HOOFDSTUK VII.

Het is de avond van den 27sten December 1837 en wij gaan nog eens een

kijkje nemen naar het kamp bij de Vetrivier. Wij zullen alles goed

kunnen zien, want het is een heldere heerlijke avond, en hoewel de maan

maar half is, geeft zij toch zooveel licht, dat men alles duidelijk kan

uitmaken.

Hallo! wat is dit? Het kamp is weg. Geen tent zien wij; geen wagen;

geen menschelijk wezen. Niets dan een paar oude verlaten veekralen, een

groote aschhoop, en een aantal diepe wagensporen.

Retief en de zijnen zijn zeker vertrokken, zegt ge?

Wel, dat is zoo, en als gij met mij thans naar Winburg gaat zult gij

hem daar zien.

Mijn hemel, wat een gewoel is er in Winburg! ’t Is reeds negen ure en

gewoonlijk is het nieuw aangelegde dorpje tegen dien tijd doodstil,

want Afrikaansche Boeren gaan vroeg naar bed en staan vroeg op. Maar

heden avond branden er nog overal vuren, en ook de vetkaarsen in de

tenten verspreiden nog hun somber flikkerend licht. En een geloop en

een herrie is er, die ons verbaast.

„Jan, kom hier,” roept een mannenstem; „helpt jou Ma met die potten.

Maak hullie goed aan die wagen vast.”

„Mimi,” roept een vrouwenstem, die gij dadelijk als die van Martje

herkent, „moet niet daar staan gezels, maar help mij die kommetjes

inpakken, en dan moet jij die koffieketeltje schoonmaak.”

„David, heb jij al die ossenriemen bij elkaar?”

„Ja Pa,” is het antwoord van David Malan.

„Jong, loop dan gauw naar oom Frans, en vraag hem of hij niet een plat

vaatje voor mij kan leenen. Die een hier lekt banja, en daar is nou

niet tijd om hem recht te maken.”

En zoo is het een geroep hier en een geroep daar, een geloop, een

wertschaft, dat men geheel verward raakt.

En daar buiten het dorp is het bijna even erg. Zoowat negenhonderd

wagens zijn daar verzameld, in lange rijen, en voor elke wagen ligt het

trekgoed in gereedheid. Sommigen der wagens zijn blijkbaar nog niet in

orde, want bij hen zijn er mannen aan het werk. Daar kapt een man nog

bij een groot vuur een aantal jukschijven; hier zijn er twee bezig om

een voortouw te herstellen; daar ginder zijn er drie bezig een wagen te

smeren, en hier loopt een oude kerel rond, om te zien of hij niet een

juk kan krijgen, want hij is er een kort, en heeft niet behoorlijk voor

zijn goed gezorgd.

„Neef Piet, een van mijn voorossen heeft vandaag zeer gekrijg. Kan jij

mij niet een vooros leen?”

„Ja, neef Andries, jij kan een krijg. Zeg maar voor zwager Willem, dat

hij jou die roode vooros van mij kan geven. Maar pas op, hij is een

beetje banja wijs, en jij moet een goede maat voor hem hebben, want hij

trekt banja scherp.”

Bij de kralen is het niet minder levendig. Zij zijn te klein om al het

vee te bevatten, dat er heden nacht is. Een twaalf- of vijftienhonderd

ossen staan buiten of liggen op den grond te herkauwen; en daar ginder

is er een groote troep paarden, terwijl daar bij de boomen een groot

aantal schapen en bokken liggen te rusten. De ossen bulken, de koeien

loeien, de paarden hinneken, de schapen blaeren, en daartusschen hoort

men het geroep van het volk. Het geraas is oorverdoovend, en wij zullen

maar liever het dorp weder binnengaan. Daar bij een groote tent staan

een half dozijn mannen, en wij bemerken al dadelijk de forsche gestalte

van den Kommandant-Generaal. Ook Charel Cilliers, Gert Maritz, Frans

Joubert, Piet Uys en Hendrik Potgieter zijn daar.

„Neef Piet,” zegt Retief, „laat nu eens goed uwe gedachten gaan. Voor

de laatste maal vraag ik je of je niet met ons wil samengaan?”

„Neen, oom Piet,” antwoordt Pieter Lavras Uys, „ik zal hier blijven.

Het land hier bevalt mij goed, en ik geloof dat ik hier vreedzamer zal

wonen dan in Natal. De Kaffers plagen ons hier niet, en geloof mij, oom

Piet, gij zult in Natal moeilijkheden met Dingaan krijgen.”

Retief zucht en wendt zich tot Hendrik Potgieter.

„En jij, oom Hendrik?”

„Ik ben hier mijn eigen baas,” is het trotsche antwoord van Hendrik

Potgieter; „ik hoef hier geen mensen naar de oogen te kijken, en ik

woon hier rustig. Waarom zou ik nog verder voorttrekken?”

