HOOFDSTUK XVIII.

Den heelen winter bleven de twee partijen in Nervigo gewapend tegenover

elkaar staan, zonder dat het tot een groot treffen kwam.

Sogol woonde op het groote Schedelhuis te Beldûn en in een zijvleugel

van dat versterkte slot huisde Harimona.

Het Ding der edelen was bijeengekomen en Sogol was tot eersten hertog

gekozen. Na den beslissenden slag zou het Ding opnieuw vergaderen en

als de overwinning aan de zijde der edelen was, Sogol tot koning

uitroepen. Het huldigings-feest zou tegelijkertijd de bruiloft van

Sogol en Harimona worden.

De strenge winter maakte het onmogelijk om veel te veranderen in ’t

staatsbestuur. De edelen en de edelvrouwen zaten thuis in de groote,

houten huizen, versierd met paardeschedels, die het ongeluk afweerden

en warmden zich voor de groote houtvuren. Sprokesprekers trokken rond

en zegden vergezeld van knapen of maagden, die vaardig waren in ’t

begeleiden van de recitatie met horen en liermuziek, sproken en

heldendichten op en sagen. De mannen hoorden het liefst naar de

verhalen der krijgslieden, den strijd van Berenwelp met Grendel, de

wraak van Grendels moeder, het gruwelijke poelwijf, den strijd van

Berenwelp en Wigleif tegen den rotsdraak. Maar de maagden en vrouwen

luisterden liever naar de liefdesgeschiedenis van Waldiwa, de vreemde

maagd en prins Rutger of naar de smartelijke liederen die Hildburg

zong, toen haar broeder en haar zonen gevallen waren. [26]

Sogol liet ook dikwerf sagen-zeggers komen, maar hij hoorde norsch toe

en vond geen vermaak noch in de strijden der helden noch in de

liefdesgeschiedenissen of rouw-zangen. Hij vroeg de sagensprekers of

zij de helden gekend hadden en of zij wel eens een draak hadden gezien

en als zij ontkenden maar voortgingen met het opzeggen, zat hij somber

toe te hooren.

Er was een sproke-spreker te Beldun aangekomen, een magere, roodharige

man, die zonder begeleiding was en een lier had van twee stierhorens

gemaakt, waartusschen zeven snaren gespannen waren. Hij was in lompen

gekleed en zag er verhongerd uit. Daarom werd hij van alle deuren

teruggewezen en hij viel tegen den laten middag uitgeput neer voor het

venster van Harimona’s vertrek. Zij hoorde buiten steunen en toen zij

het gespannen kalfsvel, dat het venster afsloot, afnam en riep, wie

daar klaagde, antwoordde de man slechts met een zucht. Zij keek nu uit

het venster en den armen man ziende liggen in de koude, noodde zij hem

uit, binnen te komen, zich te verwarmen en wat te eten. De man keek

dankbaar op en hoewel hij zeer uitgeput was, sleepte hij zich naar de

deur en Harimona, den grendel wegschuivend, liet hem binnen. Zij bood

hem een ligplaats bij ’t houtvuur aan en gaf hem een nap met warme

bouillon van paardevleesch.

Toen hij zich wat hersteld had, vroeg zij hoe hij in dezen ellendigen

staat was geraakt. Hij antwoordde, dat hij een Skandiër van geboorte

was, maar als schandekind overal veracht was geweest. Toen had hij

zichzelf een lier vervaardigd en was zingende en sproke-sprekend naar

de Nervigo getrokken omdat de mare ging, dat in Nervigo elkeen geacht

werd om zichzelf en niet om zijn afkomst. Maar nu hij na veel

ontberingen eindelijk in de Nervigo was aangekomen had hij vernomen,

dat er strijd te wachten stond tusschen de edelen en de vrijgelatenen

en niemand had zijn sproken willen hooren omdat hij geen schoone

kleederen had en geen fraaien lier en geen geleide, dat de liederen kon

zingen.

