Den volgenden morgen, bij het krieken van den dag, waren Lang Hans
Malan, en Johannes Joubert, Martjes oudste broeder, op weg naar
Sikonyella om Retiefs boodschap over te brengen. Willem, de getrouwe
van Retief, was bij hen als tolk.
Zes dagen later waren zij terug, en brachten de tijding, dat Sikonyella
zou komen. En werkelijk, op den 2den December zag men een groote troep
ruiters in een stofwolk gehuld, op het kamp te Winburg aanrijden, en
men zond dadelijk kennis aan Retief, die dan ook een uur daarna Winburg
inreed aan het hoofd van een veertigtal der zijnen.
Sikonyella was vergezeld van twee zijner „induna’s” en een dertigtal
volgelingen. Retief liet hem weten dat hij en zijne twee „induna’s”
binnen het kamp konden komen, maar de volgelingen buiten moesten
blijven. Ten einde echter den Kafferkapitein niet onnoodig
achterdochtig te maken, liet Retief een tafel en eenige stoelen
brengen, dicht bij het einde van het kamp, waar Sikonyella zijn
volgelingen kon zien. Deze waren van hunne paarden afgeklommen, die zij
toen kniehalterden, terwijl zij zelven in een klompje op hunne hurken
gingen zitten. Allen waren met schild, assegaai en strijdbijl gewapend.
Piet Retief nam plaats aan de tafel, tezamen met Piet Uys en Charel
Cilliers, terwijl de andere Emigranten zich achter hen schaarden. Ter
rechterzijde van de tafel, op een distantie van vijftig treden, stonden
een dertigtal jonge Boeren, met het roer in de hand.
Sikonyella en zijn twee „induna’s” naderden tot op een voet of twaalf
van de tafel, en zetten zich toen neder op een vel, dat voor hen op den
grond was geplaatst.
„Kapitein Sikonyella,” begon Retief, „ik heb u laten roepen en ik ben
blij dat gij aan mijn verzoek hebt gehoor gegeven.”
Willem, die weder als tolk ageerde, vertaalde dit.
„Wat wil de groote Kapitein der Boeren van mij hebben, dat hij mij
zoo’n langen weg laat rijden?” vroeg Sikonyella, die blijkbaar erg
gestoord was.
„Sikonyella, dit is een zeer ernstige zaak waarover ik u wil zien. Gij
weet, dat eenigen tijd geleden ik een verbond van vriendschap met u
gemaakt heb en nu vind ik uit, dat gij geen vriend der Boeren zijt.”
„Wat heb ik gedaan, dat de groote Kapitein zoo iets kan zeggen?” vroeg
Sikonyella op een zeer verbaasden toon.
„Gij hebt vee van Dingaan gestolen,” vervolgde Retief, „en om suspicie
op de Boeren te gooien hebt gij die beesten langs een onzer kampen
gedreven.”
„Ik heb geen vee van Dingaan gestolen,” zeide Sikonyella op brutale
wijze. „Hoe zal ik, een arme kapitein, het wagen om iets te nemen van
den grooten, machtigen Dingaan,” vervolgde hij op den meest
onschuldigen toon. „Ben ik dan de eenigste kapitein hier; zijn daar
niet Maroko, Tawane en Moshesh. Misschien heeft Moshesh dit gedaan; hij
is een machtig Kapitein, en is niet bang voor Dingaan. Ik weet van
Dingaans beesten niets af.”
Retief riep den heer Jan Meyer, om wien hij gezonden had, en deze
verhaalde het gebeurde met Sikonyella’s volk. Zijn verklaring werd
woord voor woord aan den Kaffer-kapitein door Willem vertaald.
„Wat zegt gij nu, Sikonyella?” vroeg Retief, toen de heer Meyer alles
verteld had, wat hij wist.
„Ik kan niet daarvoor, als ander volk zeggen, dat zij tot mijn stam
behooren. Hoe weet die baas, dat het Batlokua waren.”
„Sikonyella,” zeide Retief op scherpen toon, „dit helpt u niet om te
liegen. Het spoor van het vee is gevolgd tot bij uwen berg, en gij hebt
het vee van Dingaan. Dingaan heeft mij gelast, dat vee terug te
krijgen, en ik eisch het van u op.”
„Ik heb geen vee van Dingaan,” zeide Sikonyella op stoutmoedigen toon,
en hij stond op met zijn „induna’s.”
„Grijpt ze,” was het korte bevel van Retief en voor de drie Kaffers
wisten, wat er gebeurde, waren zij tegen den grond geworpen en met
riemen werden hunne handen op den rug gebonden.
Sikonyella stiet een Kafferkreet uit, en zijne volgelingen sprongen op.
Tot hunne verwondering vonden zij zich echter plotseling omringd door
de dertig jonge Boeren, die bedaard en stilletjes hen omsingeld hadden,
zonder dat zij het bemerkt hadden. Dertig geweer-monden waren op hen
gericht, en zij deinsden verschrokken terug, buiten staat hunnen
Kapitein te helpen. Retief had zijne plannen goed beraamd en
uitgevoerd.
„Bindt den Kapitein en de induna’s daar aan dien wagen vast,” beval
Retief, opstaande.
„Willem, zeg aan Sikonyella, dat ik hem prisonnier zal houden totdat
hij gewillig is Dingaans beesten af te leveren. En een spul van jullie
moet daar die Kaffers bewaken,” vervolgde hij tot eenige der omringende
Boeren. „Vijftien man is genoeg, maar jullie past op, dat er niet een
wegloopt. De eerste de beste die probeert te ontsnappen, schiet jullie
neer. Ik zal daarom die Kaffers wijzen, dat ons niet hullie speelgoed
is.”
