Pimm schreeuwde het eerste deel van den ondertitel uit:
„Of de waarachtige, heldhaftige daden van den hoogverheven,
doorluchtigen, onversaagden, rechtvaardigen en zedigen koning Mise,
beheerscher van Veloog....”
En Pinn besloot:
„Hoe dezelve, na in armoede en nederigheid te zijn uitgetrokken naar
het verre land van Renigo, in gezelschap van den overmoedigen en
weelderigen koning Gise van Bedekoog, om velerlei avontuur en
gestadigen kamp, door den edelen hoogepriester Maresag wordt geschat om
zijn kennis en wijsheid, door de heilige maagd in liefde wordt
ontvangen en na haar gunst deelachtig te zijn geworden, met schatten
beladen huiswaarts keert, alwaar het wonder van de uitdieping der
fioord, tot loon van ’s konings deugdzaamheid, eerlijkheid,
rechtvaardigheid en godvruchtigheid, door Harimona’s toovermacht heeft
plaats gehad.”
Een luid gejuich ging op uit de rijen der gasten. Koning Mise groette
met zijn pronkzwaard dankend en wenkte dat men zwijgen zou, daar er nog
meer kwam.
„Terwijl,” sprak Pimm,—de zin van Pinn weder voortzettend, „de
overmoedige en grootsprekende koning Gise van Bedekoog, na door koning
Mise uit velerlei gevaar te zijn gered, te Renigo aankomend, zoodanig
het misnoegen van den hoogepriester Maresag en de heilige jonkvrouw
Harimona verwekt, dat hij door de wacht wordt uitgedreven, op een
ellendige ezelkar, gelijk een bedelaar en verachtenswaardige schooier,
naar zijn rijk terugkeert, alwaar hij, door de toovermacht der
hoogheerlijke vroede en alwijze jonkvrouw Harimona, zetelend in de
heilige haag van Renigo, de fioord verzand vindt en ervarende, welke
rampen hij, door zijn zedeloosheid, lafheid en eerloosheid over zijn
volk heeft gebracht, zichzelf ellendiglijk den dood geeft. Slot!”
Een gejoel en gesis van verachting steeg op. De drie sproke-sprekers in
de zwarte pijen, gingen nog dichter bij elkaar staan, zoodat hun kappen
elkaars gezichten verborgen en niemand zag, dat de grijnzen om hun
monden nog verbetener werden en hun holle oogen vochtig.
Nu breidde Pill de armen uit en met luider stem zeide hij op:
Ez wuohs in Velagó ein armer Künic her;
Geheizen was er Miseman sin vater der hiez Gêr,
Sîn muoter diu hiez Wote und was ein Küniginne,
Durch ir hôhe tugende sô gezam dem arme wol ir minne.
En ook was er in Bedekoog, een koning van veel zwier,
Geheeten was hij Giseman, zijn vader heette Tsier,
Zijn moeder was een weduwvrouw, al na heur man zijn dood,
En van een halve wees werd Gies, een rijke Koning groot.
De koning Miseman hoe droef, bezat noch geld noch goed,
Zijn schat bestond slechts uit zijn zwaard, en uit zijn heldenmoed.
Maar ’laas de wereld schat dat niet, en dies was hij veracht,
Doch daarom boog hij niet het hoofd, noch uitte ooit een klacht.
De koning Giseman hoe slecht, bespotte vaak zijn buur,
En toonde al zijn schatten graag, al in een groote schuur,
De wereld bracht hem toen veel eer, verhief hem hemelhoog,
Aanschouwt des werelds spiegelbeeld, in Vel—en Bedekoog.
Maar zij het menschdom dan ook veil, niet zoo het vroom geloof,
Dat stelt des menschen eigen aard, ver boven goud en roof,
In ’t groote land van Renigo, daar leefde eene maagd,
Met Maresag, dien eed’len man, een priester hoogbedaagd.
Die maagd verwekte wond’ren veel, en had een schoone ziel,
Zij achtte niet op goud of goed, maar op wie haar beviel,
En wie het meest haar gunst verwierf, die koos zij zich wel uit,
Tot bruidegom en echtgenoot, die zoete, lieve bruid.
De haven nu van Velago, die was heel dik verzand,
En daardoor heerschte arremoed, in der Velagers land,
Maar Bedekoog had een fioord, die was diep als de zee,
Deswege werd het volk er rijk, door skigge op de ree.
De Giseman dacht op een keer, ik zoek een mooie vrouw,
Wat let mij en ik ga op reis, naar ’t wijf in Renigou,
Met pronk en staat, met schat en gift, en door mijn hoogen stand,
Kost ’t zeker luttel moeite mij, zij schenkt mij graag heur hand.
