Wij zullen onze lezers niet vermoeien met eene langdurige beschrijving
van den trek naar Natal; maar slechts hier en daar wat er van
aanstippen. Men trok slechts langzaam voort, want de wagens waren zwaar
geladen, en men moest het vee de noodige rust geven, en de troepen
schapen en bokken konden zich slechts langzaam bewegen. Daarbij kwam
dat in het begin van Januari het eenige dagen hard regende, en men
gedurende die dagen moest stil liggen. Het was dan ook reeds den 10den
Januari 1838 toen men aan den voet van de Drakensbergen kwam. Retief
zond nu eenige klompjes menschen vooruit om te onderzoeken waar men het
gebergte het beste kon overgaan met de zware wagens. Men vond spoedig
een pas (de tegenwoordige van Reenens pas), maar het was noodig dat er
eerst wat aan gewerkt zou worden voor hij begaanbaar was. Met macht en
wil ging men dan ook aan het werk, en op den vierden dag kon Retief dan
ook reeds order geven tot het vertrek. De eene helft van den trek ging
eerst over, want de weg was zoo steil en de wagens zoo zwaar, dat men
voor de meesten van hen dubbele spannen ossen moest gebruiken. Zwoegend
en hijgend trokken de arme dieren de zware gevaarten stapje voor stapje
voort, en de zweepen hielden niet op met klappen. Doch men kwam goed en
wel boven op den kam van het gebergte, en nu deed zich een heerlijk
schouwspel aan de Emigranten voor. Van af hunne hoogte zagen zij neder
op een der prachtigste landen der wereld, vol zacht glooiende heuvelen,
met prachtig gras bedekt, en met planten versierd, die zij nooit hadden
gezien, en waarvan zij zelfs de namen niet kenden. En tusschen die
heuvelen kronkelden zich rivieren en beken, terwijl hier en daar groote
boomen hunne trotsche kronen ten hemel verhieven. Een geheel ander land
en een geheel ander klimaat dan aan de andere zijde der Drakensbergen;
blijkbaar een vruchtbaarder en prachtiger land dan het Winburgsche.
De weg ging nu berg af en was zeer steil. Men moest de wagens zoo sterk
mogelijk met kettingen remmen, en somtijds waren de hangen zoo schuins,
dat men met riemen de wagens moest vasthouden, ten einde te beletten
dat zij omsloegen in de steile afgronden. Gevaarlijk was het dan ook
inderdaad, en meer dan eens had er bijna een ongeluk plaats. Één
ongeluk vond werkelijk plaats, bij een zeer slechte plek, op een
steilen krans. De remketting van een der wagens brak, en de wagen, die
toen niet door de achterossen kon geregeerd worden, holde
onwederstaanbaar voort, en den tweehonderd voet hoogen krans af. Eene
vrouw, en vier kinderen werden met den wagen medegesleept, en vonden op
vreeselijke wijze den dood. Tot op heden noemt men die plek nog
Ongeluks-krans.
Eindelijk kwam men aan op de vlakte, en hier werden de eerste wagens in
lager getrokken, en de ossen met een aantal van het volk teruggezonden,
om de andere helft der wagens te gaan halen. Retief en eenige anderen
gingen ook terug, om het opzicht te voeren, en op eenige plekken den
weg nog wat te verbeteren. Op den 16den Januari waren alle wagens de
Drakensbergen overgetrokken, en had men geen ander ongeluk te betreuren
dan het zooeven gemelde.
Na een paar dagen rustens trok men voort, totdat men in een prachtige
landstreek kwam tusschen de Blauwkrantz- en de Bushmansrivieren. Hier
besloot Retief vooreerst te blijven, totdat Dingaan hem de landstreek
zou hebben aangewezen, die hij aan de Emigranten wilde afstaan.
