HOOFDSTUK XVII.

Tegen het voorjaar was Reri zeer stil geworden. Hij sprak weinig, zat

gehurkt voor ’t vuur in den gloed te staren en liep daarna opeens naar

buiten, langs de velden, die ver tot den horizont glooiend oploopend,

blauwzwart lagen onder den dijzigen luchtboog. Hij liep dan los op de

bonkerig gekniede beenen, met groote stappen, zijn klein hoofd op den

korten nek, naar den grond tot hij, bij de rivier in een eenboom

stappend, met krachtigen riem-wrong stroomafwaarts wrikte tot bij de

hut van Reginbirn, die twee dochters had, Swanhild en Walhild.

Hij klopte aan de deur en als een van de twee meisjes opendeed, vroeg

hij of Reginbirn binnen was. Dan kwam hij bij den boer voor het vuur

zitten en hij ging spreken over het land en den oogst en over de jacht

en over het Friese vee.

Na een poos ging hij weg en thuis zat hij weder voor het vuur. Hij

vroeg na eenigen tijd of Tjeerd ook niet eens mee wou gaan naar

Reginbirn, die wilde eenden wist te vangen, door een stuk veen te

branden, waardoor ze den jager niet in den reuk kregen en ze dan door

een klein hondje in een net te jagen.

Tjeerd ging mede en zat ook bij Reginbirn te spreken voor het vuur en

dan keken zij beiden, de twee kerels, naar Swanhild en Walhild, die in

’t halfduister zaten te weven.

Nu ook werd Tjeerd stil en Maaike begreep wel, dat als de twee bij het

vuur zaten te peinzen en dan opstonden en naar Reginbirn gingen, dat

het om de meiden was.

Sigbert vond het goed. Zij waren oud genoeg om den meiboom te planten.

Maar voor gezaaid was, zou hij toch zijn toestemming niet geven, want

hij wist wel hoe ’t ging als de liefde ze in den kop zat. Dan was alle

werk te veel en de beste kinderen werden opstandig tegen den eigen

vader.

„Vaêr,” zei Tjeerd, „wij moeten het di nou maar zeggen. Ik neem Walhild

en Reri neemt Swanhild.”

„Nou jong, vrijen is geen trouwen... en vóór den zaai komt er niks

van...”

Reri zei heelemaal niets en Tjeerd wou nog wel even wat terug zeggen,

maar hij zag de oogen van zijn vaêr en hield zich stil.

Nog een paar dagen liepen ze allen dag naar Reginbirn. Als ze nu

kwamen, stonden Swanhild en Walhild al aan de deur, twee breedheupige

maagden, met zware schouders, korte nekken, ronde gezichten met blauwe

oogen, groote neuzen, forsche kaken en vlassig haar, die zéér op elkaar

geleken, van gelijke grootte, half-weezen en bekend als goede

weefsters.

Achter de hut, waar de linden stonden, ging Reri met Swanhild en Tjeerd

met Walhild, ieder naar een andere zij zitten en terwijl de maagden

weefden, zaten ze te kijken naar het afloopen van de leemen ring om de

spoel en het trekken der draden uit het vlas.

Reri zei weinig. Zijn kleine oogen keken naar de knuistige handen, naar

de ronde armen, naar den dikken, korten, roomigen nek, naar het haar,

dat dezelfde kleur had als het vlas op ’t rokken en naar de schouders,

de borsten en de heupen. Swanhild deed alsof zij het niet merkte en

spon heel ijverig. Maar soms keek ze even op en dan kleurde ze meteen

en spon weer ijverig, want ze had wel gezien wat Reri in zijn oogen

had.

Tjeerd sprak veel met Walhild, die gaarne het rokken rusten liet en

naar hem opzag en hoorde naar zijn verhalen van de groote reis of van

de heilige jonkvrouw met de roode oogen en het witte haar. Soms ook

stond ze op en ging met Tjeerd wandelen. Zij liepen over den al zachten

grond langs de velden van Sigbert en Tjeerd vertelde, dat zijn vader na

den zaai zijn toestemming zou geven en het land toewijzen voor hem en

voor Reri. Tjeerd sloeg zijn arm om haar hals en de twee, zoo zachtjes

langs de velden loopend, keken beiden naar de einder en naar de zon,

wachtend op het voorjaar.

