp vermoord.”

De dappere oude krijger had niets meer noodig.

„Lager maken, die Zulu’s kom,” riep hij uit. „Trek de wagens bij

elkaar,” en zoo volgde het eene bevel na het andere. David zadelde snel

zijn paard af, en liet het los staan bij zijn wagen. Hij had thans geen

tijd om voor het arme dier te zorgen hoe graag hij dit ook wilde.

Integendeel hij moest eerst helpen zorgen voor de bescherming der

vrouwen en kinderen.

Een levendig tooneel vond nu plaats. In een oogenblik waren alle handen

aan het werk om de wagens in een vasten kring te trekken, zoo na

mogelijk bij elkaar. Het volk werd gezonden om bosschen en takken te

kappen, om de openingen tusschen de wagens op te vullen. Het vee werd

toen zoover mogelijk aan een anderen kant van een nabijzijnden berg

gejaagd, om uit het gezicht der Kaffers te zijn, en daar werd het aan

zijn lot overgelaten. Geweren werden schoongemaakt, en Charel Cilliers

liet de ammunitiewagen openen en deelde kruid en lood uit.

De vrouwen waren ook hier behulpzaam; zij hielpen geweren schoonmaken,

en een aantal hunner waren spoedig bezig kogels te gieten in de

daarvoor bestemde kogelvormen. Oom Charel was overal; hier gaf hij

order om een opening nog dichter te maken; hier vermaande hij de

jongeren om bedaard te schieten en goed korrel te vatten, zoodat de

ammunitie niet verspild werd want „elke kogel moet zijn Kaffer

krijgen;” daar weder stelde hij angstige vrouwen en meisjes gerust; dan

ging hij naar de tent van Retief, en troostte diens vrouw, die thans

helaas, het ergste vreesde.

„Oom, Charel, waar is die kanon,” vroeg David Malan op eens.

„Mijn machtig, kerel, ik hêt die heele kanon vergeet. Hij staat daar

achter bij die tent. Loop haal hem gauw met een spul kerels dan zal ons

hem hier bij den ingang plaatsen.”

De ingang was eene kleine ruimte van zoowat 8 voet breed, die thans met

takken en bosschen dicht versperd was. Het kanon werd nu hier gebracht.

Het was een oud koperen mondstuk, op een affuit dat waarschijnlijk een

oud scheepskanon was geweest, en dat door een der trekkers was

medegebracht. Het was algemeen beschouwd geweest als een nutteloos

ding, maar heden kon het toch van nut zijn.

„Ons kan niet banja met die ding schiet,” zeide Oom Charel, „want dit

vat te veel kruit, maar als die Kaffers het ons hier te warm maak, dan

kan ons een paar schoten op hen los.”

„Maar ons hêt geen kogels, Oom Charel,” zeide een der Boeren.

„Ons kan die ding met stukken lood en oud ijzer laden; hullie noem dit

schroot,” zeide de heer Alfred Smith, dien wij reeds kennen als de

meester en secretaris.

„Weet jij iets van die goed af, meester?” vroeg Charel Cilliers, die

zelf maar weinig met die „goed” te doen had gehad.

„Ja, Oom Charel, zoo’n beetje” was het antwoord van den meester. „Ik

heb al met zulke dingen gewerkt.”

In der waarheid was meester vroeger matroos op een Engelsch

oorlogsschip geweest, en had hij dus wel degelijk kennis van een kanon,

en toen Oom Charel hem nu tot „kanonnier” benoemde, wees meester

spoedig dat hij zijn baantje niet vergeten had. In een oogenblik had

hij een laadstok er voor gemaakt uit een stuk hout, en een spul oude

lappen en veegde hij het kanon uit. Hij zuiverde het zundgat, en sneed

een spul stokjes, waaraan hij lapjes deed, die als lont moesten dienen

en daarop liet hij door een spul volk alle stukken oud ijzer,

pot-pooten en wat maar tot „schroot” kon dienen bij elkander maken. Met

behulp der vrouwen liet hij toen kruid- en schrootpatronen maken van

oud linnen en binnen zeer korten tijd stonden er twintig ladingen kant

en klaar bij het kanon.

Al dit werk nam nauwelijks den tijd van twee uur op, want men werkte

met ijver en kracht. Geen Kaffer was nog te bespeuren, en men gebruikte

den tijd om zich nog steeds beter gereed te maken en de meest

zorgvuldige maatregelen te nemen. Er waren zoo wat negentig weerbare

mannen in het kamp, buiten de kleurlingen, en een aantal dezer had men

ook gewapend met geweren zoodat het geheel der verdedigers een goed

eind over de honderd was. Een aantal spaargeweren werden aan de vrouwen

gegeven om die aan de mannen achter de wagens te overhandigen, indien

hun eigen geweren te warm werden.

Het was bijna tien uur toen een der Boeren riep: „Daar kom hullie!” en

inderdaad op den rand, die zoowat duizend treden aan de zuidzijde van

het lager was, begon zich een dichte drom Kaffers te vertoonen.

