Waarde lezer, ik moet u thans verzoeken om mij (natuurlijk met behulp
uwer verbeelding) te vergezellen naar Umkungunhlovu, de hoofdstad van
den grooten koning der Zulu’s, Dingaan, en dit wel op den morgen van
den 7den Februari 1838. Wij zullen niet de stad ingaan, maar ons op een
randje stellen ten zuiden er van, vanwaar wij een goed uitzicht op de
stad hebben. De zon is juist opgegaan en werpt hare eerste stralen op
het landschap voor ons. Umkungunhlovu noemen wij een stad; in waarheid
is het slechts een ontzettende Kafferkraal. Het bestaat uit twee
ringmuren, een groote en een kleinere daarbinnen. Tusschen de twee
ringmuren staan de ronde Kafferhutten, in regelmatige rijen, doch die
welke in de twee rijen, die het dichtst bij den binnensten ringmuur
staan, zijn grooter en hooger dan de anderen, want dat zijn de hutten
der getrouwde krijgers van Dingaan, de zoogenaamde Ringkoppen of
oudgedienden, die de keurbenden van de Zulustam uitmaken. De kleinere
hutten worden bewoond door de jongere krijgers.
Binnen den tweeden ringmuur, aan het verste einde staan een tiental
zeer groote hutten, waaronder vooral de middelste door hoogte uitmunt.
Dit zijn de hutten van Dingaan en zijne vrouwen, want ik behoef u niet
te zeggen, dat de Zulukoning aan veelwijverij doet.
Achter de hutten zijn de veekralen, waar gij een groot aantal der
kleine, groot gehoornde koeien en ossen kunt zien, die gewoonlijk
bekend zijn als Zulu’s.
Terwijl wij zoo staan te kijken, wordt het levendig in de stad. Een
groot aantal manschappen verzamelen zich, en spoedig zien wij hen
uittrekken. Er zijn vijf regimenten, twee met zwarte schilden en drie
met witte schilden; de zwarte schilden zijn het teeken dat de dragers
tot de Ringkoppen, de dappersten der dapperen behooren. Vooraan het
hoofd van elk regiment loopt de kolonel, of zooals hij in het Zulusch
heet de „Induna-enkoolu.” Een geweldige vederbos, die op zijn hoofd
wuift, duidt ons zijn rang aan, doch ook hij draagt zijn schild en zijn
assegaaien. In geregelden marsch en onder het zingen van een maatgevend
krijgslied, rukt de bende of liever het leger voorwaarts, den weg
inslaande naar Natal. Misschien ontmoeten wij hen later weer; voor het
oogenblik zullen wij hen hunnen marsch laten voortzetten, en u eerst
wat vertellen van den Zulustam. Inderdaad heeft die stam zulk een
groote rol in de geschiedenis van Zuid-Afrika gespeeld, dat elke
Afrikaner ten minste iets er van behoort te weten.
Omtrent het jaar 1790 woonde er ten noorden van de Tugela een
Kafferstam, de Abatetwa genaamd, wiens koning den naam van Jobe droeg.
De oudste zoon van dezen, Dingiswayo geheeten, heeft een wonderlijken
levensloop gehad, zoo romantisch, dat waarschijnlijk zijn
levensgeschiedenis den Engelschen schrijver Rider Haggard heeft
aangespoord om hem den held van zijn bekenden roman, King Solomon’s
Mines te maken. Dingiswayo werd namelijk door zijn vader verdacht van
pogingen om den troon te bemachtigen, en Jobe besloot dus om zijn
gevaarlijken zoon uit den weg te ruimen. Doch met behulp van zijne
zusters wist Dingiswayo de wraak van zijnen vader te ontkomen en zocht
hij zijn heil in de vlucht. Na lange rondzwervingen kwam hij eindelijk
binnen de grenspalen der Kolonie en vertoefde waarschijnlijk in de
nabijheid van Graaff-Reinet. Hier zag hij de Engelsche soldaten die in
1799 door Generaal Dundas naar de grenzen werden gezonden, en wat hem
bijzonder trof was de wonderlijke krijgstucht die er in dit leger
heerschte, en de gemakkelijkheid waarop gedisciplineerde soldaten zich
in massa’s bewogen. Hij deed zooveel mogelijk onderzoek naar de redenen
hiervan en het gaf hem veel te denken, wanneer hij die Engelsche
soldaten vergeleek met de ruwe wilde krijgsbenden van zijn eigen natie.