Reri hield er meer van bij Swanhild te zitten en haar te hooren zingen.

Zij kende veel weefliedjes, die ze zong op deuntjes, die pasten bij het

regelmatige trekken van de draden. Maar enkele liedjes, die zij wist

dat hij ’t allerliefste hoorde, zong zij niet tot hij haar er om vroeg

en zij eerst hem plaagde, zeggend dat zij ze vergeten had, tot hij haar

beetpakte om de schouders en haar kneep en zij hem met een stomp of een

klap van zich afsloeg. Want hij was erg onhandig en hij wist niet, dat

hij haar pijn deed. Maar als hij dan wat bedremmeld bleef zitten,

spijtig dat hij haar geknepen had, begon zij weer, heur vingers nat

makend, het vlas van ’t rokken te trekken en zong, met hooge stem de

liedjes, die hij ’t liefst hoorde, als:

Spoeletje mîn,

Spoeletje mîn,

Draai di fin,

Draai di fin,

Frikke vrouw, Frikke vrouw,

Die di rustend vinden zou,

Draaide di dan in het rond,

Slaapsters komen op den hond. [22]

of:

Draai, spoeltje draai,

Het lijnwaad wordt zoo fraai,

Spin een kleedje voor een bruid,

Die gaat in het voorjaar uit,

Meien op het huis,

Moeder is niet thuis,

Meien op den nok,

Vader heeft een stok,

Meien in de hand,

Vrijen is geen schand.

Fluk spoeletje fluk,

Het lijnwaad, dat wordt smuk.

Sigbert was nog een laatsten vroegen ochtend langs de akkers geloopen,

en toen, met een paar handevol graan naar een offersteen gegaan, die

grenssteen van zijn akkers, aan Nerthus gewijd was. Hij strooide het

graan op den steen en ook een paar korrels van ’t honiggraan er bij,

keek rondom of hij alleen was. Toen sprak hij, de handen beide zegenend

boven den steen houdend:

Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde,

Dat de geweldige, eeuwige Heerscher,

De akkers doe gedijen, vol en krachtig,

Gun veel halmen en veel korrels,

Laat de breede gerste wassen,

Laat de witte weite wassen,

En aller aarde wasdom.

Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde. [23]

Zoo bleef hij staan, wachtend tot de zon van achter de wolken opgerezen

was en zijn stralen over het graan en den steen wierp. Toen, de armen

naar de zon uitbreidend, zeide hij:

Oostwaarts sta ik, hulpe smeek ik

Ik bid tot den hoogen Heer, tot den grooten Heer,

Ik bid tot den heiligen Wachter van ’t hemelrijk,

Tot de aarde bid ik en tot den hemel daarboven,

En tot de waarachtige, heilige Freija,

Dat zij wasdom verwekken en doen gedijen.

En nu, zijn oogen afwendend van de zon, knielde hij ter aarde, omvatte

den offersteen met zijn beide armen en zei:

Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder,

Worde vruchtbaar in Wot’s omarming,

Vul di met vrucht, den menschen tot nut,

Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder.

Toen stond hij op en keek langs zijn landen, paarsblauw schemerend

onder de ijle, wegvliedende morgennevels. Ver, bij den hoogen lietweg,

zag hij twee paren loopen, blauwzwart tegen de wijde blankheid van den

luchtboog. Hij liep dwars over het land ze tegemoet, aan zijn hooge

gestalte Reri herkennend.

„Kinders,” zei hij, toen hij dichtbij ze was, „vandaag is het ploegdag

en morgen is het ploegdag, tot de akkers omgewoeld zijn. Wij zullen

samen ploegen maar ieder hoede daarna zijn eigen akker, ik den mijne,

Reri den zijne en Tjeerd den zijne.”

„Vaêr,” zei Swanhild, „de ossen zijn weg in ’t Batouwsche land en ’t

zal lang duren voor ’t land afgeploegd is. Laat mi den ploeg trekken

nevens Reri.”

