Martje zat dien morgen vroeg bij de tent van haren vader, en was bezig
met vleesch in te zouten, toen haar Oom Joshua bij de tent kwam, en
haar vertelde, dat Retief den volgenden dag naar Dingaan zou gaan.
Martje had reeds van het plan gehoord, en had ook vernomen, dat
verscheidene der Emigranten er tegen waren. Men had gesproken over den
wreeden Zulukoning, en enkelen hadden zelfs luid op gezegd dat Dingaan
niet te vertrouwen was, en hij gemakkelijk Retief kon laten gevangen
nemen, zoo nog niet iets ergers doen. Martje was dus al „bang gepraat,”
en zij zeide dan ook dat zij het gevaarlijk vond, dat Oom Pieter zich
zoo aan den Kafferkoning vertrouwde.
„Ach wat,” zeide Joshua Joubert, „ik geloof niet, dat Dingaan eenig
kwaad voornemen heeft; en bovendien neemt Oom Pieter een groot escort
van zestig man mede. David gaat ook samen.”
Martje schrok zoo hevig bij het hooren van deze tijding, dat zij het
stuk vleesch uit hare handen op den grond liet vallen.
Oom Joshua lachte en Martje zeide:
„Ach neen, Oom Joshua speul maar met mij, David zal niet zoo mal wezen
om zijn leven te gaan wagen op zoo’n tocht.”
„Neen, ik maak niet grapjes,” antwoordde Joshua Joubert. „Daar komt
David zelf aan, en hij kan het je zeggen of ik waarheid spreek.”
David was dan ook in een minuut bij hen, en Martje vroeg hem dadelijk
of dit waar was.
„Ja,” zeide David lachend. „Oom Pieter heeft mij gekozen, en ik ben er
recht blij om. Ik wil ook eens graag zien, hoe Dingaan er uit ziet, en
hoe die Kaffers den krijgsdans uitvoeren met al die zwarte ossen.”
„David jij is mal,” zeide het meisje met bevende stem. „Als die Kaffers
jou doodmaakt, wat dan,” en bij die gedachte schoten haar de tranen in
de oogen.
„Ach wat, Martje, jij is alweêr voor niks bang. Als Dingaan Oom Pieter
had willen vermoorden, dan zou hij dit immers den eersten keer hebben
gedaan. Bovendien, daar is net nou twee Engelschen uit Durban
aangekomen, en die één kerel kent Dingaan al jarenlang, en zegt dat hij
ons niets zal doen.”
Maar dit stelde Martje niet gerust en daar Oom Joshua juist wegging,
begon zij haren minnaar te smeeken toch niet te gaan. David was in zijn
hart jammer voor Martje, want hij zag dat zij werkelijk beangst was,
maar hij trachtte haar aan het verstand te brengen, dat hij toch niet
kon gaan om Retief te vragen of hij kon thuis blijven.
„Kijk, Martje,” zoo besloot hij, „als ik dat doe, dan zullen de anderen
mij uitlachen en zeggen dat ik bang ben. En als een lafaard wil ik niet
bekend staan. Oom Pieter heeft mij opgekommandeerd, en morgen vroeg ga
ik met hem samen. Binnen veertien dagen ben ik terug, en dan kom ik
vragen wanneer ons kan trouwen.”
En na deze woorden stapte David weg, na eerst in de gauwigheid een zoen
te hebben gestolen.
Dien geheelen morgen dacht Martje over den tocht, en hoe meer zij er
over dacht, hoe meer overmeesterde haar een voorgevoel dat er iets
vreeselijks zou gebeuren.
Na het eten zat zij bij het vuur, waar het water voor de koffie kookte
en haar gemoed schoot zoo vol, dat zij begon te weenen.
„Wat mankeer nooi Martje dan vandaag?” zeide eene vrouwenstem.
Het was Oû Anna, de oude dienstmeid van Frans Joubert. Zij was in der
tijd reeds slavin geweest van den vader van Oom Frans; zij was op diens
plaats geboren, en zij had al de kinderen van Oom Frans groot gemaakt;
de oudste zoon Johannes, en Martje, en al de anderen waren door haar
geabbaed. Toen de slaven vrij verklaard werden, bleef zij bij Oom
Frans, en diende de familie trouw voort. Martje de „kleinnooi” was haar
oogappel, en nu zij deze zag weenen, wilde zij weten wat er aan
scheelde.