Ondertusschen kreeg Dingiswayo bericht dat zijn vader overleden was, en
dat de Abatetwa, die niet wisten waar Dingiswayo was, den naasten
erfgenaam tot hun koning hadden verkozen. Toen hij dit vernam zond hij
bericht aan zijn volk dat hij zou komen, en werkelijk verscheen hij ook
in zijn vaderland, gezeten op een fraai paard. De Abatetwa hadden nog
nooit dit dier gezien, en dit feit, te zamen met de zekerheid, waarmede
zij Dingiswayo herkenden, maakte dat hij spoedig in het bezit van zijn
rechtmatigen troon was.
Het eerste werk van den nieuwen koning was om Europeesche krijgstucht
in zijn leger in te voeren. Hij vormde regimenten, stelde officieren
aan, en leerde de manschappen oefeningen maken, en toen ze eenigszins
in orde waren, begon hij krijg te voeren tegen zijne naburen, waarin
hij duidelijk bewees, welk een groot voordeel hij aan zijnen kant had.
Eenige jaren daarna kwam er een vluchteling bij Dingiswayo aan,
namelijk Tshaka, de zoon van Senzangakona, het opperhoofd van den
kleinen Zulustam. Deze had evenals Dingiswayo in vroegere dagen moeten
vluchten voor zijnen vader, en misschien was het daarom dat de koning
der Abatetwa hem vriendelijk opnam en hem een plaats in zijn leger gaf.
Tshaka begreep terstond het nut van de indeeling van Dingiswayo’s
leger, en door bekwaamheid en dapperheid werd hij spoedig de meest
geachte aanvoerder in dat leger. Toen nu Senzangakona stierf, deed
Dingiswayo de Zulu’s Tshaka als hun koning erkennen. Toen voerde Tshaka
ook krijgstucht onder de Zulustam in, en maakte hij zelfs vele
verbeteringen op het systeem van Dingiswayo, en binnenkort waren de
Zulu’s een heldhaftige natie geworden. Zoolang Dingiswayo leefde, had
Tshaka vrede met hem, doch na zijn dood viel Tshaka den Abatetwa-stam
aan, versloeg hen, deed hunnen koning dooden, en lijfde den stam bij
den zijne in. Van af dien tijd voerde Tshaka een reeks bloedige
oorlogen met zijn naburen, waarin hij steeds als overwinnaar optrad, en
zoo duurde het niet lang of de Zulunatie was de machtigste stam in het
oosten van Zuid-Afrika, en zijne legers drongen zelfs voort tot aan de
Bashee-rivier, en bedreigden de Kaapkolonie.
In 1828 werd Tshaka vermoord door twee zijner half-broeders Dingaan en
Umthlangana. Daarna vermoordde Dingaan op zijne beurt Umthlangana met
eigen hand, en na eenige gevechten met zijne andere broeders,
bemachtigde hij den Zulutroon.
Tshaka was een wreed koning geweest, maar hij was talentvol en wist
gebruik te maken van de talenten van anderen. Dingaan daarentegen was
sluw, arglistig en bezat eene nog dierlijker wreedheid dan Tshaka.
Na dit kort overzicht van de geschiedenis der Zulu’s moet ik u, waarde
lezer, nogmaals vragen om mij te vergezellen naar dat kopje ten westen
van Umkungunhlovu. Reeds aan den voet er van schrikken wij, want hier
en daar zien wij doodsbeenderen en doodshoofden. Ja, dat is een akelige
plek waarheen ik u breng, het is de plaats des Doods, de plaats waar
Dingaan al zijne slachtoffers doet vellen. Maar volg mij en dan zal ik
u nog iets wijzen. Kijk eens hier, daar liggen een aantal lijken,
blijkbaar kort geleden gedood, want er is nog geen spoor van ontbinding
te zien. „Wat,” roept gij verbaasd uit, „maar dit zijn immers blanken.”
Inderdaad, het zijn blanke menschen, die hier dood liggen, en gij kent
hen ook. Hier ligt de arme sterke Hans Malan, een geweldige wond op
zijn hoofd wijst u, dat met een kirie zijn schedel verbrijzeld werd.
Daar, dicht bij hem ligt Thomas Holstead, de Engelsche gids, insgelijks
met verbrijzelden schedel. En zoo telt gij vijfenzestig blanken, allen
dood op dien vreeselijken kop en zoo wat dertig kleurlingen. Behoef ik
u te vertellen, dat dit Retief en de zijnen zijn, die hier vermoord
liggen? Maar waar is Retief zelve?