„Ik wil trekken naast Tjeerd, vaêr!” zei Walhild.

In ’t oog van Sigbert glansde liefde. Hij bekeek de struische meiden,

zooals ze daar voor hem stonden, vast geplant met de groote, bloote

voeten op de aarde, breed en zwaar de heupen en forsch de vleezige

schouders.

„Du denkt wel, dubbel ploegt snèl?” schertste hij. „Mi is ’t goed

kinderen.... want het offer is gebracht en de spreuken zijn gesproken.”

Hij liep vooruit naar den leegen ossestal en haalde de jukken van de

haken.

„Twee ploegen?” vroeg hij, nog niet goed in zijn geluk kunnend

gelooven.

„Ja vaêr!” zei Reri. „Ieder met zijn meid.”

„Jong, ongelijk gaat niet. Een hond en een os vóórt niet.... Du en Reri

neemt den rechtschen ploeg en de twee meiden voor den averschen

ploeg.... dat vóórt.... Moêr moet den meidenploeg boomen....”

„Wat worden mijn akkers?” vroeg Tjeerd.

„Eerst ploegen!” zei Sigbert, wimperend met het rechteroog.

Hij haalde de ploegen uit den donkeren stalschuur en begon buiten het

ijzer met een vuursteen te scherpen.

„’t Sjirpt als een vogel!” zei hij, met knipperend oog opziende naar de

twee meiden, die den kleinsten ploeg zouden trekken en haar groote,

bloote voeten in houten klossen met leeren wreefbanden staken, om meer

kracht te kunnen zetten, trekkend in het zeel.

Maaike kwam met een pot warme vischsoep. Toen ze de twee meiden zag,

begreep ze al veel.

„Breng nog een pot soep wijf!” zei Sigbert. „Hier de meiden willen

meeploegen en du moet den boom houden.. ’t Zal nog wel gaan, wàt?”

„’t Zal zeker gaan,” zei Maaike. „Hebt di al geofferd?”

„Zou ’k anders hier staan? Dat ’s ook een vraag.”

Maaike ging een tweeden pot vischsoep halen. Sigbert dronk ’t eerst,

toen Reri. Maar Tjeerd, die aan de beurt kwam, zette den pot niet aan

zijn mond, maar gaf ze ’t eerst aan Walhild.

„Zie de!” zei Swanhild verwijtend tot Reri, „dat het du niet daan!”

„Had di dan honger?” vroeg Reri.

„Dat most di doen, zonder da ’k honger had.”

„Begrijp di daar wat van vaêr?” vroeg Reri.

„Ja jong, waive is mal volk,” zei Sigbert

Hij wimperoogde gestaâg, met een schalksch licht in zijn oogen, luimig

bij ’t begin van dat heerlijke werk, blij met den dubbelen ploeg en de

goede keus, die zijn beide jongens gedaan hadden.

Toen Maaike terug kwam met den tweeden pot vischsoep nam Reri den pot

en stak ze dadelijk Swanhild toe.

„’k Heb nou geen honger meer!” zei ze, den pot afwerend.

„Grendeldebliksem!” riep Reri, „nou zie ik vaêr, dat du een waar woord

zeê.”

„’k Zou maar drinken, maid!” zei Sigbert, goedig. „Du mot er op trekken

en de kluit zal onder vast zitten na den winter!”

Gehoorzaam dronk nu Swanhild, den pot aan den mond zettend. Toen zij

hem eindelijk van den mond nam, was er nog maar een kliekje in.

„Dat mag ’k zien!” zei Sigbert. „Vlugge vreetsters zijn vlugge

werksters. Dat ’s nog een woord van mijn grootvaêr.”

Tjeerd had den kleinen ploeg al aangezet in de aarde. Nu kwamen de twee

meiden naar hem toe en sloegen het zeel om de schouders. Maaike ging

achter den ploeg staan, den krommen boog van den boom, met de beide

handen naar elkaar gekeerd, omknellend om ’t ijzer in de voor te

leiden.