Harimona diende den man nog een nap met paardevleesch toe en zette een

kan mede voor hem neer, hem gebiedend te wachten en zich voor te

bereiden. Want hij zou voor Sogol mogen spreken.

Zoodra de zanger alleen was, liet hij eten en drinken staan, maar wierp

zich op een overkleed van Harimona, dat over een stoel lag, ’t welk hij

met kussen overdekte. Ook een paar van hare sandalen, die bij ’t vuur

stonden, nam hij op en drukte ze aan zijn borst en kuste ze.

Maar Sogol wilde den man niet hooren. Hij had genoeg van de

sproke-sprekers. Ellendige leugenaars waren het. Leugens waren de

verhalen van de gevechten der helden en leugens de verhalen van de

draken. Het waren laffe kruipers, die men onder den voet moest

vermorzelen. Want wie hun geschenken gaf, bezorgen zij zoodra als held,

al ware hij ook laf als een haas.

„Maar zij spreken toch ook schoone sproken van ware helden!” meende

Harimona.

„Dat zijn geen helden.... de heldenmoed bestaat niet in ’t trekken op

’t zwaard en ’t sterven in den kamp. Want al die helden waren verzekerd

van het eeuwige geluk in Walhalla, wanneer zij stierven. Strijden met

den twijfel in de borst, strijden zonder uitzicht, dat is moed. En

strijden tegen de duisternis van ’t eigen gemoed, dat is heldhaftig.

Vraag dijn sprokespreker of hij een sproke kent van den strijd van een

held tegen de zwartheid van ’t menschelijk lot. Van een held, die den

draak van onze verblinding kan verslaan....”

Hij sloeg zich toornig met de vuist tegen het hoofd.

„Dan moest hij di bezingen, mijn geliefde!” zeide Harimona zacht.

Zij ging terug naar heur vertrek en zich tot den mageren Scandiër

wendend, zeide zij:

„Mijn heer wil di hooren op één voorwaarde.... dat du geen kampen

tusschen helden sterk dan lichaam bezingt maar kampen van helden, sterk

van geest.”

„Vrouwe,” zei de sproke-spreker, „ik ken de sproke van den geketenden

held Sinterfietzilo. Maar het is een gevaarlijke sproke, want wie haar

zegt wordt door de priesters gebannen.”

„Komt mede, Scandiër. Mijn heer zal di vrijdom geven.”

Hij volgde heur naar de groote, halfduistere hal. Sogol zat op een

lagen zetel voor ’t houtvuur en roode schijnsels schemerden om hem

heen.

„Mijn Heer,” zeide Harimona, „hier is de Scandische sproke-spreker.”

Sogol keerde zich half om.

„Kom dichterbij, dat ik dijn gezicht zie.”

De magere, roodharige man trad tot bij ’t vuur.

„Zijn dijn haren zoo ros of is het ’t schijnsel van ’t vuur, dat ze zoo

kleurt?” vroeg hij.

„Heer, het is de kleur van mijn hoofdhaar.”

„Hoe, een Scandiër met rood haar?” vroeg Sogol verwonderd.

„Ja heer.... mijn moeder was een Scandische....”

„En dijn vader?....”

„Heer, ik heb geen vader.”

„Du hebt geen vader.... en wie was dan dijn moeders vrijer?”

„Heer, mijn moeder voer mede op een skig. En in een vreemd land werd

zij geroofd en die van daar verkrachtten haar. Na jaren kwam een andere

skig en zij vluchtte met mi naar de skig en werd weder na lange reizen,

teruggevoerd naar ’t Scandische rijk.”

„Bent di in ’t vreemde land geweest?” vroeg Sogol, vol belangstelling.

„Ja heer, maar ik was nog slechts een knaap.”

„Wat hebt di daar gezien?”

„Heer, wat ik weet is de herinnering van het kind. Er waren groote

witte huizen en tempels. Er stonden beelden van goden en godinnen van

witten steen, den menschen gelijk maar met edeler trekken. Meer weet ik

niet, Heer.”