De bevelen van den Kommandant-Generaal werden streng opgevolgd.
Sikonyella en de twee onderkapiteins werden stevig aan het achterwiel
van een wagen vastgebonden, zoodat zij zich niet roeren konden, en
David Malan ontving order om met een geladen geweer wacht over hen te
houden.
De overige Kaffers werden omringd door een vijftiental Boeren en, op
bevel van Retief, gaf Willem hun kennis, dat wanneer zij trachtten te
ontsnappen, zij zonder genade zouden doodgeschoten worden, en dat zij
hunne wapenen zoolang moesten afgeven. De verschrikte Batlokua
begrepen, dat zij in een val waren, en gehoorzaamden dan ook zonder
tegenstribbelen.
Voedsel werd hun verschaft, en toen zij zagen, dat men hen goed
behandelde, hielden zij zich zeer rustig.
Sikonyella zelf had geen aangename gedachten. Hij wist, dat hij thans
in de macht der Boeren was, en hij verzon te vergeefs naar middelen om
een uitweg uit zijnen moeilijken toestand te vinden. Het ging hem
geweldig legen de borst om Dingaans beesten af te geven, en aan den
anderen kant vreesde hij, dat de Boeren een commando naar zijn kraal
zouden zenden. Hij wist, dat in zijn afwezigheid zijn volk zou
vluchten, want Ma Ntatisi was reeds oud, en zou niet meer in staat zijn
om tegenstand te bieden.
Dan zou zijn volk weder moeten gaan rondzwerven, misschien zich
opsplitsen, en zou hij, Sikonyella, zijn opperhoofdschap verliezen, en
zelve weder een zwerveling worden, zoo hij niet een gevangene der
Boeren zou blijven. Hij raadpleegde zijn twee „induna’s” maar deze
waren niet in staat hem te helpen.
Men bracht de gevangenen vleesch en brood als voedsel, en hunne handen
werden zoodanig los gemaakt, dat zij in staat waren te eten. De
induna’s aten hun voedsel gretig, doch Sikonyella raakte niets aan,
maar bleef in gedachten verzonken.
Dien geheelen dag en den geheelen nacht bleven de gevangenen aldus, en
hoewel Willem, op bevel van Retief, gedurende dien tijd driemaal kwam
vragen, wat het antwoord van Sikonyella was, bleef deze in een
stijfhoofdig stilzwijgen volharden.
Den volgenden morgen vroeg, toen Willem weder aankwam, zeide
Sikonyella, dat hij den Grooten Kapitein der Boeren wilde zien.
Retief kwam hierop naar den wagen.
„Zeg aan den Grooten Kapitein, dat ik Dingaan zijn beesten zal gaan
halen en hen afleveren, als hij mij losmaakt,” zeide de slimme
Sikonyella.
Doch Retief liet zich niet zoo gemakkelijk verschalken. Hij wist, dat
als Sikonyella eens een vrij man was, hij noch hem, noch de beesten
ooit weer zou zien.
„Neen,” antwoordde hij. „Gij zult hier blijven totdat de beesten hier
zijn, en zoo ook de eene induna. De andere induna kan met de helft van
uw volgelingen gaan om de beesten te halen. Ik zal hun twaalf dagen
tijd geven, en als zij dan niet met de beesten hier zijn, kunnen zij er
zeker van zijn, dat ik u, Sikonyella, zal laten doodschieten voor uw
bedrog en verraderlijk gedrag.”
Het laatste dreigement, dat Retief zeker nooit uitgevoerd zou hebben,
en dat hij alleen er bijvoegde om de zaken te bespoedigen, deed
Sikonyella aschvaal worden, en hij haastte zich om te antwoorden dat
hij tevreden was met Retiefs voorstel.
De eene induna werd nu losgemaakt, en was binnen het half uur met
twintig der Batlokua vertrokken. Na hun vertrek gelastte Retief ook
Sikonyella en den anderen onderkapitein los te maken, doch hij liet hen
goed bewaken, en des nachts werden zij weder aan het wagenwiel
vastgemaakt, op zulke wijze, dat zij op den grond konden slapen onder
hunne karossen, maar er geen kans was om te ontsnappen, daar twee man
bovendien de wacht over hen hielden.
Op den tienden dag kwam de induna terug met een troepje Batlokua, en
leverde 683 beesten af, en daar Dingaan aan Retief gezegd had, dat het
700 beesten waren, nam Retief dit getal aan.
Sikonyella werd nu op vrije voeten gesteld. Voor zijn vertrek las
Retief hem echter duchtig de les en waarschuwde hem, om nooit weer met
verraad tegen de Boeren te gaan. „Maar,” zeide hij, „ten einde
Sikonyella te bewijzen, dat ik hem thans vergeven heb en weder zijn
vriend ben, geef ik hem dit paard als een geschenk.”
Een zeer goed paard werd toen aan den Kaffer-kapitein gegeven, die dan
ook verklaarde, dat hij een fout had gemaakt en zulks nooit weer zou
doen. Daarop reed Sikonyella naar huis, heel wat minder parmantig, als
hij gekomen was. Hij had een les gehad, die hij niet spoedig zou
vergeten, en inderdaad heeft hij zich nooit weer tegen de Boeren
verzet.
Mogen er sommigen mijner lezers zijn, die het Retief kwalijk nemen, dat
hij zoo hard met Sikonyella handelde, dan vraag ik hun doodeenvoudig om
de omstandigheden in aanmerking te nemen, en als zij alles bedaard
nagaan, dan zullen zij met mij de flinkheid en krijgslist van den
Kommandant-Generaal bewonderen, evenals de Emigranten het toenmaals
deden.