De groote ploeg werd door Sigbert daarnaast gesteld, maar met den

spanboom naar de tegengestelde zijde, zoodat ploegend, hij tot het

ontmoetingspunt van achter zijn ploeg, den andere kon zien naderen.

Reri en Tjeerd wierpen het zeel om de schouders. Zij stonden met de

gezichten naar het westen en de zon verguldde hun blonde achterkoppen

en Sigbert zag naar de breede ruggen der twee kerels. Reri stond aan

zijn rechtsche zij, waar het trekken ’t zwaarst viel.

Maar voor hij zijn handen aan den boom zette, liep hij naar de schuur

en diep van achter een dik zeil, dat er beschuttend overgelegen had,

haalde hij een stuk brood te voorschijn, dat daar sedert ’t vorige jaar

gelegen had. Het was hard, verdroogd, geleek een stuk steen. Hij wilde

het doorbreken, maar ’t was te hard. Daarom gaf hij ’t Reri. Die nam

het in zijn groote knuisten en de palmen tegen elkaar drukkend, deed

hij ’t stuk brood bersten.

„Had di dat bewaard?” vroeg Reri, met bewondering opziende naar dien

grooten vader, die in den strengsten hongersnood toch nog een stuk

wete-brood had bewaard.

„Zou ik niet?” vroeg Sigbert.

„Zoo’n vaêr als du bent, hebben d’r weinig!” meende Reri. „Ik zal ’m

vandaag een zetje geven, vaêr!” voegde hij er bij, zijn schouder

hoogrukkend in ’t zeel, om zijn vader door iets zijn liefdevolle

bewondering uit te drukken.

„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert luid.

Hij bukte zich en legde een stuk van het brood voor de ploegschaar.

„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de twee reuzen in koor,

krom de ruggen buigend, vast de voeten drukkend tegen den grond.

Sigbert greep den boom van den ploeg en hem wrikkend, ging de schaar

diep in den zwarten grond en dan over het brok brood, dat in drie

stukken werd verkruimeld.

Sigbert liet den boom los, beurde twee stukken op, gaf Tjeerd en Reri

elk een stuk. Ze staken het dadelijk in den mond, het achter de kiezen

duwend, zoodat hun wang bol stond.

Toen ging Sigbert naar Maaike en gaf haar het derde brok brood.

De vrouw boog zich en legde het een eindje voor de schaar van den

kleinen ploeg.

„Zal ik ’t brood boomen?” vroeg Sigbert.

„Loop kerel. Ik kan d’r nog best méé, hoor!” en tot de twee meiden, die

als twee dieren, geduldig in ’t zeel stonden te wachten, riep ze, den

ploegboom wrikkend:

„Vort!”

Swanhild en Walhild zetten aan, de handen om ’t zeel en de zware

voetklossen duwend in de aarde, trokken ze den ploeg voort. Maar Maaike

kon de voor niet houden en het ijzer gleed langs het brood zonder het

door te snijden.

„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert op, zijn vrouw bij de schouder ruw

wegrukkend van den ploeg. „Als de wijding verkold, is ’t dijn bedrijf

’weest,” verweet hij haar.

Hij rukte den ploeg terug, zoodat Walhild, plots de zeelband tegen de

borst krijgend, even gilde.

Toen, den boom wrikkend, riep hij:

„Vort!”

De meiden zetten weder aan.

„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert weer.

„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de drie vrouwen te samen

hem na, terwijl hij, met den boom handig sturend, het stuk weibrood in

de voor in vier stukken deed brokkelen. Eén stuk liet hij in de voor

liggen. Eén stuk gaf hij aan Swanhild, één aan Walhild. Het derde stuk

stuk nam hij zelf in den mond.

Maaike wreef de pols langs haar oogen en knippend tegen het zonlicht,

begon ze te weenen.

Maar zij vroeg niet om ’t brood, wèl wetend dat zij er geen recht op

had, nu zij ’t met de schaar had gemist. [24]

„Vort!” riep Sigbert, den boom van den grooten ploeg vattend.