„Weet dijn moeder meer?”

„Zij is dood, Heer.”

„Vertelde zij di nooit wat van ’t vreemde land?”

„Niet veel heer.... maar één sproke ken ik. Doch daar ik den naam niet

behouden heb van den held, wil ik hem Sinterfietzilo noemen, omdat hij

ook aan een rots geketend was.”

„Spreek dijn sproke, man!” zeide Sogol ernstig. „En zoo du mij

vermaakt, zal ik di kleederen en stand schenken.”

Harimona vleide zich neer op een berehuid naast Sogol’s stoel, heur

hoofd leunend tegen zijn knie.

De sprokespreker knielde voor beiden, stemde zijn lier, tinkelde er

even op en begon:

„Er was in ’t verre vreemde land een man, die op een nacht droomde, dat

hij gestorven was. Het was alles duister om hem heen en hij hoorde een

gestadig ruischen als van een verre zee. Hij meende, dat dit de kar van

den oppergod was, die naderde, maar hij bleef in ’t duister liggen en

hoorde het ruischen doch de kar kwam niet naderbij. Toen wilde hij

roepen om te zeggen, dat hij daar dood lag, wachtend op de komst van

den oppergod. Doch de oppergod kwam niet en toen ontwaakte hij.

„Sedert begon hij te peinzen over het leven na den dood en hij ging

naar alle tempels om met de priesters te spreken. Doch de verhalen van

de priesters gaven hem geen vrede en steeds werd hij gepijnigd door de

gedachte, dat de dood het einde van het leven was en er daarna geen

leven meer bestond, maar dat de ziel zich oploschte in het ruischen van

de wereldzee.

„Dat vertelde hij ook aan de andere menschen en toen hij eens, bij een

offerplechtigheid, de priesters hoonde, werd hij gegrepen en tot straf

aan een eenzame rots geketend, waar hij moest verhongeren.

„Toen hij nu daar vastgeketend stond, had hij geen berouw, maar hij

vloekte de menschen, die hem zoo gestraft hadden en den oppergod, die

hem wel het ruischen van zijn kar had doen hooren, doch hem niet

verschenen was. Dat maakte den oppergod toornig en hij hield den

doodsgeest ver van de rots waar Sinterfietzilo aan was vastgeketend,

zoodat de zondaar eeuwig moest hongeren.

„Maar Sinterfietzilo op zijn beurt, vloekte den oppergod en tartte hem,

zeggend: „Du wreedaard, het leven kunt di mij wel geven, maar nemen

kunt di het mi niet!”

„De oppergod nu, daalde af en verscheen hem en zeide:

„„Wat, du maaksel van mijn handen. De sterren allen kan ik met één slag

vernietigen en dan zou ik di niet kunnen verpulveren?”

„„Neeniet, du machtelooze. Want wat geweest is, is geweest en du kunt

het niet ongedaan maken.”

„„Du menschenbroedsel, wat let mi, en ik vernietig di en de heele

wereld met di?”

„„Du kunt niet.... du kunt niet.... Want wat geweest is, is

geweest....”

„Toen nam de oppergod de zon van den hemel en door het gat stortte een

stroom water over de aarde en alles wat daar op leefde verdronk.

„Jaren liet de Oppergod de aarde zoo woest en ledig. Toen hing hij de

zon weder uit en de aarde droogde en de landen kwamen weer boven en de

levensboom sloeg weer nieuwe wortels en nieuwe menschen groeiden er

aan, geslacht na geslacht en op een dag werd ook Sinterfietzilo weder

geboren en weer droomde hij zijn doodsdroom en weer stond hij tegen den

oppergod op en toen hij weder geketend was, daar sprak hij tot den

oppergod:

„„Ziet di wel, dat du machteloos bent. Hier ben ik weer en wat geweest

is, is geweest en geen macht, in de hemelen net zoomin als op de aarde,

kan vernietigen wat bestaan heeft.”