Wegens het groote aantal wagens, en het vele vee was dit ondoenlijk, om
een groot lager te vormen, en men kwam dus overeen om zich te verdeelen
in verschillende kleinere lagers. Retief bleef met de families
Cilliers, Joubert, Malan, Greyling en een tiental anderen, met zoowat
honderdtwintig wagens bij de Blauwkrantz-rivier; de anderen sloegen op
niet verren afstand van elkander, kleinere lagers op, tot aan de wallen
van de meer oostelijke Bushmans-rivier. Bij deze rivier ging ook Joshua
Joubert, de broeder van Martje’s vader, wonen, maar Frans Joubert bleef
in het kamp van Retief, tot groote vreugde van David, die reeds bang
begon te worden dat zijne geliefde van hem zou weggaan.
Er was vooreerst heel wat werk in de nieuwe lagers. Wagens moesten
gerepareerd worden, want zij hadden veel geleden door den tocht over de
bergen; voor proviand moest gezorgd worden en er viel dus heel wat te
schieten, en ook moest voor het vee gezorgd worden. Gedurende de eerste
dagen was men dus druk bezig en vooral Retief had veel te doen met het
regelen van alles.
Doch Retief begon nu haastig te worden om nog een bezoek aan Dingaan te
gaan brengen, en het gestolen vee, dat van Sikonyella afgenomen was,
aan den Zulukoning terug te brengen, waarna hij verwachtte, dat Dingaan
hem het beloofde land zou toekennen.
Doch in het lager van Retief zelve, en onder de Emigranten in het
algemeen, ontstond er een gevoel dat men Retief niet moest laten gaan.
Men kon niet weten wat er kon gebeuren, zeiden de meesten en Retief
moest liever thuis blijven, en anderen in zijn plek sturen.
Ook Charel Cilliers en Gert Maritz waren van dit gevoelen, en zij gaven
dit dan ook aan den Kommandant-Generaal te kennen. Doch Retief wilde
hiervan niets weten. Hij zeide, dat indien hij iemand anders in zijn
plek zond, Dingaan zich beleedigd kon voelen en suspicie kon krijgen
tegen de Emigranten. Te vergeefs boden Gert Maritz, Charel Cilliers en
Frans Joubert zich aan om in zijne plaats te gaan; te vergeefs smeekte
zijne vrouw hem zich toch niet weder in de macht van Dingaan te
begeven. Retief zeide, dat hij zijn plicht zou doen, en dat hij
volstrekt niet vreesde, dat Dingaan hem iets zou doen. Doch op sterk
aandringen van al de Emigranten stemde hij er eindelijk in toe, om een
sterk escort samen te nemen, en daarop bepaalde hij den 27sten Februari
als den dag van zijn vertrek. Zestig van de flukste kerels zocht hij
uit als escort, en daaronder waren natuurlijk David Malan en Abraham
Greyling, alsmede de jongste zoon van Charel Cilliers, Pieter genaamd.
Ook zouden omtrent dertig kleurlingen samengaan als „achterrijders.”
Willem wilde Retief thuis laten om zijne vrouw tot assistentie te zijn,
maar de trouwe jongen hield zoolang aan om samen te gaan, dat Retief
ten laatste er in toestemde.
Vroeg in den morgen van den 26sten Febr. kwamen er drie ruiters
aanrijden naar Retiefs lager. Het waren Thomas Holstead en George
Biggar van Durban en een achterrijder. De twee Engelschen waren
overgekomen om handelsbetrekkingen met de Boeren aan te knoopen, daar
zij wisten dat deze thans al het noodige van Durban zouden krijgen.
Vooral was dit het geval met George Biggar, wiens vader een groote
handelsbezigheid te Durban dreef. Met Holstead was Retief reeds goed
bekend, want deze had bij de vorige gelegenheid als gids gediend naar
Umkungunhlovu. Toen hij vernam, dat Retief den volgenden dag naar
Dingaans kraal wilde gaan, bood hij weder zijne diensten als zoodanig
aan, en deze werden gretig aangenomen, daar er niemand anders was, die
de Zulutaal verstond, of den rechtstreekschen weg naar Umkungunhlovu
kende. De gereedheid, waarmede Holstead zijn aanbod maakte, gepaard met
het feit, dat hij reeds dertien jaar in Natal was en den Zulukoning
goed kende, veroorzaakte dat de Emigranten eenigszins gerustgesteld
werden. Zoo maakte Retief en de zijnen dan ook alles in gereedheid om
te vertrekken.