„Op jullie plek,” riep de oude Cilliers, „moet niet schiet voor hullie

op ons is. En God, de God van Israël sta ons thans bij,” voegde hij er

langzaam en eerbiedig bij.

De Kaffers schenen op den rand eene consultatie te houden, hoe om het

kamp op de beste wijze aan te vallen. Zij hadden waarschijnlijk niet

verwacht, dat zij de Boeren aldus tot weêrstand gereed zouden vinden,

en dachten dat ook hier zij hen verrast zouden hebben. Eindelijk zag

men een reusachtige Kaffer, op wiens hoofd een groote vederbos prijkte,

zijn armen zwaaien en hierop begon een deel van het Zulu-impi zich te

verspreiden. Zij vormden de twee „hoorns,” totdat het geheele lager

omringd was door eenige duizenden Zulu’s. En nu volgde een helsch

lawaai, dat ontzetting in de harten der vrouwen joeg en de mannen de

tanden op elkander deed knarsen. De Zulu’s sloegen met hunne assegaaien

tegen hunne schilden, en hieven hun oorlogskreet aan. Toen—kwamen zij

met een geweldige vaart van alle zijden op het lager aanstormen.

De Boeren lieten hen naderen tot op zestig treden van de wagens, en

toen dreunden de geweerschoten, en een honderdtal Zulu’s beten in het

stof. Doch de anderen stuitten niet, doch kwamen aan. Thans vuurde elke

Boer voor zichzelve zoo snel hij kon, en schoot ieder zijn

naastbijzijnden Kaffer neder. De strijd werd fel. De geweerschoten

knalden onophoulijk, en het geraas was oorverdoovend. Bij den ingang

had Charel Cilliers tien fluksche mannen geplaatst en deze hadden hunne

handen vol, om de Zulu te beletten door de takken en bosschen te komen.

Doch spoedig vormden de lijken der gevallen Zulu’s hier een breede

borstwering.

David stond voor op de wagenkist van een wagen, en elke kogel uit zijn

geweer deed een Kaffer nedertuimelen. Martje stond dicht bij hem,

achter den wagen; zij had een geladen geweer in haar hand, gereed om

dit aan David te reiken, zoodra zijn eigen geweer te warm werd. Doch

dit was thans niet noodig. De Zulu’s op zulk een ontvangst niet

voorbereid, en geen kans ziende, om door den kogelregen in het lager te

komen, namen de vlucht, ten minste voor het oogenblik, en liepen zoo

snel zij konden naar het randje waar hunne makkers, die nog geen deel

aan den strijd hadden genomen, stonden.

Een groot aantal der aanvallers lagen dood of gewond voor het lager;

bij verre de meesten echter van deze waren dood.

De Zulu’s hielden nu weder raad, en zij konden dit gerust doen, want

zij waren buiten het bereik der oude Sanna’s, die niet verder schoten

dan uiterst tweehonderd treden. De Boeren kregen nu een goed half uur

rust, en dit was hun uiterst welkom, want het gevecht was hevig

geweest. Tot op dit oogenblik was er slechts een Boer licht gewond,

daar een stoutmoedige Kaffer, hem met een assegaai in den arm gestoken

had. De dappere kerel liet de wond door zijne vrouw verbinden, en was

daarna weer even gereed om op zijn post te gaan.

Na verloop van een half uur begon er weder beweging onder de Kaffers te

komen. Doch ditmaal veranderden zij van tactiek. In plaats van het

lager te omringen kwamen zij nu in een dichten drom aan, en dat wel

direct op de opening van het lager. Zij hadden begrepen dat dit het

zwakste punt van het lager was, en wilden nu met geweld en door hun

overmacht zich hier een weg banen. Doch Charel Cilliers bemerkte

dadelijk hun doel, hij was te veel ervaren om zich te laten

verschalken. Een twintigtal man bij de wagens latende, liet hij al de

anderen post vatten in de nabijheid van den ingang.

„Nu komt mijn tijd,” zeide meester, toen hij de Kaffers zag naderen,

„jullie moet nou voor pad geven.” En met deze woorden nam hij zijn lont

in de hand en liet de vier jonge Boeren, die hem hielpen, alles in

gereedheid brengen om het kanon weder te laden, zoodra het afgeschoten

was.

De Zulu’s kwamen stadig aan, tot op een afstand van tweehonderd treden;

toen maakten zij een wilden schielijken aanval op de opening. Doch de

ontvangst die zij kregen van het thans geconcentreerde vuur der Boeren,

was geenszins malsch, en toen nu meester zijn kanon tusschen de dichte

massa afvuurde, en stukken ijzer door hunne rijen heenvlogen, deinsden

zij een oogenblik terug. Maar ook net maar een oogenblik—toen kwamen

zij met vernieuwden moed aan. Doch tegen den kogelregen die thans op

hen nederkletterde en tegen de drie schoten die meester snel op hen

loste, was zelfs Zulu-moed niet bestand, en met verlies van een groot

aantal dooden, sloegen zij op wilde vlucht.

„Goed gedaan meester, dat is braaf,” riep Charel Cilliers uit toen de

Zulu’s weg waren. „Daar die Oû Griet is al te kwaai voor hullie. Maar

nou moet jullie oppas, kerels; die ergste zal nog komen. Die andere

Zulu’s zal ons nou pak.”