„Toen werd de oppergod zoo woedend, dat de wereldzee opschuimde en de

heele aarde overstroomde. En weer was de aarde woest en ledig, eeuwen

na eeuwen tot de oppergod voldaan was en moede van het straffen. De

wateren weken terug en de aarde dook weder op en de levensboom sloeg

nieuwe wortels en de eerste menschen werden geboren en geslacht volgde

op geslacht tot Sinterfietzilo geboren werd en tot man opgroeide en

zijn droom van den dood droomde en de priesters hoonde en weder

geketend werd aan de rots. En weder smaadde hij den oppergod.

„De god nu heeft zoo duizendmaal het menschdom vernietigd en

duizendmaal is de levensboom weder opgegroeid en Sinterfietzilo is uit

de geslachten opgestaan en heeft telkens met meer smaad den oppergod

gehoond, omdat hij niet ongedaan kon maken wat gedaan was. Toen heeft

de oppergod hem laten leven, zoo vastgebonden aan de rots, eeuwig

versmachtend en nooit kunnende verdwijnen. En tot straf zendt de

oppergod elk jaar een heiligen gier naar Sinterfietzilo en deze rijt

hem met den scherpen snavel zijn lever uit. Daar lijdt Sinterfietzilo,

de godenhoner, dan ’t heele jaar onduldbare smarten door, tot de lever

is aangegroeid. En dan na één jaar, zoodra de lever genezen is, komt de

heilige gier opnieuw. En dat altoos door, jaar na jaar, totdat

Sinterfietzilo deemoedig is geworden en erkennen wil dat de oppergod

almachtig is. Maar Sinterfietzilo lijdt liever alle eeuwige smarten dan

dat hij zich verdeemoedigd. En de oppergod is onmachtig, want wanneer

hij den levensboom uitroeit, roeit hij zichzelf uit, omdat de wortels

van den levensboom gevoed worden door de ziel van den oppergod, die den

levensboom uitroeiend tegelijk zichzelf zou uitroeien. Zoo leven zij

dan, beiden in eeuwigen strijd, Sinterfietzilo en de oppergod en de

strijd kan slechts eindigen, wanneer beiden sterven en daarom zal de

strijd eeuwig duren, want alles kan de oppergod, behalve dit ééne,

zichzelf vernietigen. Daarom is in dezen strijd geen overwinnaar en

geen overwonnene maar een eeuwige kamp....”

De sprokespreker zweeg en bleef in het vuur staren. Harimona hief het

hoofd op naar Sogol en zij zag, dat tranen langs zijn wangen biggelden.

„Waarom weent di?” vroeg ze zacht, opstaande dan en hem haar arm

troostend om den hals leggend.

„Zou ik niet weenen?... Wèl heeft hij de waarheid gesproken....

Sinterfietzilo, dat ben ik.... en dat is elkeen die naar de

ontraadseling van het geheim des levens streeft... En toch, hij had

gelijk, Sinterfietzilo had gelijk...”

De sprokespreker zag met eerbiedige bewondering naar Sogol op.

„Groote Heer, is het mogelijk, dat zooveel wijsheid van di

afstraalt.... Want ook ik Heer, geef Sinterfietzilo gelijk.... hij is

grooter dan de oppergod. Want de oppergod heeft de macht tot aanval en

bestraffing, maar Sinterfietzilo heeft slechts de macht tot

verdediging.”

„En wat denkt de heilige vrouwe?” vroeg Sogol, zacht ironisch.

„Ik denk, dat Sinterfietzilo ongelijk heeft...”

„Ik wist het, dat du zoo denken zoudt,” antwoordde Sogol onwillig. „En

waarom heeft hij ongelijk?”

„Omdat hij met menschenkracht den hemel wil bestormen. Laat menschen

met menschen en goden met goden strijden. Kampt bij het zwaardspel de

dwerg tegen den reus? Of de zwakke tegen den sterke? Neen, nietwaar,

alleen de strijd tusschen porturen met gelijke zwaarden is schoon en

edel...”