De Miseman, die peinsde ook, en dacht al aan die vrouw,
Hij meende en met ’t meeste recht, Dat zij hem passen zou,
Gelijk een need’rig held betaamt, trok hij toen naar de meid,
Met geene and’re schatten dan, zijn onverschrokkenheid.
De Giseman, die lachte luid, toen hij held Mise zag,
En hoonde toen den dapp’ren man, met zijnen pratsten lach,
Beroemde zich al van te voor, op zijne zegepraal,
De menschen gaven hem gelijk, Want Miseman was kaal.
De Miseman die zweeg maar stil, zijn vingers om de greep,
Hoe dieper smaad hem wedervoer, hoe vaster ’t zwaard hij neep.
Zoo trok hij eenzaam met zijn moed, al naar de heil’ge haag,
Langs woud en weg, langs dorp en huis, men zag hem nergens graag.
De Giseman al met zijn stoet, die maakte veel radau,
Hij zwoer bij al wat heilig is, hem hoorde reeds de vrouw,
En daar hij zooveel schatten had, zei overal ’t gemeen,
Dat koning Gise trouwen zou, de heil’ge Haromeen.
Ze kwamen in een duister woud, daar zat een groot gedrocht,
Toen liepen Gises lieden hard, en scholen in een krocht.
De koning kroop het diepste weg, in d’allerversten hoek,
En aller monden waren leeg, maar vol was aller broek.
Held Mise die den draak ook zag, trok dapperlijk van leer,
En na een kort maar woest gevecht, bestond de draak niet meer.
Toen stak de held zijn zwaard weer op, en sprak met kalm geluid,
Een heldendaad is ook een schat, en hoopte op de bruid.
De Giseliden kwamen nu, weer bevend voor den dag,
En keken bijster ernstig naar, de plaats, waar ’t ondier lag,
De Giseman stak met zijn zwaard, toen in het drakenlijk,
De menschen riepen „Heldenzoon!” want Giseman was rijk.
Zij kwamen aan een diepen vliet, daar stond een watergeest,
De Giselieden vloden snel, voor ’t hachje zeer bevreesd.
Zij klommen in een hoogen boom, en keken naar beneên,
En dreigden wel met menig woord, maar vechten deed er geen.
De Miseman, die zag den geest, en trok meteen zijn zwaard,
Gelijk de dapp’re Sigefried sloeg hij den geest ter aard.
De Giseliden kwamen nu, al van hun hoogen tak,
En met zijn zwaard de Giseman, den dooden geest doorstak.
Zoo dan na menig avontuur, kwam men in Renigo,
Held Mise met zijn bloed’rig zwaard, en Gise evenzoo,
Van vele zijden liep men toen, al naar den Giseman,
En toen men al diens schatten zag, sprak men daar wond’ren van.
Hoe anders ging het Mise laas, die ’t pralen niet verstond,
En wel een zwaard had, glad en rad, maar ach, geen radden mond,
Men keek niet naar dien stillen heer en geen gaf hem een kans,
Op de zoo schoone Haromien, want hij was zonder glans.
Doch in het Renigosche kamp, daar waren helden groot,
Die trokken gaarne op het zwaard, en streden op den dood.
De Giselieden hielden zich, als muizen in een hoek,
En koning Gise zelf die was, in al die tijden zoek.
Maar Mise als een ware held, die stond er wel zijn man,
Hij hakte heel het heldenheer, alleenig in de pan.
Gelijk de helden uit de saag’, die kennen vrees noch pijn,
En die door and’re helden steeds, onoverwinbaar zijn.
Zoo streed held Mise onvervaard, en bleef zelf ongedeerd,
Tot er geen held meer overbleef, hij was zijn dichters weerd.
Nu trad hij voor de heil’ge vrouw, en bad heur om heur min,
Toen sprak de schoone priesteres: Du zijt zeer naar mijn zin.
Maar Gise, die geen held meer zag, trad nu ook voor heur troon,
En bood haar schatten en zijn land en sprak van Mise hoon.
De opperpriester hield nu raad, en gaf als zijn besluit,
Dat Gies met Mies op ’t korte zwaard, zou vechten om de bruid.
Toen Giseman dat woord vernam, verschrikte hij zoozeer,
Dat haastig op de vlucht hij sloeg, men zag hem nimmer weer.
Want in zijn land teruggekeerd, was de fioord verzand,
En Gise bang voor arremoed, sloeg aan zichzelf de hand.
