Martje was op eens doodsbleek geworden en toen

David schielijk het kommetje leeg dronk, gaf zij een schreeuw.

„Wat is dit, Martje,” riep David.

„Niks nie,” hernam het meisje op bevenden toon; „daar hêt net iets in

mijn voet gesteek;” en zich vooroverbuigende, om hare verwarring niet

te laten zien, keek zij naar hare veldschoentjes, alsof zij naar een

doorn of zoo iets zocht.

„Sis, Oû Anna, jou koffie smaakt slecht van middag,” zeide David.

„Dit is die melk, baasje; dit is bokmelk en die bokken hêt zeker van

die stinkboschjes gevreet,” zeide de oude ayah op geruststellenden

toon.

David spoegde even op den grond, om den bitteren smaak uit den mond te

krijgen, en na nog gezegd te hebben, dat hij niet meer van die koffie

wilde hebben, stapte hij verder.

„Machtjes, kleinnooi! hoe kan die kleinnooi dan zoo schrik en

schreeuw,” zeide de ayah, toen David buiten gehoor was.

„Ik was banja bang, Oû Anna,” antwoordde het meisje, „en als baas David

nou iets overkom, zal ik banja kwaad met jou zijn.”

Tot antwoord lachte de oude meid slechts en ging toen weg.

Dien avond was David kant en klaar om met Pieter Retief den volgenden

morgen vroeg te vertrekken, en hij bracht dus den avond door bij

Martje. Hij was vroolijk en opgeruimd, doch het meisje was daarentegen

zwaarmoedig. Telkens vroeg zij David of hij zich niet ziek voelde, en

telkens kreeg zij het antwoord, dat hij „paerd-frisch” was.

Het was omstreeks 10 ure toen David zijn geliefde den goedennacht kus

gaf, en toen zijn wagen opzocht. Martje ging ook naar bed, maar het was

haar onmogelijk om te slapen. Zij was geheel verslagen en wist niet wat

te denken of hoe te doen. Werd David niet ziek van het toovergoed van

Oû Anna, dan zou hij met Pieter Retief samengaan, en Martje had een

voorgevoel, dat zij hem dan nooit weder zou zien. En als hij inderdaad

ziek werd, dan zou hij misschien kunnen sterven.

Zoo lag zij nog wakker in den inwendigen tweestrijd harer gedachten,

toen zij op eens iemand hoorde hardloopen naar de tent.

„Martje, Martje,” riep de stem van Lang Hans Malan; „hêt jullie niet

een beetje kruiden-brandewijn? David is op eens ziek geworden; hij

heeft vreeselijke pijnen in zijn maag en doet niet anders dan

vomeeren.”

Martje was in een oogenblik op en haalde een bottel kruiden voor den

dag. Zij ging met Hans samen naar den wagen, waar ook reeds Davids

vader en moeder waren. David scheen inderdaad ziek, en toen zij hem van

pijn hoorde kermen, brak het arme meisje in snikken uit, zoodat men

haar de bottel met brandewijn moest ontnemen, daar zij blijkbaar buiten

staat was om iets goed te doen.

Dien ganschen nacht bleef de jonge man ziek en niets scheen hem eenige

verlichting te geven.

Toen dan ook om vier uur in den morgen men zich gereedmaakte om Retief

te vergezellen, was het duidelijk, dat David te ziek was om saam te

gaan en Hans Malan bood zich in zijn plek aan, een aanbod, dat Retief

graag aannam.

David morde en gromde, en gaf luid zijne ergernis te kennen, dat hij

moest achterblijven, maar dat hielp nu niets. Hij gevoelde zelf, dat

hij te ziek was.

Retief kwam hem nog even voor zijn vertrek zien, en zeide aan zijne

vrouw, dat zij haar best voor hem moest doen.

Toen gaf hij haar den laatsten zoen, sprong te paard en reed weg, zich

nog even omwendende om met zijn hand „goeden dag” te wuiven. Weinig

dacht zijne arme vrouw, dat dit de laatste keer zou zijn, dat zij haren

geliefden echtgenoot zag.

David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek · 第 10 / 20 题