De sprokespreker was opgestaan en naderbij gekomen. Nu vleide hij zich

voor Harimona neder en keek naar heur op met groote, verbaasde oogen.

„Wat is het zwaard van Sinterfietzilo?... Een kleine, kromme sikkel vol

scharen, het arme, geringe menschenverstand. Maar de oppergod heeft het

reuzenzwaard, waarmede hij met één slag de zon van den hemel kan

losslaan, gelijk een schild van den wand. Zaagt du ooit een boer

vechten tegen een hertog? De boer lag geveld vóór hij den hertog

geraakt had. Zoo Sinterfietzilo, die den oppergod te lijf wil. Du

kondet sprokespreker, dat de oppergod alles vermag, behalve zichzelf te

vernietigen. Maar ik zeg di, dat hij ook dàt zou kunnen, als hij dat

wilde...”

„Onmogelijk, onmogelijk!” kreet Sogol, als voelde hij de smart van den

gier, die hem de lever openreet.

„Wanneer du denkt met dijn verstand... dan ja, mijn bruidegom, is het

mogelijk. Maar als di den oppergod wilt naderen, in zijn

ondoorgrondelijk wezen, moet du hem tegemoet treden zooals de boer, die

den hertog tegemoet komt, niet met zijn sikkel gescherpt en gereed tot

den ongelijken strijd, maar deemoedig en vol vertrouwen, zooals dat een

boer past, die niet weet welke groote wijsheid woont in ’t hoofd zijns

heeren, noch richten kan over diens wil en daden. Het goddelijke vangt

aan, waar het menschelijke eindigt...”

Zij schrikte even op. De sprokespreker was met gebukt hoofd tot aan

heur voeten gekropen en had die gekust.

„Kus mi niet, maar kus den geest, die door mi spreekt!” zeide zij, heur

voet terugtrekkend.

„Di kan hij niet kussen dan in dijn lichaam!” antwoordde Sogol. En zich

tot den sprokespreker richtend:

„Du man, sta recht. Ik houd niet van gebogen ruggen. Het dier gaat

gebukt, omdat het een slaaf is, maar de mensch gaat rechtop. Zijn

verstand heeft hem bevrijd uit den eersten staat der onderworpenheid.

En het zal hem bevrijden uit den tweeden staat, tot hij vliegen kan

gelijk de geest, zonder de afstanden te kennen, noch den duur van den

tijd...”

„En wat de mensch zou kennen, dat zou de oppergod niet vermogen?” vroeg

Harimona, zacht-droevig haar geliefde aanziende. „Want wie tijd en

afstand kan vernietigen, die kan ook méér vernietigen, dan een

menschenverstand kan uitdenken. Hoe groot is niet het onderscheid

tusschen het dierenverstand en het menschenverstand. En du zoudt

meenen, dat dan de afstand tusschen menschenverstand en godenwijsheid

niet nog grooter moest zijn? Dijn trouw paard groef wel een gat in den

wand van ’t donkere hol, waar zijn meester lag geketend. Maar méér

vermocht het niet. Zoo dan, wel kunt di een gat graven in den

hemelwand, waarachter de groote goden zijn, maar ze bevrijden kunt di

niet, omdat dijn verstand daartoe niet reikt. Het is niet hun schuld,

dat zij voor di onbereikbaar zijn, maar dijne. De oppergod kan alles,

alles, alles, maar Sinterfietzilo kan niet alles, alles, alles

begrijpen. En daarom past hem deemoed en vertrouwen en zoo goed als de

wantrouwige godenvijand door den oppergod wordt gestraft, zoo goed

wordt de vertrouwer in zijn alwijsheid beloond...”

„O vrouwe... o heilige vrouwe... hoe dank ik di... straks schonkt di mi

spijs en drank voor het hongerende lichaam, maar dit is meer... want du

verzaadt mijn smachtende ziel... o, heilige vrouwe!”

De sprokespreker had zich weder voor haar neergebogen en weende van

dankbaarheid.