Maar Mise, als een waardig held, kreeg toen van Haromien,
Veel kussen op zijn schoonen mond, en schatten bovendien,
Hij voer terug met pronk en praal, en komend in zijn rijk,
Vond hij zijn haven uitgediept, bevrijd van zand en slijk.
Heil, koning Mise, dapp’re man, het volk, dat bidt di aan,
En tot het verre nageslacht, zal ’t konden dijne daân,
In sagen zal dijn stout bestaan, di hooger heffen tot,
Men Mises naam vereeren zal, gelijk die van een god!
Doodstil was het in de groote hal geweest, toen Pill de heldensproke
met krachtige stem uitsprak. De gasten keken beurtelings naar den
sprokespreker en naar hun heldhaftigen koning, die waardig, zooals dat
een rijken vorst past, met krachtige stooten van zijn fraai
pronkzwaard, toonde hoe hij den draak, den watergeest, de helden en ten
laatste den lafhartigen koning Gise had verdeemoedigd en aldus de
waarheid als het ware nog meer waarschijnlijk maakte.
Hall, Hamm en Hann echter, dicht de gelaten bij elkaar, vormend een
driehoek, sloten de ooren, want de drie gidsen gruwden van deze
sproke-kunst.
Thans begonnen zij te jouwen, riepen dat het heele heldendicht een
opeenstapeling van leugens was en protesteerden in naam van de
realistische kunst.
Doch het gejuich en het geroep van „Were Wotan!” „Were Mise!” „Nere
Gise!” overstemden de protesten en een uur lang duurde dat donderend
gejuich, gedurende ’t welk Pill dankbaar boog, Pimm de stafrijmen
lovend opsomde en Pill de maat roemde, terwijl koning Mise met zéér
veel waardigheid, niet moede werd met zijn zwaard nogmaals en nogmaals
in de lucht de stooten te toonen, die hij op de gevaarlijke reis niet
in de lucht had toegebracht.
Eerst toen het feestgebraad werd opgedragen en elken gast een heel,
gebraden speenvarken werd voorgediend, verzwakten de stemmen maar zelfs
tusschen twee kluiven door, riepen de geestdriftige onderdanen nog Were
Wotans! en Were Mises! of Nere Gises!
Nu stapte koning Mise waardig van de treden van zijn troon en de
eereplaats aan de feesttafel innemend en zich plaatsend voor een iever,
in zijn geheel aan ’t spit gedragen, riep hij Pill, Pimm en Pinn tot
zich, roemde hun waarheidsliefde, trouw en kunstvaardigheid en zeide
hun het loon te zullen schenken voor zooveel koningsgezindheid.
Hij hief zijn gruwbaar en gevreesd zwaard op, maar ditmaal voor een
werk des vredes. Want hij hakte den iever in vier deelen. Pill kreeg de
ooren, Pimm de staart, Pinn de snuit. De koning vergenoegde zich met de
rest van den iever, zeggende: „Ziedaar, de dankbaarheid der koningen!”
Weer ging een trillend gejuich op, na deze daad van grootmoedigheid en
men zag zelfs gasten, die reeds met de kluif voor de lippen, deze een
oogenblik terug hielden, om een „Were Mise!” te roepen.
De drie koks van wijlen koning Gise echter sloegen hun kappen wat terug
en grijnsden.
Koning Mise dit ziende, riep het drietal tot zich en sprak:
„En waar blijft de sproke op Gise!”
„Heer,” antwoordde Hall, „hoe zouden wij heldensagen op onze koning
kunnen spreken, nu hij er niet meer is om ons te beloonen?”
„Heer,” antwoordde Hamm, „de grootmoedigheid des konings is de zalf der
sprokesprekerij.”
„Heer,” antwoordde Hann, „Geen heer, geen smeer.”
„Ondankbare!” vloekte koning Mise, „zult di dijn heer geen grafsprook
naspreken! Op den bida, zeg ik di!...”
De drie koks liepen naar de verhevenheid, waar Pill, Pimm en Pinn
zooeven onsterfelijke triomfen hadden beleefd en stelden zich daar op,
gereed om te spreken, Hall vooraan in ’t midden, Hamm en Hann terzijde.
De urn met de asch van den koning van Bedekoog werd voor Hall
nedergezet en de kok bedacht zich even.
Toen keek hij koning Mise aan, met in zijn holle, zwarte oogen een
vreemden glans en hij zeide, wijzend met den vinger op de urn, maar met
zijn oogen duidend op koning Mise:
Dit is eens konings honk,
Hij at, dronk en stonk.