Geduldig trokken de twee reuzen, westwaarts gaande tot den grenssteen.

De kleine ploeg, getrokken door de vrouwen en gevoerd door Maaike, ging

naar den grenssteen oostwaarts. Bij den grenssteen keerden de ploegen

om en nu zagen Reri en Tjeerd toeloopend op Swanhild en Walhild, de

meiden op ’t gebogen hoofd. De meiden ontwaarden nu de twee reuzen,

verguld door ’t licht van de morgenzon, met de hoofden vooruit. En

telkens keken ze op, om naar elkaar te schouwen en dan moest Sigbert

een „kalm an!” roepen en moeder Maaike een „zachter meiden... of ’k hou

de voor niet!”

En als ze dan zoo dicht bij elkaar waren, dat ze malkaar voorbij

moesten gaan, dan juichten de meiden op en de twee trekkende kerels

juichten ook.

„Gaat het?” vroeg Sigbert zijn vrouw, al weder gelukkig en welgeluimd

door den voorspoed.

„’t Sniedt lijk een kaas!” zei Maaike, vastklemmend den ploegboom om

mooi recht te vóren onder ’t oog van heur man en heer.

„Hier dan wijf!”

Hij spoog in zijn holle rechterhand een stuk van het wijbrood, dat hij

achter zijn kiezen had bewaard en reikte het haar toe. Zij nam het snel

aan en stopte het gulzig in den mond, zuigend op het kleffe

meelballetje. [25]

Toen trokken ze weer verder, van elkaar af. Maar Reri en Tjeerd blikten

zoo dikwerf om, dat Sigbert met een „Vort jongens!” moest waarschuwen

en de twee meiden trokken als ze den grenssteen naderden te snel voor

Maaike, die dan schuine voren sneed, want het verlangen om hun vrijers

te zien was haar te groot. Sigbert snoof den geur op van den

doorwoelden, donkeren grond. Hij scheelde langs de diepe, rechte

groeven en soms nam hij even een kluitje aarde op, wreef het fijn

tusschen wijsvinger en duim en riep tot zijn gebogen zonen voor zich:

„’t Is vet ’lijk room van ’t jaar,” of „’t is zeven vaarzen offers

waard!” en andere uitroepen van bewondering. Ook zag hij aan velerlei

teekenen van de krinkeling der wormen en de soort en aan enkele vogels,

die opvlogen, dat het een vroegen en warmen zomer zou worden.

Tot den noen trokken de twee ploegen in de stille eenzaamheid der

onbewoonde velden, tegenloops en afloops, elkaar strijkend voorbij. De

vrouwen, zwaar bezweet, rood van de inspanning, hangend met de borsten

op het zeel waren doodaf, konden niet meer voort en de voren van Maaike

waren dikwijls bochtig. Maar zij hielden vol, wilden niet opgeven en

Sigbert ze zoo ziende trekken, wimperoogde ze toe en in ’t voorbijgaan

zeide hij hun bemoedigende woorden of schertste, dat ze tegen de kerels

optrokken en dat hij ze niet voor de beste ossen ruilde.

Ze waren dan trotsch en trokken met nog meer kracht om te toonen, wat

ze als vrouwen waard waren en Maaike, angstig onder ’t oog van heur

man, klemde den boom vast, hoewel zij voelde, dat zij rusten moest of

neervallen.

Maar nu was het noen en de ploegen, bij het kruispunt werden

stilgehouden en ze liepen allen over het land naar de hut om te gaan

eten en slapen.

Boven het vuur hing in den grooten pot een brei van hazevleesch met

kruiden en winterwortels te pruttelen.

Maaike droeg den pot naar buiten, want ze waren allen te warm om binnen

te zitten en hurkend rondom den pot begonnen ze met houten lepels te

eten.

Ze spraken weinig, moe van den arbeid en na den eten gingen ze in de

hut en legden zich te slapen op pelzen.