„Ik wil niet, ik wil niet!” kreet Sogol. Hij bracht beide handen aan de

zijde, alsof zijn lever hem pijn deed. En opeens, in toornige woorden

losbarstend: „Ik kàn niet vertrouwen... ik kàn mi niet

verdeemoedigen... Ja, du vrouwen, die van dijn eerste jeugd gewend

wordt op te zien en te vertrouwen en deemoedig te zijn en afhankelijk

te wezen van den man... du kunt di verdeemoedigen ook voor de goden...

En du sprokespreker, die rondreist, verbeeldend en lofzingend en uw

woord tot dienend verheerlijken van anderer daden maakt—du kunt

vertrouwen. Het is dijn slaafsche, zwakke aard... Maar ik ben een

vorstenzoon en de kampioen, die voor mi verschijnt met verdekt gelaat,

ik dwing hem met mijn zwaard ’t gelaat te toonen... Rechtop ben ik

geboren en rechtop wil ik leven, al moet het dan ook zijn opblikkend

naar den hemel, met een vloek op de lippen en een traan van smart in ’t

oog. Mijn verstand is geen sikkel... het is een scherp gewet zwaard,

dat ik wèl weet te hanteeren... En dit zeg ik di vrouw, en dit zeg ik

di, sprokespreker... een slavengod mint de gebogen ruggen, maar een

heerengod mint het opgerichte gelaat en ’t gereede zwaard. Ik zeg di,

dat er niets bestaat buiten het verstand, en wat buiten het verstand

bestaat, welnu, dat het vertrouwen vrage en deemoed eische van die dat,

wat buiten het verstand is, bezitten...”

„Ik bezit het!” zeide Harimona fier.

„Heilige vrouwe!” murmelde de sprokespreker.

„Slaafschen zin bezit di! Een kol zijt di en een leugenwijf”, toornde

Sogol op... „Ha... Sinterfietzilo.. wel bent di eenzaam aan dijn rots

van marteling geketend... Want die ’t liefste di was, staat het verste

van di... Gelooft di vrouw? Zeg mi, gelooft di in de goden?”

Hij pakte haar bij den arm en schudde haar heftig.

„Ja heer... ik geloof... ik kan niet anders dan gelooven. Want wat in

mij is, volgt niet mijner wil maar die der goden...”

„Wat... na al wat du ervaren hebt aan mijn zijde, gelooft di nog?”

„Hoe meer ik ervoer, hoe dieper ik geloofde...”

„Dan weg, wèg uit mijn huis... du slavenziel, du leugenkol... wèg,

wèg... ik wil di niet meer zien!...”

Hij wees haar met uitgestrekten arm naar de deur... Zij keek hem met

betraande oogen verwonderd aan en volgde dan de richting van zijn

uitgestrekten hand... naar de deur, de koude nachtlucht tegemoet.

De roodharige Scandiër, den rug gebogen, sloop haar na.

„Dien haar... Dien haar!” riep Sogol hem na... „Want dienen is dijn

aard, slaaf!”

Hij zonk eenzaam in zijn zetel terug en staarde in den flakkerenden

vuurgloed. Zijn mond vertrok zich tot een breeden trek, zijn hart

bonste en zijn handen trilden.

Opeens stond hij op, trok zijn zwaard en ’t met de punt omhoog stekend,

liep hij naar buiten, keek omhoog in de winteravondlucht, waar de

gouden sterren in ’t diep blauw flonkerden...

„Tegen di, tegen di, tegen di, du mijn vijand zal ik kampen!” riep hij,

dreigend het zwaard hooghoudend, starend met vlammende blikken in de

lucht. „Verdoemd zijn de menschen, verdoemd zijn de goden... Het leven

is een verdoemenis!”

Ver op den blanken weg schreed donker de vluchtende Harimona en naast

haar de lange, magere sprokespreker, beiden de hoofden ver

voorovergebogen, inloopend tegen den snijdenden noordenwind.

Germania(#73888) · 第 41 / 44 题