Gaat even hier ter zijde. Daar ligt hij, dood en mishandeld. Zijn dood
lichaam is opengesneden; zijn hart en zijn lever zijn uitgehaald, en
liggen daar ginder op den weg naar Natal begraven. Hij is het eenigste
lijk, dat aldus mishandeld is; de anderen liggen zooals zij gevallen
zijn; zelfs geen kleedingstuk is hen van het lijf genomen, ook niet van
Retief, om wiens schouder een veldflesch en een bladzak hangen.
Treurige plaats voorwaar! Eene plaats die heilig behoort te zijn voor
alle Afrikaners; eene plaats waar een grafteeken behoort opgericht te
zijn.
Maar laat ik u in het kort vertellen, hoe Retief en de zijnen hunnen
dood vonden.
Pieter Retief en zijn escort, geleid langs den kortsten weg door den
heer Thomas Holstead kwamen op den 3den Februari 1838 te Umkungunhlovu
aan. Dingaan ontving hen bijzonder vriendelijk en prees de Boeren zeer
voor hun gedrag in zake het vee van Sikonyella. Slechts zeide hij dat
het hem speet dat Retief niet den Roover-kaptein had samengebracht.
Hierop liet hij weder spiegelgevechten en krijgsdansen houden door de
Zuluregimenten, en verschafte zijne bezoekers rijkelijk voedsel. Den
volgenden dag trok de heer Owen, de zendeling, een document op, waarin
Dingaan een groot stuk grond van de Tugela tot aan de Umzinvubu rivier
aan de Boeren ter bewoning afstond. Dit document werd toen door Dingaan
met zijn merk voorzien, en drie Boeren zoowel als drie der groote
Raadsheeren van den Zulukoning teekenden het of plaatsten er hun merk
op als getuigen.
Geheel tevreden met den uitslag van zijn bezoek, en met niets dan
dankbaarheid in zijn hart voor Dingaan, vertoefde Retief nog den 5den
Februari te Umkungunhlovu. Op den morgen van den 6den maakte hij zich
gereed om te vertrekken. De paarden waren opgezadeld en Retief en de
zijnen wilden thans Dingaan groeten. Deze deed hun weten dat zij in den
binnensten ringmuur konden komen, maar dat zij hunne geweren buiten
moesten laten. Een groot aantal der Boeren waren onwillig dit te doen,
want zij vreesden verraad, maar de heer Holstead, die een gesprek met
eenige der Zulu-induna’s gehad had, verklaarde dat geen vreemdeling
toegelaten werd om gewapend in tegenwoordigheid van den Zuluvorst te
verschijnen. Daarna lieten de Boeren hunne geweren bij hunne paarden.
Dingaan ontving hen vriendelijk en liet dadelijk Kafferbier brengen,
waarvan men met genoegen dronk. Intusschen sprak Dingaan met Retief
door middel van den heer Holstead, en gaf hij zijn spijt te kennen dat
Retief niet langer bij hem wilde vertoeven. Op eens sprong de
Zulukoning op, en riep „Vangt hen!” Op die woorden stormden een aantal
der krijgers, die om Dingaan stonden, op de weerlooze Boeren, en bonden
hen vast. De heer Holstead riep uit: „Dit is klaar met ons,” en hij
trachtte met Dingaan te spreken. Deze luisterde een paar oogenblikken
naar hem, doch wuifde toen zijn hand, en zeide: „Doodt de toovenaars.”
De ongelukkige Boeren, zoowel als de heer Holstead, werden toen met
geweld gesleept naar het kopje, dat als executie-plaats diende, en
daarheen bracht men ook de achterrijders der Boeren. Hierop vond eene
ware slachting plaats. Eén voor één werden de Boeren door knopkiries
gedood; Retief werd vastgehouden en moest den moord zijner makkers
aanzien; toen deze allen gedood waren, viel ook hij als slachtoffer van
den wreeden Dingaan. Zooals wij gezien hebben, werd zijn hart en lever
uit zijn lichaam gesneden, en op den weg naar Natal begraven. De Zulu’s
meenden dat dit een toovermiddel zou zijn om de blanken te beletten hun
land in te trekken.
Alzoo was de dood van Pieter Retief en zijne dapperen. Martje’s
voorgevoelen was juist geweest en het was aan haar en ook aan de oude
Anna te wijten, dat David Malan ook niet dood op dat kopje bij
Umkungunhlovu lag.