Inderdaad waren het slechts twee regimenten der „witschilden,” of jonge

krijgers die den aanval op het lager gedaan hadden.

De Ringkoppen of Zwartschilden hadden bedaard aangekeken naar het werk

hunner jongere broeders. Nu deze geheel verslagen en moedeloos

terugkwamen, stootten zij een verachtelijk Hu! Hu! uit, en maakten zij

zich gereed om te toonen hoe spoedig zij hunnen vijand overmeesterden.

Thans volgden zij weder hun oude tactiek en onder bevel van den man met

den vederbos, begonnen zij het lager te omringen. Ieder der Boeren was

nu weder op zijn ouden post. De Zulu’s sloegen als bezetenen op hunne

schilden, en hieven een ontzettenden krijgskreet aan, die het bloed in

de aderen der dapperste Boeren deed verstijven. Een storm, en de Zulu’s

waren bij de wagens. Doch de Boeren weerden zich dapper; de gedachte

aan de vrouwen en kinderen gaf hun heldenmoed. De geweren knalden

zonder ophouden. De Kaffers klommen tot op de wagens, doch vonden daar

ook hunnen dood; geen Kaffer kwam het lager binnen.

David was op zijn ouden post, en Martje stond weder bij hem, met het

geladen geweer in de hand. Onze held had juist een forsche Kaffer den

doodskogel gegeven, op geen drie treden afstand, toen een tweede

Kaffer, bij den wagen opsprong, en voor David zijn geweer geladen had,

den assegaai ophief om den jongen Boer dien in de borst te boren.

Davids leven hing aan een draad. Hij trachtte instinctmatig de assegaai

met zijn geweer weg te keeren, doch hij voelde, dat de dood hem voor

oogen stond. Daar knalde een schot, en de Zulu, door een kogel in het

hart getroffen, stortte zielloos van den wagen neder. Het was Martje

geweest die het schot had gevuurd. Zij had het gevaar gezien waarin

haar minnaar zweefde, en in een oogwenk was het zware geweer aan haar

schouder, en trok zij den trekker. Doch David kon dit niet zien, want

hij had geen tijd om om te kijken. Zoodra de Kaffer nederstortte laadde

hij zijn geweer weder en hield hij aan met vuren op de aanvallers.

„Martje, die ander geweer,” riep hij opeens en het dappere meisje

reikte hem dit. Zij had het weder geladen, en ontving nu het brandend

heete geweer, dat zij dadelijk begon af te koelen met koud water.

Het was inderdaad zooals Charel Cilliers gezegd had: het ergste kwam nu

eerst. Een achttal Boeren waren reeds min of meer zwaar gewond; twee

zelfs waren er gedood. Bij den ingang was de strijd het hevigst, en

slechts door het nu en dan afvuren van het kanon, dat de Zulu’s schrik

inboezemde omdat bij elk schot een aantal hunner tegelijk vielen, was

men in staat deze gevaarlijke positie te verdedigen. Op raad van

Cilliers begonnen de Boeren nu hunne geweren met „loopers” te laden,

waarvan er gelukkig een geruimen voorraad in het lager was. Op den

korten afstand waren deze van meer effect dan de kogels, en de Zulu’s

vonden dit spoedig uit. Zij deden nog één wanhopige poging om de

overwinning te behalen, doch tevergeefs. Toen sloegen zij op de vlucht;

een wilde vlucht, waar geen keeren meer aan was. Ditmaal hielden zij

niet meer stil op het randje; neen zij gingen het randje over en de

jongere krijgers volgden hen zoo snel hunne voeten hen konden dragen.

De Boeren wachtten eenigen tijd om te zien of de vijand niet weder

terugkomen zou, en toen na verloop van een half uur geen vijand

opdaagde, zond Cilliers een der Boeren om te zien waar zij waren. Deze

liep naar het randje en keek behoedzaam er over. Daarop zwaaide hij

zijn hoed en kwam hij hard terugloopen.

„Oom Charel, hullie loop daar ginter over die zwart randen, en hullie

loopt nog dat het zoo barst. Terugkom zal hullie niet vandaag.”

Charel Cilliers antwoordde niet. Hij knielde neder daar in het lager,

en zwijgend volgde een ieder, mannen, vrouwen en kinderen zijn

voorbeeld. En toen ging er een dankgebed op tot den God van Abraham,

van Izaäk en van Jakob, die ook de God der Boeren was, voor de

overwinning aan de belegerden geschonken, en de redding uit hunnen

nood. De stem van den eerwaardigen, dapperen grijsaard sidderde van

ontroering, en diep gevoel, terwijl hij het gebed deed en zijn nauw

hoorbaar Amen ging verloren in het krachtig Amen! van zijne

volgelingen. Zoo vochten die oude Voortrekkers; gedurende den strijd

weerden zij zich als leeuwen; na den strijd was hun eerste gedachte om

den Heer de glorie te geven van de overwinning.

David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek · 第 12 / 20 题