Sigbert was ’t eerst weer wakker en wekte de jongens en de meiden. Toen

trokken ze weer naar de ploegen en begonnen opnieuw het werk. Doch de

meiden konden niet meer zoo snel voort en Maaike hield zich moeielijk

op en het kruispunt des ploegen werd telkens dichter verlegd naar den

grenssteen, totdat de meiden een heele voor achter waren en tegelijk

omkeerden met hun vrijers. Doch ze konden hen niet bijhouden en raakten

ten laatste geheel uitgeput.

„Gaat naar huûs kinderen!” zei Sigbert. „Voor meiden hebt di dijn taak

gedaan!...”

Hij keek ze nogmaals aan, knikkend goedkeurend, ziende haar bezweette

roode gezichten en haar vochtige blauwe jakken.

„’t Was bestig hoor. En als ’t trouwdag is, zult di beiden een

bruidsnoer van barnsteen hebben.”

De meiden gingen voor de hut zitten en keken naar het ploegen der

vrijers. Die bleven trekken, met de geduldige koppigheid van

lastdieren, gebogen hangend in de zélen terwijl de vader, hoog en

stoer, wrikkend den ploegboom, onvermoeid bleef loopen, zijn luim niet

verliezend, met de oogen op de breede ruggen en vierkante schouders van

zijn twee zonen.

En als zij wat langzamer trokken, moedigde hij ze aan.

„Vórt Reri... laat di niet door de meiden uitlachen. Je grootvaêr heb

ik eens zien ploegen twee weken lang.. alléén met mijn grootmoêr, zeven

wenden op een dag.... Die was van jou slag, Reri.... as ’t gemeten zou

worden een handbreed hooger....”

En zij, krachtig de voetklossen zettend in de aarde, voelend de

bewonderende oogen van hun vrijsters in den rug of ze ziende in ’t

gelaat, trokken den ploeg tot de zon al onder was en een paarsig

duister de akkers besloeg.

Toen stond ook hun ploeg stil naast dien van de vrouwen en zij liepen

moe en zwaar terug naar de hut, waar nu de meiden zaten in het

goudrossige licht van ’t knapperende houtvuur, wachtend met den

avondkost.

En den volgenden dag trokken ze weder de ploegen, de kerels en de

meiden, en den volgenden dag, en den volgenden dag tot de week om was.

Thonarsdag werd gerust. Sigbert sliep den heelen dag door bij de zakken

graan. De jongens en de meiden gingen langs de geploegde landen

wandelen, hand in hand, Tjeerd met Walhild en Reri met Swanhild en bij

de boschjes keken zij naar de boomen, waarvan er enkele vroege, die op

de zonzijde stonden, al gingen ontknoppen. Reri vertelde ook van de

twee goudstukken, die hij had gekregen van Maresag en hij overlegde met

Swanhild wat zij er voor ruilen zouden, Friesche koeien, zwijnen van de

Skalde-eilanden, Friesche sandalen voor Swanhild en een bronzen

oorijzer.

Tjeerd vertelde van de groote reis, van de heldendaden van Reri en van

zijn broers kracht. Maar Walhild zei dat ze Reri toch nooit tot man zou

willen, al zou hij ook aanvoerder van een saks worden. En dat Tjeerd

toch ook sterk was en dat hij toch tegen zijn grooten broer had

òp-geploegd.

Toen keek Tjeerd Walhild dankbaar en liefdevol aan en hij pakte haar in

den nek en drukte haar hoofd tegen zijn borst en kuste haar in den hals

en op de wangen. Zij begonnen samen te spreken over de akkers; welke

vader Tjeerd zou toewijzen en welke Reri. Walhild zei, dat Sigbert

beiden met de bijl moest doen werpen.

Maar Tjeerd wilde liever dat met de kootjes zouden worden gerold, want

als Reri de bijl zou werpen, ging zij over zoovele akkers heen.

Met de nieuwe week begon het zaaien en eggen. Sigbert had het graan

afgedeeld en bestemd wat weite-akker en wat gerste-akker en wat

spelt-akker en wat rogge-akker zou worden. Maar voor het honig-graan

had hij nog geen akker gekozen en hij wist niet welken grond hij er

voor kiezen zou om ’t beste beschot te krijgen.