„Vrienden,” zegt Retief, „het zij zoo. Wij zouden graag uwe hulp hebben

gehad, maar het is de wil des Heeren, dat wij moeten scheiden en wij

buigen onder dien wil.”

„Kommandant,” valt Piet Uys snel in, „als gij of de anderen onze hulp

ooit noodig hebt, en als gij in gevaar zijt, laat mij slechts een woord

van u ontvangen, en ik zal daar zijn om u te helpen. Maar de

omstandigheden zijn zoo, dat wij thans niet kunnen samen gaan.”

Retief weet, helaas! wat die omstandigheden zijn. De oude twist

tusschen Potgieter en Maritz was weer uitgebroken, en waar Maritz

heenging, wilde Potgieter niet. Maritz ging met Retief, dus bleef

Potgieter. En Piet Uys had zich aan de zijde van Potgieter geschaard,

omdat, naar hij voorgaf, ook Maritz hem beleedigd had. Het was de oude

storie van jaloezie en nijd, die tusschen de Emigranten tweedracht deed

ontstaan, en ongelukkig nog tot op dezen huidigen dag de oorzaak is

waarom wij Afrikaners niet één machtige natie kunnen worden.

„Nu,” zeide Retief, „wij zullen elkander wel morgenochtend vroeg zien,”

en met deze woorden wenschte hij en Frans Joubert de anderen „goeden

nacht,” en stapten zij het kamp uit.

Retief kwam bij zijnen wagen, en na een oogenblik met zijn vrouw

gesproken te hebben, riep hij: „Willem, zadel gauw voor Prins op.”

Vijf minuten later sprong de Kommandant-Generaal in den zadel, en reed

door de lange rijen wagens, ten einde alles te bezien en de noodige

orders te geven. Hier bij een wagen vindt hij een vijftal jonge Boeren,

die rustig bij een vuur zitten te rooken.

„Arrie, kerels,” roept hij uit, „jullie krijg immers lekker. Dit is nou

niet tijd om bij die vuur te zitten en pijp te rooken.”

„Ons is kant en klaar, oom Piet,” roept Abraham Greyling uit. „Ons

wacht net voor die morgenster, en die ossen.”

„Dat is fluks,” zeide de Kommandant-Generaal, die dan ook zag dat de

drie naastbijzijnde wagens in extra orde waren, gereed voor den trek.

Hij reed voort, doch hield plotseling zijn paard in. „Abraham,” riep

hij, „ik heb twee adjudanten noodig voor den trek. Zal jij er een

wezen?”

„Met pleizier, oom Piet,” was het gulle antwoord van Abraham Greyling,

die nooit „neen” zeide, als er werk te doen was. De Kommandant reed

voort.

„’n Avond, nicht Mita,” riep hij tot een fluksche dikke tante, die met

een viertal dochters bezig was, om een spul goed in een wagenkist in te

pakken.

„Heb je nog niet een koppie koffie, ik is banja dorst.”

„Oh ja, oom Pieter, daar is nog koffie,” en meteen schonk zij een kopje

in voor Retief.

„Heeft oom Pieter niet voor Andries gezien,” vroeg tante Mita.

„Neen,” zeide Retief, „wat is er dan.”

„Ons, is drie ossen kort,” was het antwoord van nicht Mita, „en Andries

heeft al den heelen avond rondgeloopen om ze ergens te leen te krijgen,

maar hij kan er geen krijgen. Maar daar komt hij zelf aan,” zeide zij,

op een korte, dikke boer wijzende, die langzaam en blijkbaar vermoeid

aan kwam stappen.

Retief groette hem, en zeide: „Wel, neef Andries, heb je drie ossen

gekregen?”

„Neen, oom Piet, en ik is nou zoo in die middel dat ik niet weet om wat

te doen.”

„Ja, maar dit is jou eigen schuld, neef Andries,” sprak Retief op

scherpen toon. „Jij had al lang voor die goed moeten zorgen, en nou kom

jij op die laatste oogenblik, en hinder die menschen, als hullie bezig

is. Jij moet beter voor jou goed zorgen.”

„Ja, oom Pieter, dit is wat ik hem ook gezegd had,” viel tante Mita in,

die eigenlijk blij was, dat haar eenigszins luie en onverschillige man

een goede schrobbeering kreeg.

„Abraham,” bulderde de zware basstem van Retief.

„Ja, oom,” klonk het uit de verte, en in een minuut tijd was Abraham

Greyling op de plek.

„Toe, ik zal jou zoo maar inspan als adjudant,” zeide Retief lachend.

„Hardloop, gauw naar oom Gert Maritz, en vraag hem of hij niet drie

ossen zal leenen aan oom Andries hier. Ik zal voor hullie goed staan.”

Abraham liep als een haas weg, en Retief reed verder.

„’n Avond David,” zeide hij tot onzen held van dit verhaal, die bezig

was om een grooten drievoet aan een wagen vast te maken. „Jij moet een

van mijn adjudanten wezen. Abraham Greyling is de andere. Of wil jij

liever op den wagen zitten bij Martje?” vroeg hij, half spottend.