Martje vertelde haar dat David met Oom Pieter zou medegaan, en deelde
al haar vrees mede. Zij zeide ook dat zij met haren minnaar gesproken
had, maar dat deze niet wilde luisteren,
Oû Anna luisterde aandachtig, en zweeg toen eenigen tijd stil. Zij
scheen plannen te maken.
„Kleinnooi, als kleinbaas David ziek is, dan kan hij immers niet
saamgaan,” zeide zij eindelijk.
„Neen, Ayah,” antwoordde het meisje: „maar hij is niet ziek; hij is zoo
frisch als een paard. Ik wou dat hij een beetje ziek werd, dan zou hij
zich misschien laten ompraten.”
Oû Anna zeide niets, maar stond op en ging weg. Zij stapte het lager
uit, en liep stadig in de richting van de Blauwkrantzrivier. Hier begon
zij zorgvuldig naar iets op den grond te zoeken, maar zij scheen het
niet te kunnen vinden. Eindelijk gaf zij een kreet van blijdschap, en
snelde naar een klein plantje met breede, vleezige bladeren. Zij haalde
een oud mes te voorschijn en begon toen met alle macht de plant uit te
graven. De wortel van de plant was een groote knol, die wel wat op een
ui geleek, en het kostte Oû Anna eenigen tijd voor zij dien geheel
uitgegraven had. Eindelijk had zij hem geheel en al uit, en verborg den
grooten wortel toen in haar voorschoot, waarna zij al strompelend en
bij zichzelve mompelend naar het kamp terugging. Daar aangekomen kreeg
zij na eenig zoeken een ouden pot in handen, die blijkbaar door den
eigenaar weggeworpen was, omdat de drie pooten er af waren. Oû Anna
maakte toen een vuur, deed water in den pot, zette dien op het vuur, en
begon den bolwortel in stukjes te snijden, en die in den pot te werpen.
Zij zat daar geruimen tijd, en roerde van tijd tot tijd in het kokende
water met een stokje. Ten laatste begon het water een lijmerig aanzien
te krijgen, en het werd al dikker, en na eenig wachten nam de oude
„ayah” ook den pot van het vuur en liet den inhoud koel worden. Hierop
nam zij eenige stukken van de thans taaie stof en wrommelde het in een
ouden lap.
Het was reeds drie ure in den middag toen zij bij de tent van haar baas
terugkwam, waar zij Martje bezig vond om de middagkoffie te maken.
„Waar was jij al dien tijd, Oû Anna?” vroeg het meisje.
„Ik was zoo maar een beetje in die veld,” antwoordde de oude meid,
terwijl zij op hare hurken ging zitten bij het meisje. Zij zat geruimen
tijd zoo zwijgend, en scheen in gedachten verzonken.
„Kleinnooi zegt, als kleinbaas David ziek is, dan kan hij niet met baas
Pieter samen gaan?” vroeg zij eindelijk.
„Natuurlijk niet,” zeide Martje verwonderd.
„Ik heb hier goed, kleinnooi, wat die kleinbaas zal ziek maken, als die
kleinnooi een stukje in zijn koffie gooit.” En met die woorden rolde
zij het oude lapje los, en wees het meisje het resultaat van haar
koken.
„Neen, Oû Anna,” riep het meisje verschrikt uit, „dit is jullie
toovergoed, en die kleinbaas zal daarvan doodgaan.”
„Ach neen, kleinnooi,” antwoordde Oû Anna: „ik ken die goed, en hebt
dit banja gebruikt. Die kleinbaas zal net een beetje banja ziek worden,
maar gauw beter worden.”
Doch Martje was en bleef bang. Wel vertrouwde zij de oude „ayah”, en
zij was overtuigd dat deze David geen leed zou doen, maar toch had zij
een afschuw van dat „toovergoed.”
Terwijl zij nog de zaak bij zichzelve beredeneerde kwam David juist
aangestapt, en zoodra hij bij hen kwam, vroeg hij:
„Martje, heb je niet een koppie koffie voor mij?”
„Wacht, kleinbaas, ik zal voor kleinbaas gauw een kommetje koffie
inschenk,” zeide Oû Anna snel en, opstaande, nam zij een vuil kommetje
en verwijderde zich even om een doek te halen om het uit te wasschen,
en toen zij terugkwam schonk zij spoedig de koffie in.
„Daar, kleinbaas, daar is die koffie. Dit is misschien die laatste
kommetje koffie wat kleinbaas van mij krijg, want ik hoor dat kleinbaas
met baas Pieter saam gaat.”
„Och wat, Oû Anna, hèt nooi Martje jou ook al bang gepraat,” zeide
David terwijl hij het kommetje uit haar hand nam.