Daarom nam hij een handvol honing-graan en wierp het omhoog in de

lucht. De wind woei het oostwaarts. Toen besloot hij den kleinen,

glooienden akker, die tegen het oosten lag, te kiezen.

En nu, met een schort vol zaad, liep hij langs de blauwzwarte gronden;

zijn hand gruiste zacht in ’t rulle zaad en dan, met gelijke

arm-zwaaien naar rechts en links, strooide hij de korrels met de zware

rechterhand uit, bij elken zwaai mompelend: „Voor Wot, voor Nerth, voor

Wot, voor Nerth,” en dan weer na een poos „voor Thor, voor Frigg, voor

Thor, voor Frigg.”

Reri en Tjeerd, de eg trekkend, liepen achter hem aan en zagen hun

vader voor zich uitgaan, zijn groot, recht lijf in gelijkmatige

deining.

Drie dagen duurde het zaaien en het eggen. Toen, tegen den nanoen, als

alle akkers geploegd, gezaaid en geëgd waren, riep Sigbert zijn twee

zonen en de twee meiden tot zich en gebood hun, hem en Maaike te

volgen.

Zij gingen naar den stroom en aan den oever ontkleedden zij zich allen.

Toen daalden ze naakt af in het koude water en namen met elkaar een

bad.

Maaike had aan den oever voor allen de nieuwe kleederen uitgebreid.

Voor de twee vrijsters elk een wit onderkleed en een fijngeweven

lichtblauw wollen opperkleed. Voor de twee zonen lange witte

onderkleeren en zwaargeweven, bruinwollen bovenkleeren. Sigbert sloeg

de groote, zware pij om met de witte puntmuts op den rug hangend, die

hij als saksvoerder en dingrechter mocht dragen. Zij zelve trok een

nieuwen donkergrijzen huifmantel aan over een wit wollen onderkleed. De

oude kleeren van allen werden tot een bundel gebonden en toen naar den

grooten offersteen gebracht.

Daar draaide Sigbert vuur en stak eerst een kleine mutsaard aan voor

den offersteen. Daarop legde elk zijn bundel oude kleeren en toen de

kleeren brandden, een dichte, zwarte rook opsteeg, hief Sigbert de

handen hoog en ving met een zware stem den lofzang aan, waarop de twee

zonen invielen en daarna de moeder en de twee nieuwe dochters:

„Wotan, groote Heer almachtig,

Donar, met den donder krachtig,

Tivaz, aller helden vaêr,

De drie goden bij elkaâr.

Heilige Drieëenigheid,

Heilige Drievuldigheid.

Houdt ons van de zorg bevrijd,

Al de donk’re akkerwenden

Dragen kind’ren in de lenden,

Heil, de groote hemelheeren,

Dat zij weren, weren, weren!...”

„Were Wotan!” riep Sigbert na den zang.

„Were Donar!” riep Reri.

„Were Tivaz!” riep Tjeerd.

„Wére, wére, wére!” riepen de vrouwen in koor.

En allen zich bukkend, kusten zij Nerthus, de aarde-moeder.

Toen nam Sigbert de kootjes en wierp ze op den offersteen, eerst voor

Reri en Swanhild. Die hadden zes oogen. Toen voor Tjeerd en Walhild.

Die hadden vier oogen.

„Zes wenden akker voor Reri, vier voor Tjeerd!” zei Sigbert.

En in hun nieuwe kleederen, verfrischt door het bad, zachtjes gewarmd

door de stralen van de nanoenzon van ’t beginnende voorjaar, liepen zij

allen paarsgewijs, hand in hand, langs den lietweg waar goudbruin in de

zon, de hut lag van Reginbirn, den vader der twee maagden, zingend een

lustig landliedje, de gevatte handen los slingerend aan de armen en

voor zich den hoogen halboog van den goud-bewolkten hemel....

„Zije aan zije,

Al in de Meie,

Paar aan paar,

Al naast elkaar,

Nieuwe Heeren,

Nieuwe kleeren

Komt de nieuwe zonnegloed,

Leef di in de Batouw goed.”

Germania(#73888) · 第 40 / 44 题