„Neen, oom, ik blijf bij oom Pieter. Elk ding heeft zijn tijd. Dit ’s

avonds tijds genoeg om bij die nooiens te kuier,” was het vroolijke

antwoord van David Malan.

Zoo rijdt de wakkere Kommandant-Generaal overal rond, hier een woord

van lof sprekende, daar berispende, hier hulp verleenende, daar weder

een grapje makende, en het is bijna twaalf uur als hij weder bij zijn

wagen terugkomt, en na zijn paard aan Willem te hebben afgegeven, zich

nedervleit op den katel in den wagen om eenige uren rust te hebben. En

ook de andere Emigranten zoeken hunne legersteden, en spoedig is het

dan ook tamelijk stil in Winburg. Doch ook maar voor een paar uur lang.

De morgenster heeft nauwelijks hare verschijning gemaakt boven de

oosterkim, of er komt weer leven in de brouwerij. Vuren worden

aangestoken, en koffie wordt gereed gemaakt, en bij het eerste krieken

van den dageraad hoort men het geroep van „Inspan, inspan,” dat van den

eenen wagen tot den anderen herhaald wordt, totdat het den laatsten

wagen bereikt. En nu is het woeliger dan ooit te voren. De vrouwen

pakken zoo snel mogelijk, koffieketeltjes, kommetjes, en al het verder

gebruikte weg, en schikken de wagens voor de lange reis terecht. De

mannen, jong en oud, gaan naar de kralen, en hier ontstaat een

oorverdoovend lawaai. Een ieder tracht zoo snel mogelijk zijn span

ossen uit te jagen, en die bij zijn wagen te brengen. Hoe elkeen, uit

die duizenden van ossen, weet wie zijn Zwartland, of Makman, of

Wildeman is, is voor den aanschouwer onbegrijpelijk en toch vindt er,

zelfs in dit half schemerlicht, geene vergissing plaats. Een uur daarna

is elke wagen ingespannen.

Intusschen zijn zij, die met Uys en Potgieter te Winburg blijven, allen

uit het dorpje gekomen, om de vertrekkenden te groeten. Menige

handdruk, menig „God zegen je” wordt gewisseld; ook menige traan wordt

gestort. En zoenen, wel die klappen zooals zweepen. En treurige harten

zijn er, zooals bijvoorbeeld die van dien jongeling, die met den trek

medegaat, en dat jonge meisje, die met hare ouders te Winburg

achterblijft. Die twee zijn verloofd, maar het onverbiddelijk noodlot

zal spoedig de Drakensbergen tusschen hen plaatsen, en misschien, ja

misschien zien zij elkander nooit weder.

Maar ook de harten van ouderen zijn treurig, en zoo is het hart van

Retief. Ernstig en zwijgend drukt hij de hand van Potgieter; maar een

diepe zucht ontsnapt zijn mannelijke borst, als hij, met aangedanen

stem den dapperen Piet Uys vaarwel zegt en Gods zegen toewenscht. Want

Uys en hij hadden zoo menigmaal naast elkander gestreden, en hadden zoo

dikwijls elkander in gevaar geholpen, dat het Retief nu wee om het

harte wordt, om van zijn ouden kameraad te scheiden. Een plotselinge

stilte ontstaat onder die groote menigte van menschen, als Charel

Cilliers zijn hoed afneemt, en staande een innig gebed opzendt aan den

grooten Heer der Legerscharen, en langs menige zonverbrande wang rolt

een traan, als hij zijn plechtig „Amen” uitspreekt. En toen hoort men

de stem van den ouden Frans Joubert, die invalt met het 6de vers van

den prachtigen Psalm 84.

„Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild,

Is t’ allen tijd’ een zon en schild.”

En daar, in den stillen morgen, bij dat eenzame dorp, verheffen zich

meer dan tweeduizend stemmen tot Jehovah, om Hem te kennen te geven,

dat zij slechts op Hem vertrouwen. Misschien is nog nooit weer dat vers

in Zuid-Afrika op die innige wijze en met dat gevoel gezongen als op

dien morgen van den 28sten December 1837.

Het gezang is geëindigd, en een oogenblik stilte volgt. Dan springt

Retief op zijn paard, en rijdt, gevolgd door Abraham en David,

insgelijks te paard naar de voorste wagens. Een aantal jonge Boeren

komen daar ook, en rijden tot op een kleinen afstand van de wagens, en

blijven daar stilstaan, geschaard twee aan twee.

Retief kijkt een oogenblik achter en om zich, om te zien of alles in

orde is. Dan zwaait hij zijn hoed en roept luid:

„Trek!” en zachtjes voegt hij er bij „en moge God onze Leider zijn.”

De ossen geven een ruk, de zware wagen kraakt in zijn assen en rolt dan

langzaam voort, en wagen op wagen volgen.

De tocht naar Natal is begonnen.

David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek · 第 7 / 20 题